verzenden van mijn blief vroeg ik mij af of ik niet te scherp was geweest, en niet al te kleinzeerig in dit geval. Maar je begrijpt de situatie, waarin ik verkeer. Er bereiken mij af en toe knipsels uit de zwarte-broeder-organen, die niet mis zijn, en ik was werkelijk even geschokt, toen mij een verre echo dezer phraseologie nu al uit mijn eigen tijdschrift tegengrijnsde. Dit is natuurlijk het nadeel ervan, dat verschillende mensen, en geheele ‘volksgroepen’ zelfs, dezelfde woorden gebruiken. Wat de zaak zelf betreft kan ik mij natuurlijk geheel bij je woorden neerleggen.
Er zit hier trouwens nog een andere kant aan vast, dat is onze vriend Van Hattum zelf. Ik kreeg indertijd al eens een vrij booze brief van hem, omdat ik iets geschreven had over ‘Andries de Hooghe-achtige strofen’, of iets dergelijks, waarbij ik, en dit was voor den ingewijde duidelijk genoeg, niet aan den toon, of den stijl, of de poëtische mérites, maar aan den inhoud had gedacht.56 Hij schreef mij, dat hij, en dat was toen al, met alleen een hinderlijk pre-fascisme aan de lucht, oppassen moest en dat dergelijke uitlatingen hem schaden konden, etc. Ik heb er toen maar niet op geantwoord, daar ik het geval vrij pijnlijk vond, en, net als jij nu, volkomen argeloos en te goeder trouw had gehandeld. Maar je voelt, dat jouw uitlatingen, wanneer daar op een of andere wijze bekendheid aan wordt verleend, - en de heeren weten precies hoe ze dat moeten doen! - dubbel erg voor hem zijn,57 even veel erger als die tijd minder erg was dan deze, en ‘Andries de Hooghe-achtige strofen[’] minder erg dan een ‘perverse verbeelding’. Ik ken Van Hattum niet persoonlijk, en ik ben niet zoo'n bewonderaar door dik en dun van zijn poëzie als jij schijnt te gelooven, maar ik vind hem toch een dichter van eenige beteekenis, dien ik alleen al uit collegialiteit enkele dingen zou willen besparen. Enfin, je denkt daar natuurlijk net zoo over, en ik schrijf dit dan ook alleen, omdat deze overwegingen tot mijn aanvankelijke gebelgdheid bijdroegen; zoodat nu alles opgehelderd is.
Pikant is nog - om nu maar van deze onaangename zaak eens en voor al af te
stappen - dat je vroegere ‘vijand’ Du Perron de maanden voor zijn dood hevig de smoor had aan de ‘Amsterdamsche school,’ speciaal aan Van Hattum, en over de heeren zelfs nog een verschrikkelijk onaangenaam stukje heeft geschreven, dat hij mij toezond, en dat niet meer geplaatst is, voorzover ik weet.58 ‘Tien maal liever Boutens dan deze burgerjongen,’ - in dien trant ongeveer. Hij beschuldigde Marsman en mij ervan de jongere dichters systematisch te overschatten, uit een soort edelmoedigheid (Marsman: Eric van der Steen en Mok;59 ik: Van Hattum60). Daar ik van Du P.[erron] letterlijk alles verdragen kon, heb ik mij niet uit mijn tent laten lokken, en schreef hem, dat men het inderdaad ook zóo bekijken kon, dat zulk een correctie altijd wel eens goed was, etc. etc. Hij zal me wel erg karakterloos hebben gevonden, - alles ging overigens in de beste verstandhouding! - maar ik had werkelijk geen zin om nog meer lanzen te breken voor de jongeren, te meer omdat ik mij bewust was, dat Henny [Marsman] en ik inderdaad wel eens wat superlativistisch te werk gingen. Maar als je dit allemaal wilt gaan uitpluizen...

Het is jammer, dat je Du P.[erron] nooit ontmoet hebt; het zou je waarschijnlijk net zoo gegaan zijn als mij met Buning.61 Maar het is waar: wanneer je lekker venijnig polemiseeren wilt, - een apart genoegen, maar gevaarlijk! - kun je elkaar in een klein land als het onze beter niet kennen!
Nog iets: de antithese, die je stelt tusschen jouw poëtische smaak en de mijne is veel minder scherp dan je denkt. Op het oogenblik, d.w.z. na zijn laatste publicatie, voel ik ook iets meer voor Den Brabander62 dan voor Van Hattum, en je zult moeilijk kunnen ontkennen, dat zijn evolutie in de richting is gegaan, die jij voorstaat. Ik ben alleen gevoelig voor een grooter aantal genres dan jij, hetgeen ik a priori helemaal niet als een voordeel beschouw, maar eenvoudig als feit constateer. In dit verband nog het volgende: ik heb je nooit geschreven hoeveel genoegen het mij deed, dat je in een bloemlezing de Apollinische Ode van mij opnam,63 dat ik zelf als mijn, meest geslaagde wil ik niet zeggen, maar zeker als mijn meest ‘poëtische’ vers beschouw, afgezien dan misschien van dat vers over ‘Klein Duimpje’,64 dat jij indertijd65 nogal goed vond, maar dat erg onder invloed stond van Lied van Herman van den Bergh.66 En zoo beschouw ik als jóuw beste gedicht altijd nog dat in Forum heeft gestaan (‘Het portret’, geloof ik; ik heb een slecht geheugen voor
titels!), met de prachtige regel: ‘Nu neem ik afscheid van mijn tegenstander’,67 - een vers, dat heelemaal geen ‘concessies’ deed aan het ‘realisme’, maar dat een reeël en een incantief vers was. Misschien is het zoo, dat wij beiden even over onze onvermijdelijke grenzen heen moeten stappen om het beste te leveren? Over deze kwesties moeten we ‘na den oorlog’ eens van gedachten wisselen (d.w.z. buiten het al te persoonlijke om natuurlijk), en dan niet als polemiek, waarbij het erom gaat ‘gelijk’ te krijgen, maar meer als een soort georganiseerde polemiek, na onderlinge afspraak, en waarbij alleen de buitenstander den indruk krijgt, dat het bij tijden toch wel erg fel toegaat.68 Zooiets zweeft mij allang voor den geest, - een soort ‘polemiek in brieven’, zooals Henny en ik een ‘roman’ in brieven hebben geschreven.69 Maar ik weet natuurlijk niet, of jij hier iets voor voelt; en het nadeel zou kunnen zijn, dat we tenslotte zooveel overhoophalen, dat het ons boven het hoofd groeit! Maar ‘na den oorlog’ is in elk geval een aanlokkelijk vooruitzicht...
Ik merk, dat ik op mijn praatstoel geraakt ben!
Met hartelijke groeten, ook
aan Enny,
van je Simon.