terug  begin  verderprepost
[p. 17]

4B

Amsterdam[,] 19.7.'40

 

Zeer geachte Heer Vestdijk,

Ik ben U dankbaar voor Uw bereidwilligheid, om eens een persoonlijke kennismaking aan te knopen. Laat ons hopen, dat het in een serene herfst valt (al vrees ik erg voor de serenitas); misschien kunnen we dan over de politieke constellatie nog diverse nieuwe aspecten in ogenschouw nemen.

Ik ben vol bewondering voor de ongeschokte manier, waarop U doorwerkt, en ik heb met de grootste belangstelling kennis genomen van Uw mededelingen over ‘Rumeiland’1 en Aktaion.2 Het eerste lijkt mij naar wat U ervan vertelt, ook erg geschikt voor de U.S.S.R. - Men heeft daar een gloeiende haat tegen de Britten en de Britse hypocrisie (zoals U ook wel begrepen hebt uit de Sowjetpolitiek sinds verleden jaar). - Wat eventuële vertalingen betreft... men vertaalt daar altijd rechtstreeks, zodat Het Vijfde Zegel ook niet anders dan uit het Nederlands zou worden vertaald.3

 

In verband met mijn vluchtgeruchten (waar ze vandaan komen, weet ik niet, want ik heb geen geld om te vluchten, maar voel er daarenboven ook geen snars voor) moet ik U nog iets melden, wat U misschien in de tussentijd ook al hebt gehoord, n.l. dat Marsman en Tjerk Bottema (de schilder) bij een poging, om per schip

[p. 18]

vanuit Portugal naar Z. Afrika te vertrekken, zouden zijn omgekomen. Dit gerucht is hier zeer hardnekkig; Marsman's vrouw zou in een Engels hospitaal liggen.4

Ik heb werkelijk het gevoel, dat we de ondergang van het avondland nu meemaken, in de nuchterste, reëelste zin. Mensen en dingen, die een bepaalde toon aangaven, verdwijnen. Dat, wat ons beloofd wordt, is niet erg aanmoedigend. Men vraagt zich wel eens af, of het de moeite waard was, dat we hier ‘in het hartje van de Westeuropese cultuur’ zijn geboren en grootgeworden. Waarom was mijn grootvader geen boer in Bessarabië?

 

Ik heb momenteel niets liggen voor Groot-Nederland,5 maar zal, als ik iets produceer, heel gaarne dit ter inzage sturen. Overigens moet U daarover beslissen, geheel onafhankelijk van het feit, of ik enkele gebrekkige pogingen aanwend, om Uw werk in het buitenland verder bekend te maken. Ik werk nogal ongelijk; soms ben ik er wel eens naast, en ik ben er dan alleen maar mee gediend, dat men mij de waarheid vertelt.

Wat De Freule betreft6 ... ja, ik vind het verhaal niet zo heel erg slecht, maar ik moet langzamerhand leren, om op een andere manier te schrijven, en óok over andere dingen. Ik overweeg een kleine roman, die in de 2e helft van de vorige eeuw

[p. 19]

in Harlingen in een kapiteinsmilieu speelt.7 Maar het zal niet op Ina Damman c.s. lijken;8 ons verschil is geloof ik net het verschil tussen Marx en Freud!

 

Ik hoop U t.z.t. te berichten, wanneer ik graag in Doorn kom.

 

Hartelijk

Uw:

Theun de V.

