'Het verdwijnende kinderboek. Opvattingen over jeugdliteratuur na 1980'


auteur: Anne de Vries


bron: Anne de Vries, ‘Het verdwijnende kinderboek. Opvattingen over jeugdliteratuur na 1980.’ In: Leesgoed jrg. 17 (1990) nr. 2, p. 64-68  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 64]

Het verdwijnende kinderboek
Opvattingen over jeugdliteratuur na 1980

door Anne de Vries

‘Literatuur bestaat pas als ze gelezen wordt’, aldus de auteur van dit artikel, en kinderliteratuur bestaat dus pas als kinderen die literatuur lezen. Boeken waarvan kinderen niets begrijpen zijn volgens deze redenering dan ook geen kinderboeken, en als een jury zulke boeken ook nog bekroond levert ze een bijdrage aan het verdwijnen van echte kinderboeken. Een pleidooi voor ‘boeken die voldoen aan de eis van Blokker dat ze aantrekkelijk moeten zijn voor alle leeftijden’. Jan Blokker wordt niet voor niets genoemd; die is nu juist voorzitter geweest van zo'n jury.

Dit artikel is de neerslag van een SLAA-lezing gehouden op 30 januari 1990 in ‘De Balie’ te Amsterdam. Op die lezing reageerde Jan Blokker tijdens de uitreiking van de Libris Woutertje Pieterse Prijs: zie de rubriek Beluisterd en bekeken. Vandaar het naschrift bij dit artikel. Zowaar weer eens een kleine polemiek!

Anne de Vries is hoofd van de dienst Boek en Jeugd van het NBLC.

Het verdwijnende kind

Verdwijnt het kinderboek? Als u de opvattingen van Neil Postman kent, de Amerikaanse mediadeskundige, vindt u dat misschien niet zo'n vreemd idee. Volgens Postman voltrekt zich een culturele revolutie door de opkomst van de televisie: doordat kinderen volop naar tv-programma's voor volwassenen kijken, zou de jeugd als aparte fase verdwijnen. Verder verdedigt Postman net als veel andere mediaprofeten de stelling dat het gedrukte woord zal verdwijnen: we amuseren ons kapot bij de televisie tot niemand meer een boek kan lezen. Het ligt dus voor de hand dat in ieder geval het kinderboek verdwijnt: daarvoor hoeft immers maar één van deze stellingen juist te zijn.

Over het al dan niet verdwijnen van de leescultuur wil ik het nu niet hebben: daar is de laatste jaren al genoeg over gezegd. Maar wat het verdwijnende kind betreft, is er sprake van een merkwaardig misverstand. Volgens Postman krijgen kinderen niet meer de kans om ongestoord kind te zijn: door de televisie hebben ze deel aan de wereld van de volwassenen, zodat er geen geheimen overblijven, geen zekerheden, die voor kinderen zo geruststellend zijn. Tijdens Watergate konden kinderen zomaar op de televisie zien dat de president van de Verenigde Staten een boef was. En dus, zegt Postman, houden kinderen niets meer over om in te geloven.

Hij bedoelt dus niet dat het kind als zodanig verdwijnt, maar alleen het ‘onschuldige’ kind: de lekkere deugniet met zijn hartje van goud, het onbezorgdgelukkige kind, met zijn ‘tere kinderziel’ die overgevoelig is voor verkeerde indrukken. Kortom: het kind dat alleen bestond in de fantasie van lichtelijk sentimentele, maar o zo idealistische opvoeders.

Dit kind, dat u allemaal kent van de plaatjes van Rie Cramer, was ook lange tijd maatgevend in de wereld van het kinderboek: het was de lezer van het Verantwoorde Kinderboek, aanbevolen door Betrouwbare Recensenten. Erg talrijk waren die lezers niet: in Het jeugdboek in de loop der eeuwen (1949) vermeldt J. Riemens-Reurslag een lijst uit 1932 met de allerbeste kinderboeken van dat moment. Zeventien jaar later was nog geen van die boeken herdrukt, behalve Rijmpjes en versjes uit de oude doos en Dik Trom (dat min of meer per ongeluk op die lijst was gezet, want het was in 1932 zeer omstreden).

Niemand wilde de Verantwoorde Kinderboeken lezen, er waren zelfs geen Verantwoorde Ouders die ze voor hun kinderen kochten. De kinderen lazen Dik Trom of - nog erger! - Pietje Bell, en allerlei avonturenromans. Over Karl May voerden Ernstige Opvoeders lange discussies, terwijl de kinderen boven in bed hun lievelingsboek lagen te lezen: Winnetou, het opperhoofd der Apachen of Winnetou's dood. Het is dus geen wonder dat Ida Heijermans in 1906 adviseerde bij de lectuurvoorziening géén rekening te houden met de voorkeur van kinderen: zij vinden vaak de verkeerde boeken mooi; daarom moeten volwassenen toezicht houden op hun lectuur.

