|
|
|
| |
| | | | | | | |
Het ontstaan van een afzonderlijke
kinderliteratuur ‘Wat zullen de kinderen lezen?’ Die vraag behandelde
Nellie van Kol in 1899 in een artikel in
De Gids. Rond 1900 stond dit onderwerp sterk in de
belangstelling, maar de vraag was niet nieuw. Ruim driehonderd jaar eerder
stelde Montaigne haar al aan de orde in een van zijn Essais,
‘De l'institution des enfans’ (1580). Een opvallend verschil met veel
beschouwingen uit het begin van deze eeuw is dat hij zich niet afvraagt hoe men
een kind zo lang mogelijk jong kan houden, maar hoe het zo snel mogelijk
volwassen wordt.
Montaigne stelt vast dat de jeugd maar kort duurt: maar vijftien of
zestien jaar zijn voor de opvoeding beschikbaar, de rest van ons leven moeten
we werken. In die korte tijd moet een kind alles leren wat het als volwassene
nodig heeft. Montaigne adviseert de opvoeders daarom, eenvoudige wijsgerige
verhandelingen met kinderen te bespreken: die zijn buitengewoon leerzaam en
kinderen kunnen ze best begrijpen, beter - en dan volgt een verrassende
vergelijking - dan een verhaal van Boccaccio. Hij meent dat een kind deze
‘discours de la philosophie’ al kan volgen vóór het kan leren lezen en
schrijven.
Dit advies van Montaigne is voor
J.H. van den Berg in zijn
Metabletica (1956) een bewijs van ‘de
niet gradueel, maar essentieel andere aard van het kind in vroeger tijden’ (Van
den Berg 1956: 23). Mijns inziens is het slechts een bewijs van de essentieel
andere behándeling van kinderen. Zoals
Lea Dasberg in
Grootbrengen door kleinhouden (1975)
laat zien, spelen daarbij naast pedagogische ook sociale aspecten een rol.
Montaigne droeg zijn verhandeling op aan de gravin de Gurson, die haar eerste
kind verwachtte en hem om raad had gevraagd over de opvoeding. Maar ook zonder
die opdracht zou uit de getallen die hij noemt, duidelijk zijn geweest dat hij
schreef voor de aristocratie. Aan kinderen uit de lagere standen was heel wat
minder tijd toegemeten: hun werkende leven begon al op de leeftijd van zes,
zeven jaar. Voor wijsgerige verhandelingen hadden zij geen tijd, laat staan
voor de Decamerone. Maar ook kinderen uit de aristocratie
kregen van Montaigne meteen volwassen lees- en gespreksstof. Er be- | | | | stond nog geen kinderliteratuur en Montaigne had er kennelijk ook geen
behoefte aan.
Toch werd er in die tijd al wel voor kinderen geschreven. In
Oude kinderboeken (1906) noemt
Elize Knuttel-Fabius vier boekjes uit de
zestiende eeuw, waaronder
Gheneuchelijcke, eerlijcke ende profijtelijcke
Propoosten; Exempelen ende Fabulen, al tot deucht aansporende, dienende tot
Argumenten voor den kinderen (1596) door
H. Jacobi. De auteur gaat ervan uit dat de
mensen ‘liever leeren ende lesen yet gheneuchlijcx dan dat deuchdelijck is’, en
probeert daarom het nuttige met het aangename te verenigen: ‘Volghende hierin
de conste der Medicijnmeesters, die het wormcruijt, dat bitter is, menghen met
suijcker, omdattet de kinderen zoo veel te liever souden innemen, ende alsoo
ghesont worden. Want al dat gheneuchlijck ende vermakelijck is om te lesen ende
om te hooren, daar heeft een Mensche lust toe om te weten ende te leeren, ende
dat onthout hij te beter.’ (Knuttel-Fabius 1906: 7).
Het ‘wormcruijt’ bestaat steeds uit een korte spreuk, die een
levensles bevat en die in een kort verhaaltje wordt uitgewerkt en verzoet. Ook
in de andere boekjes die Knuttel-Fabius noemt, ligt het accent op wijze lessen.
Het verschil met Montaignes ‘discours de la philosophie’ lijkt niet zo
groot.
Ruim een eeuw later, in 1712, verscheen
Des menschen begin, midden en einde
van
Jan Luiken. Een kinderboek? Naar moderne
maatstaven zijn de emblemata in deze bundel daarvoor te moeilijk en te
diepzinnig.
H. Pomes zegt in zijn proefschrift
Over Van Alphen's kindergedichtjes
(1908) dat hij zich heeft afgevraagd of het boekje niet voor volwassenen
bestemd was. Hij wijst er echter op dat Luiken zich in de voorrede
uitdrukkelijk tot kinderen richt. Bovendien citeert hij
Petronella Moens en
W.H. Warnsinck, die in de inleiding bij hun
bewerking van deze bundel (1824) duidelijk verklaren dat het origineel in de
achttiende eeuw aan kinderen te lezen werd gegeven. Voor Pomes een bewijs dat
‘de ouderwetse opvoeders’ geen scherpe grens trokken tussen kinderen en
volwassenen (Pomes 1908: 110-111).
De scheiding tussen die twee ontstond pas in de tweede helft van de
achttiende eeuw. Door de toegenomen belangstelling voor de pedagogie kreeg men
geleidelijk meer oog voor de behoeften van het kind en ging men meer nadruk
leggen op zijn eigen aard. | | | | In dit verband wordt vaak allereerst de
naam genoemd van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), die zijn pedagogische
opvattingen uiteenzette in de utopische roman Emile ou de
l'éducation (1762). Rousseau pleitte voor een ‘natuurlijke’ opvoeding: hij
liet zijn Emile tot diens twaalfde jaar opgroeien op het platteland, in een
maatschappelijk isolement en zonder boeken. (Het eerste boek dat hij daarna mag
lezen, is Robinson Crusoe.) De Nederlandse pedagogen van de
Verlichting zijn echter meer beïnvloed door de opvattingen van John Locke
(1632-1704). Hij beschouwde het kind als een ‘tabula rasa’: niet de aanleg maar
de ervaringen bepalen volgens hem wie men wordt. De opvoeding diende vooral
gericht te zijn op de vorming van deugdzame mensen; men moest kinderen al vroeg
juiste denkbeelden bijbrengen over God; en anders dan Rousseau was Locke van
mening dat men al vroeg met kinderen moest redeneren. Kennis, in de zin van
geleerdheid, was minder belangrijk dan deugd en wijsheid: kinderen moesten wel
leren, maar dat moest spelend gebeuren.
