terug  begin  verderprepost

3. S. Vestdijk aan D.A.M. Binnendijk

Doorn 7-9-'41

 

Beste Dick,

Dank voor je brief. Ik ben blij, dat je het nogal gemoedelijk opneemt, want na het

[p. 47]

verzenden van mijn blief vroeg ik mij af of ik niet te scherp was geweest, en niet al te kleinzeerig in dit geval. Maar je begrijpt de situatie, waarin ik verkeer. Er bereiken mij af en toe knipsels uit de zwarte-broeder-organen, die niet mis zijn, en ik was werkelijk even geschokt, toen mij een verre echo dezer phraseologie nu al uit mijn eigen tijdschrift tegengrijnsde. Dit is natuurlijk het nadeel ervan, dat verschillende mensen, en geheele ‘volksgroepen’ zelfs, dezelfde woorden gebruiken. Wat de zaak zelf betreft kan ik mij natuurlijk geheel bij je woorden neerleggen.

Er zit hier trouwens nog een andere kant aan vast, dat is onze vriend Van Hattum zelf. Ik kreeg indertijd al eens een vrij booze brief van hem, omdat ik iets geschreven had over ‘Andries de Hooghe-achtige strofen’, of iets dergelijks, waarbij ik, en dit was voor den ingewijde duidelijk genoeg, niet aan den toon, of den stijl, of de poëtische mérites, maar aan den inhoud had gedacht.56 Hij schreef mij, dat hij, en dat was toen al, met alleen een hinderlijk pre-fascisme aan de lucht, oppassen moest en dat dergelijke uitlatingen hem schaden konden, etc. Ik heb er toen maar niet op geantwoord, daar ik het geval vrij pijnlijk vond, en, net als jij nu, volkomen argeloos en te goeder trouw had gehandeld. Maar je voelt, dat jouw uitlatingen, wanneer daar op een of andere wijze bekendheid aan wordt verleend, - en de heeren weten precies hoe ze dat moeten doen! - dubbel erg voor hem zijn,57 even veel erger als die tijd minder erg was dan deze, en ‘Andries de Hooghe-achtige strofen[’] minder erg dan een ‘perverse verbeelding’. Ik ken Van Hattum niet persoonlijk, en ik ben niet zoo'n bewonderaar door dik en dun van zijn poëzie als jij schijnt te gelooven, maar ik vind hem toch een dichter van eenige beteekenis, dien ik alleen al uit collegialiteit enkele dingen zou willen besparen. Enfin, je denkt daar natuurlijk net zoo over, en ik schrijf dit dan ook alleen, omdat deze overwegingen tot mijn aanvankelijke gebelgdheid bijdroegen; zoodat nu alles opgehelderd is.

Pikant is nog - om nu maar van deze onaangename zaak eens en voor al af te

[p. 48]

stappen - dat je vroegere ‘vijand’ Du Perron de maanden voor zijn dood hevig de smoor had aan de ‘Amsterdamsche school,’ speciaal aan Van Hattum, en over de heeren zelfs nog een verschrikkelijk onaangenaam stukje heeft geschreven, dat hij mij toezond, en dat niet meer geplaatst is, voorzover ik weet.58 ‘Tien maal liever Boutens dan deze burgerjongen,’ - in dien trant ongeveer. Hij beschuldigde Marsman en mij ervan de jongere dichters systematisch te overschatten, uit een soort edelmoedigheid (Marsman: Eric van der Steen en Mok;59 ik: Van Hattum60). Daar ik van Du P.[erron] letterlijk alles verdragen kon, heb ik mij niet uit mijn tent laten lokken, en schreef hem, dat men het inderdaad ook zóo bekijken kon, dat zulk een correctie altijd wel eens goed was, etc. etc. Hij zal me wel erg karakterloos hebben gevonden, - alles ging overigens in de beste verstandhouding! - maar ik had werkelijk geen zin om nog meer lanzen te breken voor de jongeren, te meer omdat ik mij bewust was, dat Henny [Marsman] en ik inderdaad wel eens wat superlativistisch te werk gingen. Maar als je dit allemaal wilt gaan uitpluizen...

[p. 49]


illustratie
S. Vestdijk, ca. 1945

[p. 50]

Het is jammer, dat je Du P.[erron] nooit ontmoet hebt; het zou je waarschijnlijk net zoo gegaan zijn als mij met Buning.61 Maar het is waar: wanneer je lekker venijnig polemiseeren wilt, - een apart genoegen, maar gevaarlijk! - kun je elkaar in een klein land als het onze beter niet kennen!