Natuurlijk was niet iedereen zo bezorgd:

[p. 65]

anders waren er immers geen spannende kinderboeken geweest. Maar de pedagogische betutteling was bijzonder taai: pas in de jaren zestig is ze verdwenen. Het onschuldige kind bestaat niet meer, in een kinderboek kan tegenwoordig alles aan de orde komen. Het kind verdwijnt dus niet alleen door de televisie, maar ook door het kinderboek (maar dat leest Postman waarschijnlijk niet). Die ontwikkeling begint eigenlijk al bij de kinderversjes van Annie Schmidt, waarin de gangbare moraal wordt ondermijnd door een vrolijke anarchie, maar ze is na 1970 aanzienlijk versneld.

Alleen voor kinderen?

Kinderboeken hoeven niet meer kinderachtig te zijn, en daardoor zijn ze ook interessanter geworden voor volwassenen: want pas als de censuur eindigt, krijgt de literatuur een kans. Terwijl Jan Blokker in 1974 nog de stelling kon verdedigen dat het kinderboek in literair opzicht nooit iets nieuws had voortgebracht, moest hij in 1988 toegeven dat het niet wezenlijk verschilt van andere boeken: ‘Alle boeken maken, als ze goed zijn, gelijkelijk deel uit van wat we literatuur noemen.’ Weliswaar deed hij zijn eerste uitspraak in een boutade, terwijl hij in 1988 een juryrapport voorlas; en in 1974 keerde hij zich tegen het goedbedoelde engagement van die tijd, terwijl hij in 1988 de andere kant benadrukte. Maar dat neemt niet weg dat zijn bekering mede te danken is aan een verandering van het kinderboek zelf.

 

Als het kinderboek als aparte categorie verdwijnt, heeft dat op zijn minst één voordeel. Volwassenen kunnen dan ook eens voor hun eigen genoegen een kinderboek lezen. Veel kinderboeken komen daarvoor in aanmerking; niet alleen klassieke boeken als Alice in Wonderland, maar bijvoorbeeld ook Het vlot van Wim Hofman, dat vorig jaar werd bekroond met een Gouden Griffel. Er is geen wezenlijk verschil tussen kinderen en volwassenen; de laatsten hebben wat meer levenservaring, en daardoor wat meer kennis (en misschien wat minder fantasie), maar dat zijn graduele verschillen. Er is ook geen wezenlijk verschil tussen kinderboeken en literatuur voor volwassenen. Een kinderboek is alleen bestemd voor lezers met wat minder leeservaring en minder levenservaring. Daarom is het meestal eenvoudiger van compositie, en eenvoudiger van ideeënwereld. Hoewel, het laatste is misschien maar schijn: de eenvoudige taal wekt de indruk dat het allemaal niet zo diep gaat. In werkelijkheid ligt de complexiteit van de ideeën er alleen niet zo dik bovenop, maar dat geldt tenslotte ook voor Elsschot en Nescio.

De beoordeling van kinderboeken

Nogmaals: ik zie geen wezenlijk verschil tussen kinderboeken en literatuur voor volwassenen. Als ik het heb over het verdwijnende kinderboek, doel ik op de neiging óók het graduele verschil over het hoofd te zien, en dus niet langer rekening te houden met de geringere leeservaring van kinderen. Dit verschijnsel is voor het eerst waar te nemen in de jaren zeventig. Tot die tijd hadden de literaire argumenten bij de beoordeling van kinderboeken altijd in dienst gestaan van de beleving van kinderen; na 1970 werden kinderboeken voor het eerst bekeken vanuit een autonome literatuuropvatting, waarin het gaat om een abstracte Literaire Waarde. Overigens was dat toen nog een randverschijnsel: ik heb het alleen aangetroffen in enkele recensies van Kees Fens en de boutade van Jan Blokker die ik zojuist noemde.

 

Maar na 1980 is deze tendens toegenomen, zoals uit allerlei dingen blijkt: bekroningen, juryrapporten, recensies (ik kom daar nog op terug). Het blijkt ook uit sommige reacties op het proefschrift dat ik vorig jaar publiceerde. Daarin behandel ik de opvattingen over kinderliteratuur in Nederland sinds 1880, en een aantal recensenten vond het jammer dat ik niet duidelijker mijn eigen mening geef. Ze bleken allemaal al te weten wat die mening had moeten zijn: het kinderboek moet als kunstwerk beoordeeld worden, en verder niets. Het betrof enkele prominente recensenten van kinderboeken; en de keuze die ik had moeten maken, is natuurlijk hún keuze. Vijftien jaar geleden was me waarschijnlijk hetzelfde overkomen, alleen zouden de toonaangevende recensenten me toen verweten hebben dat ik niet aangaf dat het kinderboek op zijn maatschappelijke relevantie beoordeeld moest worden.

