Aan het eind van de negentiende eeuw komt er steeds meer belangstelling voor kinderliteratuur. Aanvankelijk gaat het daarbij om de praktische vraag welke boeken men kinderen in handen moet geven. Nadat enkele uitgangspunten zijn geformuleerd, concentreert men zich op de selectie van boeken; over de normen die daarbij worden gehanteerd, is nauwelijks discussie. Vanaf 1885 publiceert de Gereformeerde Zondagsschool Vereeniging Jachin ieder najaar een beoordeling van zondagsschoolboekjes, in 1887 beginnen onderwijzers met de beoordeling van boeken voor schoolbibliotheken, 5 en in 1889 komt de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen met een lijst van boeken die geschikt zijn voor de oudere jeugd. 6
Omstreeks 1900 wordt de belangstelling breder en ontstaat er een discussie over de vraag aan welke eisen kinderboeken moeten voldoen. In 1899 brengt Nellie van Kol de kinderliteratuur onder de aandacht van een groot publiek met haar artikel in De Gids, waarin de nadruk ligt op hooggestemde pedagogische idealen. Gedurende deze hele periode is haar visie een inspiratiebron voor veel opvoeders, maar na enkele jaren komen er ook andere opvattingen naar voren. Tussen 1900 en 1915 verschijnen zeer veel beschouwingen over kinderliteratuur. Daarna zijn het alleen de katholieken die nog beschouwingen publiceren. De periode wordt afgesloten met de publikatie van een groot aantal lectuurgidsen, die een overzicht geven van goede kinderboeken.
De toenemende belangstelling voor (de beoordeling van) kinderboeken is overigens geen exclusief Nederlands verschijnsel. In Duitsland deed zich hetzelfde voor. Commissies van onderwijzersverenigingen stelden daar lectuurgidsen samen, waarin kinderboeken volgens vaste criteria werden beoordeeld. Uit de samenwerking van de verschillende onderwijzersverenigingen ontstond het tijdschrift Jugendschriften-Warte, dat zich ten doel stelde ‘den guten Jugendschriften zahlreicheren Eingang zu verschaffen’. Vanaf 1896 werd dit tijdschrift geredigeerd door de Hamburgse onderwijzer Heinrich Wolgast, die vooral bekend
werd door het boek dat hij datzelfde jaar publiceerde: Das Elend unserer Jugendliteratur.
Hij verlangt van een kinderboek dat het een kunstwerk is, en verwerpt elke vorm van ‘opzettelijkheid’: een kinderboek mag geen opzettelijke moraal bevatten; en er mogen evenmin, ter wille van de begrijpelijkheid, concessies worden gedaan aan de literaire kwaliteit. Bij het laatste beroept hij zich op een uitspraak van Theodor Storm: ‘Wenn du für die Jugend schreiben willst, so darfst du nicht für die Jugend schreiben.’ (Lexikon der Kinderund Jugendliteratur, 1: 144-145; 11: 92-94 en 265-266).
In Nederland is J.W. Gerhard sterk door de opvattingen van de Jugendschriftenbewegung beïnvloed, terwijl Nienke van Hichtum een paar keer een uitspraak van Wolgast citeert. Maar de georganiseerde boekbeoordeling van de Nederlandse onderwijzers vertoont een eigen ontwikkeling, die aansluit bij de opvattingen over het onderwijs.
Stamperius en het NOG Al in 1876 formuleerde de christelijke onderwijzer J. Smelik enkele uitgangspunten voor de beoordeling van boeken voor de schoolbibliotheek, die in een volgende paragraaf aan de orde komen (blz. 102). Voor de openbare school werd vanaf 1878 enkele malen aangedrongen op de samenstelling van een lijst van boeken die geschikt waren voor de schoolbibliotheek, maar deze oproepen hadden geen resultaat.
Meer succes had J. Stamperius (1858-1936), een Zeeuwse onderwijzer die in 1880 schoolhoofd was geworden in Amsterdam. In een afdelingsvergadering van het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap hield hij in 1885 een lezing over de vraag ‘Aan welke eischen dient een goede schoolbibliotheek te voldoen?’. Volgens hem hebben de meeste scholen wel een bibliotheekje, maar wordt aan de keuze van de boeken onvoldoende aandacht besteed.
Hij noemt enkele eisen waaraan men kinderboeken kan toetsen. Om te beginnen moeten ze onderhoudend zijn, maar dat is niet genoeg: de onderwijzer die wil dat de schoolbibliotheek een bijdrage levert aan ‘de vorming van 't gemoed en de ontwikkeling van 't verstand’ van zijn leerlingen, moet hogere eisen stellen. ‘Vor-
ming van 't gemoed en ontwikkeling van 't verstand, hiernaar heeft de schrijver te streven - en er dient bijgevoegd, de meeste schrijvers van kinderwerkjes streven daarnaar, al slaan zij soms een vreemden weg in om dat doel te bereiken.’ (Stamperius 1885, ongepagineerd).
Zijn eisen zijn dus afgeleid van het doel van de openbare school: de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens van de kinderen en de opleiding tot ‘alle maatschappelijke en christelijke deugden’. Het WNT geeft als betekenis van gemoed: ‘Het binnenste van den mensch in onstoffelijken zin, beschouwd als de zetel van zijn geestelijk gevoel, het beginsel zijner neigingen, hartstochten en zielsstemmingen’, in het bijzonder ‘de zetel van het godsdienstig en zedelijk bewustzijn’ (WNT, IV: 1429, 1433).
Uit de concretisering van zijn eisen blijkt dat Stamperius deze laatste, toegespitste betekenis op het oog heeft: ‘vorming van het gemoed’ staat gelijk aan zédelijke vorming. Avonturenboeken, van Aimard bijvoorbeeld, dragen daar volgens hem niet toe bij, evenmin als boeken die de eerbied ondermijnen die het kind aan ouders en onderwijzers verschuldigd is. En de boeken van Verne vindt hij ten enenmale ongeschikt voor de ontwikkeling van het verstand, omdat er te veel natuurkundige verschijnselen in voorkomen die niet tot de stof van de lagere school behoren.
Stamperius besluit zijn lezing met de opmerking dat het niet eenvoudig is om boeken te kiezen voor de schoolbibliotheek. Hij vindt dat hier een taak ligt voor de schoolbladen: die zouden de onderwijzers bij de selectie kunnen helpen. Prompt benoemt de afdeling Amsterdam van het NOG hem tot voorzitter van een commissie, die in 1887 een rapport aanbiedt met driehonderd titels van aanbevolen boeken. In de inleiding verklaart de commissie dat de boeken soepel zijn beoordeeld: anders bleef er weinig over. Maar er is vastgehouden aan twee eisen, die overeenkomen met die van Stamperius: de boeken mogen niets bevatten ‘dat uit een oogpunt van zedelijkheid moet worden afgekeurd’; en ze moeten onderhoudend geschreven zijn, ‘zoodat men verwachten kan, dat ze door de jeugd met genoegen gelezen worden’. Uiteraard werden geen boeken opgenomen, die ‘als ware sensatie-romans voor de jeugd, hun eenige aantrekkelijkheid vinden in de reeks van buitengewone voorvallen en ongelooflijke avonturen, welke zij bevatten’,
en evenmin ‘de bloedige verhalen over Amerika en de Indianen’ (Rapport NOG 1887: 2).
Onder redactie van Stamperius verscheen vanaf 1887 bovendien de ‘Nieuwe Bibliotheek voor de jeugd’, die later werd omgedoopt in ‘Stamperius-bibliotheek’. Voor ouders en onderwijzers die zelf geen kinderboeken durfden te kiezen, was dit een veilig kompas: wat door Stamperius was goedgekeurd, zou zeker geen gevaar opleveren voor hun kinderen. Blijkbaar heeft hij in 1887 ook zijn opvattingen over kinderliteratuur nog eens uiteengezet. D.L. Daalder citeert althans de volgende eisen, die Stamperius in dat jaar geformuleerd zou hebben: ‘“Een kinderboek moet boeiend zijn, het moet voedsel bieden voor hoofd en hart.” “Het kind moet nooit in verzoeking gebracht worden, het kwaad toe te juichen omdat het in behaaglijke vorm wordt voorgesteld.” “Eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen worde in acht genomen.”’ (Daalder 1950: 97-98). 7
Aan Stamperius' eisen uit 1885 voegt dit weinig toe. Nieuw is alleen de eis dat iedere levensbeschouwing gerespecteerd moet worden (ook weer ontleend aan de uitgangspunten van de openbare school).
In 1891 stelde het NOG een permanente commissie in voor de beoordeling van kinderboeken. De beoordelingen verschenen in Het Nieuwe Schoolblad en werden regelmatig gebundeld. Na enkele kleinere rapporten publiceerde de commissie in 1899 de gids Wat mogen onze kinderen lezen?, die volgens de ondertitel duizend beoordelingen bevat van kinderboeken die in de laatste jaren verschenen zijn.
De omvang van de beoordelingen is omgekeerd evenredig met het aantal: vier tot tien regels. Door de beknoptheid zijn er meestal geen duidelijke criteria uit af te leiden, maar als men het geheel overziet, blijkt dat pedagogische overwegingen de doorslag geven. Behalve in de titel komt dit naar voren in zinsneden als: ‘de daden worden in 't rechte licht gesteld’ of ‘hier en daar niet kinderlijk genoeg verhaald, maar wel aan te bevelen om de strekking’ (Wat mogen 1899: 1, 5). Literaire overwegingen gaan zelden verder dan ‘goed geschreven’ of ‘mooi’.
Als de strekking in orde is, hanteert de commissie ook wel an-
dere argumenten, bijvoorbeeld in de beoordeling van Alfreds gedragboekje van Tine van Berken: ‘Hoe best kunnen we ons begrijpen, dat de goeie, maar zwakke Freddy onder de gegeven omstandigheden tot het leelijke vergrijp komt zijn gedragboekje te vervalschen. Wat een medelijden voelen we met den armen jongen, als hij zoo bitter boet voor zijn misdaad. 't Is werkelijk een mooi verhaal, natuurlijk, eenvoudig, maar tragisch, boeiend.’ (Wat mogen 1899: 22). Emotivistische argumenten, maar de commissie laat er geen twijfel over bestaan dat ‘de daden in het rechte licht worden gesteld’: in dat opzicht beantwoordt dit boek aan de eisen die Salzmann in 1780 formuleerde.
Het vermelden waard is ten slotte de beoordeling van Uit het leven van Dik Trom van C. Joh. Kieviet, waarin - ná pedagogische overwegingen - ook het oordeel van de beoogde lezers een rol speelt: ‘Dik Trom is een leuke jongen. Er valt over te redeneeren, of het wel paedagogisch is, zoo'n exemplaar aan de lieve jeugd voor te zetten en - er is ook al over geredeneerd. Toch aarzelen wij niet het boek aan te bevelen. Dik zit vol kwajongensstreken; maar is in de grond van zijn hart een beste jongen, die bovendien op eenvoudige wijze van de dwalingen zijns weegs wordt bekeerd. De jonge lezers - wij ondervonden het - zitten om dit boek te schaterlachen.’ (Wat mogen 1899: 74).
In 1904 verscheen een tweede bundel, met driehonderd beoordelingen. Daarin blijkt opnieuw dat het accent niet op literaire aspecten ligt. Over Het allernieuwste dierenboek, versjes van Mopje heet het bijvoorbeeld: ‘De plaatjes zijn niet mooi. Ook de versjes laten wat te wenschen over. Maar toch is 't wel bruikbaar voor een kind van 5 à 6 jaar.’ (Wat mogen 1904: 28).
't Verteluurtje In 1893 publiceerde Stamperius samen met H. Hinse een ‘vertelselboek voor het huisgezin, de bewaarschool en de lagere school’, 't Verteluurtje. Het begint met een lange beschouwing over het vertellen, waarin Stamperius' opvattingen over de functie van kinderliteratuur op enkele punten gepreciseerd worden.
Het luisteren naar verhalen is volgens de auteurs voor jonge kinderen niet alleen een groot genot, maar ook een middel om hun horizon uit te breiden. Door middel van verhalen kunnen zij zich
een voorstelling maken van omstandigheden die zij nog niet kennen, en zich daarin inleven. Het is bovendien een uitstekende oefening in het verstaan en gebruiken van de moedertaal, een middel om het gevoel voor schoonheid te ontwikkelen en ‘een machtig middel ter zedelijke opvoeding’.
Dit geldt echter alleen als er goed verteld wordt. Hoewel men volgens hen niet in de eerste plaats vertelt om kinderen te vermaken maar om ze iets te leren, is dat onmogelijk als ze zich vervelen. Als het verhaal afgelopen is, moeten de kinderen het navertellen: anders heeft het geen effect op hun taalontwikkeling. En voor de zedelijke vorming moet men daarna ‘met de kinderen spreken over datgene, wat zij uit de vertelling leeren moeten’. De kinderen moeten de ‘les’ van het verhaal onder woorden kunnen brengen en haar kunnen toepassen op situaties uit hun omgeving (Hinse & Stamperius 1893: 15). Ter illustratie geven zij een gesprekje weer naar aanleiding van ‘Het ongehoorzame muschje’, waarvan ik het laatste gedeelte citeer:
‘Uit de verschillende antwoorden houdt de onderwijzer ten slotte deze twee vast: “Het muschje was ondeugend, omdat het ongehoorzaam aan zijn ouders was.” “Het muschje was ongehoorzaam, want het deed niet, wat vader en moeder gezegd hadden.”
O[nderwijzer]: “Wanneer zou 't muschje gedaan hebben, zooals het doen moest?”
L[eerling]: “Wanneer het gehoorzaam geweest was.”
De les is nu begrepen, thans volgt de toepassing.’ (Hinse & Stamperius 1893: 16-17).
Hierop volgt weer een korte bespreking, die leidt tot de leefregel: ‘Kinderen moeten aan hun ouders gehoorzaam zijn’. Hierbij moet men het laten, zeggen de auteurs: redeneringen over het waarom van dit voorschrift of uitbreiding naar andere plichten van het kind moeten achterwege blijven. Ook maken zij bezwaar tegen boeken waarin de moraal aan het eind wordt samengevat: kinderen moeten de zedenles zelf ontdekken en onder woorden brengen.
Hinse en Stamperius eindigen met enkele adviezen over de aard van de vertelling. Net als Stamperius in 1885 waarschuwen zij tegen verhalen die alleen maar vermakelijk zijn. Vooral in verhalen met een opeenstapeling van wonderlijke gebeurtenissen zien zij een gevaar: die hebben even weinig waarde als ‘sensatie-romans’
voor volwassenen. Zij pleiten voor eenvoudige verhalen, waarin aan goed en kwaad ‘hun natuurlijke gevolgen’ gegeven worden (Hinse & Stamperius 1893: 26).
