|
|
|
| |
| | | |
Hoofdstuk twee Opvattingen en
beoordelingen in de periode van 1880 tot 1930
| | | |
Aan het eind van de negentiende eeuw komt er steeds meer
belangstelling voor kinderliteratuur. Aanvankelijk gaat het daarbij om de
praktische vraag welke boeken men kinderen in handen moet geven. Nadat enkele
uitgangspunten zijn geformuleerd, concentreert men zich op de selectie van
boeken; over de normen die daarbij worden gehanteerd, is nauwelijks discussie.
Vanaf 1885 publiceert de Gereformeerde Zondagsschool Vereeniging Jachin ieder
najaar een beoordeling van zondagsschoolboekjes, in 1887 beginnen onderwijzers
met de beoordeling van boeken voor schoolbibliotheken,
5 en in 1889 komt de
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen met een lijst van boeken die geschikt zijn
voor de oudere jeugd.
6
Omstreeks 1900 wordt de belangstelling breder en ontstaat er een
discussie over de vraag aan welke eisen kinderboeken moeten voldoen. In 1899
brengt
Nellie van Kol de kinderliteratuur onder
de aandacht van een groot publiek met haar artikel in De
Gids, waarin de nadruk ligt op hooggestemde pedagogische idealen.
Gedurende deze hele periode is haar visie een inspiratiebron voor veel
opvoeders, maar na enkele jaren komen er ook andere opvattingen naar voren.
Tussen 1900 en 1915 verschijnen zeer veel beschouwingen over kinderliteratuur.
Daarna zijn het alleen de katholieken die nog beschouwingen publiceren. De
periode wordt afgesloten met de publikatie van een groot aantal lectuurgidsen,
die een overzicht geven van goede kinderboeken.
De toenemende belangstelling voor (de beoordeling van) kinderboeken
is overigens geen exclusief Nederlands verschijnsel. In Duitsland deed zich
hetzelfde voor. Commissies van onderwijzersverenigingen stelden daar
lectuurgidsen samen, waarin kinderboeken volgens vaste criteria werden
beoordeeld. Uit de samenwerking van de verschillende onderwijzersverenigingen
ontstond het tijdschrift Jugendschriften-Warte, dat zich ten
doel stelde ‘den guten Jugendschriften zahlreicheren Eingang zu verschaffen’.
Vanaf 1896 werd dit tijdschrift geredigeerd door de Hamburgse onderwijzer
Heinrich Wolgast, die vooral bekend | | | | werd door het boek dat hij
datzelfde jaar publiceerde: Das Elend unserer
Jugendliteratur.
Hij verlangt van een kinderboek dat het een kunstwerk is, en
verwerpt elke vorm van ‘opzettelijkheid’: een kinderboek mag geen opzettelijke
moraal bevatten; en er mogen evenmin, ter wille van de begrijpelijkheid,
concessies worden gedaan aan de literaire kwaliteit. Bij het laatste beroept
hij zich op een uitspraak van Theodor Storm: ‘Wenn du für die Jugend schreiben
willst, so darfst du nicht für die Jugend schreiben.’ (Lexikon der
Kinderund Jugendliteratur, 1: 144-145; 11: 92-94 en 265-266).
In Nederland is
J.W. Gerhard sterk door de opvattingen van
de Jugendschriftenbewegung beïnvloed, terwijl
Nienke van Hichtum een paar keer een
uitspraak van Wolgast citeert. Maar de georganiseerde boekbeoordeling van de
Nederlandse onderwijzers vertoont een eigen ontwikkeling, die aansluit bij de
opvattingen over het onderwijs.
| |
Beginjaren (1880-1900)
Stamperius en het NOG Al in 1876 formuleerde de
christelijke onderwijzer J. Smelik enkele uitgangspunten voor de beoordeling
van boeken voor de schoolbibliotheek, die in een volgende paragraaf aan de orde
komen (blz. 102). Voor de openbare school werd vanaf 1878 enkele malen
aangedrongen op de samenstelling van een lijst van boeken die geschikt waren
voor de schoolbibliotheek, maar deze oproepen hadden geen resultaat.
Meer succes had
J. Stamperius (1858-1936), een Zeeuwse
onderwijzer die in 1880 schoolhoofd was geworden in Amsterdam. In een
afdelingsvergadering van het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap hield hij in
1885 een lezing over de vraag ‘Aan welke eischen dient een goede
schoolbibliotheek te voldoen?’. Volgens hem hebben de meeste scholen wel een
bibliotheekje, maar wordt aan de keuze van de boeken onvoldoende aandacht
besteed.