Nog iets: de antithese, die je stelt tusschen jouw poëtische smaak en de mijne is veel minder scherp dan je denkt. Op het oogenblik, d.w.z. na zijn laatste publicatie, voel ik ook iets meer voor Den Brabander62 dan voor Van Hattum, en je zult moeilijk kunnen ontkennen, dat zijn evolutie in de richting is gegaan, die jij voorstaat. Ik ben alleen gevoelig voor een grooter aantal genres dan jij, hetgeen ik a priori helemaal niet als een voordeel beschouw, maar eenvoudig als feit constateer. In dit verband nog het volgende: ik heb je nooit geschreven hoeveel genoegen het mij deed, dat je in een bloemlezing de Apollinische Ode van mij opnam,63 dat ik zelf als mijn, meest geslaagde wil ik niet zeggen, maar zeker als mijn meest ‘poëtische’ vers beschouw, afgezien dan misschien van dat vers over ‘Klein Duimpje’,64 dat jij indertijd65 nogal goed vond, maar dat erg onder invloed stond van Lied van Herman van den Bergh.66 En zoo beschouw ik als jóuw beste gedicht altijd nog dat in Forum heeft gestaan (‘Het portret’, geloof ik; ik heb een slecht geheugen voor

[p. 51]

titels!), met de prachtige regel: ‘Nu neem ik afscheid van mijn tegenstander’,67 - een vers, dat heelemaal geen ‘concessies’ deed aan het ‘realisme’, maar dat een reeël en een incantief vers was. Misschien is het zoo, dat wij beiden even over onze onvermijdelijke grenzen heen moeten stappen om het beste te leveren? Over deze kwesties moeten we ‘na den oorlog’ eens van gedachten wisselen (d.w.z. buiten het al te persoonlijke om natuurlijk), en dan niet als polemiek, waarbij het erom gaat ‘gelijk’ te krijgen, maar meer als een soort georganiseerde polemiek, na onderlinge afspraak, en waarbij alleen de buitenstander den indruk krijgt, dat het bij tijden toch wel erg fel toegaat.68 Zooiets zweeft mij allang voor den geest, - een soort ‘polemiek in brieven’, zooals Henny en ik een ‘roman’ in brieven hebben geschreven.69 Maar ik weet natuurlijk niet, of jij hier iets voor voelt; en het nadeel zou kunnen zijn, dat we tenslotte zooveel overhoophalen, dat het ons boven het hoofd groeit! Maar ‘na den oorlog’ is in elk geval een aanlokkelijk vooruitzicht...

Ik merk, dat ik op mijn praatstoel geraakt ben!

 

Met hartelijke groeten, ook

aan Enny,

van je Simon.