Andere beschouwingen over kinderliteratuur De eerste die na Stamperius een beschouwing aan kinderliteratuur wijdde, was M.J. Koenen (1847-1920), onderwijzer en vanaf 1880 leraar Nederlands aan de Rijkskweekschool te Maastricht, en daarnaast auteur van een aantal schoolboeken en een Verklarend handwoordenboek der Nederlandsche taal (1897). In 1892 publiceerde hij een artikel ‘Over boeken en schoolbibliotheken’, dat volledig aansluit bij de opvattingen van zijn voorganger.
Hij vindt dat de jeugd een gelukkige tijd beleeft. Aan de meeste scholen zijn kinderbibliotheken verbonden en er zijn honderden en nog eens honderden kinderboeken voor een redelijke prijs te koop. Dat is belangrijk, want ‘lezen vult’: een goed boek geeft kennis en inzicht, het biedt voedsel aan de fantasie en vult langzaam maar zeker ‘de leegte in hoofd en hart’ (Koenen 1892: 257).
Lectuur heeft volgens hem een grote invloed op het kinderhart. Daarom moet men waken voor zedeloze lectuur en boeken die de fantasie te sterk aangrijpen. De boeken van Aimard en de meeste boeken van Verne horen naar zijn mening niet in de schoolbibliotheek thuis, omdat ze geen rekening houden met onze maatschappelijke toestanden of kinderen te ver wegvoeren uit de realiteit. Hij geeft de voorkeur aan reisbeschrijvingen, taferelen uit de geschiedenis, zedekundige verhalen en levensbeschrijvingen van grote mannen. Al deze boeken hebben het voordeel dat ze wáár zijn. Want dat is voor Koenen het belangrijkste: ‘Waarheid bovenal!’
Omdat boeken een grote bijdrage leveren aan de karaktervorming, vindt hij een goede schoolbibliotheek geen luxe. Maar die heeft alleen waarde als men de kinderen leert zorgvuldig te lezen: ‘Ook hier blijft de waarheid gelden: Niet wat wij eten, maar wat wij verteren voedt ons!’ Kinderen moeten daarom leren de boeken niet alleen om de avonturen te lezen, maar ook te letten op de lessen die ze bevatten.
Vanaf 1899 verschijnen er meer beschouwingen over kinderliteratuur. De eerste is van de hand van K. Andriesse (1864-1907), een
onderwijzer uit Amsterdam die het jaar daarvoor rapporteur was geweest van de beoordelingscommissie van het NOG. Hij prijst Stamperius als voorvechter van goede kinderboeken, als de man die eisen heeft geformuleerd waaraan die boeken moeten voldoen, maar zelf laat hij een verrassend nieuw geluid horen.
Een kinderboek moet natuurlijk aan enkele pedagogische eisen voldoen, zegt hij, maar het moet toch in de eerste plaats boeiend zijn: ‘Als juffrouw paedagogiek aldoor over den schouder van den schrijver tuurt en hem telkens in het oor fluistert: “pas op, pas op!”, dan loopt hij veel kans een ietwatje saai te worden. 't Is een best mensch, de juffrouw, maar men moet ze soms wat op een afstand houden, anders wordt ze indringerig en vervelend.’ (Andriesse 1899, nr. 11).
Kinderboeken moeten niet moraliseren, vindt hij: kinderen lezen voor hun genoegen; preekjes slaan ze over, hun ethische gevolgtrekkingen maken ze zelf wel. De jeugd lacht graag, maar hun boeken lachen nooit: die zijn hoogst ernstig of sentimenteel. ‘Kieviet gevoelde behoefte aan wat vroolijks, toen hij Uit het leven van Dik Trom schreef en al kunnen een paar paedagogen avonden zoek praten over de vraag, of het nuttig en wenschelijk is, der jeugd een oolijken snuiter als gezegden Dik voor te leggen, ik voor mij geloof, dat ze schuddende van 't lachen om dezen leuken kwâjongen met zijn goed hart, op een uitstekende manier geniet.’ (Andriesse 1899, nr. 11).
Datzelfde jaar publiceert Nellie van Kol haar artikel in De Gids. Net als Andriesse zet zij zich af tegen de bestaande kinderliteratuur, maar niet omdat die te ernstig of te sentimenteel zou zijn - nee, zij klaagt over ‘de veelheid, de eentonigheid en de onbeduidendheid’ daarvan (Van Kol 1899: 3).
Zij stelt vast dat er verschillende opvattingen bestaan over de functie van kinderlectuur. Volgens sommigen dienen boeken om kinderen te vermaken, volgens anderen om hun iets te leren. Aanhangers van de ‘vermaakmethode’ zijn gauw klaar, zegt ze: die zijn tevreden met ieder boek dat kinderen een paar uur bezighoudt. ‘Wie de leer-methode belijdt, die is kieskeuriger. Die wil dat een boek, hoe vermakelijk ook, iets nalaat: een kern van denken en voelen, één van die gezonde atomen waaruit zich een karakter en
een intelligentie opbouwen. Ik ben van de leer-methode, en wel op grond van het eenvoudige feit: dat een onbedorven kind altoos leeren wil.’ (Van Kol 1899: 25).
Een vergelijking van deze passage met het artikel van Andriesse leidt tot merkwaardige resultaten. Beiden beroepen zich op hét kind, dat ‘voor zijn genoegen leest’ of juist ‘altoos leeren wil’. Allebei vertonen ze enige inschikkelijkheid tegenover het standpunt van de ander: Andriesse geeft toe dat een kinderboek aan enkele pedagogische eisen moet voldoen, en van Nellie mag het best vermakelijk zijn. Maar allebei scherpen ze de tegenstelling ook aan: Andriesse door middel van de ironie, Nellie door het standpunt van de ander tamelijk gechargeerd weer te geven. Moeten we Andriesse niet tot de vermaakmethode rekenen, die weinig kieskeurig heet te zijn? En vertoont Nellie geen trekjes van juffrouw pedagogiek, die vervelend wordt als men haar niet op een afstand houdt?
Het wordt nog merkwaardiger als we Nellies reactie op Dik Trom in de vergelijking betrekken. Zij is enthousiast, zowel over de tekst als over de tekeningen. Zij bewondert Braakensieks spotprenten in De Amsterdammer, maar als illustrator van kinderboeken heeft ze nooit zo'n hoge dunk van hem gehad. Nu is hij schitterend. Hoe dat komt? ‘Mijnheer Braakensiek had schik toen hij Dik Trom te illustreeren kreeg. Hij heeft zitten lachen bij de snaaksche historie, zoo gezond en prettig van toon als zijn eigen prenten in de Groene Amsterdammer; en lachend heeft hij de teekenstift genomen, en lachend heeft hij al die aardige figuurtjes op 't papier gegooid. O, wat hád hij een pret, Meneer Braakensiek! Pret in 't werk van den heer Kieviet en pret in zijn eigen teekeningetjes.’ (De Amsterdammer, 8 april 1900).
Het lijkt haast of Nellie van Kol en Andriesse in hun beschouwingen met geheel andere woorden hetzelfde bedoelen. Maar de tegenstelling tussen ‘leermethode’ en ‘vermaakmethode’ is echt; dat blijkt ook uit het tweede gedeelte van Nellies recensie. Het zedelijk gehalte van Dik Trom vindt zij uitstekend, maar ze merkt wel op dat Kieviet geen ‘na te volgen voorbeeld’ heeft geschilderd: hij beeldt eenvoudig een jongenskarakter uit. En het zou haar spijten als de ‘straatbengel’ een modetype werd: dat zou even verkeerd zijn als de mode van de Brave Hendriken. Maar samen
met andere boeken helpt Dik Trom de ideale bibliotheek te vormen, en werkt het mee aan ‘de alzijdige vorming en opbouwing van het kindergemoed’.
Uit deze recensie blijkt dat de theoretische opvattingen over kinderliteratuur steeds getoetst moeten worden aan concrete beoordelingen. Met die beperking kan de tegenstelling tussen ‘leermethode’ en ‘vermaakmethode’ echter dienen om een indeling te maken van degenen die in de volgende decennia eisen formuleren waaraan kinderboeken moeten voldoen. Zien sommigen het boek als een middel in de opvoeding, voor anderen heeft het een esthetische functie (een complex begrip, dat ik hier niet zal definiëren; bij mijn conclusies geef ik een samenvattende omschrijving: zie blz. 285). Van de laatsten leggen enkelen de nadruk op het boek als kunstwerk, anderen gaan net als Andriesse uit van de ervaringen van de lezers.
Met name de ‘opvoeders’ kan men nader indelen naar hun levensbeschouwing. Dat is wel zo overzichtelijk en het sluit aan bij de verzuiling van Nederland in deze periode. In chronologische volgorde behandel ik eerst de verschillende benaderingen van degenen die zich niet (of niet in de eerste plaats) op een politiek of religieus standpunt baseren, en daarna de drie zuilen. Voor een juiste weergave van de ontwikkelingen moet ik echter beginnen met een vertegenwoordigster van een levensbeschouwelijke benadering.
Een religieus-socialiste: Nellie van Kol Jacoba Maria Petronella van Kol-Porrey (1851-1930) was, anders dan het huiselijke pseudoniem Nellie doet vermoeden, zeker voor haar tijd een moderne, geëmancipeerde vrouw. Zij studeerde voor onderwijzeres en ging na het behalen van haar akte als gouvernante naar Indië. Daar publiceerde zij artikelen over pedagogische onderwerpen en een bundel kinderverhalen, Bloemensprookjes (1883).
In Indië leerde zij ook haar man kennen, ir. Henri Huib van Kol. In 1892 keerde het echtpaar terug naar Europa. Hij was in 1894 een van de oprichters van de SDAP en werd in 1897 lid van de Tweede Kamer; zij werd in 1893 de eerste redactrice van het tijdschrift De Vrouw en richtte in 1896 Ons Blaadje op, met het doel arbeiderskinderen goede lectuur te verschaffen voor twee
cent per week. In De Vrouw hield zij in 1899 een pleidooi voor eerlijkheid in de seksuele opvoeding, waardoor het blad bijna alle Belgische abonnees verloor. Over Ons Blaadje schreef Mathilde Wibaut in 1906 dat het niet meer aan zijn doel beantwoordde. Zij vindt het niet kinderlijk genoeg: ‘Het is meer leidraad voor opvoeders geworden, die Nellie's tegenwoordige [christelijke] levensbeschouwing deelen.’ (Wibaut 1906: 25).
In haar artikel in De Gids hekelt Nellie in 1899 de onbeduidendheid van de bestaande kinderliteratuur. Recht om te schrijven heeft volgens haar alleen iemand die werkelijk iets te zeggen heeft. Bij sommigen, de dichters en de zieners, is dat aangeboren: zij schrijven zonder een uitgesproken bedoeling, maar hun werk doet weldadig aan ‘omdat het goed is en schoon, en omdat het liefde in ons wekt’. Anderen hebben zich het recht om te schrijven verworven ‘door studie, nadenken, zelfkennis, en warme liefde voor de menschheid’ (Van Kol 1899: 7).
Zoals al naar voren kwam, verlangt zij dat kinderen iets kunnen leren uit hun boeken. Leren heeft in dit verband wel een cognitief aspect, maar dat staat niet voorop. Nellie noemt een kinderboek goed, ‘wanneer het op aantrekkelijke wijze bijdraagt tot de vorming van hart, verstand, goeden smaak en zedelijk gevoel van het kind’. Zij verlangt dus tendenslectuur, concludeert ze, ‘en wel lectuur met bepaald goede tendenzen’. Zij voegt er onmiddellijk aan toe, dat dit bezieling niet uitsluit. Integendeel: ‘de tendenz geeft meer gehalte aan de bezieling, en de bezieling verheft de tendenz’ (Van Kol 1899: 27-28).
De rest van haar artikel is gewijd aan de inhoud van de tendens. Goede kinderlectuur is volgens haar ‘naar het beginsel religieus = vroom; naar de strekking evolutionnair = ontwikkelend; naar den inhoud universeel = alzijdig; naar den vorm helder’ (Van Kol 1899: 32). Aan het laatste punt, dat niet rechtstreeks met tendens te maken heeft, besteedt ze nauwelijks aandacht; het is voor haar minder belangrijk. Naar aanleiding van enkele ‘supérieure’ boeken, Sip-su, Kudlago en Oehoehoe van Nienke van Hichtum en Frans Naerebout van Stamperius, had ze al opgemerkt: ‘Zijn al deze boekjes ook supérieur uit een oogpunt van kunst-met-de-pen? Ik weet het niet, en dat is ook niet de hoofdzaak. Supérieur zijn ze uit een oogpunt van blijde, reine, vrome, uitstralende ziel...
Ja, vrome ziel; ik weet dat ik het neerschrijf.’ (Van Kol 1899: 22).
Kennelijk is zij zich ervan bewust dat haar woordkeus tot misverstanden kan leiden. Het begrip ‘vroomheid’ heeft bij haar dan ook een ongebruikelijke betekenis. In navolging van Tolstoj verstaat zij onder religie ‘geen dogma, geen kerkgeloof, geen sekteverschil, maar datgene wat diep in ons ligt, ons wezenlijk ik, ons Zelf’. Geen rechter is zo streng als dit ‘Zelf’, zegt zij, maar het is tevens goed. Als we ons ‘Zelf’ gehoorzamen, zijn we goed en sterk, en staan we hoog boven alles wat de mensen verdeeld houdt. De meeste mensen durven dit niet en klemmen zich wanhopig vast aan ‘de nietigheden die drijven aan de oppervlakte van hun ik’, aan stand en bezit, partijgeest en kerkgeloof. ‘En toch moet de tijd eens komen waarin alle menschen waarachtig vroom zullen zijn, omdat zij hun Zelf zullen hebben gevonden, en zich niet langer zullen schamen het te koesteren en lief te hebben, omdát het schoon is en rein en een gever van volmaakt goeden raad. Dien toestand - Utopia nog - moet de kinderlectuur helpen voorbereiden en mogelijk maken.’ (Van Kol 1899: 32).
De naam van God of Jezus hoeft in een religieus boek niet genoemd te worden, gaat zij verder. Hij mág genoemd worden, net als de naam van Mozes of Boeddha, want je hoeft je overtuiging niet te verdoezelen. Maar vroomheid bestaat niet uit het noemen van namen. De namen mogen ons ook niet scheiden: onderlinge verdraagzaamheid van alle geloofsrichtingen is niet genoeg, we moeten onze kinderen leren al die anderen lief te hebben om hun ‘Zelf’. Want de leer mag verschillen, de ‘ziel’ is overal gelijk.