Als ze worden geconfronteerd met verschillende opvattingen over jeugdliteratuur, zijn veel recensenten geneigd hun eigen opvatting als de enig juiste te zien. Voor wetenschappelijk onderzoek is dat natuurlijk niet zo'n bruikbaar uitgangspunt. Ik heb de opvattingen in de afgelopen honderd jaar zo goed mogelijk beschreven en geanalyseerd, maar in een wetenschappelijke studie kun je niet uitmaken wat de ‘juiste’ benadering is, je kunt hooguit de premissen toetsen waarop die opvattingen gebaseerd zijn. Zo kun je constateren dat de vertegenwoordigers van de pedagogische benadering - zoals Ida Heijermans - de morele invloed van kinderboeken nogal overschatten, omdat ze geen rekening houden met de manier waarop kinderen lezen.

 

Mijn proefschrift gaat over de periode tot 1980. Bij zo'n onderzoek moet je nu eenmaal énige afstand bewaren: je kunt moeilijk vaststellen dat er al bijna tweehonderd jaar een bepaald patroon bestaat, maar dat het de laatste paar jaar allemaal anders is geworden. Pas over tien of twintig jaar zal immers duidelijk zijn of het werkelijk om een nieuwe ontwikkeling gaat, of om een modegril. In een lezing hoef je natuurlijk niet zo terughoudend te zijn. Daarom wil ik vanavond iets zeggen over de ontwikkelingen na 1980; en om de eerdergenoemde recensenten een plezier te doen, zal ik daarbij vrijmoedig mijn eigen mening geven.

Literaire argumenten winnen terrein

Om de ontwikkelingen na 1980 te beschrijven, moet ik beginnen in 1970. In één opzicht is er een duidelijke grens in 1980: dan is het afgelopen met de ideologische benadering van het kinderboek, die in de jaren zeventig domineerde. Maar de benadering die na 1980 steeds sterker werd, althans bij een aantal recensenten, begint al veel eerder: nog vóór het engagement van de jaren zaventig op zijn hoogtepunt was. Je kunt de ontwikkeling voorstellen als een slingerbeweging; al vóór de slinger begint door te slaan, komt er een tegenbeweging op gang.

De verschuiving naar een literaire beoordeling van kinderboeken is heel duidelijk als je kijkt naar de Gouden Griffels die sinds 1971 zijn toegekend, en naar de juryrapporten die toen werden gepubliceerd. Tot 1975 zijn de juryrapporten niet veel meer dan annotaties. Daarna worden ze steeds uitvoeriger: ze bevatten betere analyses, waarin meer aandacht wordt besteed aan lietraire aspecten. Ook het karakter van de bekroonde boeken verandert. Het meest opvallende aan de eerste Gouden Griffels is hoe populair de keuze aanvankelijk was. Er werden boeken bekroond die nu alleen nog in aanmerking zouden komen bij de kinderjury: Het malle ding van Bobbistiek (1971), De Marokkaan en de kat van tante Da (1973), Het wereldje van Beer Ligthart (1974); de titels spreken soms al boekdelen. In 1971 werd nota bene een Gouden Griffel toegekend voor Het malle ding van Bobbistiek van Leonie Kooiker, en een Zilveren Griffel voor Minoes van Annie Schmidt. Wat de jury ook bewogen heeft, zeker géén literaire maatstaven. Misschien een grotere spreiding van prijzen?

In 1974 werd Het wereldje van Beer Ligthart in De Volkskrant besproken door Kees Fens. Dat dit boek werd bekroond als het beste kinderboek van het jaar vindt hij kenmerkend voor de maatstaven die bij de beoordeling van kinderboeken worden gehanteerd. Het is volgens hem een aaneenrijging van gemeenplaatsen: de auteur kan niet vertellen en zal dat ook nooit kunnen ‘want hij bezit geen taal’. Wat overblijft is een hoop sentiment, zegt Fens: het boek is een smartlap voor kinderen, die hen ongetwijfeld diep zal raken. Deze recensie was nogal pijnlijk voor het kinderboekenwereldje, want tot dat moment hadden alle recensenten het boek, over een jongen die blind wordt en ‘zijn handicap leert aanvaarden’, heel ontroerend genoemd.

Het kan toeval zijn, maar in 1975 is het juryrapport al meteen veel uitvoeriger. Geleidelijk krijgt de prijs ook een meer literair karakter, maar dat is waarschijnlijk te danken aan het feit dat Guus Kuijer in 1975 debuteerde, en in de jaren daarna verscheidene Griffels in ontvangst nam. Toen in 1980 een Gouden Griffel werd toegekend aan Simone Schell, voor Zeezicht, gebruikte de jury wel allerlei literaire argumenten, maar die bleken nergens op te berusten: ze werden al snel door enkele critici doorgeprikt.