Spelend leren is ook een juiste typering van de kinderliteratuur die
in deze tijd ontstond. De gedachte van Jacobi werd verder doorgetrokken: men
begon niet langer met het ‘wormcruijt’ maar met het verhaaltje, al was dit
meestal nog helemaal toegesneden op een moraal. De bedoelingen van de auteurs
worden treffend verwoord door
M.G. de Cambon-van der Werken, als zij in
de voorrede van
De kleine Grandisson oppert dat ‘een
denkbeeldig voorbeeld van deugt’ meer uithaalt dan strenge straffen of
‘schoolswyze lessen’ (De Cambon 1782: VI).
De eerste die in Nederland zulke voorbeelden schiep, was
Hieronymus van Alphen, die in 1778 een
Proeve van kleine gedigten voor
kinderen publiceerde, nog datzelfde jaar een Vervolg en in 1782 een Tweede vervolg. Alle
elementen van Lockes pedagogie zijn aanwezig: in verschillende gedichtjes wordt
gewezen op Gods almacht, zijn wijsheid en zijn liefde; alle mogelijke deugden
passeren de revue en voor een redenering schrikken Van Alphens modelkinderen
niet terug: in veel versjes komt de moraal uit een kindermond.
De recensies waren unaniem lovend en uit het commerciële succes
blijkt wel hoezeer deze gedichtjes in een behoefte voorzagen: van de
Proeve verscheen in 1779 al de achtste en in 1785 de
| | | | veertiende druk. De produktiviteit van de navolgers is bijna nog
veelzeggender. Al in 1778 publiceerde
Pieter 't Hoen twee afleveringen van zijn
Nieuwe proeve van klijne gedichten voor
kinderen. En in de Nederlandsche Bibliotheek van
1779 (deel 1: 522-526) werden
Van Alphens Proeve en
Vervolg der kleine gedigten besproken met vijf afleveringen
van de Klijne gedichten van 't Hoen en nog drie andere
bundeltjes. ‘Onze Eeuw is, in één opzicht, zeer wel van alle voorgaande te
onderscheiden,’ schreef
Betje Wolff datzelfde jaar. ‘Dit is de
eeuw, waar in men naamentlyk voor Kinderen schryft’ (Wolff 17802: 59).
Het kind was kind geworden, zegt men wel. Er schuilt veel waars in
die beeldspraak, maar er valt toch wel het een en ander op af te dingen. Uit
Montaignes klacht dat de jeugd maar zo kort duurt, kan men opmaken dat hij
kinderen niet als volwassenen in zakformaat beschouwde. En
Jacobi, de uitvinder van het ‘wormcruijt
met suijcker’, preludeert zelfs al op het spelend leren. Bovendien kan men niet
zeggen dat de Kleine gedigten nu opeens de kinderlijkheid ten
top waren. Daarvoor lag de nadruk te veel op de deugd, op volwassen idealen.
Door de critici werd Van Alphen dan ook vooral geprezen om de nuttige lessen
die zijn gedichtjes bevatten.
De eerste die de Kleine gedigten onkinderlijk
noemt, is de auteur van het
Tafreel van de zeden, opvoeding, geleerdheid,
smaak, en verlichting, in het voormalig gewest van Holland, aan het einde der
agttiende eeuw (1798), die zich verschuilt achter de aanduiding
‘een Cosmopoliet’. Hij verwijt Van Alphen en andere kinderschrijvers dat zij
tegen kinderen van zeven een toon aanslaan alsof ze het tegen een man van
veertig hebben: ‘Zij weeten zig niet in de plaats der kinderen te stellen, en
tot hunne kindsche begrippen neder te daalen. Van daar de kleine pedantjes, in
de kinderboeken bij 't Hoen, van Alphen,
Perponcher en anderen. Daar worden, aan
kleene kinderen, de grootste, en verhevenste, dingen in den mond gelegd,
waarvan zij geen woord begrijpen, of gevoelen.’ (Tafreel
1798: 59).
Een zelfde geluid vinden we bij
Aagje Deken, in het voorwoord van haar
bundeltje
Iets voor ouderen en kinderen (1804),
die vindt dat Van Alphen zich te veel laat meeslepen door zijn eigen
vroomheid. | | | |
Uit deze kritiek blijkt dat de opvattingen over het kind verder
verschoven.
Aagje Deken en de ‘Cosmopoliet’ liepen
hierbij overigens voorop: hun tijdgenoten hadden over het algemeen een ander
begrip van kinderlijkheid. Zo verklaarde een anonieme recensent van de
Kleine gedichtjes voor zeer jonge
kinderen van mr.
P.B.J.C. van der Aa in 1804 dat men ook voor
‘zeer jonge kinderen’ kon volstaan met de gedichtjes van
Van Alphen: aan ‘nog kinderachtiger liedjes’
bestond volgens hem geen behoefte (Algemeene Vaderlandsche
Letter-oefeningen, 1804, 1: 264).
Maar geleidelijk ging men toch steeds meer nadruk leggen op de eigen
aard van het kind. Hieruit zou op den duur een nieuwe idealisering ontstaan:
die van de kinderlijke onschuld, waarbij het beeld kan variëren van het
zuivere, onbezorgd-gelukkige kind tot de lekkere deugniet. Daarmee loop ik
echter op de tijd vooruit. Op dit moment kan ik volstaan met de constatering
dat een bepaald beeld van het kind in een periode wel kan overheersen, maar dat
het - althans na ongeveer 1750 - nooit de alleenheerschappij heeft.