Naar de strekking moeten kinderboeken evolutionair zijn: ‘Evolutie is de wet die het heelal regeert, zoowel op stoffelijk als op geestelijk en zedelijk gebied. Geen denkend wezen in onze eeuw die dat ontkent.’ (Van Kol 1899: 34). Kinderboeken moeten die ontwikkeling versnellen, door af te rekenen met verouderde begrippen: weldadigheid, soms te goeder trouw maar gebaseerd op een onrechtvaardige verdeling van aardse goederen; nationalistisch denken, dat de wereldvrede in de weg staat; en de tegenstelling tussen de seksen, die bevorderd wordt door jongensboeken vol avonturen en meisjesboeken met gebabbel van onbeduidende bakvisjes. Ook ‘vorstenvleierij’ en ‘bewierooking van beroemdheden’ zijn in strijd met de wet van de evolutie (Van Kol 1899: 35-37).
Dat kinderboeken naar de inhoud universeel moeten zijn, sluit onbeduidende verhaaltjes en alledaagse niemendalletjes uit. De kinderliteratuur moet ‘de ziel der dingen’ tonen en laten zien wat werkelijk van belang is in het leven: ‘Ik zou wenschen dat de kinderliteratuur ware een hooge, slanke toren, hoog oprijzend in reine lucht; een toren met veel vensters, uitkijkend naar alle hemelstreken, - vensters van klaar en onbedriegelijk glas. En ik zou wenschen dat sommige dier vensters waren mikroskopen, om te zien al het schoon dat aan ons bloote oog ontsnapt; en dat andere waren telescopen, uitzicht gevend in de ruimte om en boven ons; en nog andere wonderkijkers [...]’ (Van Kol 1899: 47).
De kinderliteratuur zou kinderen moeten tonen wat zij in het dagelijks leven niet te zien krijgen, gaat zij verder. Ze moet hun een beeld geven van het leven van andere volkeren en van kinderen van andere standen, en mensen beschrijven die onze liefde verdienen. Maar ze moet hun ook fantasie en poëzie geven: sprookjes en legenden uit alle landen, zorgvuldig en met wijsheid gekozen. Een kinderliteratuur die universeel is, moet alles bevatten wat de mensheid beroert: ‘Alle denkbare gaven der ziel: die van bewonderen, liefhebben, strijden en streven; die van medevoelen, medejuichen, medeweenen; die van samenleven en samenstreven, - ik zou ze gevoed en ontwikkeld willen zien door diezelfde kinderliteratuur, waarop tot heden toe zóó weinig tucht werd uitgeoefend dat ze verwilderen kon.’ (Van Kol 1899: 48).
Over haar vierde eis ten slotte is Nellie bijzonder kort. De vorm moet helder zijn. Maar: ‘Wie helder weet wat hij wil, die schrijft gewoonlijk ook duidelijk,’ meent zij, ‘en wie met heel zijn ziel iets goeds wil, diens stijl zal het ook nooit ontbreken aan warmte en gloed.’ (Van Kol 1899: 49). Het enige vormprobleem dat ze concreet behandelt, is interpunctie.
D.L. Daalder (1950) meent dat Nellies betoog meer uitblinkt door enthousiasme dan door logica, en probeert haar opvattingen terug te brengen tot enkele zakelijke eisen. De bezieling die zij verlangt, bestaat volgens hem slechts in de uitingen van een ‘intens levend, harmonisch mens’: de essentiële vraag is of de schrijver een persoonlijkheid is, die zich zo heeft geuit dat kinderen hem kunnen verstaan (een eis die hij zelf aan kinderboeken stelt). ‘Wil men de
geest van dergelijke lectuur religieus noemen, ik heb er vrede mee, al geeft het woord licht aanleiding tot misverstand.’ (Daalder 1950: 107).
Daarmee miskent hij het levensbeschouwelijke karakter van haar eisen. Waarschijnlijk komt dit doordat hij Nellies religieuze overtuiging uitsluitend opvat als christelijk. Voor haar latere werk is dat juist. In 1901, bij de introductie van haar ‘Volks-Kinderbibliotheek’, schrijft Nellie: ‘nu ben ik geen agnostica meer. Ik heb God gevonden.’ (Van Kol 1901b: 59-60). Weer later zal ze zich aansluiten bij het Leger des Heils en gedichten publiceren in Ons Tijdschrift. 8 Maar in ‘Wat zullen de kinderen lezen?’ heeft haar vroomheid een heel andere inhoud, die men niet beter kan omschrijven dan zij het zelf gedaan heeft met haar verwijzing naar Tolstoj. Haar artikel moet gelezen worden als de uiting van een ernstige overtuiging, die - zoals iedere levensbeschouwing - haar eigen logica heeft.
Leest Daalder dit artikel te veel vanuit zijn eigen opvatting dat een schrijver van kinderboeken een persoonlijkheid moet zijn, Lea Dasberg doet in Het kinderboek als opvoeder zelfs geen poging het te analyseren. Zij zegt dat Nellie wel genoemd moet worden in een overzicht van ‘19e-eeuwse stemmen over de theoretische grondslagen van het kinderboek’, maar vindt het niet nodig haar te citeren: ‘Ondanks herhaalde lezing is ons nooit duidelijk geworden, waarom nu juist dit artikel zoveel aandacht heeft gekregen.’ (Dasberg 1981: 32).
Een onthullende uitspraak, die slechts te verklaren is uit het feit dat Dasberg de geschiedenis bestudeert om bouwstenen te vinden voor ‘een theorie van het kinderboek’. Om te begrijpen waarom Nellies artikel zo'n opgang heeft gemaakt, moet men het lezen tegen de achtergrond van die tijd, waarin een herwaardering van vele waarden plaatsvond. Haar ideeën zullen niet alleen instemming hebben gevonden bij de aanhangers van het opkomende socialisme, de vredesbeweging en de vrouwenbeweging, maar ook bij degenen die zich hadden losgemaakt van het traditionele geloof om hun toevlucht te zoeken bij ‘petites religions’ als de theosofie: allemaal verschijnselen waaraan Jan Romein een hoofdstuk wijdt in zijn boek over deze periode, Op het breukvlak van twee eeuwen
(1967). Nellie verwoordde opvattingen die bij veel opvoeders leefden, en sommigen die het niet in alle opzichten met haar eens waren, zullen onder de indruk zijn geweest van ‘de innigheid van het sentiment’ dat in haar artikel tot uitdrukking kwam, en van de ernst waarmee hier over kinderliteratuur werd gesproken.
In een historisch overzicht van de opvattingen over kinderliteratuur in Nederland verdient zij daarom uitvoerige aandacht. Zij heeft een grote invloed gehad op de opvattingen in het begin van deze eeuw. Bovendien is zij de eerste geweest die aandacht besteedde aan een aantal maatschappelijke aspecten die voor sommigen nog altijd actueel zijn.
In twee korte artikelen heeft Nellie haar opvattingen over kinderliteratuur op enkele punten gepreciseerd. In ‘Het gruwelijke en gedrochtelijke in de kinderlitteratuur’ (1900) constateert zij dat de kinderliteratuur veel gruwelen bevat, zowel in sprookjes als in zogenaamde jongensboeken. Men kan zich afvragen of we die wel aan onze kinderen mogen geven. Misschien vinden sommige mensen dat wij er niet zoveel slechter van geworden zijn, maar volgens Nellie gaat het erom of wij wel zo goed zijn als we hadden kunnen zijn. Toch meent zij dat we onze kinderen hier niet buiten kunnen houden, om de eenvoudige reden dat het bestaat: we zitten er middenin. Zij vindt echter dat men jonge kinderen - tot een jaar of zeven, acht - al die gruwelen moet besparen. De eerste indrukken van een kind moeten zuiver zijn en rein.
In een artikeltje over Jules Verne (1901a) stelt zij vast dat er op de zedelijke strekking van diens werk niets valt aan te merken. Toch heeft ze opvoedkundige bezwaren tegen deze lectuur, en wel omdat die zo boeiend is: ‘Wat toch doet in den regel een boek dat ons boeit? Het ontneemt ons voor een bepaalden tijd onze zelfbeheersching; het houdt ons onder hypnose; het overspant onze fantasie en brengt ons in een soort van droom-bedwelming. Het prikkelt onze nieuwsgierigheid als het onschuldig, het prikkelt onze hartstochten als het slecht is.’ (Van Kol 1901a: 185).
Kinderboeken hoeven niet saai te zijn, zegt zij, maar ze moeten wel het juiste midden houden. Nu zal een enkel boek van Verne een kind niet schaden. Maar kinderen die overvoed worden met zijn boeken, lopen volgens haar gevaar ‘veel-lezers’ en ‘slecht-lezers’ te worden.
Nellies recensies dateren grotendeels uit de jaren 1898 tot 1900. De eerste vijf jaargangen van De Vrouw (1893-1898) bevatten slechts drie recensies, in jaargang 6 en 7 zijn het er zeventien. Daarna heb ik alleen enkele verspreide recensies gevonden, waaronder die van Dik Trom. Daaruit bleek al dat Nellie in de beoordeling van concrete boeken minder streng is dan in haar artikel in De Gids. Zij staat open voor vermaak, al vereist dat wel een pedagogische rechtvaardiging. Een zelfde voorwaardelijke ruimheid is te vinden in haar beoordeling van een boekje van Goeverneur, Kinderleven. Hoewel het niet voldoet aan ‘de hoogere eischen van menschelijke solidariteit die wij ons stellen’, vindt ze het net als Dik Trom wel bruikbaar naast andere ‘meer voedende en opvoedende lectuur’, omdat het ‘een allergezelligst huiselijk boekje’ is (De Vrouw, 6: 49).
Daarmee zijn de grenzen van haar verdraagzaamheid echter bereikt. In een recensie van Drie kwajongens van Stamperius veroordeelt zij de zinsnede ‘liegen deed ik maar zelden’. Voor volwassenen schaadt dat niet, zegt ze, maar voor kinderen suggereert het ‘dat een enkel leugentje er niet op aan komt, daar zelfs de heer Stamperius “wel eens” loog’. Als hij uit oprechtheid niet durft te zeggen dat hij nooit loog, moet hij volgens haar ‘deze zeer gevaarlijke klip’ omzeilen (De Vrouw, 6: 151).
Enkele meisjesboeken veroordeelt ze als beuzelingen. Zij laat bijvoorbeeld zien hoe Truida Kok haar Flora van Marcksveldt ‘vol kreeg’, door een opsomming te geven van wat er in dit boek gegeten en gedronken wordt, wat een lijst oplevert van anderhalve kolom (De Vrouw, 6: 192). Geheel in overeenstemming met haar theoretische eisen is ook haar veroordeling van de onware moraal in Wat ik Leo vertelde van Stella Mare. Zo vertelt een moeder aan haar dochterje dat ze een broertje krijgt... als ze zoet is. ‘Dat is iets nieuws uit het rijk van den ooievaar: zusterzoetheid beloond met broedergeboorte. Leuk is vooral die zekerheid van de mama dat het een broertje zijn zal!’ (De Vrouw, 7: 54).
Onvoorwaardelijk enthousiast is Nellie alleen als zij een boek aankondigt met een onberispelijke strekking. ‘Met ware blijdschap’ begroet zij Frans Naerebout van Stamperius, waarin ‘de jeugd in zedelijke aanraking [wordt] gebracht met een man uit het volk, een held zooals er vele zijn langs onze (en alle) zeekusten’ (De
Vrouw, 6: 127). Want hoewel zij zich in haar recensies op een iets ruimer standpunt stelt, gaat het haar tenslotte om lectuur die kinderen laat zien waar het werkelijk op aankomt in het leven.
Het kinderboek als middel in de opvoeding Behalve Nellie van Kol zijn er in deze periode nog enkele figuren die het kinderboek in de eerste plaats als een middel in de opvoeding beschouwen. Net als Nellie concentreren zij zich op de zedelijke opvoeding. En hoewel zij zich niet (of niet zo duidelijk) op een politiek of religieus standpunt baseren, verwijzen zij meer dan eens naar de eisen die zij geformuleerd heeft.
Tot deze figuren behoren de vertegenwoordigers van de Nederlandsche Kinderbond, die in 1891 naar Engels voorbeeld was opgericht ‘met het doel om bij de kinderen, het volk der toekomst, rechtvaardigheid en medegevoel aan te kweeken jegens al wat leeft, en ruwheid en baldadigheid tegen te gaan’ (artikel 1 van de statuten, geciteerd door Groshans 1917). Men probeerde dit doel te bereiken door middel van clubs en bibliotheken en door te ijveren voor goede kinderlectuur. In 1917 waren er 250 werkende leden in 23 afdelingen; aan de clubs deden 3000 kinderen mee.
Een van de oprichters van de Kinderbond was C.C.A. van der Hucht-Kerkhoven (1840-1915), de weduwe van een KNSM-directeur. Na zijn dood, in 1888, wijdde zij zich onder meer aan de dierenbescherming, een ideaal dat ook in de Kinderbond veel aandacht kreeg. In 1899 zette zij haar visie op kinderlectuur uiteen in een brochure die in opdracht van de Kinderbond werd gedrukt. 9
Wie voor kinderen schrijft, mag volgens haar nooit vergeten ‘dat een kinderziel iets uiterst teers en gevoeligs is’ (Van der Hucht 1899: 3). Alle ruwheid moet daarom geweerd worden. Als men jongens boeken geeft ‘over niets dan oorlog en jacht en moordtooneelen’, kan men niet verwachten dat ze later een afkeer hebben van oorlog en militarisme. Daarom moeten we dit ‘strijdlustige element’ uit de opvoeding verwijderen.
Kinderen moeten ook leren de rechten van het dier te eerbiedigen, gaat ze verder, maar dit is onmogelijk als de jacht en het uithalen van vogelnesten in kinderboeken als iets heel gewoons worden voorgesteld. Als de jacht ter sprake komt, moet duidelijk worden wat dat eigenlijk is: ‘een overblijfsel uit een langzamerhand verdwijnende en afnemende periode van ruwheid en barbaarschheid, zich nu nog openbarende in oorlog, in vivisectie, in jachtvermaak, in overheersching van den zwakke en in zooveel, wat strijdig is met het groote Liefdebeginsel, waarvan wij nu nog slechts het eerste morgenlicht zien’ (Van der Hucht 1899: 6-7).
Overigens stelt zij niet alleen morele eisen aan kinderlectuur. Zo maakt ze bezwaar tegen 't Verteluurtje van Hinse en Stamperius, omdat de meeste verhalen veel te saai zijn: ‘Er is te veel deugd in, die beloond, te veel kwaad, dat gestraft wordt.’ (Van der Hucht 1899: 8). Maar bij de meeste boeken wijst ze toch op morele tekortkomingen.