[p. 66]

Dat markeert opnieuw een grens, want in de jaren zeventig had de kritiek op de Griffels vooral een ideologisch karakter gehad. De werkgroepen die waakten over het alternatieve kinderboek publiceerden ieder jaar een alternatief juryrapport, waarin ze aanmerkingen maakten op de bekroning van boeken die niet helemaal zuiver in de leer waren. Toen er ten slotte werd afgerekend met de maatschappijkritische benadering, gebeurde dat met literaire argumenten. In recensies werd steeds meer bezwaar gemaakt tegen het modieuze engagement in kinderboeken. Men hekelde vooral de oppervlakkige manier waarop de maatschappelijke thema's werden uitgewerkt, zodat de lezer zich totaal niet kon inleven. Zoals één recensent het samenvat: als kinderen alle problemen van de wereld over zich heen krijgen, hebben ze ook recht op de beste schrijvers.

Alleen literaire maatstaven?

Bij de beoordeling van kinderboeken zijn literaire argumenten inmiddels vanzelfsprekend geworden. Misschien is de ontwikkeling van het kinderboek daardoor gestimuleerd. In ieder geval verschijnen er meer literaire kinderboeken: beter van taal, hechter van compositie. Het komt ook steeds vaker voor dat je een kinderboek op meer dan één niveau kunt lezen: het is niet alleen een spannend verhaal; op een abstracter niveau kun je er nog een andere betekenis aan toekennen, die er nu eens niet dik bovenop ligt, zoals vroeger in kinderboeken maar al te vaak het geval was.

Dergelijke kinderboeken bestonden natuurlijk al veel langer, denk maar aan de boeken van Annie Schmidt of Miep Diekmann, maar ze komen nu vaker voor. Daardoor kun je nieuwe vragen formuleren bij de beoordeling van kinderboeken. Niet dat je bij kinderboeken minder literaire eisen moet stellen dan bij boeken voor volwassenen, maar misschien moet je ze iets anders toepassen. Kinderen hebben recht op echte literatuur, dat is een prachtige slogan, maar literatuur bestaat pas als ze gelezen wordt. En bij kinderboeken moet je er rekening mee houden dat de lezers wel eens kinderen kunnen zijn: dus mensen met wat minder leeservaring en wat minder levenservaring. Als je daar geen rekening mee houdt, ontstaan er problemen: dan ga je bijvoorbeeld kinderboeken bekronen die eigenlijk geen kinderboeken zijn, omdat ze te moeilijk zijn voor kinderen: te moeilijk van taal, te moeilijk van compositie of te moeilijk van thematiek.

Meestal is men overigens wel bereid rekening te houden met kinderen. Het probleem ontstaat pas als juryleden zo diep onder de indruk zijn van een boek dat ze het eenvoudig niet over hun hart kunnen krijgen om het niet te bekronen. Dan worden de kinderen soms vergeten.

Een voorbeeld daarvan is de Gouden Griffel die in 1985 werd toegekend aan Kleine Sofie en Lange Wapper van Els Pelgrom: een verhaal dat bestaat uit de koortsdromen van een doodziek meisje, die worden gepresenteerd als een toneelstuk over ‘Wat Er In Het Leven Te Koop Is’. Het boek was ook beoordeeld door de kinderjury's in Noord-Holland, die er niets aan vonden. Volgens Marleen Wijma, die de kinderjury in Schagen organiseerde, komt dat doordat het verhaal ‘op een vrij abstract niveau gelezen moet worden’: als je de symboliek en de subtiele overgang van droomwereld naar realiteit niet herkent, kun je het eenvoudig niet volgen. En hoewel kinderjury's bestaan uit kinderen die graag lezen, bleken de meesten van hen hier niet toe in staat: in Schagen hadden maar twee van de vierentwintig juryleden het begrepen, de rest kon er geen touw aan vastknopen. Omdat de Griffels bedoeld zijn om belangstelling te wekken voor goede kinderboeken, vindt zij dat deze bekroning haar doel voorbijschiet: het is meer een boek voor volwassen critici dan voor kinderen.

In ‘De Blauw Geruite Kiel’ verdedigde jurylid Karel Eykman de beslissing van de Griffeljury: ‘Bij de volwassenen is het ook zo dat een jury uitmaakt dat Remco Campert de beste dichter is voor de P.C. Hooftprijs, terwijl het publiek blijft roepen dat het Nel Benschop moet zijn. [...] Zullen we het bij kinderen dan maar net zo doen?’ Een badinerende reactie, die erop neerkomt dat het oordeel van kinderen niet terzake doet. De vergelijking met de P.C. Hooftprijs gaat natuurlijk niet helemaal op. Griffeljury en kinderjury verhouden zich niet alleen als professionele lezers en publiek, er is ook nog dat kleine verschil tussen volwassenen en kinderen.