1De eerste druk van Rumeiland. Uit de papieren van Richard Beckford, behelzende het relaas van zijn lotgevallen op Jamaica, 1737-1738 verscheen in november 1940 bij Nijgh & Van Ditmar te Rotterdam. In Groot Nederland jg. 38, dl. II, afl. 9, september 1940, p. 719-727, verscheen het fragment Dichter of piraat als voorpublikatie, in Criterium jg. 1, afl. 10, oktober 1940, p. 655-665, vervolgens het fragment Zeeschildpadden, slangen en bloedhonden. Vestdijk schreef over Rumeiland aan Theun de Vries: ‘Het is een soort “piratenroman” (waar geen piraat in optreedt overigens), met nogal wat critiek op het Engelsche karakter, speciaal de Engelsche hypocrisie. Dit overigens geheel ongewild, want tijdens het schrijven, heb ik meer aan de Hollandsche hypocrisie gedacht; maar zooals de conjunctuur nu is, heb ik er niet het minste bezwaar tegen, dat de “tendenz” in die richting wat wordt aangedikt, bij een eventueele vertaling, in het prospectus b.v.’ (Brieven uit de oorlogsjaren aan Theun de Vries, p. 12). Een Russische vertaling van Rumeiland is niet verschenen.
2De eerste druk van Aktaion onder de sterren. Roman uit het voor-Homerische Griekenland verscheen in het najaar van 1941 bij Nijgh & Van Ditmar te Rotterdam. In Groot Nederland verschenen in januari t/m november 1941 voorpublikaties uit deze roman. Van Aktaion onder de sterren is evenmin een Russische vertaling verschenen. Aktaion onder de sterren zou door De Vries in zijn artikel Aktaion of de mythe van de kunstenaar besproken worden in De Vrije Katheder jg. 5, no. 19, 17 augustus 1945, p. 124-125; ook in zijn artikel Vestdijk vernieuwd in De Vrije Katheder jg. 6, no. 25, 25 oktober 1946, p. 387, zou De Vries aandacht aan Aktaion onder de sterren besteden.
3De eerste druk van Het vijfde zegel. Roman uit het Spanje der inquisitie was in 1937 verschenen bij Nijgh & Van Ditmar te Rotterdam. In november 1939 verscheen ervan een geautoriseerde vertaling door Annie Gerdeck-de Waal bij het Rudolf M. Rohrer Verlag te Brünn, Wien & Leipzig. Vestdijk schreef over die vertaling op 18 juli 1940 aan De Vries: ‘Wanneer u er eenigen invloed op kunt uitoefenen t.z.t., zou het prettig zijn, wanneer Het Vijfde Zegel direct uit het Hollandsch [in het Russisch] vertaald werd. De Duitsche vertaling is niet al te best, en ik vrees, dat er, over 2 schakels, te veel verloren gaat.’ (Brieven, p. 12).
4Op 20 juni 1940 scheepte H. Marsman zich met nog achttien andere Nederlandse vluchtelingen te Bordeaux in op een klein motorschip, de Berenice, met als reisdoel Zuid-Afrika waar op dat moment al Jan Greshoff woonde. De dag daarop werd het schip door een Duitse torpedo tot zinken gebracht; alleen mevrouw R. Marsman-Barendregt werd gered. Aan boord bevond zich ook de schilder Tjerk Bottema (1882-1940), die eveneens verdronk (cf. Pieter A. Scheen, Nederlandse beeldende kunstenaars, 1750-1950 , deel A-L, 's-Gravenhage, 1969).
In zijn artikel Jaren met Marsman in de in haar geheel aan de nagedachtenis van Marsman gewijde aflevering van het tijdschrift Criterium, jg. 1, afl. 8/9, september 1940, p. 501-517, zou Theun de Vries zijn herinneringen aan Marsman opschrijven met gelijktijdige publikatie van de door Marsman met hem gevoerde correspondentie.