Net als Nellie van Kol bestrijdt zij het onderscheid tussen jongens- en meisjesboeken. Als we willen dat mannen en vrouwen in moreel opzicht elkaars gelijken worden, moeten we jongens en meisjes allebei ‘frissche, gezonde, opwekkende lectuur’ geven. Behalve vechtboeken moeten we daarom de al te zoetsappige meisjesboeken in de ban doen. Onze meisjes moeten flinke huisvrouwen en moeders worden, maar ze moeten al vroeg leren ‘dat de wereld meer van haar vraagt, dan de kunst, om een pop netjes aan te kleeden, of een puddinkje te maken’: ze moeten beseffen ‘dat op haar de hooge, verheven taak rust de opvoedsters te zijn van het toekomstig menschengeslacht’ (Van der Hucht 1899: 13-14).
Zij gaat ervan uit dat kinderboeken ‘een oneindigen invloed’ hebben: ‘Eén onnadenkend neergeschreven woord valt in 't kinderhart en wordt een gifkiem, waarvan de vruchten en de gevolgen ook eindeloos kunnen zijn.’ (Van der Hucht 1899: 16). Daarom kunnen we niet voorzichtig genoeg zijn: we mogen kinderen nooit boeken geven die we zelf niet gelezen hebben. Helaas wordt dit nog niet genoeg beseft: er wordt wel toezicht gehouden op alles wat een kind eet, maar aan zijn ‘zielevoedsel’ wordt te weinig aandacht besteed.
Een andere vertegenwoordigster van de Kinderbond was Suze
Groshans (1863-1944). In een artikel over lectuur en spel omschrijft zij het lezen als een oefening, een voorbereiding op het (volwassen) leven, ‘enkel middel en geen doel’ (Groshans 1904a: 70). In haar artikel ‘Kinderen en boeken’ (1904b) blijkt dat zij wel degelijk oog heeft voor de eisen die kinderen zelf aan hun boeken stellen. Als men daar geen rekening mee houdt, schiet het middel zijn doel voorbij.
Zij heeft een aantal clubs van de Kinderbond en enkele schoolklassen geënquêteerd over hun favoriete lectuur. School-idyllen van Top Naeff staat bovenaan, onmiddellijk gevolgd door Dik Trom; Afke's tiental wordt veel minder genoemd. Teleurstellend? Nee, zegt Groshans: zij had zich geen illusies gemaakt, daarvoor kent zij de praktijk te goed. Er is wel vooruitgang geboekt, maar de ‘nieuwere en hoogere eischen aan kinderboeken gesteld’ zijn nog niet tot de grote massa doorgedrongen. Zij constateert echter met vreugde dat er weinig indianenverhalen worden genoemd: de drang naar avontuur is in betere banen geleid en is ongetwijfeld ‘voor verdere loutering vatbaar’ (Groshans 1904b: 9).
Deze drang naar avontuur beschouwt zij als een natuurlijke neiging van het kind. Er moet iets gebéúren in een verhaal dat zijn emoties oproept: ‘verbazing, bewondering, drang tot navolging of althans meeleving in zijn verbeelding’. Hieraan moeten we echter ‘met oordeel en matiging’ voldoen, om onrust en opwinding te voorkomen. En de behoefte aan emotie mag nooit leiden tot bevrediging van onedele gevoelens als leedvermaak, spot, minachting of wreedheid. Daarom betreurt zij het dat School-idyllen zo vaak wordt genoemd, een boek waarin dergelijke ondeugden volgens haar verheerlijkt worden. Zelfs met ‘de grapjes van onzen goeden Dik Trom’ is enige voorzichtigheid geboden.
Zij vindt dat we de goede kant op gaan, al is er nog veel onbeduidende en ‘ondoelmatige’ lectuur en wordt veel goeds nog niet genoemd: Nellies kinderbibliotheek bijvoorbeeld en het werk van Ida Heijermans. Ze roept de clubleiders op door te gaan op de ingeslagen weg, niet alleen door het slechte te weren, maar vooral door propaganda te maken voor goede boeken. ‘En laat ons allen in dezen durven vasthouden aan ons ideaal, eischende dat het boek voor het kind zuiver zij van elk compromis met de moraal, die wij in zijn leven wenschen door te voeren.’ (Groshans 1904b: 11).
Al houdt zij tot op zekere hoogte rekening met de behoeften van kinderen, boeken blijven dus in de eerste plaats een middel in de opvoeding. Dezelfde visie komt naar voren in de brochure Onderwerpen, een lijst van aanbevolen kinderboeken samengesteld door Marie Jungius. De titels zijn ingedeeld in tachtig onderwerpen, die staan voor alle mogelijke deugden en ondeugden die door middel van boeken aangekweekt of bestreden moeten worden (van ‘eigendunk, eigenwaan, zelfgenoegzaamheid, eigengerechtigheid’ tot ‘liefde’).
De recensies in het Correspondentieblad van den Nederlandschen Kinderbond bevestigen het beeld, al zijn de beoordelingen net als bij Nellie van Kol wel eens iets soepeler dan de theorie. Men blijft echter waakzaam voor alles wat in strijd is met de beginselen. Zo maakt mevrouw Van der Hucht bezwaar tegen een gedichtje van Johanna Wilhelmina Tadema, ‘Bij 't marcheeren’, ‘omdat wij onze kinderen, zelfs de heele kleintjes niet uitgezonderd, geen soldaatje willen laten spelen. Juist het “prettige” opwekkende van het marcheeren bij 't geroffel der trom is het wat de eerste kiem kan leggen tot den lust om soldaat, om officier te worden en een mooie uniform te dragen. Eerst als kind, al spelende, het verleidelijke maar o zoo verderfelijke gif ingezogen en later... droevige wreede ernst, bloedbaden, Elandslaagten, Glencoes...’ (Correspondentieblad, 1: 18).
Ook worden boeken afgekeurd omdat erin wordt gevist of gejaagd, maar dergelijke elementen worden toch afgewogen tegen andere kwaliteiten, waarbij soms ook argumenten vanuit de lezer worden gehanteerd. Zo veronderstelt G.A.v.E. dat kinderen veel genoegen zullen beleven aan Zeven jongens en 'n ouwe schuit van A.C.C. de Vletter, waarbij ze ongemerkt ‘een schat van nieuwe indrukken’ opdoen. Maar zij eindigt met de kanttekening: ‘Al wordt er niet gevischt, 't vischtuig hadden ze ook maar thuis moeten laten.’ (Correspondentieblad, 7: 12).
In het algemeen wegen de pedagogische kwaliteiten echter het zwaarst. Suze Groshans typeert Een Rus te Delfzijl van J. Faber bijvoorbeeld als: ‘Een verhaal voor oudere kinderen, dat misschien nog spannender verteld had kunnen zijn, maar nu bovenal zich aanbeveelt door degelijkheid.’ (Correspondentieblad, 11: 24). En als
een boek pedagogische waarde heeft, moet men die ook zoveel mogelijk benutten. Groshans besluit haar recensie van Joosje uit de heidehut van J.P. Zoomers-Vermeer met de raad: ‘Lees dit boek met uw kinderen, ouders en leidsters, want bij 't alleen lezen zal door den wat overvollen inhoud menig kostelijk detail niet tot zijn recht komen. En is het niet zóó, dat wat in dit Joosje aan innigs leeft, in elk kind en mensch in kiem aanwezig is?’ (Correspondentieblad, 30: 5).
Tot degenen die het kinderboek als een middel in de opvoeding beschouwen, behoort ook Ida Heijermans (1866-1943), onderwijzeres en lerares bij het nijverheidsonderwijs in Rotterdam en vanaf 1900 redactrice van De Vrouw (als opvolgster van Nellie van Kol). In een artikel over taalonderwijs in De Gids (1897) besteedt zij voor het eerst aandacht aan kinderboeken. Zij verklaart dat het schrijven voor kinderen niet ieders werk is, want ook een kinder-vertelling moet ‘in haar soort’ een kunstwerkje zijn: ‘De kinderschrijver behoort bewust of onbewust kunstenaar, uitverkoren mensch te zijn. Hij moet verbeeldingskracht en gevoel hebben en zich kunnen uiten in een vorm, waaraan men den schrijver herkent.’ (Heijermans 1897: 454).
In alles wat zij over kinderliteratuur heeft geschreven, is dit bijna de enige keer dat zij aandacht besteedt aan literaire aspecten. Ook in dit artikel stelt zij overigens nog andere eisen. Boeken moeten volgens haar de taal van het kind vormen, maar niet alleen zijn taal: ‘Een kind is wordend mensch. Zijn leesboek zal hem dus lectuur dienen te geven, waarin het van eigen denken en voelen, iets van zichzelf dus terug vindt; maar zijn boek moet hem tevens iets vertellen van de wereld, waarin zich menschen bewegen en waarin ook hij later als volwassen mensch zich bewegen zal; in het boek moet het leven kloppen al zal het dit ook langzaam en regelmatig moeten doen.’ (Heijermans 1897: 468-469).
In haar latere beschouwingen heeft Heijermans haar eisen nauwelijks verder uitgewerkt; zij sluit zich eenvoudig aan bij de opvattingen van anderen: Nellie van Kol, mevrouw Van der Hucht en Nienke van Hichtum (Heijermans 1901 en 1904a). In 1906 citeert zij met instemming de opvatting van de Duitse pedagoog Ernst Linde dat men niet te veel waarde moet hechten aan de literaire
voorkeur van kinderen. Hun oordeel is uit psychologisch oogpunt interessant, ‘als alles wat het zieleleven van een kind ontsluiert’, maar zij heeft meer dan eens ondervonden dat kinderen vaak de verkeerde boeken mooi vinden. Ook in dit opzicht moeten zij opgevoed worden en dat is niet mogelijk als men hun smaak klakkeloos volgt.
Welke eisen zij nu precies aan kinderboeken stelt, blijkt pas in haar beoordelingen in De Vrouw en na 1922 in het Correspondentieblad van den Nederlandschen Kinderbond. Daarin legt zij de nadruk op de pedagogische waarde van kinderboeken. Klokjes-luiden van Christine Doorman typeert zij in 1900 als een boekje in de geest van de Kinderbond: een boekje met een duidelijke moraal. Kinderen zullen er niet van smullen, zegt ze, maar zij beveelt het aan voor de ouders om het met hun kinderen te behandelen (De Vrouw, 8: 34-36).
In 1920 zegt zij in een recensie, dat ‘natuurlijkheid, dat is waarheid, een der eerste eischen is, aan elk boek in het algemeen en aan een kinderboek in het bizonder te stellen’ (De Vrouw, 28: 56). Behalve een onware strekking kan het gedrag van de personages een boek ongeschikt maken. In haar beoordeling van Strooptochten van Emmy van Lokhorst merkt zij bijvoorbeeld op: ‘Cigaretten-rookende schilderessen, die slapen in zwarte zijden pijama's zijn er! Maar ze mogen geen tantes zijn in onze meisjesboeken, met wie nichtjes dwepen.’ (De Vrouw, 28: 61). Met de Rembrandt naar Genua van J. Stamperius noemt zij in dezelfde jaargang een goed en gevoelig boek. ‘Jammer, dat er soms wat veel wijn in gedronken wordt.’ (De Vrouw, 28: 55).
Ook in andere beoordelingen hanteert zij vooral pedagogische argumenten. Ik heb maar één uitzondering gevonden: haar recensie van Theo Thijssens Jongensdagen (1909). Thijssen bezit alle eigenschappen van een rasschrijver, zegt ze: hij schrijft ‘frisch, natuurlijk Hollandsch’, hij ziet zijn figuren voor zich en heeft zich geheel in hun wereld ingeleefd. ‘Veel gebeurt er niet in het boekje; het geeft in werkelijkheid niets dan jongensdagen, maar bestudeerd door iemand, die van kinderen houdt, oog en hart heeft voor het echte in hen en gelijk reeds gezegd, een schrijver is. En wie dat niet van huis uit is, die kan nooit, nooit een goed kinderboek maken.’ (De Vrouw, 17: 75).
Dit herinnert niet alleen aan haar artikel in De Gids, het lijkt vooral een instemming met Thijssens eigen eisen (vgl. blz. 71 e.v.). Meer dan een vriendelijk gebaar kan men daar echter niet in zien, daarvoor liggen hun opvattingen te ver uiteen.
Een pedagogische benadering treffen we ook aan bij J. Bos-Meilink, die in haar boekje Lectuur voor kinderen (1914) voorlichting geeft over de eisen waaraan kinderboeken moeten voldoen. Ook zij gelooft dat boeken een grote invloed hebben. Ouders zouden daarom meer aandacht moeten besteden aan de lectuur van hun kinderen: ze zien immers ook niet graag dat hun kinderen met slechte vrienden omgaan.
Van een kinderboek verlangt zij in de eerste plaats dat het waar is, dat het geen valse voorstelling geeft van de werkelijkheid. Dat wil niet zeggen dat alle fantasie uitgebannen moet worden. In sprookjes wordt met opzet onwaarheid gegeven, maar dan ook zó opzettelijk dat ieder kind het doorziet. Maar het werk van Verne vindt zij een gevaar voor sommige kinderen, die alles als waar aanvaarden.
Avonturenboeken kunnen volgens haar ook gevaarlijk zijn; niet de boeken van Aimard maar de slechte imitatie, en niet de boeken op zich maar de hoeveelheid. Door niets anders meer te lezen, laten sommige jongens zich het hoofd op hol brengen. Overigens krijgen boeken vaak ten onrechte de schuld als een jongen ‘op avontuur gaat’: meestal zijn er ook andere oorzaken, maar die zijn alleen aan ingewijden bekend (Bos-Meilink 1914: 15-16).
Zij relativeert ook het gevaar van verhalen over ondeugende jongens: ‘Al is Tom Sawyer een echte rakker, zijn gezelschap zal uw kind geen kwaad doen.’ Ook voor Dik Trom is zij niet bang, ‘hoewel een gezelschap van niets dan Dik Trom's ook al weer niet verkieslijk zou wezen’; en Pietje Bell vindt zij ‘geen verkieslijke vriend’ (Bos-Meilink 1914: 25-26).
Het kinderboek als gevaar Gegevens die het gevaar van slechte boeken moeten illustreren, zijn vaak ontleend aan Duitse bronnen. Ze hebben meestal betrekking op ‘colportageromans’ met titels als De bandietenbruid, Nick Carter, Sherlock Holmes en Buffalo Bill. Van alles wordt aan deze lectuur toegeschreven: van diefstal door
jeugdbendes tot moord en zelfmoord toe. De enige bewijsvoering is die van de sensatiepers: de jeugdige zelfmoordenaar had het boek nog in de hand! In Nederlandse beschouwingen worden deze voorbeelden meestal gerelativeerd; alleen frater S. Rombouts (1925d) citeert ze met volle instemming (vgl. blz. 123).