Helaas is er nooit iemand serieus ingegaan op de kritiek van Marleen Wijma. Want hoeveel kinderen moeten een boek eigenlijk begrijpen voor je het een kinderboek kunt noemen? Of is dat niet de juiste vraag? Natuurlijk hoeft een kinderboek niet door álle kinderen gewaardeerd te worden. Er bestaan schitterende kinderboeken die nooit een groot publiek zullen bereiken omdat ze veel inlevingsvermogen vragen, Het vlot van Wim Hofman bijvoorbeeld. Er zijn ook kinderboeken die te moeilijk zijn om zelf te lezen, maar schitterend om voor te lezen, zoals Winnie-de-Poeh en Alice in Wonderland. Dat is een sensatie, ook al is er veel dat de kinderen ontgaat. Bij Kleine Sofie en Lange Wapper vraag ik me eerlijk gezegd af of het de kinderen die het wel begrijpen, ook echt boeit. Ik vrees dat het verhaal daarvoor te weinig spanning, te weinig herkenbare emoties bevat.



illustratie

Boeken voor volwassenen als kinderboek vermomd?


Een ander boek waarvoor dat geldt, is Annetje Lie in het holst van de nacht van Imme Dros, dat in 1988 werd bekroond met de Woutertje Pieterse Prijs én een Zilveren Griffel. Jan Blokker noemt het in het juryrapport een boek dat lezers van alle leeftijden boeit, kinderen en volwassenen. Ik ben daar niet zo zeker van. Mijn dochter van negen, aan wie het werd voorgelezen, herinnert zich Annetje Lie als ‘dat boek waar ik niets van begreep’. Nu is één kind natuurlijk niet maatgevend, dus ik haast me om nog een voorbeeld te geven. Ik ken een jeugdbibliothecaris die alle kinderen die het boek terugbrachten, vroeg wat ze ervan vonden. Na een jaar was er nog niet één die het had uitgelezen.

Bij een goed kinderboek, zei Roald Dahl eens in een interview, ben je bij het lezen van bladzij negen benieuwd wat er op bladzij tien gebeurt. Kennelijk voldoet Annetje Lie voor veel kinderen niet aan die minimale eis. En het is niet moeilijk te begrijpen waarom dat zo is. Het gegeven komt sterk overeen met dat van Kleine Sofie en Lange Wapper: ook dit verhaal bestaat uit de dromen van een klein meisje, die haar situatie in de werkelijkheid symboliseren. Die dromen worden uitstekend verwoord, bijna honderd bladzijden lang, met alle associatieve overgan-

[p. 67]

gen die dromen kenmerken. Dat komt de begrijpelijkheid natuurlijk niet ten goede. En omdat ook deze dromen weinig spanning of humor of herkenbare emoties bevatten, gaal het boek, als kinderboek, aan zijn eigen knapheid ten onder.

In het juryrapport van de Woutertje Pieterse Prijs wordt een beroemde leraar geciteerd, Bint, uit de roman van Bordewijk: ‘De meester mag niet dalen, de scholier moet klimmen.’ Jammer genoeg wordt de context van die uitspraak er niet bij gegeven: gezag als hoogste ideaal, absolute tucht, die ten slotte uitmondt in het verbod om vragen te stellen als je iets niet begrijpt: want ‘vragen is een uitnodiging tot dalen’. Maar is het mogelijk iets te begrijpen op gezag, mooi te vinden op gezag? Of is het helemaal niet nodig dat kinderen een boek begrijpen?

‘Lezen is altijd een vorm van boven je macht reiken’, aldus hetzelfde juryrapport. Daar ben ik het mee eens. Je moet niet te gauw denken dat een boek te moeilijk is voor kinderen: kinderboeken mogen vol staan met dingen die kinderen niet begrijpen. Maar dan moet wel aan één voorwaarde voldaan worden: er moet een verhaal overblijven waarvan je als lezer de draad kunt volgen, zodat je benieuwd bent wat er op de volgende bladzij gebeurt.

Het derde boek waarbij ik een vraagteken zet, is Lieveling, boterbloem van Margriet Heymans, dat in 1989 ook al werd bekroond met de Woutertje Pieterse Prijs én een Zilveren Griffel. Net als in de beide vorige boeken vindt het verhaal zijn oorsprong in de emoties van de hoofdpersoon: een meisje dat straf heeft gekregen en haar gevoelens afreageert op haar pop, die beurtelings wordt vertroeteld en gepijnigd. Emotioneel is dit gegeven heel kinderlijk; het verhaal begint ook heel herkenbaar, maar dat wordt verstoord door de ingewikkelde compositie. Het perspectief wisselt voortdurend: zonder duidelijke overgangen wordt de lezer geconfronteerd met verschillende stemmen, waaronder een ‘koor’ of ‘rei van beschermengelen’, een verschijnsel dat u misschien kent uit Vondels treurspelen. Bovendien wordt het verhaal nogal eens onderbroken met verhaaltjes die het meisje aan haar pop vertelt, en die weinig met de raamvertelling te maken hebben.