Opvattingen over kinderliteratuur In 1780
publiceerde de Duitse pedagoog C.G. Salzmann een verhandeling over de
opvoeding, waarvan tien jaar later een Nederlandse vertaling verscheen:
Ontwerp ter proeve hoe men op de beste wijze kinderen, van jongs
af, tot Godsdienst kan opleiden. Over kinderliteratuur heeft hij dezelfde
opvattingen als
De Cambon-van der Werken, maar hij werkt
ze verder uit. Als men kinderen tot deugd wil vormen, zegt hij, kan men hun
niets beters geven dan verhalen over goede kinderen. Want alles wat een kind
van anderen ziet, bootst het volgens hem onmiddellijk na. Aan dergelijke
verhalen stelt hij de volgende eisen:
- De kinderen die erin voorkomen, moeten zo oordelen en handelen als
men wenst dat kinderen doen.
- De personages moeten dikwijls in omstandigheden komen waarin zij
de wezenlijke waarde der dingen beseffen.
- Zij moeten van tijd tot tijd in hun beoordelingen en handelingen
mistasten.
- Men moet hun dwalingen echter niet in een hatelijk licht stellen,
maar veeleer als uiterst beklagenswaardig voorstellen. | | | |
- Bovendien moet men kinderen de treurige gevolgen tonen die elke
dwaling voor de dader heeft.
- En ten slotte moeten de lotgevallen der mensen in een
kinderverhaal getoond worden volgens hun werkelijke aard.
De recensenten die
Van Alphen om het hardst prijzen om de
nuttige lessen in zijn gedichtjes, moeten dezelfde eisen hebben gesteld. Ook
zij wekken de indruk daar wonderveel van te verwachten. Een eerste blijk van
teleurstelling is te vinden in de
Vaderlandsche Letter-oefeningen van
1794. Nu zoveel kinderschrijvers zich daarvoor inspannen, zegt een anonieme
recensent van twee nieuwe kinderboeken, zou men een duidelijke verandering in
de ‘Denk- en Handelwyze der Jeugd’ verwachten, en ook in die van ouderen (de
eerste lezers van Van Alphen waren immers al volwassen). ‘Maar 't is, helaas!
te beklaagen, dat de Uitwerkzelen van zulke nuttige Geschriften niet meer
zigtbaar zyn.’ (Algemeene Vaderlandsche Letter-oefeningen,
1794, deel 1: 608). Opmerkelijk is dat hij die kinderboeken toch nuttig blijft
vinden. De ‘Cosmopoliet’ denkt er in 1798 anders over: hij veronderstelt dat de
‘pedantjes’ van Van Alphen opgroeien tot ‘vrijgeesten, en losbollen, of
neuswijze, en verwaande, gekken’ (Tafreel 1798: 59).
In recensies uit de achttiende en negentiende eeuw zijn natuurlijk
wel meer opvattingen over kinderliteratuur te vinden. Zo vond
Potgieter dat ‘een edel doel geen
vrijbrief is voor gebrekkige kunst’ (De Gids, jaargang 2
[1838], deel 11: 441). En Busken Huet schreef in 1863: ‘De kinderdichter mag en
kan moraliseren. Hiertegen is, als algemeen beginsel, niets in te brengen. Doch
zijn mogen hangt van zijn kunnen af. De ons omringende natuur, de zich om ons
heen bewegende dierewereld, het hondje-drenkeling, de piepende vogeltjes, alles
kan hem stof geven tot nuttige leering. Doch juist dewijl hij deze, om zoo te
zeggen, slechts voor het grijpen heeft, komt eigenlijk alles op de inkleeding
aan.’ (Busken Huet 1863:20).
Volgens
Lea Dasberg, die de eerste drie zinnen van
deze passage citeert, ‘bedoelde [Huet daarmee], dat het kind de moraal uit het
verhaal zelf moet kunnen ontdekken, dat de schrijver die niet ronduit moet
formuleren’ (Dasberg 1981: 46). Die interpretatie is echter in strijd met de
tekst. Tegen het formuleren van een moraal heeft Huet geen bezwaar: vlak
hiervoor citeert hij een versje van | | | |
Jan Pieter Heije waarin de boodschap
rechtstreeks wordt meegedeeld, als bewijs ‘dat een zuiver godsdienstige inhoud,
mits de dichter den waren toon wete aan te slaan, zeer wel te vereenigen is met
het genre [kinderpoëzie]’ (
Busken Huet 1863:18). En ten overvloede
laat hij daarop, als ‘eene tweede waarschuwing tegen alle eenzijdigheid bij het
bepalen van hetgeen, waar, in de kinderlitteratuur, al dan niet plaats voor
is’, een versje van Louis Ratisbonne volgen dat geheel uit een stichtelijke les
bestaat. Maar, voegt hij daaraan toe, ‘gelijk er eene wijze is, deze goede
dingen in kindertaal te zeggen en goed te zeggen, is er ook eene, en daaraan
wordt misschien niet genoeg gedacht, er welsprekend van te zwijgen’ (Busken
Huet 1863: 19).
De kinderdichter mag en kan moraliseren, zegt hij dan, maar hij moet
dat met enige omzichtigheid doen, anders ‘wordt de dichter door den zedemeester
benadeeld’. Ter illustratie citeert hij een ander versje van Heije, waarin deze
een knaapje over dankbaarheid laat filosoferen op een manier waarvan Huet
opmerkt: ‘Wist men niet beter, men zou de dankbaarheid houden voor eene perzik
van geschilderd karton, straffeloos beduimelbaar.’ (Busken Huet 1863: 21).
Huet is dus niet tegen het uitspreken van een moraal, als de dichter
maar de goede toon weet te treffen en geen afbreuk doet aan het poëtische
gehalte van zijn werk. Dit is opmerkelijk omdat hij voor de
volwassenenliteratuur iedere opzettelijke moraal afwijst. Hij kent aan de kunst
wel een zedelijke functie toe, maar ze mag niet dienstbaar gemaakt worden aan
de moraal: de kunst heeft haar doel in zichzelf en geen doel dat buiten haar
gelegen is (Schenkeveld 1981a: 4).