J. Stamperius geeft in zijn brochure Over kinderlectuur (1910) een bewijs uit het ongerijmde voor dit gevaar. Het verbaast hem dat ouders en onderwijzers hun kinderen indianenboeken van Aimard en anderen in handen geven: ‘Want óf men ontkent den invloed der lectuur op de zedelijke vorming van het kind - en 't zou een stout beweren zijn dit te doen - óf men moet toegeven, dat die bloederige, de fantasie in hooge mate prikkelende Indianenverhalen, waarin een moord, zoo 't slechts een roodhuid geldt, niet geteld, ja zelfs toegejuicht wordt, alles behalve geschikt zijn om edele gezindheden te wekken en gezonde begrippen van naastenliefde en verdraagzaamheid aan te kweeken.’ (Stamperius 1910: 4).
Hij wijst erop dat veel buitenlandse boeken voor volwassenen hier in vertaling als kinderboek verschijnen. Vaak gaat het om auteurs die ook voor kinderen geschreven hebben, zoals Louisa Alcott - al steekt daar bepaald geen kwaad in - en kapitein Marryat. Ook De avonturen van Tom Sawyer, ‘een boek waartegen, hoe amusant het ook is, als kinderlectuur bezwaren zijn ingebracht’, is door Mark Twain niet als kinderboek bedoeld, maar de vertaling wordt wel als zodanig in de handel gebracht (Stamperius 1910: 11). ‘Geef het kind wat des kinds is’, is zijn devies. De meeste boeken voor volwassenen verplaatsen de lezer in een wereld waarin het kind zich niet thuisvoelt, en waarin het ook nog niet thuishoort: ‘Houdt het kind zoo lang mogelijk jong; ook door zijn lectuur.’ (Stamperius 1910: 14-15).
Stamperius heeft bezwaar tegen sommige meisjesboeken, die ‘een verderfelijken invloed kunnen uitoefenen op de karaktervorming van 't opkomend vrouwelijk geslacht’, en tegen alle soorten avonturenromans. Voor zijn veroordeling van Verne voert hij ditmaal nieuwe argumenten aan: jongens lezen diens werk alleen om het spannende verhaal; de passages waarvan ze iets kunnen leren, slaan ze over of ze lezen er overheen. Bovendien zijn wetenschap en fantasie bij Verne te zeer vermengd. Ook Met een kwartje de wereld rond van Paul d'Ivoi lezen zij alleen om de avonturen. Wat
dat betreft is er geen enkel verschil met de colportagelectuur, die slechts kan dienen om ‘de hartstochten te prikkelen en een ongezonde nieuwsgierigheid op te wekken’, en die de lezer op den duur ongeschikt maakt voor het lezen van goede boeken. ‘Dát is het bederf, door de sensatie-lectuur in de wereld gebracht.’ (Stamperius 1910: 27).
Niet alleen avonturenromans werden door velen als een gevaar beschouwd, ook boeken over kwajongensstreken moesten het ontgelden. Dit genre ontstond in Nederland naar het voorbeeld van Dik Trom van C. Joh. Kieviet, een boek dat aanvankelijk zeer gunstig beoordeeld werd. De talloze navolgingen wekten echter al snel de bezorgdheid van veel opvoeders. Een van hen was C.S. Jolmers (1884-1939), onderwijzer in Amsterdam en later in Den Haag, waar hij in 1915 schoolhoofd werd. (Hij promoveerde in 1918 op een proefschrift over Staring, maar hij bleef tot zijn dood hoofd van een lagere school.)
In 1910 waarschuwt Jolmers in De Nieuwe School tegen het werk van Kieviet. Hoewel hij toegeeft dat Dik Trom een uitstekend boek is, ‘frisch en natuurlijk, [...] echt leuk en lollig, het heele boek door’, vertoont het volgens hem al een neiging tot het ‘gevaarlijk-komische’, die in Kieviets latere werk steeds erger is geworden (Jolmers 1910: 87). Om aan te tonen dat ‘een bordje met “Kinderen geen toegang” zeer noodig [is]’, geeft hij een opsomming van de verkeerde elementen in drie boeken: Okke Tannema, De hut in het bosch en Vroolijke vertellingen. Omdat hij de enige is die concreet aangeeft wat er nu zo verderfelijk is in deze lectuur, neem ik enkele voorbeelden over.
In Okke Tannema komt de titelheld op een goed moment langs een schutting, waarachter hij een tuin ontdekt vol bloeiende seringen. Hij wil een paar takken plukken voor zijn moeder, maar zover komt het niet: hij wordt betrapt door een agent en weet nog maar net te ontsnappen. (‘De vreugde, die de lezende kinderen hierover hebben, zal hun werkelijk goed doen,’ zegt Jolmers.) Een paar uur later komt Okke de agent opnieuw tegen, die hem bij zijn oor pakt en vraagt wat hij op die schutting uitvoerde. En als Okke geen antwoord geeft, trekt de agent zo hard aan zijn oor dat het begint te bloeden. De volgende dag neemt Okke wraak. Als de agent langs
zijn huis komt, laat hij een touw uit het zolderraam zakken en trekt hem de helm van het hoofd - onder luid gejuich van de omstanders.
Jolmers tekent hierbij aan: ‘Waarachtig - 't is lollig, Kieviet is een reuzentype. Eén opmerking echter. Als de heer Kieviet jongens van tuchtscholen uitnoodigde om in de school, waarvan hij het Hoofd is, de leerlingen te vermaken met de verhalen van hun vroegere streken, zou er heel wat te doen zijn in de onderwijzers-wereld. Ik vraag: hoe is het mogelijk, dat niemand aanmerking maakt, als deze man die streken in boeken vertelt, al jaren lang?’ (Jolmers 1910: 90).
Deze morele verontwaardiging is geen uitzondering: ook door anderen wordt dit genre in dergelijke krasse termen veroordeeld. Meestal geven zij echter niet aan waartegen hun bezwaren zich nu precies richten. In een overzicht van de beoordelingen van Dik Trom, aan het eind van dit hoofdstuk, kom ik hierop terug (vgl. blz. 140 e.v.).
Jolmers heeft lagere-schoolkinderen op het oog. Er werd ook regelmatig gepleit voor toezicht op de lectuur van de oudere jeugd. Stamperius denkt bij zijn waarschuwing tegen ‘sensatie-lectuur’ aan jongens van twaalf tot zestien jaar. En Ida Heijermans verklaart in haar brochure Onze jongeren en de moderne literatuur (1919) dat juist de lectuur van jongeren in de puberteit aan pedagogische maatstaven moet voldoen. Natuurlijk gelden er ook esthetische eisen, maar ‘de vlag der schoonheid’ mag nooit een lading dekken die jongeren in verwarring kan brengen: kinderen in de puberteit mogen alleen boeken lezen die ‘het karakter vastheid geven en zelfbeheersching leeren’ (Heijermans 1919: 7-8).
Het grootste deel van de moderne literatuur vindt zij niet geschikt voor de middelbare school: die is veel te somber en te vrijmoedig in seksuele zaken. Maar ook met de klassieken moet men oppassen: wie de Spaansche Brabander in de klas wil behandelen, moet eerst aparte jongens- en meisjesscholen instellen.
Over de vraag hoe men jongeren in hun lectuur moet begeleiden, zegt zij: ‘In de eerste plaats moet er veel minder gelezen worden. Er ligt ten slotte iets beangstigends in de tallooze bibliotheeken, die overal verrijzen, in den boekenstroom, welke steeds
meer wast. Wie wel eens in leeszalen kinderen boeken heeft zien doorhollen of nagegaan heeft hoeveel lectuur er door jongeren verslonden wordt, waarvan zij niet eens konden zeggen wie de schrijver was, terwijl het hun evenmin mogelijk bleek den inhoud ervan na te vertellen, weet dat het boek niet altijd een factor is voor waarachtige ontwikkeling.’ (Heijermans 1919: 40).
Daarom vindt zij dat kinderen beter één goed boek kunnen lezen en herlezen: alleen op die manier kan een boek opvoedende waarde krijgen.
In 1930 hield de pedagoog J.H. Gunning Wzn. (1859-1951) een lezing voor de AVRO-radio over de lectuur van jongeren. Veelzeggend is de vraag die hem was voorgelegd: ‘Moet de lectuur van jongens en meisjes van 16 tot 20 jaar door ouders en opvoeders gecensureerd worden?’ Gunning wijst die gedachte af: censuur zou volgens hem niets uithalen of zelfs ongewenste gevolgen hebben. Als men ook jongere kinderen erbij betrekt of ‘censuur’ door een mildere term vervangt, komt het anders te liggen. Hij veronderstelt dat niemand de theorie zal verdedigen dat men jonge kinderen maar alles moet laten lezen.
De boekenwereld is de grote-mensenwereld, zegt hij. Boeken geven kinderen toegang tot die wereld op een leeftijd dat ze daar nog volstrekt niet rijp voor zijn. Uit deze gedachte is indertijd de kinderliteratuur ontstaan, maar ook kinderboeken zijn volgens hem niet allemaal geschikt. Daarom worden ze nog eens door ‘paedagogische keurmeesters’ beoordeeld. Maar omdat er zeer veel kinderboeken verschijnen, is de keuze niet eenvoudig. Toch blijven de ouders verantwoordelijk. Op den duur moeten zij hun kinderen loslaten, maar dat moet heel geleidelijk gebeuren.
Hij onderscheidt op dit punt een aantal fasen. Er is een periode waarin kinderen toestemming vragen voor zij een boek lezen. Daarop volgt een periode waarin zij hun ouders om raad vragen. Daarna worden ze langzamerhand zelfstandiger. Eerst zullen hun ouders nog wel eens zeggen: ‘Het is beter dat je dat boek nog niet leest.’ Daarna vragen ze: ‘Is het wel verstandig dat je dat leest?’ Dan komt de tijd dat ze hooguit zeggen: ‘Hè, lees je dát boek?’ En ten slotte komt de tijd dat ze maar beter hun mond kunnen houden als hun kinderen een boek lezen dat zij afkeuren.
De eerste twee periodes duren het langst, preciseert hij. Ze strekken zich uit van de kindsheid, ‘waarin de ouders nog geheel voor de kinderen kiezen en waarin zij nog onbeschroomd kunnen verbieden’, tot de rijpere jeugd, ‘waarin zij nog hoogstens aanwijzingen kunnen geven’. Vooral de periode waarin het kind geen toestemming, maar nog wel raad vraagt, mag niet te kort duren. Als ze wordt overgeslagen, verliest men volgens hem alle invloed ten goede op de jeugd.
Een afwijkende pedagoog: Jan Ligthart De bekendste Nederlandse pedagoog uit deze periode is ongetwijfeld Jan Ligthart (1859-1916.) Hij werd in de praktijk opgeleid tot onderwijzer: op zijn twaalfde jaar werd hij kwekeling omdat zijn ouders het schoolgeld niet meer konden betalen. Door zelfstudie ontwikkelde hij zich tot een toonaangevend pedagoog, die zijn inzichten vanaf 1899 publiceerde in een eigen tijdschrift, School en Leven. Daarin zette hij zich af tegen de wetenschappelijke pedagogiek; zijn eigen benadering was gebaseerd op intuïtie, zelfkennis en ervaring. Hij had een grote belangstelling voor literatuur: in 1909 bezorgde hij bijvoorbeeld samen met C.G. Kaakebeen de eerste schooluitgave van Van den vos Reinaerde.
In zekere zin behoort ook hij tot degenen die het kinderboek als een middel in de opvoeding beschouwen. De argumenten die hij gebruikt, zijn grotendeels van pedagogische of morele aard. Maar zijn benadering van opvoeding en moraal is weinig conventioneel en in tegenstelling tot de andere opvoeders identificeert hij zich sterk met de lezers. Dat maakt hem tot een moeilijk in te delen figuur, al staan zijn opvattingen het dichtste bij die van degenen die aan kinderboeken een esthetische functie toekennen.
In twee stukjes over ‘Woensdagmiddaglectuur’ pleitte Ligthart in 1900 voor het voorlezen op school. Dat levert niet alleen een heerlijke middag op, het is minstens zo belangrijk als het leren van tiendelige breuken en allerlei nuttige kennis. ‘Alsof leeren - in den schoolschen zin - alles ware! Alsof het tenminste belangrijker was dan iets ter kinderwereld!’ (Ligthart 1900b: 243).
In zijn volgende beschouwing, ‘Over het kantje’ (1904a), bespreekt hij twee boeken die de laatste tijd veel opgang maken: Dik Trom van Kieviet en School-idyllen van Top Naeff. Waaraan heb-
ben deze boeken hun succes te danken? Zeker, ze zijn met talent geschreven, maar dat is Een levenslustig troepje van mevrouw E. de Pressensé ook, misschien wel méér, en dat is nog nooit herdrukt. Nee, de werkelijke reden is dat Dik steeds ‘over het kantje gaat’. Neem nu de scène waarin hij de klompen van de baker vol giet met water. Die baker is beslist geen nare vrouw, zegt Ligthart, maar de kinderen klappen in hun handen van de pret als je het voorleest. En er gaat een gejuich op als zij, al pratend, haar voet in de klomp steekt. Dat getuigt niet van veel respect en evenmin van veel liefde! Zo is het ook met School-idyllen. Wat is die ene lekker brutaal tegen de juffrouw! Of ze daarbij nu zo billijk is, doet er niet toe: omdat ze zich durft te verzetten tegen het gezag, is ze een heldin. ‘Menig gevierd kinderboek dankt zijn triomftocht aan de vrijmoedigheid, om niet te zeggen de brutaliteit, waarmee zijn held of heldin alles trotseert. De fortuin is met den stoutmoedige.’ (Ligthart 1904a: 544).
De vraag is nu maar of we dit moeten bestrijden. Vóór Ligthart deze vraag beantwoordt, onderbreekt hij zijn betoog met uitweidingen over het verschil tussen ethiek en etiquette, over zogenaamde vieze woorden, over het gezegde ‘Wijs bij de lui, mal om een hoekje’ en over het plezier van het zoenen. De eerste twee haken in op een discussie die kort daarvoor in Het Kind was gevoerd.
Het begon met een stukje van O. Gunning, ‘Aan wiens of wier leiding kunnen wij ons toevertrouwen?’ (1904). Hij vertelt dat hij het bundeltje Het regent, het zegent van Nellie Bodenheim heeft aangeschaft, omdat het door Nienke van Hichtum was aanbevolen. ‘Wat een ontgoocheling! Eén schurftig schaap steekt de heele kudde aan. Hier is meer dan één schurftig schaap!’ (O. Gunning 1904: 35). Hij gaat de versjes een voor een langs en heeft bijna overal wel iets aan te merken:
‘4. Kakkemijne stoeltje is geen goddelijke nonsens meer, maar geheel en al onbegrijpelijk. Maar vooral, waartoe dat woord “kak”? [...]
17. Waar ben je dan geweest? is uitstekend. “Gat” is minder aesthetisch. Wie maakt van de beide laatste regels iets anders? Bijv.: “Wat heb je daar gekregen / Twee koekjes aan mekaar geregen”.