Karel Maartense, die dit boek in Leesgoed besprak, legde het voor aan kinderen van acht, negen jaar, die er niets van begrepen en het omschreven als ‘uitgebreide flauwekul’. Zelf vergelijkt hij het met Max en de maximonsters van Sendak, dat hetzelfde thema heeft. Er is één groot verschil: als je de diepere betekenis van Max en de maximonsters niet doorziet, houd je een spannend verhaal over, dat je als kind steeds opnieuw wilt horen.

Bestaat er wel literatuur voor kinderen?

De kwaliteit van deze boeken als zodanig stel ik niet ter discussie. Het is alleen de vraag of het kinderboeken zijn. Een onomstotelijk bewijs is niet te leveren. Maar één ding is wel duidelijk: deze boeken zijn buitengewoon moeilijk voor kinderen; je moet de diepere betekenis doorhebben voor je het verhaal kunt volgen. Recensenten en juryleden moeten zich daar rekenschap van geven. Dat wordt wel eens vergeten, het wordt ook wel eens ontkend. Bregje Boonstra eindigt haar recensie van Lieveling, boterbloem met de uitspraak: ‘Als bij elk kinderboek van belang dient zich de vraag naar de toegankelijkheid aan en is die vraag tegelijkertijd irrelevant.’ Dat is tenminste duidelijk: of een kinderboek ‘toegankelijk’ is voor kinderen, doet niet ter zake; het gaat om een abstractie: de Literaire Kwaliteit. En kwaliteit is kennelijk altijd te moeilijk voor kinderen, want elk kinderboek van belang roept die vraag op! (Let wel: het oeuvre van Annie Schmidt, om maar één voorbeeld te noemen, is dus volgens Bregje Boonstra niet van belang, want het roept nooit dat soort vragen op. Erger nog, in haar werk worden allerlei moeilijke gedachten toegankelijk voor kinderen. Nou vraag ik je!)

Twaalf jaar geleden, in de tijd van de Grote Bewustwording, schreef Willem Wilmink: ‘Kinderboeken mogen de realiteit geen geweld aandoen, maar ze mogen ook niet ontmoedigend zijn. [...] Men bedenke dat kinderen zich zonder alcohol en nicotine door het leven moeten slepen, en dat ze toch óók recht hebben op wat ontspanning en geborgenheid’. Nu moeten we vaststellen dat kinderen niet alleen recht hebben op stijl en compositie, maar ook op spannende verhalen met herkenbare emoties, herkenbare gedachten en herkenbare grapjes.

Er wordt wel eens gesuggereerd dat het niet verstandig is om rekening te houden met kinderen. Dan krijg je de Kameleon en Arendsoog, want kinderen hebben nog geen smaak, of een zeer eenvoudige smaak. De Nederlandse Kinderjury, die nu twee jaar bestaat, kiest inderdaad nogal wat populaire boeken, die bij een volwassen jury geen kans zouden maken. Maar tot de favoriete boeken behoorden ook titels van Janet en Allan Ahlberg, Paul Biegel, John Burningham, Roald Dahl, Guus Kuijer en Joke van Leeuwen, die eveneens door de Griffeljury werden bekroond.

Dat zijn de boeken waarvoor ik hier pleit: boeken die voldoen aan de eis van Blokker dat ze aantrekkelijk moeten zijn voor alle leeftijden. Dat vraagt een ruimere literatuuropvatting, waarin niet alleen aandacht wordt besteed aan het abstracte niveau van de interpretatie, maar ook aan het concrete verhaal, dat in de termen van kinderen in de eerste plaats ‘spannend’ moet zijn, zodat je benieuwd bent wat er op de volgende bladzij gebeurt.

De schok der herkenning

Mijn bezwaar tegen de genoemde bekroningen is dat ze - al was het maar door de herhaling - een maatstaf gaan vormen: alsof dit nu bij uitstek goede kinderboeken zijn. Die maatstaf is zeker niet algemeen - er worden veel kinderboeken bekroond die wél aantrekkelijk zijn voor kinderen, en er was steeds kritiek op deze bekroningen - maar het is een duidelijke tendens. Dat blijkt ook uit het feit dat Kleine Sofie en Lange Wapper in de recente geschiedenis van het kinderboek, De hele Bibelebontse berg, wordt opgevoerd als het hoogtepunt in de geschiedenis van het fantastische kinderverhaal: niet Minoes, niet Pluk van de Petteflet of Otje; die worden bij dit genre niet eens genoemd.