Ik vermeld deze recensies van
Potgieter en Huet omdat ze het beeld
aanvullen: naast degenen die de nadruk leggen op de moraal of de
kinderlijkheid, was er een derde benadering die in de eerste plaats literaire
eisen stelde aan kinderliteratuur. Dit wordt bevestigd door
J.E. Hilhorst-Haars (1982), die een
kwantitatieve analyse geeft van de argumenten in 199 recensies van kinderboeken
uit de periode 1800-1905. Hierin wordt 113 maal een ethisch argument
gehanteerd, 67 maal een religieus argument en 143 maal een esthetisch argument.
Helaas vermeldt zij niet wélke ethische of esthetische eisen de recensenten
stellen. | | | |
Een kwalitatief onderzoek zou ongetwijfeld een beter beeld geven van
de opvattingen in deze periode, maar nooit een afgerond beeld. Recensies hebben
immers een toevallige kant: vaak hangt het van het besproken boek af welke
eisen een criticus formuleert, en vrijwel nooit zal hij al zijn eisen opsommen.
Het is niet uitgesloten dat
Potgieter naar aanleiding van een ander
boek zou zeggen dat goede kunst geen vrijbrief is voor een verwerpelijke
moraal. Voor een afgerond beeld van de opvattingen over kinderliteratuur zijn
daarom beschouwingen nodig waarin de beoordeling van kinderboeken in het
algemeen aan de orde wordt gesteld.
De eerste die zo'n beschouwing gaf, was
P.A. de Genestet (1829-1861), die in 1857
in Rotterdam een lezing hield over kinderpoëzie. Acht jaar daarvoor had hij in
‘De Sint-Nikolaasavond’ scherpe kritiek geleverd op
Hieronymus van Alphen. In zijn lezing
stelt hij daar kritiek én bewondering voor in de plaats, maar eerst zet hij
zijn eisen voor goede kinderpoëzie uiteen.
Hij vindt dat men aan kinderliteratuur hoge eisen moet stellen. Maar
onder de vele boekjes met fraaie titels als ‘Zedelijke verhaaltjens voor de
Jeugd, de lieve Jeugd’ is bijzonder weinig dat literaire waarde bezit of studie
en talent verraadt. Het oordeel van de kinderen zelf is meestal ook niet erg
vleiend voor ‘de literarische Ooms en Tantes’: ‘En zy-zelve zijn in deze toch
maar de beste recensentjens!’ (De Genestet 1857: 25). Ook bij de poëzie is het
goede schaars.
Een kinderdichter moet vele gaven in zich verenigen. Hij moet in de
eerste plaats meester zijn over de taal. Hij moet op een kinderlijke en
tegelijk dichterlijke manier schrijven, niet wijs, niet deftig of pedant en
toch ook niet kinderachtig: zó dat de kinderen het voelen en aardig vinden. Hij
moet de kinderen kennen en een natuurlijke toon weten aan te slaan om hun hart
te treffen en het te openen, ‘niet voor de deugd van een of ander modelkind,
maar voor al wat goed en edel is en lieflijk, wat rein is en wél luidt’ (De
Genestet 1857: 30).
Zijn hart moet kloppen voor de vrolijkheid en het geluk van de
kinderen. Hij moet samen met hen kunnen spelen en ze tegelijk iets leren zonder
dat ze het merken: ‘Hoe moet hy den takt en de gave bezitten, niet om van
buiten de goede denkbeelden en de wijze lessen hun aan te voeren, hun als op te
plakken (die leerwijze | | | | heeft ook geen vat!) maar innerlijk
de gedachte in hen op te wekken, te ontwikkelen, aan te
kweeken en straks te doen uitspreken in hunne eigene en in zijne taal,
kinderlijk en poëtisch, eenvoudig en schoon!’ (De Genestet 1857: 31-32).
Vervolgens vraagt hij zich af in hoeverre de versjes van Van Alphen
aan deze eisen beantwoorden, en dan overweegt de kritiek, al erkent hij dat er
ook ‘zeer gelukkige toonen’ in klinken. Hij vindt daarom dat kinderen wel
gediend zijn met een goede keuze uit de Kleine gedigten, maar
het bundeltje zelf zou hij hun niet in handen geven. Zijn kritiek komt erop
neer dat
Van Alphen te wijs en te deftig is, dat
aan diens kinderwereld de poëzie en de naïviteit ontbreken, dat hij in één
woord onkinderlijk is. In dat opzicht stemt
De Genestet overeen met de ‘Cosmopoliet’
uit 1798. In de nadruk die hij legt op literaire eisen, lijkt hij echter meer
op
Potgieter vóór en
Busken Huet na hem.
Zeven jaar later nam
Nicolaas Beets (1814-1903) het in een
lezing over kinderboeken voor Van Alphen op. Hij vertelt er niet bij dat hij
zich zelf ook wel eens kritisch heeft uitgelaten over diens versjes, zij het
dan bij monde van zijn alter ego
Hildebrand.
In zijn boutade ‘Vooruitgang’ in De Gids van 1837,
sinds 1854 opgenomen in de
Camera Obscura, hekelt Hildebrand het
‘al te matematische’ in wetenschap en opvoeding. Hij begint met een lofrede op
de
Sprookjes van Moeder de Gans. Hij
herinnert zich hoe zijn grootmoeder ‘Roodkapje’ vertelde, hoe haar ogen blonken
als zij de wolf nadeed op het ogenblik dat hij toehapte. Dan doet hij een
uitval naar de ‘vooruitgang’: ‘Zekerlijk: Vader Jacob en zijne
kindertjes is een mooi boekje; De brave Hendrik is
allerbraafst; maar ik had een' afkeer van al die geschriften, op wier titel
prijkt “voor kinderen”, “voor de jeugd”; en wat betreft titels als:
Raadgevingen en onderrigtingen, zij waren mij een gruwel. Als
kind begreep ik de nuttigheid van het nuttige niet zoo zeer.’ (Hildebrand 1837:
345).