En dan op de teekening, twee koekjes met een touwtje er door. Aan het kind vertellen we dan, dat die koekjes “gaatjes” hebben. [...]
20. Het regent, het zegent. De plaatjes zijn verrukkelijk. De stippeltjes op den laatsten regel kunnen bij mij natuurlijk geen genade vinden. Zet alle flauwe “moppigheid” ter zijde en neem in plaats van “hun ...” “het pad”. Uw kind zal er niet minder om worden.’ (O. Gunning 1904: 36).
Het volgende nummer van Het Kind bevat een reactie van A. Boissevain, die Gunnings opmerkingen vreselijk overdreven vindt en schertsend voorstelt ‘een koekje met een gat’ dan maar te vervangen door ‘een koekje met een broekje’.
Er is ook een reactie van Nienke van Hichtum: ‘Waarom oude kinderdeuntjes?’ Zij constateert dat Gunning kennelijk vindt dat alles wat een kind zingt of hoort, geestelijk en moreel op hem moet inwerken; dat z'n ouders alles moeten uitleggen en verklaren - alsof een peuter dat allemaal kan begrijpen! Zij pleit ervoor om in de eerste plaats de fantasie te ontwikkelen en de smaak te vormen door kinderen, aanvankelijk onbewust, echte kunst te laten genieten. Deze versjes hebben zich door de eeuwen gehandhaafd doordat ze origineel en zangerig zijn. Zij verwijst hierbij naar Heinrich Wolgast, die over de tegenwoordige Duitse kinderpoëzie klaagt: ‘Alles ist aufs Moralische gestellt.’
Ten slotte verklaart zij dat het niet haar bedoeling is ‘leiding’ te geven. Zij geeft slechts haar eigen, weloverwogen oordeel, in de hoop dat ouders zich daardoor een mening kunnen vormen.
Zoals gezegd haakt Ligthart op deze discussie in. Hij begint met te verklaren dat iets ‘onfatsoenlijks’ lang niet altijd slecht is: fatsoen is immers aan mode onderhevig. Misschien is de ontwikkeling van de etiquette zelfs omgekeerd evenredig met ware reinheid.
Naar aanleiding van ‘Het regent, het zegent’ wijdt hij vervolgens een beschouwing aan het woord ‘gat’. Hij vraagt zich af of het zogenaamde fatsoen om sommige gaten in het menselijk lichaam niet bij hun naam te noemen, niet getuigt van gebrek aan eerbied voor de schepping. Zijn vrouw zong vroeger over de drie boerin-netjes: ‘die vielen heelemaal plat’. En Nienke van Hichtum schreef hem onlangs dat zij deze regel veranderde in: ‘die vielen in een
gat’. Het principe maakte dat nodig: alle onreinheid was immers verboden in de kinderkamer.
‘Jonge ouders richten hun opvoeding meestal in naar zekere principes, zonder daarbij rekening te houden met de kindernatuur. Vandaar dat ze zich door redeneering ook niet laten overtuigen, want wie principieel redeneert staat sterk, al is 't meer in de redeneering dan in de levenspractijk. Wanneer we echter wat ouder zijn geworden en de kinderen hebben leeren kennen zooals ze zijn, en ze dus niet meer beschouwen zooals wij ze in onze gedachten construeerden, dan veranderen we wel een beetje.’ (Ligthart 1904a: 590).
Hij kan geen enkele onreinheid ontdekken in ‘die vielen op hun gat’, ook niet als er om dat woord gelachen wordt: ‘Er is geen onreinheid, dan in uw blik.’
En dan het zoenen. Net als bij de andere intermezzo's is het verband met Ligtharts betoog niet meteen duidelijk; we moeten daarvoor terug naar het begin van zijn artikel. In één adem met Dik Trom en School-idyllen noemt hij nog een boek: ‘Toen mijn vrouw onlangs in deze kolommen den zesden druk aankondigde van Tom Sawyer als prachtige lectuur voor... volwassenen, dacht ik: Ga je gang maar, maar niettemin zullen de jongens het verslinden.’ (Ligthart 1904a: 543). Marie Ligtharts beoordeling van Tom Sawyer staat in dezelfde jaargang van School en Leven (5: 390-397). Waarom is het volgens haar geen kinderboek? Volwassenen worden al te dom voorgesteld, zegt zij, en ze worden te veel bespot. Bovendien is Tom verliefd, een jongen van twaalf!, hij zoent zelfs een meisje.
Zonder haar te noemen bestrijdt Ligthart dus zijn vrouw, als hij over het zoenen zegt dat je kinderen niet moet verbieden wat je zelf zonder enig berouw hebt bedreven. De natuur gaat boven de leer: daarom wil hij er in deze stukjes ‘telkens weer aan herinneren, dat menig verboden terrein eigenlijk het terrein is, dat we betreden moeten’ (Ligthart 1904a: 624).
Daarna vat hij de draad van zijn betoog weer op, door te verklaren dat er in ieder mens een anarchist schuilt. Uit praktische overwegingen moeten we ons aanpassen, maar dat neemt niet weg dat anarchie ons ideaal is. Er zijn maar twee beperkingen van de vrijheid die we onvoorwaardelijk erkennen: die van de natuurwet-
ten en die van het geweten. En naarmate ons méér regels worden opgelegd, zijn we meer gedwongen ‘over het kantje te gaan’. Daarom houden kinderen zo van Dik Trom. En daarom kunnen grote mensen die nog iets van het kind in zich voelen, ook nog zo genieten van zijn streken. Niet alle kinderen hebben de moed om toe te geven aan hun vrijheidsdrang. Sommige missen ook de naïviteit, de ware onschuld die nodig is om ‘ondeugend’ te zijn.
‘Behoef ik nog te zeggen, dat ik lectuur van boeken als Dik Trom en School-idyllen warm aanbeveel? Ja, ja, 'k zie ook wel gevaren, maar waar zijn die niet? Zelfs bij saliemelk kun je de tong branden, en in een stuk koek kun je stikken. Maar het enorme voordeel van zulke lectuur, net zoo goed als van die der indianen-romans is dit: dat ze bij de kinderen niet alleen de behoefte bevredigen aan 't avontuurlijke, 't heldhaftige, 't ondernemende, maar dat ze in hun aankweeken bewondering voor het stoute, het vermetele, voor het durven en doen, voor het breken met banden van schijn. Gevaar van deze aankweeking ken ik niet, als er maar mee gepaard gaat: aankweeking van hulpvaardigheid, van liefdevol zorgen.’ (Ligthart 1904a: 640).
Reacties op dit artikel blijven niet uit. De eerste, van H.A. Laban, is getiteld ‘En toch zijn er grenzen’. Hij geeft enkele voorbeelden van kinderen die zich - in hun onschuld - ‘onbetamelijk’ uitdrukken. Hij vindt dat we op dit punt wel de grenzen in acht moeten nemen. Waar die precies liggen, is moeilijk vast te stellen, maar we moeten kinderen niet met opzet onfatsoenlijke woorden leren. Naar zijn mening mag je Dik Trom niet zomaar aan iedere jongen in handen geven. En het zou hem weinig moeite kosten om aan te tonen dat School-idyllen beslist een verkeerd boek is.
Ook Ida Heijermans (1904b) kan School-idyllen niet onvoorwaardelijk aanbevelen. Zij ziet wel de waarde van ‘over het kantje gaan’, bijvoorbeeld in vrolijkheid en plagerijtjes tijdens een schoolreisje, maar in School-idyllen schuilt volgens haar een gevaar. Omdat meisjes daarop gewezen moet worden, behandelt zij het boek in de klas. Zij legt uit dat de hoofdpersonen dingen doen die niet goed te praten zijn: spieken vinden ze heel gewoon, ze gedragen zich zeer onbehoorlijk tegenover hun leraressen, spijbelen en gaan dan ook nog taartjes eten, op krediet nog wel!
Na School-idyllen behandelt zij altijd de boeken van Louisa Alcott, Onder moeders vleugels bijvoorbeeld, waarbij meisjes ook kunnen bewonderen en meelij hebben, maar dan niet ten koste van anderen. Overigens is het niet haar bedoeling, een jonge schrijfster als Top Naeff te vergelijken met deze moederlijke, fijn voelende vrouw met haar tedere hart en milde wijsheid.
Ligthart antwoordt in een stukje getiteld ‘Ketterij’ (1904b). Hij noemt spieken ‘de natuurlijkste zaak van de wereld’, al was het misschien royaler als de meisjes hun boek openlijk op tafel zouden leggen, ‘zooals verschillende onderwijzers en leeraars doen, als ze de lessen overhooren’ (Ligthart 1904b, nr. 51). Ook voor de andere zonden in School-idyllen kan hij best begrip opbrengen.
In een slechte invloed van het boek gelooft hij niet. Zet maar eens een slechte leraar, die geen orde kan houden, voor een klas welopgevoede kinderen, zegt hij. Binnen een maand is het een bende, ook al hebben ze niets anders gelezen dan het Zedekundig leesboek. En je kunt ze gerust School-idyllen laten lezen, zonder dat de lessen van goede leraren daaronder lijden.
Wat ook het effect is geweest van Ligtharts pleidooi voor ‘anarchistische’ verhalen, zijn eigen vrouw heeft hij in ieder geval niet overtuigd. Als zij vier jaar later Hein Stavast van Chr. van Abkoude bespreekt, dat ze omschrijft als een boek van het type Dik Trom, merkt ze op: ‘Of zulke boeken in opvoedkundig opzicht aanbevelenswaardig zijn, komt mij twijfelachtig voor, al zijn ze door iemand uit mijn naaste omgeving wel eens verdedigd.’ (School en Leven, 10: 284).
Net als zijn benadering van de pedagogiek hebben ook Ligtharts recensies een heel eigen karakter. In een ervan bespreekt hij de problemen van de recensent. Als een boek je bijzonder getroffen heeft, kun je het wel aanbevelen met allerlei oordelen: ‘mooi’, ‘frisch’, ‘boeiend’, ‘opvoedend’, maar dat geeft geen enkel idee van het boek. De belangrijkste vraag vindt hij daarom, hoe je een boek moet karakteriseren, wat je als ‘eigenaardig element’ onder de aandacht moet brengen.
In vergelijking met andere recensenten geeft hij inderdaad weinig oordelen; vaak probeert hij het boek voor zichzelf te laten
spreken. Zijn recensie van Jongensdagen van Theo Thijssen begint met de kreet waarmee de hoofdpersonen elkaar aanroepen: ‘Riet-pe-tie-oe!’ Bij hem galmt het geluid niet over een Amsterdamse gracht, maar door een schoollokaal, waar de meester zit voor te lezen: ‘Rier-pe-tie-oe!’ Vervolgens weidt hij uit over voorlezen in het algemeen en het voorlezen van Jongensdagen in het bijzonder. Daarmee weet hij de sfeer van het boek uitstekend op te roepen (School en Leven, 11: 529-537).
Zeer geregeld geeft hij naar aanleiding van een boek een pedagogische beschouwing. Bij Afke's tiental van Nienke van Hichtum vergelijkt hij de situatie in grote gezinnen met het ‘twee-kinderen-stelsel’, om vervolgens over de liefde te filosoferen. Over het boek vertelt hij dat zijn hoogste klas het prachtig vindt als voorleesboek, en dat een groepje kinderen in de trein er ook al door geboeid werd (School en Leven, 5: 58-64).
Wat zijn nu Ligtharts criteria bij het beoordelen van kinderboeken? De vraag is eigenlijk strijdig met zijn onbevangen benadering, waarbij hij zich zoveel mogelijk openstelt voor het boek zelf. Net zo min als de opvoeding richt hij zijn beoordelingen in naar ‘zekere principes’. In zijn recensie van Willem de Kabeljauw of Hoorn in 1479 van J.G. Kramer meet hij zijn bezwaren breed uit: het boek geeft wel een goed beeld van een periode uit de geschiedenis, maar het staat vol met gezochte beeldspraak en onlogische uitdrukkingen en redeneringen. ‘Hoe kan ik zoo'n boek nu aanbevelen!’ zegt hij. ‘En toch beveel ik het aan. En met volle overtuiging.’ (School en Leven, 1: 409).
Meer dan de traditionele opvoeders gaat hij in op literaire kwaliteiten. Net als Ida Heijermans besteedt hij regelmatig aandacht aan de personages en dat heeft ongetwijfeld een pedagogische functie, maar hij gaat ook in op de karakteruitbeelding en daarmee op het vakmanschap van de schrijver. Literaire en pedagogische argumenten zijn bij hem niet goed te scheiden. Als hij zich verheugd toont dat er in Jongensdagen nu eens een ‘fijne agent’ optreedt in plaats van de eeuwige kwaaie veldwachter, heeft dat zowel een pedagogische als een literaire dimensie.
De pedagogische argumenten zijn bij hem echter van een ander gehalte dan bij de andere opvoeders. Zijn afwijzing van een opvoeding gebaseerd op vaste morele principes, richt zich ook tegen
Stamperius, Ida Heijermans en de vertegenwoordigers van de Kinderbond, die zich geheel op de moraal concentreren. In zijn visie houden zij geen rekening met de aard van het kind, maar alleen met een ideaalbeeld. Omdat hij uitgaat van de realiteit, heeft hij geen enkele behoefte aan voorbeeldige personages in de traditie van Salzmann. Hierdoor ontstaat ruimte voor een realistische karakteruitbeelding, waarin figuren goede en slechte eigenschappen hebben. Zijn visie op de opvoeding en zijn visie op literatuur zijn dus veel complexer dan die van de andere opvoeders.
Het kinderboek als kunstwerk Bij degenen die zich niet op een politiek of religieus standpunt baseren, zijn drie figuren die van een kinderboek in de eerste plaats verlangen dat het een kunstwerk is. Onderling vertonen zij duidelijke verschillen in benadering: terwijl Theo Thijssen benadrukt dat de schrijver van kinderboeken een kunstenaar moet zijn, ontvouwt J.W. Gerhard een theorie over de waarde van echte kunst in de opvoeding, en beperkt C.E. Hooykaas zich tot een waarschuwing tegen de goede bedoelingen waardoor volgens hem veel kinderboeken bedorven worden. Wat hen drieën verenigt, is de afwijzing van elke opzettelijke moraal.
Theo Thijssen (1879-1943) kwam net als Ligthart uit een arm middenstandsgezin in de Amsterdamse Jordaan. Dankzij de inspanningen van zijn moeder kon hij echter studeren aan de Rijkskweekschool in Haarlem. Als jong onderwijzer richtte hij in 1905 samen met P.J. Bol het tijdschrift De Nieuwe School op. In dit ‘Tijdschrift voor practische paedagogiek’, zoals de ondertitel luidde, recenseerde hij schoolboekjes met een felheid die aan De Nieuwe Gids doet denken. Maar ook kinderboeken hadden zijn belangstelling. Al meteen in het eerste nummer zette hij zijn eisen uiteen.