5Vanaf 1 januari 1936 vormde Vestdijk tezamen met Jan Greshoff, Jan van Nijlen en, tot diens dood op 23 juni 1936, Frans Coenen de redactie van het literaire tijdschrift Groot Nederland. In 1940 woonde Greshoff in Zuid-Afrika; Jan van Nijlen had altijd al weinig bemoeienis gehad met de redactionele zaken, zodat Vestdijk de voornaamste redacteur was, bijgestaan door Arthur E. van Rantwijk als secretaris. Vestdijk zou, in naam, tot mei/juni 1943 redacteur van Groot Nederland blijven; het tijdschrift werd daarna nog voortgezet tot juli 1944, waarna de verschijning werd gestaakt. Buiten een opstel over Dostojewski (zie brief 9B n. 9), zouden slechts Theun de Vries' verhaal Een mislukkeling en een aantal door hem vertaalde gedichten van Robert Louis Stevenson in Groot Nederland gepubliceerd worden, alle in augustus 1941.
6De novelle De freule verscheen in 1940 bij Van Loghum Slaterus' Uitgeversmaatschappij te Arnhem; in het colofon van deze uitgave staat vermeld: ‘De novelle “De Freule” begonnen in 1937 en in 1939 voltooid, maakt deel uit van de kroniek van het geslacht Wiarda, waarin voorts nog de novelle “De Bijen zingen” en de romans “Stiefmoeder Aarde” en “Het Rad der Fortuin” verschenen zijn.’ De freule verscheen voor het eerst in De Stem jg. 19, afl. 10, oktober 1939, p. 956-981.
7Bedoeld is de in 1952 bij Van Loghum Slaterus te Arnhem verschenen roman Anna Casparii of Het heimwee, het eerste deel van de cyclus De Fuga van de Tijd. In Gesprekken op donderdag. Theun de Vries praat met Jan Boelens (Amsterdam, 1981, p. 31) zegt De Vries over deze roman: ‘Eén keer heb ik een roman geschreven over een burgerlijke familie, kleine reders en zakenlui in Harlingen, Anna Casparii. Door toeval kende ik Harlingen uit mijn jeugd; ik had er familie wonen. Met een familielid [...] heb ik veel over Harlingen gesproken. Hij gaf mij een geestig en half-satirisch beeld van die bourgeoisie in een Fries havenstadje, zodat ik op sociologische gronden geïnteresseerd werd in het leven van die mensen [...].’ In een in De Volkskrant van 6 oktober 1981 afgedrukt interview voegde De Vries daaraan nog toe: ‘In de tijd dat ik Vestdijk heb leren kennen liep ik rond met het idee van de “roman gigantesque” [...]. Daarna ben ik begonnen met een serie “De fuga van de tijd”. Dat had mijn Rougon-Macquart moeten zijn. Nou, dat is het niet geworden. Het had een roman moeten zijn die eigenlijk mijn eigen levensgang, maar dan uitgebreid, meer naar de negentiende eeuw toe, zou weergeven [...]. Ik dacht aan een cyclus van zo'n 15, 16 romans.’
8 Terug tot Ina Damman. De geschiedenis van een jeugdliefde verscheen voor het eerst in november 1934 bij Nijgh & Van Ditmar te Rotterdam. Deze roman is het derde deel van de auto-biografische Anton-Wachtercyclus, gebaseerd op het omvangrijke en pas ná Vestdijks overlijden op 23 maart 1971, in september 1972 voor de eerste maal gepubliceerde manuscript Kind tussen vier vrouwen. Kroniek van een jongensleven . Evenals Sint Sebastiaan. De geschiedenis van een talent (1939, Anton-Wachterromans 1), Surrogaten voor Murk Tuinstra. De geschiedenis van een vriendschap (1948, Anton-Wachterromans 2), en De andere school. De geschiedenis van een verraad (1949, Anton-Wachterromans 4) is de plaats van handeling in Terug tot Ina Damman gesitueerd in Vestdijks geboorteplaats Harlingen (zie Nol Gregoor, Simon Vestdijk en Lahringen. De biografische achtergronden van de Anton Wachter-romans, Amsterdam-Den Haag, 1958; en R. Marres, Over ‘Terug-tot Ina Damman’ en de andere Anton Wachter romans van Simon Vestdijk , Amsterdam, 1981, p. 165-171).
prepostterug  begin  verder