Nee, dan Moeder de Gans! De moraal aan het eind
van ieder sprookje ontging hem als kind. ‘Maar ik begreep het verschrikkelijke
van het: “Zuster Anna, Zuster Anna! ziet gij nog niets komen?” en dan het
wrekend zwaard van den opgedaagden broeder! O, die Blauwbaard, die
verschrikkelijke, die gruwelijke, die heer- | | | | lijke Blauwbaard!’ In
plaats daarvan krijgen kinderen nu allerlei nuttigheid, geleerdheid en
vervelendheid voorgeschoteld, zodat ze ‘anticipaties op volwassen menschen’
worden: ze weten dat geen petemoei ter wereld een pompoen in een koets kan
veranderen, dat Sint Nicolaas niet door de schoorsteen komt, en ze leren bij
Van Alphen dat ‘wie aan een' zwarten man gelooft, van zijn verstand beroofd
is’. Net als de ‘Cosmopoliet’ uit 1798 gelooft hij dat men daarmee de basis
legt voor later scepticisme.
In het stukje ‘Kinderrampen’ in de
Camera Obscura (1839) deelt
Hildebrand opnieuw enkele steken uit naar de
moralistische kinderliteratuur. Als de grootste kinderramp noemt hij de school:
Van Alphens gezegde ‘Mijn leeren is speelen’ vindt volgens hem bij de kinderen
geen weerklank. Ook
De brave Hendrik moet het opnieuw
ontgelden. Een van de hatelijke trekjes van de school is dat je er elke dag een
uur moet zitten lezen ‘van een brave jongen, zo braaf, zo zoet, zo gehoorzaam,
zo knap en zo goedleers, dat gij hem met plezier een paar blauwe ogen zoudt
slaan, als gij hem op straat ontmoette’ (Hildebrand 1839 [editie 1982]:
28).
Maar dat is Hildebrand.
Beets, de toekomstige dominee, was ook
toen al veel bedaagder. In 1838 herdacht hij de schrijver van De
brave Hendrik,
Nicolaas Anslijn, van wie hij als kind
enkele jaren huisonderwijs in de natuurlijke historie had genoten, in ‘Een
woord aan allen die “De brave Hendrik” gelezen hebben’. Daarmee richt hij zich
tot al zijn leeftijdgenoten, constateert hij: wie heeft leren lezen, heeft
De brave Hendrik gelezen. ‘Wel mocht het een kleine
kinderbijbel heeten! want het leerde ons niet maar lezen; het was een kort
begrip van kinderlijke zedeleer; en de plichten van gehoorzaamheid, van orde,
van eerlijkheid, oprechtheid en zedigheid leerden wij daarin tegelijk met de
leestekens eerbiedigen.’ (Beets 1838: 15). Hij geeft toe dat zijn klasgenoten
en hij het maar matig waardeerden om uit ‘zoo uitmuntend een boekje’ te lezen.
Maar als ze zelf kinderen hebben, zullen ze inzien ‘hoe groote verplichtingen
men aan die kleine boekjes heeft’ (Beets 1838: 16).
Zijn lezing ‘Over kinderboeken’ ademt dezelfde geest. Wie voor
kinderen schrijft, heeft volgens hem een grote verantwoordelijkheid: ‘niemand
kan meer vrucht en zegen hebben dan hij’ (Beets 1864: 13). Hij vindt dat men
alleen iets goeds kan verwachten van | | | | iemand die ook voor
volwassenen kan schrijven. Het schrijven van een kinderboek vereist een rijpe
geest en een rijk gemoed: het is geen kinderwerk. Volwassenen hoeven zich dan
ook niet te schamen als ze voor hun eigen genoegen kinderboeken lezen: ‘Een
kinderboek kan een groot en schoon boek zijn, en eene eereplaats in onze
boekerijen beslaan.’ (Beets 1864: 19).
Het zal wel geen toeval zijn dat hij juist dan
Van Alphen ter sprake brengt.
Beets geeft toe dat diens taal over het
algemeen wat stijf en afgemeten is, en hij kan zich zelfs wel voorstellen dat
sommigen hem pedant vinden. Maar men moet bedenken dat de versjes al bijna
honderd jaar oud zijn: voor die tijd waren de taal en de versificatie van Van
Alphen volgens hem een meesterstuk van ongedwongenheid.
De laatste beschouwing uit deze periode is van
Joh. A. Leopold (1846-1922), een
onderwijzer, later directeur van de Rijkskweekschool in
Nijmegen, die in 1869 een artikel
publiceerde over kinderlectuur. Literatuur omschrijft hij als ‘een spiegelbeeld
van 't leven en handelen der natie’: schrijvers en dichters openbaren in
geïdealiseerde vorm hun visie op de wereld en ‘klaren nevelachtige gevoelens op
tot heldere gedachten’ (Leopold 1869: 25). Omdat kinderen nog niet kunnen
‘weerspiegelen’ wat er in hen omgaat, moet een volwassene dat voor hen doen.
Maar dat moet dan wel iemand zijn ‘wiens kinderlijke zin niet verstijfd is
onder 't lastig vernis van schijnbeschaving, dat bij iederen gullen lach, bij
elken dartelen sprong dreigt te barsten’, kortom iemand die nog de moed heeft
om natuurlijk te zijn. Het vereist kunst en een onbevangen geest om
‘gelijkvloers tot den poëtischen geest des kinds te spreken’ (Leopold 1869:
26).