‘Als ik een kinderboek lees, denk ik dikwijls aan Kloos, die gezegd heeft, dat kinderen Koningen waren. Wat deksel, zeg ik dan zachtjes, als je toch met een koning omgaat, kan je maar niet de eerste de beste zijn; je moet toch 'n beetje, wat-je-noemt een nette vent zijn; 'n beetje elegant moet je zijn, hè, met af en toe een sierlijk gebaar... En wat zijn het toch meestal 'n geestes-plebejers, die kinderschrijvers!’ (Thijssen 1905: 19).
Kinderboeken kunnen op allerlei manieren ontstaan, gaat hij verder, bijvoorbeeld door vertaling van een buitenlands prul: ‘dat is niet moeilijk, want het hoeft niet letterlijk; en 't is maar voor kinderen’. En als een roman niet wil lukken, kan de schrijver er altijd nog een kinderboek van maken. Of ‘een edel mensch, die opvoederig is, zooals Multatuli zou zeggen’, schrijft ‘een ethica in vertellingen’. Maar haast nooit ontstaat een kinderboek op de goede manier.
‘Een kinderschrijver moet schrijver zijn. Hem moet de taal iets méér zijn dan het ons gewone menschen is; en bovendien moet hij van het kind houden; zóóveel houden, dat het kind hem verstaat. Hij moet eerlijk geven wat er in hem leeft; en wat er in hem leeft moet voor het kind zijn; en zóó hevig moet het in hem zijn, dat hij 't uit; dat hij 't uiten moet.
Een kinderboek moet écht zijn. En een kinderboek beoordeelen is alleen maar kijken, of het echt is; of de schrijver kinder-kunstenaar is. Wat 'n raar woord, hè, “kinder-kunstenaar”!’ (Thijssen 1905: 21).
Net als Nellie van Kol vindt hij dus dat alleen iemand die werkelijk iets te zeggen heeft, kinderboeken mag schrijven. Maar daarmee houdt de overeenkomst ook op. Thijssen kiest voor een persoonlijk kunstenaarschap, dat niet aan een leer gebonden is, en niet in regels te vangen. Dat had hij al eerder laten blijken in een recensie van Kees Lovers van Charles Krienen, een deel uit de ‘Nieuwe Bibliotheek voor de jeugd’ van Stamperius. ‘Zoo iets heb ik nog niet gehad,’ zegt hij, ‘een geredigeerd boekje!’ Hij citeert Stamperius' eisen: een kinderboek moet boeiend zijn, het moet voedsel bieden voor hoofd en hart, enzovoort. Hij vindt het een treurig programma, zoals het een belachelijk idee is dat een schrijver er een redacteur op nahoudt - of er door een redacteur op nagehouden wordt. ‘Een kinderschrijver moet mans genoeg zijn om zelf op te treden, wanneer hij wil, en zooals hij wil.’ (School en Leven, 3: 555).
Van ‘opvoederigheid’ moet Thijssen niets hebben: evenmin als de kunst is de opvoeding in regels te vangen. ‘Niet de letters van den man aan de schrijftafel, de daden van den man voor de klasse zijn paedagogiek’, is het motto van De Nieuwe School.
In een recensie van een boekje van Nellie van Kol kondigt hij aan binnenkort zijn mening te geven over ‘het knoei-beweginkje van hyper-sentimenteel-dilettant-paedagogischen aard waaraan de laatste jaren eenige vrouwen zooveel doen’ (De Nieuwe School, 1: 121). Dat doet hij een jaar later in een stukje ‘Voor Mej. Ida Heijermans’: ‘Die hebbelijkheid van u, om naar aanleiding van vervelende bedenkseltjes zedelijke boomen op te zetten tegen de kinderen, die begint ons zoo te vervelen. [...] Het is misschien erg ongelukkig, maar heel die opzettelijke opvoederij in school, waar u en andere dames zoo graag over spreekt, daar voelen wij zoo weinig voor; daar worden we een beetje onpasselijk van, eerlijk gezegd. En nu moet u niet denken, dat dit komt, door dat wij zoo grof zijn, en u zoo fijn. Het is juist omgekeerd. Het is grofheid van ú, te meenen, dat men spreekt over liefde en eerlijkheid als over boter en kaas.’ (Thijssen 1906: 132).
Je moet je als mens aan een kind geven, vindt hij. Dat is genoeg. En het is door niets te vervangen, zeker niet door ‘kunstmatig moraliseeren’. Vanuit die opvatting veegt hij drie jaar later de vloer aan met Hinse en Stamperius, in een bespreking van de zesde druk van 't Verteluurtje. Het idee dat je kinderen goed leert spreken door ze te verbeteren als ze een verhaal navertellen, noemt hij uit taalpsychologisch oogpunt belachelijk. Even onzinnig vindt hij het om met kinderen te spreken over ‘wat zij uit de vertelling leeren moeten’: ‘Dat we doen moeten wat we kunnen, om ons doel te bereiken, dat zal iedereen met de heren H. en St. eens zijn. Maar het is weer een zo-maar-es geuite, en volgens de praktijk onware bewering van de heren, dat we daarom met de kinderen moeten spreken over de les die in de vertelling zit. Het is veeleer zo, dat we daarom vooral niet met de kinderen over de les moeten spreken!’ (De Nieuwe School, 5: 13).
De manier waarop Hinse en Stamperius over vertellen praten, is volgens Thijssen onbeschaafd; en wat ze beweren, is kletskoek. ‘Vertellen [...] hoort bij de omgang met het kind; daarom zal de onderwijzer vertellen.’ Hij vindt dat je daar geen regels voor kunt geven: hoe iemand vertelt en wat hij vertelt, hangt af van zijn persoonlijkheid en van de kinderen die hij in de klas heeft.
Behalve tegen de neiging tot moraliseren zette Thijssen zich af
tegen de angst voor ‘gevaarlijke’ lectuur. In een recensie van een jongensboek dat bedoeld is als waarschuwing tegen indianenboeken - De avonturen van Klavervier door J.L. Keetelaar - bekent hij weinig te voelen voor de solide ideeën van wijze grote mensen: ‘ik geef nog maar altijd de jongens gelijk, hè’.
Pedagogische bezwaren ziet hij niet: ‘Erger nog, ik heb de stellige overtuiging, dat die heerlike boeken van Aimard machtig veel hebben bijgedragen tot mijn geestelike groei; ik weet zeker, dat ik veel minner soort mens geweest zou zijn, als Aimard niet had meegedaan aan m'n opvoeding. En als het waar is, dat de tegenwoordige jeugd als gevolg van een kwasi-pedagogiese klets-campagne tegen de avonturen-boeken, minder Aimard, en minder Marryat en minder Jules Verne te lezen krijgt dan vroeger, dan beweer ik, dat-ie bij ons vergeleken, heel wat te kort komt.’ (De Nieuwe School, 5: 233).
Thijssens recensies zijn opmerkelijk fel van toon. Steeds opnieuw trekt hij van leer tegen schrijvers die volgens hem geen schrijver zijn. Er is in dit opzicht geen enkel verschil tussen de drie recensies die hij in 1901 en 1902 publiceerde in School en Leven, het blad van Jan Ligthart, en de laatste in De Nieuwe School van 1909.
Van Kees Lovers (het ‘geredigeerde’ boekje) stelt hij in 1902 vast dat het aan de eisen van Stamperius voldoet. Maar het is een aaneenrijging van anekdotes, zonder enige samenhang: ‘slechts hier en daar het hooge, de kunst-voor-het-kind. Eigenlijk is het andere prullenwerk.’ (School en Leven, 3: 558). Dat levert een woedende reactie op van de auteur: Thijssen moet niet proberen Van Deyssel te imiteren, want dat lukt hem toch niet. Een verwijt dat hij als redacteur van De Nieuwe School nog verschillende malen te horen zal krijgen.
In dit tijdschrift recenseerde hij in 1909 voor het laatst een kinderboek: Schooljongens lief en leed van E. Molt. Hier hebben we nu waarlijk kinderlectuur van de twintigste eeuw, hoont hij, de eeuw van het kind. Molt gaat met zijn tijd mee en doet zijn best om kinderen op te voeden. ‘Eén ding is jammer: als auteur is de heer E. Molt niet veel soeps. Hij schrijft slecht; en dat is toch altijd een beetje ongelukkig voor iemand, die een boek wil maken.’ Het boek gaat over een ruzie tussen twee jongens, maar Molt slaagt er niet in
dit gegeven geloofwaardig uit te werken. Zijn figuren komen niet tot leven, het blijven morele clichés: ‘een treurig brokkie kinder-psychologie’ (De Nieuwe School, 5: 57, 60).
Al met al recenseerde hij in De Nieuwe School twintig kinderboeken, waarbij hij maar tweemaal tot een positief oordeel kwam. De eerste keer ging het om een boek van C. Joh. Kieviet, De Kennemer vrijbuiter. 10 Er zijn wel wat slordigheden in de taal aan te wijzen, maar: ‘De auteur van Dik Trom steekt zóó ver uit boven het gros der kinderschrijvers dat ik hem niet eens lastig wil vallen.’ (De Nieuwe School, 2: 27). Die clementie had hij niet voor Nellie van Kol, in de bespreking van haar bewerking van Oedipus. Als zij de Griekse mythologie zo geschikt vindt voor kinderen, zegt hij, waarom castreert ze die dan? Hij vindt dat haar stijl ‘iets raars, iets internationaals heeft, iets onkinderlijks ook’. Zij ziet kans om te schrijven: ‘de duisternis van het onweder legerde zich om de geheele streek’ (De Nieuwe School, 1: 120). Enkele vertalingen van J.W. Gerhard komen er nog slechter af: die staan volgens hem vol germanismen, rare uitdrukkingen en regelrechte fouten.
Bij het begin van de derde jaargang persifleert Thijssen de manier van recenseren in andere onderwijsbladen. Om iets te doen tegen de ‘honderden aanbevelinkjes en kletspartijtjes van tien en een halve regel’ begint de redactie een rubriek ‘Korte beoordeelingen’. De Nieuwe School heeft evenveel recht als anderen om een oordeel te publiceren zonder enige argumentatie en zal voortaan van dit recht gebruik maken. Medewerkers aan deze rubriek zullen echter geen initialen gebruiken (zoals de recensenten in andere bladen). Een van de boekjes die in deze rubriek besproken worden, is Kleine bengels van Tante Lize (een pseudoniem dat Thijssen al eens had geleend voor een parodie): ‘Bekend pseudoniem, hè; lief ook! Leuke titel. Maar 'n zeldzaam-idioot boek.’ (De Nieuwe School, 3: 14).
Kennelijk vond hij het te veel eer om een dergelijk oordeel steeds opnieuw te motiveren. In 1909 stopte hij helemaal met recensies van kinderboeken in De Nieuwe School. Nadat hij achttien van de twintig besproken boeken had neergesabeld, was zijn oordeel over het gros van de kinderboeken ook genoegzaam bekend. Hoe het volgens hem dan wel moest, liet hij datzelfde jaar zien in zijn enige kinderboek, Jongensdagen.
Tot degenen die van een kinderboek verlangen dat het in de eerste plaats een kunstwerk is, behoort ook J.W. Gerhard (1864-1923), een zoon van de pionier van de vrijdenkersbeweging, H. Gerhard, en de broer van een van de oprichters van de SDAP, A.H. Gerhard. Nadat hij net als zijn broer onderwijzer was geworden - in die tijd de gebruikelijke opleiding voor arbeiderskinderen die door mochten leren - hield hij zich vooral bezig met de waarde van de kunst in de opvoeding, waarover hij in 1905 twee brochures publiceerde.
In De aesthetische opvoeding der jeugd (1905a), dat grotendeels aan prentenboeken gewijd is, stelt hij vast dat de school wel veel doet om kinderen ‘nuttige en gepaste kennis’ bij te brengen, maar niets om hun gevoel voor schoonheid te stimuleren. Wat dat betreft is er niets veranderd sinds Schiller in 1795 zijn Briefe über die ästhetische Erziehung publiceerde. In navolging van Schiller betoogt hij dat de ontwikkeling van de mensheid drie stadia kent: de fysieke, de esthetische en de morele fase. Volgens hem bevindt de mens zich nog in de laagste fase: ‘Door de zorgen om zijn physiek bestaan onderscheidt hij zich niet van het dier. Hierboven verheft hij zich eerst als hij in den aesthetischen toestand overgaat; en dezen moet hij weer eerst doorgaan, om in den moreelen toestand te komen. Volkomen valsch is de opvatting, dat de mensch moraal kan leeren, zonder eerst door aesthetisch gevoel bewustzijn van zijn hooger Ik verworven te hebben.’ (Gerhard 1905a: 147).
Hij pleit daarom voor verbetering van het onderwijs. Volgens hem is de opvoeding niet compleet als daarin geen aandacht wordt besteed aan de kunst. Voor de literatuur werkt hij deze gedachte uit in zijn volgende brochure, Onze kinderliteratuur in de aesthetische opvoeding (1905b). In het wettelijk doel van de lagere school, de ‘opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden’, ziet hij slechts een middel om het volk onmondig te houden. Daarnaast leren kinderen op volksscholen alleen wat ze ‘naar het oordeel der regeerende klassen’ nodig hebben: als ze kunnen lezen, schrijven en rekenen, is dat genoeg voor de rol die ze in de maatschappij moeten spelen: die van ‘producent aller levensbehoeften’ (Gerhard 1905b: 309).
Hoewel Gerhard zich hier duidelijk laat kennen als socialist, leidt dit uitgangspunt bij hem juist tot een keuze voor het boek als kunstwerk en tot het afwijzen van elke opzettelijke tendens. De
school, zo vervolgt hij, zal de kinderen niet alleen moeten opleiden tot producerende, maar ook tot ‘genietende’ mensen. Volgens Lessing is ‘genot het einddoel van alle kunsten’, dus ook van de literatuur: zij dient ‘tot verheffing van ons innerlijk leven, tot bevrediging van ons aesthetisch gevoel’. (Gerhard 1905b: 310).
De meeste bestaande schoolboekjes vindt hij niet geschikt voor de esthetische opvoeding. Ze zijn vooral bedoeld om kinderen kennis bij te brengen of een moraal te prediken. Dit laatste wijst hij af, omdat het volgens hem geen enkel effect heeft: ‘Moraal krijgt de mensch niet door hem te zeggen: gij moet zoo en zoo handelen, dit doen en dat laten. En hierop komen bijna alle moraliseerende lesjes in onze schoolboeken, en zelfs daarbuiten in onze kinderboeken neer.’ (Gerhard 1905b: 311).