56In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 18 maart 1939 besprak Vestdijk onder de titel Reddende rhetoriek de bundel Frisia non cantat door Jac. van Hattum; in die bespreking komt onder meer de volgende passage voor: ‘In Drie op één Perron was deze dichter, de zeldzaam boeiende diablerieën ten spijt, vrij zwak vertegenwoordigd [...]. Met des te meer genoegen stelt men de onverminderde waarde van dezen nieuwen bundel vast ten opzichte van De Pothoofdplant, den eersteling. Om critiek te kunnen formuleeren is men al haast aangewezen op [...] onmoralistische bedenkingen tegen den Andries de Hooghe-achtigen cyclus in het midden van het boek, die wellicht beter voor een afzonderlijke uitgave te bestemmen ware geweest [...].’ Bij bundeling van dit artikel ná, maar bedoeld voor publikatie tíjdens de oorlog formuleerde Vestdijk deze passage als volgt: ‘Om afwijzende critiek te kunnen formuleeren is men al haast aangewezen op [...] de Kwatrijnen met het bekende Oostersche rijmschema [...].’ (Muiterij tegen het etmaal, dl. 2, Poëzie en essay, 's-Gravenhage, 1947, p. 102).
Een brief door Van Hattum aan Vestdijk over deze bespreking is niet bewaard gebleven.
Vestdijk zou overigens in 1960 een bij G.A. van Oorschot te Amsterdam verschijnende bloemlezing uit het oeuvre van Den Brabander, Van Hattum en Hoornik - die, verwarrend genoeg, eveneens de titel Drie op één perron kreeg - inleiden.
57Gezien de verwijzing naar de dichter P.C. Boutens en diens homo-erotische bundel Strofen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe, doelt Vestdijk hier op Van Hattums homosexuele geaardheid.
58E. du Perron overleed op 14 mei 1940. Vier dagen later, op 18 mei, verscheen van zijn hand een bijdrage in het Bataviaasch Nieuwsblad, Poëzie op Amsterdamsch Peil, waarin hij onder meer schreef: ‘[...] er heeft voor mijn gevoel een overschatting plaats van deze dichtkunst: een mode-overschatting, een van die typische opblazerijen door een modesmaak ondernomen, welke nooit een werkelijke reputatie tot stand brengt.’ Het artikel werd op 25 mei gevolgd door Dichters van het berijmd cynisme. ( Verz. werk , dl. 6, Amsterdam, 1958, p. 533-539, resp. p. 539-546).
Op 11 april 1940 stuurde Du Perron aan Vestdijk een briefkaart, waarin hij zijn aanval op de Amsterdamse School aankondigde, en waarop hij schreef: ‘Ik denk dat ik binnenkort ruzie krijg met die “Amsterdamer Schule” die door jou en door Henny [Marsman] wel erg uitvoerig is vertroeteld [...]’, en, met name over Van Hattum, schreef hij: ‘God, God, de daimonie van dien schoolmeester! Zomaar van roode frik tot daimonoloog. Ik zou een stuk of 20 verzen van dezen heer “wel goed” hebben gevonden, maar een dichter ziet er, zelfs voor mijn gevoel, anders uit, en Boutens zou gelijk hebben als hij alleen maar op V. Hattum schold.’
59Over Marsmans bewondering voor het werk van Eric van der Steen en dat van Maurits Mok schreef Du Perron in zijn in noot 58 vermelde bespreking: ‘[...] Marsman heeft eenige Moks en Van der Steens bejubeld, met een verwaarloozing van alle proporties, die op het komische af was. Zóózeer leken de ouderen verzaligd, omdat uit wat eerst het Niets leek, plotseling een phalanx van opvolgers opdook, dat deze phalanx toen ook uit het eene genie naast het andere scheen te bestaan.’ Blijkens de door Jaap Goedegebuure aan Marsman gewijde biografie was Marsman erg geïnteresseerd in wat hij de ‘jongste generatie’ noemde. Hij is zelfs van plan geweest een bloemlezing uit hun werk en een bundel artikelen over hen samen te stellen; beide plannen zijn nimmer uitgevoerd (cf. Jaap Goedegebuure, Op zoek naar een bezield verband. De literaire en maatschappelijke opvattingen van H. Marsman in de context van zijn tijd, Amsterdam, 1981, dl. 1, p. 352).
60Naar aanleiding van Vestdijks waardering voor de poëzie van Jac. van Hattum schreef Du Perron in zijn in noot 58 vermelde bespreking: ‘Vestdijk is begonnen in zijn kritieken in de Nwe Rotterd. Crt. het talent der diverse Van Hattums vreugdevol te begroeten [...]. Mok[...] is schromelijk overprezen door Marsman; Van Hattum [...] precies zoo overschat door Vestdijk. In dit alles spreekt natuurlijk de literaire politiek mee; Marsman snakte waarschijnlijk weer naar iets echt oud-edels en bardachtigs na alle geslikte borrel-poëzie, Vestdijk had nog steeds meer dan genoeg van de getrainden en overtrainden in Boutensiaansche woordkunst [...].’ Zie voor Vestdijks verhouding tot Du Perron: J.L. Goedegebuure, Mijn ‘raadsman’ bleef, tot nader order, du Perron, in Vestdijk Kroniek nr. 9, september 1975, p. 56-64.