In de voorkeur van de critici vindt dus een verschuiving plaats naar de minst toegankelijke boeken. En de kritiek op de meest toegankelijke boeken is sterk toegenomen. Ter illustratie ga ik nog even terug naar de recensies van Kees Fens. Zijn kritiek op Het wereldje van Beer Ligthart heeft een belangrijke functie gehad, maar in de meeste gevallen was hij al te streng: alsof er helemaal niets bestaat tussen een meesterwerk en een totale mislukking. Kruistocht in spijkerbroek, van Thea Beckman, dat in 1974 eveneens met een Gouden Griffel was bekroond, deed hij af als een verzameling vooroordelen en gemeenplaatsen over de middeleeuwen. De Leeuw van Vlaanderen is hiernaast een meesterwerk, zegt hij, om maar te zwijgen van De schaapherder van Oltmans.

Tien jaar later relativeerde hij dit oordeel, zonder Beckman overigens te noemen. In een lezing verdedigde hij toen de stelling dat iedere lezer in zijn jeugd een ‘beslissend’ boek heeft, een ‘boek dat zijn lectuur en zijn leven zal bepalen’. Voor hem was dat Fulco de Minstreel van Kieviet, dat hij met een schok herkende als een ‘echt’ boek. Dat kwam in de eerste plaats door de taal, vol gemeenplaatsen die hij prachtig vond, want zeer ‘literair’. Hiermee worden de scherpe oordelen in zijn recensies in feite teruggenomen: uiteindelijk blijkt de beleving van het kind beslissend. (Alleen had hij daar in zijn recensies misschien wat meer aandacht aan moeten geven.)

Nu denkt u misschien dat Fulco de Minstreel toch van een andere orde is dan Kruistocht in spijkerbroek, maar dan wordt uw oordeel waarschijnlijk bepaald door jeugdsentiment (zoals veel oordelen over kinderboeken). Er is dus alle kans dat over twintig of veertig jaar een criticus Kruistocht in spijkerbroek zal aanwijzen als zijn ‘beslissende’ boek. En daarmee begint dan misschien de herwaardering van Thea Beckman, want het oordeel van Fens is inmiddels door veel recensenten overgenomen. De kritiek is niet geheel ongegrond, maar het oordeel is meestal erg eenzijdig, en onnodig denigrerend. Juist bij kinderboeken moet een criticus zijn oordeel kunnen relativeren en nuanceren. Je kunt kinderen moeilijk hun voorkeur voor verhalen met een zwartwittekening verwijten, als je zelf doet alsof er niets bestaat tussen kitsch en echte literatuur.

De verheffing van het kinderboek

Ik noemde zojuist de verandering in de opvattingen van Jan Blokker. In 1974 verklaart hij het kinderboek tot kitsch, in 1988 verheft hij het tot de literatuur. Toch

[p. 68]

vraag ik me af wat er nu eigenlijk veranderd is. Het kinderboek is immers alleen tot de literatuur toegelaten als het voldoet aan de eisen van volwassenen, die zich concentreren op een diepzinnige interpretatie; of het aan de eisen van kinderen voldoet, weegt niet zo zwaar. Het kinderboek is in deze opvatting verdwenen. Het is vervangen door een nieuwe categorie: het kinderboek voor volwassenen. Daarnaast bestaat dan, net als in 1974, kitsch voor kinderen.

Een mooie, overzichtelijke indeling, die herinneringen oproept aan een ander schema: Verantwoorde Kinderboeken die niemand wilde lezen, en de verkeerde boeken waar kinderen zo van hielden. Eigenlijk is er sindsdien niets veranderd: alleen werd vroeger de Moraal aan kinderen opgedrongen en nu de Literatuur. En met evenveel succes, want één ding is zeker: wie bij de beoordeling van kinderboeken geen rekening houdt met de eisen van kinderen, preekt alleen voor eigen parochie. Ik pleit daarom voor meer nuanceringen. Juist in de jeugdliteratuur bestaat behoefte aan zoveel mogelijk schakeringen, inclusief moeilijke boeken in alle gradaties, als ze maar niet tot maatstaf worden verheven. Natuurlijk moeten we de grenzen van het kinderboek verkennen, maar we moeten ons niet zo laten meeslepen door onze eigen voorkeur dat we kinderen literatuur gaan opdringen waar ze niets van begrijpen.

Naschrift

Tot zover mijn lezing van 30 januari. Inmiddels begint de discussie die ik beoogde op gang te komen: in het juryrapport van de Woutertje Pieterse Prijs (dat elders in dit nummer is afgedrukt) is Jan Blokker ingegaan op mijn kritiek op sommige bekroningen.