Al naar gelang hun levensbeschouwing stellen volwassenen andere eisen aan kinderlectuur: als men zich op een ‘eng begrensd partij- of godsdienstig standpunt’ stelt, bestaan er dus allerlei soorten goede kinderlectuur. Maar een kind is nog geen partijlid of bewust lid van een kerk. ‘Voor de natuurlijke ontwikkeling van het kind gelden vaste wetten; de politieke of godsdienstige meeningen der volwassenen, dus ook der ouders, hebben daarmee niets te maken.’ (Gerhard 1905b: 336).
Een kinderboek hoeft maar aan één eis te voldoen: het moet een kunstwerk zijn. Bij de concretisering van deze eis baseert hij zich duidelijk op Heinrich Wolgast, zonder overigens rechtstreeks naar hem te verwijzen. Aparte kinderkunst bestaat niet, zegt hij: opzettelijke kinderlectuur is per definitie onesthetisch. Hij sluit zich aan bij Theodor Storm, die gezegd heeft: ‘Wanneer gij voor de jeugd wilt schrijven, dan moogt gij niet voor de jeugd schrijven.’
Ook een opzettelijke moraal is in strijd met de eis dat een boek een kunstwerk moet zijn. In godsdienstige tendensboekjes worden de mensen niet getekend zoals ze zijn, maar zoals de schrijver ze voor zijn doel gebruiken kan: zo'n misvormd beeld kan volgens hem nooit esthetisch zijn. Met de toenemende neutraliteit van het openbaar onderwijs kreeg het kinderboek een meer neutraal-moraliserend karakter, maar dat maakt weinig verschil: ‘Het goede moest beloond, het kwade gestraft worden; vroeger met en door God, thans zonder God - ten minste in de meeste gevallen. Maar wisselde de vorm, de inhoud bleef gelijk: men kreeg dezelfde on-
mogelijke menschen, groot en klein, die dezelfde onmogelijke, ongemotiveerde handelingen verrichten, als voorheen, [...] voor 't doel pasklaar gemaakte ziellooze, wassen beelden, die braaf of goed zijn, al naar de auteur het voor zijn doel hebben wil.’ (Gerhard 1905b: 378-379).
Dat Gerhard tegen een opzettelijke moraal is, betekent niet dat hij alle pedagogische overwegingen bij de beoordeling van kinderboeken afwijst. Hij vindt dat je kinderen niet vrij kunt laten in de keuze van hun boeken, omdat ze nog niet in staat zijn het waarschijnlijke van het onwaarschijnlijke, goed van kwaad en werkelijkheid van fantasie te onderscheiden. Daarom moet een volwassene bepalen ‘wat werkelijk in ethischen en aesthetischen zin opbouwend werken kan’ (Gerhard 1905b: 342).
Daarbij moet men volgens hem wel rekening houden met de eisen die kinderen aan hun lectuur stellen. Zij willen het onbekende, zegt hij, eerst in sprookjes, later in verhalen over avonturen en over onbekende landen en mensen. Het zou dwaas zijn je daartegen te verzetten, want de natuur van het kind is niet te veranderen. Maar je hoeft kinderen niet alles te laten lezen: een kind mag niets in handen krijgen dat zijn liefde voor avontuur ‘in verkeerde banen kan leiden’. Twee kinderen met dezelfde aanleg kunnen zich totaal verschillend ontwikkelen. Door de omstandigheden groeit de een op tot een flink mens en de ander tot een misdadiger. ‘Men zij derhalve hoogst zorgvuldig bij de keuze van lectuur voor het kind. Zij moet dienen om zijn kennis te vermeerderen, zijn karakter te sterken, zijn schoonheidszin te veredelen. Elk boek moet minstens aan één dezer eischen voldoen, en nimmer met een ervan in strijd zijn. Voldoet het aan alle, dan kan men van een kunstwerk spreken.’ (Gerhard 1905b: 389).
Als een boek dat aan deze eisen voldoet, noemt hij Robinson Crusoe: een klassiek boek, dat steeds weer herlezen zal worden. Maar de avonturenromans van Aimard keurt hij voor kinderen af: ‘Deze wereld van bandieten, zeeschuimers enz. is [...] niet een wereld, waarin men de jeugd brengen mag, en daarom moeten Aimard en Reid óók uit de kinderbibliotheek verdwijnen.’ (Gerhard 1905b: 396-397).
Ook de boeken van Kieviet kunnen niet allemaal door de beugel. Uit het leven van Dik Trom vindt hij zeer vermakelijk; alleen
als Kieviet aan het eind een ernstige toon aanslaat, wordt hij volgens Gerhard gemaakt en vervelend. Maar in andere verhalen voert hij kwajongens ten tonele die verre van onschuldig zijn: ‘Wilde Bob is er zo een; ik zou elken ouder afraden zijn kinderen met dezen te laten omgaan.’ (Gerhard 1905b: 368).
Zelfs in het werk van Stamperius worden volgens hem - geheel in strijd met diens eigen eisen - allerlei laffe streken ‘behaaglijk’ voorgesteld. Toch verwijt hij Stamperius dat diens ‘Nieuwe Bibliotheek voor de jeugd’ grotendeels neerkomt op moraliseren voor de openbare school. Ook andere bekende auteurs ontkomen niet aan zijn kritiek. De eerste verhalen van Nienke van Hichtum, over Eskimo's en Kaffers, keurt hij af. Afke's tiental vindt hij veel beter, maar ‘of het geheel als zoodanig juist is, deze arme Afke, met haar tien kinderen van 4-18 jaar, is wel aan eenigen twijfel onderhevig’. Daarom is het geen kunstwerk, ‘noch naar den inhoud, noch naar den vorm’. (Gerhard 1905b: 388).
Ida Heijermans, die in De Vrouw op Gerhards beschouwing reageert, vindt dat hij niet duidelijk maakt waaraan hij kinderboeken nu precies toetst, omdat hij het begrip ‘aesthetica’ nergens definieert. Hij is voor schoonheid en tegen tendens. Die tegenstelling vindt zij onjuist: ‘Ik meen, dat men ook opvoedt tot het schoone, tot het aesthetische, door alle krachten in den mensch te ontwikkelen, welke hem brengen uit het moeras van het heden. Misschien wordt er juist het schoone zoo weinig gekend en genoten, omdat wij meenen, dat het niet in ons dagelijksch leven zou hoeven zijn, omdat wij maar altijd doorgaan met goed en schoon, nuttig en schoon als aan elkaar vijandelijke elementen te beschouwen.’ (Heijermans 1905: 74).
En Theo Thijssen schampert een paar maanden later in De Nieuwe School dat Gerhard zijn ideeën kennelijk altijd uit Duitsland moet halen: de vorige keer bij Schiller en nu weer bij Lessing. Over Gerhards beoordelingen is hij nog veel minder te spreken. Hij matigt zich nogal wat aan: het slot van Dik Trom is mislukt; School-idyllen is oppervlakkig, zielloos zelfs. Dat durft Gerhard te zeggen, die wel zijn eigen vertalingen aanbeveelt! Nee, ‘Gerhard is voor de jeugd niet veel soeps.’ (De Nieuwe School, 2: 116).
Lea Dasberg citeert in Het kinderboek als opvoeder Gerhards opvatting dat voor de ontwikkeling van het kind vaste wetten gelden, onafhankelijk van de politieke of godsdienstige overtuiging van de ouders. Een ‘zo onmaterialistische, zuiver idealistische benadering’ verwondert haar, vooral van een socialistische onderwijzer. Uit zijn kritiek op de moralistische boekjes voor de openbare school blijkt volgens Dasberg dat Gerhard zelf ook ‘het onbevredigende van neutraliteit in het kinderboek’ aanvoelde: ‘Gerhard erkent dan impliciet zelf, dat neutraliteit ook een tendens is, als hij besluit met: “Het goede moest beloond, het kwade gestraft worden, vroeger met en door God, thans zonder God - tenminste in de meeste gevallen”.’ (Dasberg 1981: 48).
Deze interpretatie is echter onjuist. Niet de ‘neutraliteit’ is de tendens van deze boekjes, maar het feit dat altijd het goede beloond wordt en het kwade gestraft. Dát wijst Gerhard af, omdat hij vindt dat het een vals beeld geeft van de werkelijkheid en omdat het volgens hem nooit een kunstwerk kan opleveren. Hij heeft ook geen reden om ‘het onbevredigende van neutraliteit in het kinderboek’ te erkennen, omdat hij geen neutraliteit verlangt. Boeken die zonder te moraliseren - dat wil zeggen: zonder nadrukkelijk een boodschap te verkondigen en zonder dat de personages ‘wassen beelden’ worden - een socialistische geest ademen, zijn niet in strijd met zijn opvattingen.
Zijn pleidooi voor echte kunst is ook zeker niet ‘onmaterialistisch’: hij pleit voor kunst op de lagere school, omdat die volgens hem nodig is voor de harmonische ontwikkeling waarop alle kinderen - ook arbeiderskinderen, die meestal alleen lager onderwijs volgden! - recht hebben.
De laatste vertegenwoordiger van deze benadering is de remonstrantse predikant C.E. Hooykaas (1878-1933), die in 1911 een lezing hield over kinderlectuur. Hij constateert dat sinds het Gids-artikel van Nellie van Kol iedere schrijver en iedere pedagoog een theorie heeft over kinderboeken, en iedere dominee of onderwijzer een boekenlijst of een index. Vermoedelijk hebben zijn toehoorders (mensen uit het zondagsschool- en clubhuiswerk) veel sympathie voor de christelijke of humanitaire stroming. Maar hij wil het nu eens opnemen voor de ‘gezellige, eenvoudige, dichterlijke
kinderlectuur’, en waarschuwen tegen de neiging om kinderen ‘verédelende’ boeken te geven, die hen ‘vromer, braver, gevoeliger, menschlievender en verstandiger zullen maken’. Zelf heeft hij als kind genóten van Andersens ‘De Sneeuwkoningin’. Niet om de strekking, die hij niet begreep en die je ook niet aan kinderen moet gaan uitleggen, maar om de poëzie. Meer is ook niet nodig: ‘Het kinderboek brenge poëzie, schoonheid voor de geest. Dat is ál.’ (Hooykaas 1911: 157).
De verleiding is groot om kinderen iets te gaan leren, zegt hij, maar tendens leidt altijd tot maakwerk. Als voorbeeld daarvan noemt hij onder meer Nellies ‘Vogeltjesverdriet’: een heel aardig versje, ‘u zult er wil van hebben, als u 't voordraagt aan 't eind van een zondagschooluur over “eerbied voor alle schepsels”’. Maar hij vindt het geen kinderlectuur: als kinderen voor hun plezier lezen, moet je ze iets moois geven en er geen lesje aan vastknopen (Hooykaas 1911: 171).
Niemand zal het opnemen voor ‘prikkellectuur’, maar tegenwoordig zijn er volgens hem te veel mensen die vinden dat kinderboeken leerzaam moeten zijn of een moraal moeten hebben. Door die goede bedoelingen worden veel kinderboeken bedorven. Als boeken die daar niet aan lijden, noemt hij Robinson Crusoe en Gullivers reizen, Dik Trom en het werk van Marryat en Twain (Tom Sawyer en Huckleberry Finn).
Bij de publikatie van Hooykaas' lezing in De Vrouw merkt Ida Heijermans in een naschrift op dat er geen goede kinderboeken mogelijk zijn zónder strekking. Het is volgens haar juist de strekking die kinderen aantrekt in boeken vol kostelijke humor als Tijl Uilenspiegel en Baron von Münchhausen.
Hier doet zich hetzelfde misverstand voor als in Dasbergs commentaar op Gerhard. Het begrip ‘tendens’ kan men op twee manieren gebruiken: voor de opzettelijke boodschap die een auteur verkondigt, en voor de (vrijwel) onvermijdelijke strekking van het verhaal. Net als Gerhard wijst Hooykaas het eerste af. Uit zijn opmerking over ‘De Sneeuwkoningin’ blijkt dat hij tegen het tweede geen enkel bezwaar heeft, als men de strekking maar niet gaat uitleggen.
Kunst en stuiverromans Net als Stamperius heeft J.W. Gerhard (1910) zijn mening gegeven over colportagelectuur. Hoewel ook hij het verschijnsel veroordeelt, hebben zijn bezwaren een ander karakter. Zijn kritiek is niet dat deze lectuur ‘de hartstochten prikkelt’, maar dat ze niet aan esthetische eisen voldoet. Hij zoekt de oplossing dan ook niet in censuur, maar (opnieuw) in de verbetering van het onderwijs.
In navolging van zijn Duitse collega's duidt Gerhard deze lectuur aan als ‘Schund’, afval. Alle gedrukte teksten zonder literaire waarde rekent hij tot de Schund-literatuur. Het ergste zijn volgens hem de kranten, die dagelijks vol staan met ‘wat elk beschaafd mensch in sensatie-romans zoo verderflijk acht’, in geuren en kleuren. In het Nederlands wordt Schund wel aangeduid als ‘prikkelliteratuur’. Die term vindt Gerhard onjuist. Iedereen heeft zo nu en dan de behoefte even te ontsnappen aan de eentonigheid of de zorgen van het dagelijks bestaan. Die behoefte aan afwisseling, aan prikkeling van andere zintuigen kan op allerlei manieren bevredigd worden: met tabak, alcohol, theater, concert, lectuur. En dan vooral lectuur die ons verplaatst in een wereld die heel anders is dan de wereld die we kennen: ‘Het vreemde, het ongewone, trekt niet alleen het kind aan, maar ook den volwassene.’ (Gerhard 1910: 35).
Dát is de oorzaak van ‘prikkelliteratuur’, die op zichzelf niet ongezond is. Het lezen van Dumas, ter ontspanning, doet ons esthetisch gevoel heus geen kwaad. Wat sommige ‘prikkelliteratuur’ tot Schund maakt, is de onwaarheid, de leugenachtigheid van de voorgestelde personen en handelingen. In Nick Carter bijvoorbeeld: ‘Men weet niet, waarover men zich meer verbazen moet: over de menschen die in zulken onzin genoegen kunnen vinden, of over den schrijver, die zooveel idiote akeligheden vermag uit te denken. Ik geloof eigenlijk niet, dat de schrijver één oogenblik denkt bij zijn werk.’ (Gerhard 1910: 37).
Het succes van deze lectuur is volgens hem alleen te verklaren ‘door de algemeenheid van het volksonderwijs’. Bovendien zouden we ons meer moeten inspannen voor de verspreiding van goede, betaalbare lectuur, zoals dat in Duitsland gebeurt. Maar de hoofdzaak is toch: beter onderwijs, niet alleen op het verstandelijke gericht, en uitbreiding van de ‘vervolglessen’ voor de werkende jeugd.
Daarmee is de cirkel gesloten. Als beter onderwijs - dat de kinderen opleidt tot ‘genietende’ mensen - de smaak voor goede boeken ontwikkelt, maakt slechte lectuur uiteraard minder kans.
Ook Theo Thijssen heeft ov