Helaas zijn het juist de bedaagden die voor kinderen schrijven, die
uit hun leven slechts verschoten taferelen en overgeërfde moraalformules hebben
bewaard. Zij willen kinderen ook genot geven, maar dat gebeurt zo minzaam
neerbuigend: een hapje levertraan, onhandig gesuikerd met ‘mijne liefjes’ en
‘waarde vriendjes’. In de meeste leesboekjes kan de schrijver niet de
verleiding weerstaan, lessen uit zijn eigen duurbetaalde levenswijsheid binnen
te smokkelen. En waarom eigenlijk? ‘Hatelijke en terugstootende onderstelling,
dat er bij een kind reeds zooveel te verbe- | | | | teren valt! Er dient
meesttijds geleid, niet vervormd te worden. Laat aan de natuur en het
natuurlijke die leiding over, en ik sta u borg, dat de kiemen van edele kracht
en ware godsvrucht zich zullen ontwikkelen. Men kan geen oude boomen enten op
groene struikjes.’ (Leopold 1869: 29).
Leopold eist natuur - en verder niets. Er bestaat volgens hem geen
enkele verwantschap tussen ‘de gedrochtelijke deugnieten en de gelikte
engeltjes onzer kinderlitteratuur’ en de kinderen voor wie ze bestemd zijn.
Daarom hebben die er ook geen belangstelling voor. Waaraan zij dan wel behoefte
hebben? Leopold oppert dat men natuurlijk kan onderzoeken welke kinderboeken
het meest in de smaak vallen, maar volgens hem kan men deze vraag ook door
redenering beantwoorden. Voor kinderen van een jaar of zeven noemt hij
sprookjes en in het algemeen fantasieverhalen; voor iets oudere kinderen
beveelt hij onder meer sagen en heldenverhalen aan. (De achtergronden van deze
adviezen bespreek ik op blz. 295 en 298-299.)
De keuze van de stof is niet het enige dat telt: de kunst eist voor
de gedachte een schone vorm. De taal moet echter eenvoudig zijn en dicht bij de
kindertaal blijven.
Leopold ziet er zelfs geen bezwaar in,
‘door een schijnbaar gebrekkigen zinsbouw - soms in 't midden afgebroken - de
vluchtigheid van 't kinderlijk denken na te bootsen’ (Leopold 1869: 32).
2 Ook moet
men bedenken dat kinderen aan enkele kenmerkende trekjes genoeg hebben om zich
een voorstelling te maken. Lange beschrijvingen zijn overbodig: het kind wil
actie. De kinderschrijver kan een voorbeeld nemen aan de volkssprookjes. Een
schoner en strenger vorm dan die van het volksverhaal is volgens Leopold
nauwelijks denkbaar. Het mist de schoonheden van een kunstige stijl, maar boeit
door zijn eenvoud en naïviteit. De voorstelling is concreet en helder.
Kinderverhalen moeten volgens hem dezelfde eigenschappen hebben.
Ontwikkelingen in de tweede helft van de negentiende
eeuw De beschouwingen van
De Genestet en
Leopold sluiten aan bij de opvattingen die
eerder door de ‘Cosmopoliet’ en
Aagje Deken waren verwoord. Men kan die
opvattingen omschrijven als de tweede ontdekking van het kind, waarbij minder
nadruk wordt gelegd op wat het kind moet worden, en meer op wat het al is.
| | | | Terwijl kinderboeken aanvankelijk geheel in dienst stonden van de
moraal, worden nu hogere eisen gesteld aan de kinderlijkheid en het literaire
gehalte. Dat dit de pedagogische idealen niet in de weg hoeft te staan, blijkt
het duidelijkst bij De Genestet, die vindt dat de kinderdichter de harten van
de kinderen moet openen voor alles wat goed en edel is.
Literaire eisen beperken wel de ruimte die de moraal wordt gegund.
Huet eist dat de dichter de juiste toon
weet te treffen voor de moraal, of anders welsprekend weet te zwijgen. Leopold
gaat nog een stap verder. Hij zet zich niet alleen af tegen versleten
moraalformules, maar vindt dat de opvoeder meer dient te leiden dan te
(ver)vormen. Daaruit spreekt een nieuw, romantisch opvoedingsideaal, waarin de
natuur de plaats heeft ingenomen die in de Verlichting voor kennis en inzicht
was gereserveerd. Ook in zijn literaire eisen, waarin eveneens de nadruk ligt
op natuurlijkheid (de taal van het dagelijks leven en van volksverhalen), sluit
Leopold aan bij gedachten die uit de Romantiek stammen.
In een ander opzicht kan men eveneens spreken van een tweede
ontdekking van het kind. Hierbij gaat het niet om een pedagogische, maar om een
sociale uitbreiding. Terwijl Montaigne in 1580 slechts de kinderen uit de
aristocratie op het oog had, en de kinderliteratuur in 1778 nog alleen voor
kinderen uit de gegoede burgerstand bestemd was, kwamen aan het eind van de
negentiende eeuw kinderen uit alle lagen van de bevolking met kinderboeken in
aanraking. Dit is te danken aan het toegenomen schoolbezoek, de verbetering van
het onderwijs en vooral de instelling van schoolbibliotheken.
Volgens De Bree (1947)
3 ging in 1825 maar 65
procent van de Nederlandse kinderen van zes tot twaalf jaar naar school -
althans 's winters, want in de zomer werkten velen van hen op het land. (Op
Zuid-Beveland bijvoorbeeld ging in de winter van 1832 75 procent van de
kinderen naar school en in de zomer slechts 37 procent.) Volgens Dasberg &
Jansing was in 1862 80,5 procent van de jongens en 72 procent van de meisjes
van zes tot twaalf ingeschreven als leerling van een lagere school. In de
daarop volgende decennia steeg dit percentage, om zich na de invoering van de
algemene leerplicht in 1901 op 95 te stabiliseren. (De reste- | | | | rende
5 procent waren kinderen met geestelijke of lichamelijke gebreken, en
schipperskinderen en dergelijke.)