De discussie gaat maar over één punt: de vraag of een kinderboek ook aantrekkelijk moet zijn voor kinderen. Blokker vindt dat niet nodig, sterker nog: wie rekening houdt met hun leeservaring, doet volgens hem hetzelfde als Veronica en de Tros, die alleen op de kijkcijfers letten. Dus als ik pleit voor Paul Biegel, Roald Dahl, Joke van Leeuwen en Annie Schmidt, is dat vertrossing? Je moet er maar opkomen. Volgens Blokker zou ik terugschrikken voor een ‘normatief’ oordeel. Zo is het natuurlijk niet. Ieder oordeel berust op normen, en ik kan me niet herinneren dat ik me ooit heb uitgesproken tegen de beoordeling van kinderboeken. Ik vind de normen die jury's hanteren ook niet ‘te literair’, zoals Blokker suggereert. Alleen stel ik daarnaast nóg een eis: een kinderboek moet binnen de literaire mogelijkheden van kinderen passen.

Natuurlijk zijn de leeservaringen van kinderen niet precies te meten. Daarom heb ik er zoveel nadruk op gelegd dat je niet moet generaliseren: een boek hoeft niet voor álle kinderen aantrekkelijk te zijn. Maar hoezeer kinderen onderling ook mogen verschillen, bij beoordeling van kinderboeken moet je wel bereid zijn je eigen oordeel te relativeren. Ik heb een andere visie op culturele vorming dan Blokker. Volgens hem kan men slechts leren onderscheiden ‘op gezag, of misschien wel onder dwang’. Volgens mij is dat nu juist onmogelijk: je kunt kinderen geen onderscheidingsvermogen opdringen of cultuur aan hen ‘overdragen’, je kunt alleen proberen belangstelling te wekken voor literatuur met boeken die binnen hun beleving passen. Daarom zet ik vraagtekens bij de bekroning van kinderboeken die niet aan deze voorwaarde voldoen. Dat draagt niet bij tot de verheffing van het kinderboek, het streelt alleen de smaak (of de ijdelheid) van de juryleden. Ik zou ze dit genoegen niet misgunnen, als de betekenis van de prijzen hierdoor niet werd uitgehold. De waarde van een bekroning wordt tenslotte niet bepaald door de pretenties van de jury, maar door de uitstraling van de prijs. Als de bekroonde boeken niet aanslaan bij kinderen, heeft de prijs een averechts effect: teleurgestelde kopers, teleurgestelde lezers. En daarmee ondergraaft de jury haar eigen gezag.

Aangehaalde literatuur

Blokker, Jan. Het kinderboek bestaat niet. // De Volkskrant, 19 oktober 1974.

Boonstra, Bregje. Rijstebrij met koeievla. (Recensie van: Margriet Heymans, Lieveling, boterbloem.) // NRC Handelsblad, 20 januari 1989.

[Eykman, Karel]. Kinderjury's. // Vrij Nederland, ‘De Blauw Geruite Kiel’, 28 september 1985.

Fens, Kees. De helden zijn niet vermoeid, de taal wel. (Recensie van Jaap ter Haar, Het wereldje van Beer Ligthart, en Thea Beckman, Kruistocht in spijkerbroek.) // De Volkskrant, 19 oktober 1974.

Fens, Kees. Het beslissende boek. // Kinderen letteren leren. Bijdragen aan het gelijknamige symposium gehouden op 21 december 1983 op de Katholieke Hogeschool Tilburg. / Onder redactie van P. Mooren, H. Verdaasdonk en H. Verschuren - Tilburg: Zwijsen, 1984 - Blz. 18-33.

H[eijermans], Ida. Welke waarde is er te hechten aan kinderoordeel over kunstwerken? // De Vrouw, jaargang 13 (1905-1906), blz. 206-208.

De hele Bibelebontse Berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de middeleeuwen tot heden. / Onder redactie van Nettie Heimeriks en Willem van Toorn. - Amsterdam: Querido, 1989.

Juryrapport Libris Woutertje Pieterse Prijs, 1988-1990.

Juryrapport Gouden en Zilveren Griffels, 1971-1989.

Kuijer, Guus. Het geminachte kind. Acht stukken. - Amsterdam: De Arbeiderspers, 1980.

Maartense, Karel. Recensie van: Margriet Heymans, Lieveling, boterbloem. // Leesgoed, jaargang 16 (1989), blz. 136.

Postman, Neil. The disappearance of childhood. - New York: Dell Publishing Company, 1982.

Postman, Neil. Amusing ourselves to death. -London: Heinemann, 1985.

Riemens-Reurslag, J. Het jeugdboek in de loop der eeuwen. - 's-Gravenhage: W.P. van Stockum & Zoon, 1949.

Vries, Anne de. Wat heten goede kinderboeken? Opvattingen over kinderliteratuur in Nederland sinds 1880. - Amsterdam: Querido, 1989.

Wijma-van der Laan, Marleen. Sofie past toch niet in dat theatertje? Kinderen over Kleine Sofie en Lange Wapper. // En nu over jeugdliteratuur, jaargang 12 (1985), blz. 142-143.

Wilmink, Willem. Het kinderboek van elfenland tot echtscheiding. // Project Jeugdliteratuur, aflevering 1.0.11 (1978).