61Zie voor de moeizame relatie tussen Vestdijk en J.W.F. Werumeus Buning: P. Hijmans, Johan Willem Frederik Werumeus Buning, 1891-1958. Aantekeningen over werk en leven, met brieven en documenten , Groningen, 1969, m.n. p. 262-267; en: R. Th. van der Paardt, Vestdijk en Bunos, in Vestdijkkroniek nr. 15, maart 1977, p. 32-34.
62In juni 1941 was een tweede bundel Drie op één perron door Gerard den Brabander, Jac. van Hattum en Ed. Hoornik verschenen, in april 1941 voorafgegaan door de bundel De nieuwe Adam. Een poëtische dialoog in drie bedrijven door Den Brabander alleen. Of Vestdijk een van deze twee bundels op het oog had, en zo ja, welke, is onduidelijk.
63Het gedicht Apollinische ode werd voor de eerste maal openbaar gemaakt in Groot Nederland jg. 37, dl. II, afl. 8, augustus 1939, p. 148-151. Uit het feit echter dat Binnendijk in de door hem in juni 1941 bij P.N. van Kampen te Amsterdam gepubliceerde bloemlezing Dichters van dezen tijd. Oogst 1940 op p. 15 r. 15 ‘Moord kon worden afgezonden’ geeft, kan afgeleid worden dat hij Vestdijks gedicht aan diens in 1940 in een oplage van slechts 150 exemplaren bij Nijgh & Van Ditmar te Rotterdam verschenen bundel Klimmende legenden ontleend moet hebben (cf. Martin Hartkamp, Verantwoording, in S. Vestdijk, Verzamelde gedichten, Amsterdam - 's-Gravenhage, 1971, dl. 3, p. 455).
64Bedoeld is het gedicht Sprookje, dat voor het eerst openbaar gemaakt werd in Groot Nederland jg. 35, dl. I, afl. 1, januari 1937, p. 60-62. Het gedicht werd ook opgenomen in de bundel Klimmende legenden (1940). Het handschrift van het gedicht, dat bewaard wordt bij het Nederlands Letterkundig Museum, geeft inderdaad als ondertitel ‘(Paraphrase van Klein-Duimpje)’.
65Op welke manier Binnendijk Vestdijk van zijn mening over het gedicht Sprookje deelgenoot had gemaakt, is niet meer na te gaan.
66Bedoeld is het gedicht Lied, dat opgenomen was in de door Binnendijk uit de poëzie van Herman van den Bergh bezorgde bundel De spiegel, die verscheen als bijzondere aflevering van het tijdschrift De Vrije Bladen jg. 2, afl. 7/8, juli-augustus 1925.
67In Forum jg. 2, afl. 11, november 1933, p. 780 publiceerde Binnendijk het gedicht Het portret; het laatste van de zes strofen waaruit het gedicht bestaat, luidt als volgt: ‘Nu neem ik afscheid van mijn tegenstander,/Die in zijn dood portret mijn [sic] levender verscheen/Dan bij ontmoetingen, als ik den een/Niet onderscheiden kon uit aandacht voor de ander.’
Het gedicht werd opgenomen in de in september 1936 bij A.A.M. Stols te Maastricht verschenen bundel Onvoltooid verleden; in die bundel is de door Vestdijk bewonderde strofe gewijzigd in: ‘Nu neemt hij afscheid van zijn tegenstander,/Die in zijn dood portret hem levender verscheen/Dan bij ontmoetingen, als hij den een/Niet onderscheiden kon uit aandacht voor de ander.’ (p. 17).
Onvoltooid verleden werd besproken door Vestdijk in Groot Nederland jg. 34, dl. II, afl. 11, november 1936, p. 517-519. Over het in die bespreking met name genoemde gedicht Het portret schreef Vestdijk: ‘[...] het zeer verdienstelijke Het portret [...] beantwoordt ruimschoots aan alle eischen van een belangrijk-menschelijken inhoud. Het bitter bedwongen slot vooral, pyschologisch uitstekend verantwoord, legt getuigenis af van Binnendijk's begaafdheid voor het plastisch samenvatten van levenservaringen. Het behoeft ons niet te verwonderen, dat dit prachtige gedicht, in zijn eigen reeks althans, niet meer overtroffen wordt [...].’ (p. 518).
68Een dergelijk plan is blijkens het zes-delige Overzicht van de bijdragen van en over S. Vestdijk in letterkundige- en algemeen kulturele tijdschriften uit de jaren 1930-1972 door Jean Brüll (Utrecht, 1977-1981) nooit gerealiseerd.
69Met H. Marsman schreef Vestdijk de in 1936 bij Em. Querido te Amsterdam verschenen romanin-brieven Heden ik, morgen gij . De tweede druk van deze roman, die in 1948 bij G.A. van Oorschot te Amsterdam verscheen, was aangevuld met een door mevrouw R. Marsman-Barendregt bezorgde reeks van tussen Vestdijk en Marsman gewisselde brieven over het ontstaan van deze roman.
prepostterug  begin  verder