Bovendien werd de kwaliteit van het onderwijs verbeterd. Een van de
gebreken van de onderwijswet van 1806 was dat de opleiding en honorering van
onderwijzers er niet in werden geregeld. Veel schoolmeesters verdienden er wat
bij als koster, klokkeluider en grafdelver; voor sommigen was het
onderwijzerschap de bijbaan. Veel opleiding hadden zij meestal niet gehad:
kweekscholen waren er nauwelijks, de meeste onderwijzers waren in de praktijk
opgeleid en hun kennis was vaak minimaal. In de tweede helft van de negentiende
eeuw werden meer kweek- en normaalscholen opgericht, die de opleiding
overnamen. In de wet van 1857 werden exameneisen vastgesteld, die daarna
geleidelijk werden uitgebreid. In 1857 werd onder meer enige letterkundige
kennis verlangd, in 1870 werden psychologie en pedagogiek als verplichte vakken
ingevoerd. Ook werd de salariëring verbeterd, zodat men zonder nevenbetrekking
van een onderwijzerssalaris kon rondkomen.
Ook de opvattingen over het onderwijs veranderden. Aanvankelijk vond
men het niet nodig dat kinderen op volksscholen meer leerden dan zij voor hun
latere werk nodig hadden. De Bree merkt in dit verband op: ‘Zelfs verlichte
mannen als Van der Palm [die in 1799 Agent van Nationale Opvoeding was
geworden,] koesterden heimelijk de vrees, dat de Verlichting, in alle
consequentie doorgevoerd, leiden kon tot een te grote beschaving der schamele
kinderen, zodat deze “boven andere burgerkinderen, ja zelfs boven die van
aanzienlijke lieden, verheven of wel aan dezelve te veel gelijk gesteld zouden
worden, en de Maatschappije daardoor gebrek zou kunnen leiden aan eene classe
van leden, die haar zoo noodzakelijk is als de heff' op een wijnvat”!’ (De Bree
1947: 17).
Het doel van het onderwijs was de vorming van redelijke en
gezagsgetrouwe burgers. In de onderwijswet van 1806 was dit als volgt
omschreven: ‘Alle schoolonderricht zal zodanig moeten worden ingericht, dat
onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden de verstandelijke
vermogens [der leerlingen] ontwikkeld en zij zelve opgeleid worden tot alle
maatschappelijke en christelijke deugden.’ (De Bree 1947: 36-37).
Het onderwijs was dus niet gericht op de ontplooiing van de
| | | | leerlingen, maar op de bevestiging van de maatschappelijke
verhoudingen. Die opvatting was in de tweede helft van de negentiende eeuw
natuurlijk niet plotseling verdwenen, maar er kwam wel een verandering op gang.
Steeds meer onderwijzers streefden naar een bredere vorming: het volksonderwijs
werd meer en meer gezien als een middel tot volksverheffing. Een belangrijk
onderdeel daarvan was het stimuleren van het lezen, waardoor de kinderen zich
konden blijven ontwikkelen nadat ze, op hun twaalfde jaar, van school waren
gegaan. Om de leerlingen vertrouwd te maken met boeken had men
schoolbibliotheken nodig, want er bestonden nog geen openbare leeszalen en
bibliotheken. Wel waren er ‘volksbibliotheken’ van de Maatschappij tot Nut van
't Algemeen, maar het aantal daarvan was vrij beperkt en pas in 1869 gaf het
Nut de aanbeveling, hierin ook boeken voor jonge lezers op te nemen. In 1900
beschikten vijfentwintig volksbibliotheken over een ‘bibliotheek voor
jongelieden’ van twaalf tot achttien jaar (Rapport Nut 1913:
8, 19, 45). De eerste kinderleeszaal werd pas in 1912 opgericht.
De meeste kinderen waren dus aangewezen op de schoolbibliotheek, een
instituut dat al bij de wet van 1806 mogelijk was geworden maar dat pas tegen
het eind van de negentiende eeuw tot ontwikkeling kwam.
4 Daarbij bestonden overigens grote verschillen tussen de ene
school en de andere. Over de kwaliteit van de schoolbibliotheken vinden we dan
ook zeer uiteenlopende getuigenissen, die we bovendien niet altijd letterlijk
moeten nemen: om zijn argumenten kracht bij te zetten, stelt men de situatie
soms gunstiger of ongunstiger voor dan ze is. Zo suggereert J. Smelik in 1876
dat de meeste openbare scholen wel een schoolbibliotheek hebben, om vervolgens
te pleiten voor de inrichting van bibliotheken in christelijke scholen (Smelik
1876: 26). Maar T.G. Heijmans verklaart in 1879 dat schoolbibliotheken op
openbare scholen ‘nog maar al te schaarsch’ zijn. Volgens hem komt dat vooral
doordat de onderwijzers niet weten welke boeken ze moeten aanschaffen: hij
pleit daarom voor ‘een lijst van uitgelezen boekwerkjes, geschikt voor de
schoolbibliotheek’ (Heijmans 1879: 54-55).
Omstreeks 1880 wordt regelmatig gevraagd om dergelijke lijsten.
Hieruit leid ik af dat onderwijzers dan werkelijk beginnen met de inrichting
van schoolbibliotheken (waarvoor al enkele decen- | | | | nia werd gepleit).
Maar zoals gezegd bestonden er op dit punt grote verschillen tussen de ene
school en de andere. Een voorbeeld daarvan vinden we in de jeugdherinneringen
van
Theo Thijssen,
In de ochtend van het leven (1941).
Thijssen, geboren in 1879, bezocht twee verschillende lagere scholen in de
Amsterdamse Jordaan, allebei zogenaamde ‘tussenscholen’. (Er bestonden toen nog
standenscholen, legt hij uit: je had ‘scholen eerste klasse’, aangeduid met een
nummer, die kosteloos waren; ‘scholen tweede klasse’, aangeduid met een letter,
met een schoolgeld van dertig cent per week; en ‘scholen derde klasse’,
vermoedelijk aangeduid met een naam, met een veel hoger schoolgeld.)
Thijssen ging aanvankelijk naar school Letter G op de Prinsengracht,
een school met acht klassen van negen maanden. Omdat hij een paar keer een klas
oversloeg, kwam hij al omstreeks zijn achtste verjaardag in de zesde klas, bij
meester Wopkes: ‘Hij liet ons altijd maar schriftelijk werken, meestal rekenen,
en wie “klaar” was mocht een boek uit de kast halen en gaan zitten lezen. En
dat boek mocht-ie dan thuis verder uitlezen. Die boeken schijnen uit de
privé-bibliotheek van de meester geweest te zijn; ik herinner me nog een
doorworstelen van
Elisabeth Musch van
V[an] Lennep en een met rood gloeiend hoofd
genieten van
De Schaapherder van
Oltmans! Zonderlinge lectuur voor een
achtjarige - maar we waren er doodstil mee.’ (Thijssen 1941: 71).
Toen hij in de achtste klas zat, in 1889, kwam er een nieuwe
bovenmeester, die allerlei veranderingen aanbracht: ‘Hij kocht een hele
bibliotheek voor de hoogste klas, nam eventjes acht-en-twintig boeken tegelijk,
ik herinner me nog dat getal acht-en-twintig. Elke week kon je daaruit een boek
te leen krijgen, maar... alleen de acht-en-twintig waar de meester het meest
tevreden over was. [...] Telkens kwam er een deeltje bij [...] En telkens had
onze meester dan een leerling méér waar hij tevreden over was geweest in de
afgelopen week.’ (Thijssen 1941: 138).
Het was in die tijd gebruikelijk dat kinderen die nog niet van
school af hoefden, in de achtste klas bleven tot ze bij de ‘hoogste partij’
hoorden en hun schoolcarrière konden afsluiten met een ‘examen voor het
loffelijk ontslag’. Omdat het gezin intussen verhuisd was, deed Thijssen de
achtste klas over op school Letter A in de Raamstraat. Daar was een bibliotheek
met meer dan vierhon- | | | | derd boeken. Vierhonderd! Hij kan het
aanvankelijk niet geloven en verklaart de jongen die het hem vertelt, zelfs
voor gek. Maar het was waar. De bibliotheek bevatte gebonden jaargangen van de
kindertijdschriften Bato en Voor 't Jonge
Volkje, een hele serie boeken van Jules Verne en verder onder meer
De negerhut van Oom Tom van Harriet Beecher Stowe en
De woudloper van Gabriel Ferry.
Omdat ze opnieuw verhuisd waren, ging
Thijssen in 1891 terug naar Letter G. Daar
telde de bibliotheek inmiddels ook al meer dan zestig boeken, waaronder
Vlissingen in 1572 van
P. Louwerse, maar ook werk van Verne en
Marryat.
Waarschijnlijk waren het vooral vooruitstrevende jonge schoolhoofden
die werk maakten van de bibliotheek. Waar schoolbibliotheken bestonden,
voorzagen ze duidelijk in een behoefte. Voor veel onderwijzers was het echter
een probleem welke boeken ze nu in de bibliotheek moesten opnemen. Er was een
grote verscheidenheid aan kinderboeken te koop en zoals Heijmans in 1879
opmerkte, hadden de meeste onderwijzers op dit punt geen enkele
deskundigheid.
Tot 1830 was de kinderliteratuur een eenheid geweest, daarna werd
het aanbod steeds gevarieerder. In de kinderpoëzie lieten
J.J.A. Goeverneur en
Jan Pieter Heije een nieuw geluid horen en
al snel sloten anderen zich daarbij aan. Al werd
Van Alphen nog altijd gelezen en ook
nagevolgd, in de meeste versjes werd veel meer gespeeld en minder geleerd. En
in plaats van de deugd werd weliswaar niet de ondeugd bezongen, maar zo nu en
dan wel de ondeugendheid (Wirth 1926: 197-205).
Een nog grotere verscheidenheid gaf het proza te zien. Dominee Jan
de Liefde en zijn leerling Eduard Gerdes ontdekten het kinderboek als
evangelisatiemiddel; aan katholieke zijde had men het werk van de Duitse
kanunnik Christoph von Schmid (vertaald sinds 1825); en onderwijzers als
P.J. Andriessen en
P. Louwerse schreven talloze historische
verhalen voor de jeugd. Bovendien verschenen er steeds meer vertalingen van
boeken die oorspronkelijk niet voor kinderen geschreven waren: avonturenromans
van onder anderen James Fenimore Cooper (De laatste der
Mohikanen werd al in 1826 vertaald), Frederick Marryat (sinds 1836),
Gus- | | | | tave Aimard (te beginnen met De pelsjagers van de
Arkansas, 1862) en Jules Verne (sinds 1884). Het waren vooral deze laatste
boeken die sommige onderwijzers voor de vraag stelden wat hun leerlingen nu
wél, en wat ze vooral niet moesten lezen.
|
2Ten onrechte meent Lea Dasberg (1981: 86) dat
Leopold hier de esthetiek opoffert aan de herkenbaarheid: elliptische en andere
schijnbaar (!) gebrekkige zinnen zijn juist een esthetisch middel; het enige
dat wordt ‘opgeofferd’, is een formalistische taalopvatting.
3Helaas hebben we in Nederland geen boek dat
een overzicht geeft van de praktijk van opvoeding en onderwijs in de achttiende
en negentiende eeuw. Voor de eerste helft van de negentiende eeuw baseer ik me
daarom op L.W. de Bree, Het platteland leert lezen en
schrijven (1947), voor de tweede helft op L. Dasberg & J.W.G. Jansing,
Meer kennis, meer kans (1978).
4Volgens Lea Dasberg (1977: 261) is de
ontwikkeling versneld doordat de wet van 1857 de ‘schoolprijsuitdelingen’ -
waarbij de prijs vaak uit een kinderboek bestond - had afgeschaft. Dit is
echter niet juist: Jan Ligthart en Theo Thijssen, respectievelijk geboren in
1859 en 1879, maken in hun jeugdherinneringen allebei gewag van schoolprijzen
(Ligthart 1913: 194-195; Thijssen 1941: 60-61, 184-185 en 260). Bekijken we
Dasbergs bron, dan blijkt daar sprake te zijn van de afschaffing van de
verplichte openbare examens, waaraan prijsuitdelingen verbonden waren ( Terugblik
1869: 265).
|
|