Hij noemt enkele eisen waaraan men kinderboeken kan toetsen. Om te
beginnen moeten ze onderhoudend zijn, maar dat is niet genoeg: de onderwijzer
die wil dat de schoolbibliotheek een bijdrage levert aan ‘de vorming van 't
gemoed en de ontwikkeling van 't verstand’ van zijn leerlingen, moet hogere
eisen stellen. ‘Vor- | | | | ming van 't gemoed en ontwikkeling van 't
verstand, hiernaar heeft de schrijver te streven - en er dient bijgevoegd, de
meeste schrijvers van kinderwerkjes streven daarnaar, al slaan zij soms een
vreemden weg in om dat doel te bereiken.’ (Stamperius 1885, ongepagineerd).
Zijn eisen zijn dus afgeleid van het doel van de openbare school: de
ontwikkeling van de verstandelijke vermogens van de kinderen en de opleiding
tot ‘alle maatschappelijke en christelijke deugden’. Het WNT geeft als
betekenis van gemoed: ‘Het binnenste van den mensch in
onstoffelijken zin, beschouwd als de zetel van zijn geestelijk gevoel, het
beginsel zijner neigingen, hartstochten en zielsstemmingen’, in het bijzonder
‘de zetel van het godsdienstig en zedelijk bewustzijn’ (WNT, IV: 1429,
1433).
Uit de concretisering van zijn eisen blijkt dat Stamperius deze
laatste, toegespitste betekenis op het oog heeft: ‘vorming van het gemoed’
staat gelijk aan zédelijke vorming. Avonturenboeken, van Aimard bijvoorbeeld,
dragen daar volgens hem niet toe bij, evenmin als boeken die de eerbied
ondermijnen die het kind aan ouders en onderwijzers verschuldigd is. En de
boeken van Verne vindt hij ten enenmale ongeschikt voor de ontwikkeling van het
verstand, omdat er te veel natuurkundige verschijnselen in voorkomen die niet
tot de stof van de lagere school behoren.
Stamperius besluit zijn lezing met de opmerking dat het niet
eenvoudig is om boeken te kiezen voor de schoolbibliotheek. Hij vindt dat hier
een taak ligt voor de schoolbladen: die zouden de onderwijzers bij de selectie
kunnen helpen. Prompt benoemt de afdeling Amsterdam van het NOG hem tot
voorzitter van een commissie, die in 1887 een rapport aanbiedt met driehonderd
titels van aanbevolen boeken. In de inleiding verklaart de commissie dat de
boeken soepel zijn beoordeeld: anders bleef er weinig over. Maar er is
vastgehouden aan twee eisen, die overeenkomen met die van Stamperius: de boeken
mogen niets bevatten ‘dat uit een oogpunt van zedelijkheid moet worden
afgekeurd’; en ze moeten onderhoudend geschreven zijn, ‘zoodat men verwachten
kan, dat ze door de jeugd met genoegen gelezen worden’. Uiteraard werden geen
boeken opgenomen, die ‘als ware sensatie-romans voor de jeugd, hun eenige
aantrekkelijkheid vinden in de reeks van buitengewone voorvallen en
ongelooflijke avonturen, welke zij bevatten’, | | | | en evenmin ‘de
bloedige verhalen over Amerika en de Indianen’ (Rapport NOG 1887: 2).
Onder redactie van Stamperius verscheen vanaf 1887 bovendien de
‘Nieuwe Bibliotheek voor de jeugd’, die later werd omgedoopt in
‘Stamperius-bibliotheek’. Voor ouders en onderwijzers die zelf geen
kinderboeken durfden te kiezen, was dit een veilig kompas: wat door Stamperius
was goedgekeurd, zou zeker geen gevaar opleveren voor hun kinderen. Blijkbaar
heeft hij in 1887 ook zijn opvattingen over kinderliteratuur nog eens
uiteengezet.
D.L. Daalder citeert althans de volgende
eisen, die
Stamperius in dat jaar geformuleerd zou
hebben: ‘“Een kinderboek moet boeiend zijn, het moet voedsel bieden voor hoofd
en hart.” “Het kind moet nooit in verzoeking gebracht worden, het kwaad toe te
juichen omdat het in behaaglijke vorm wordt voorgesteld.” “Eerbiediging van
ieders godsdienstige begrippen worde in acht genomen.”’ (Daalder 1950: 97-98).
7
Aan Stamperius' eisen uit 1885 voegt dit weinig toe. Nieuw is alleen
de eis dat iedere levensbeschouwing gerespecteerd moet worden (ook weer
ontleend aan de uitgangspunten van de openbare school).
In 1891 stelde het NOG een permanente commissie in voor de
beoordeling van kinderboeken. De beoordelingen verschenen in Het
Nieuwe Schoolblad en werden regelmatig gebundeld. Na enkele kleinere
rapporten publiceerde de commissie in 1899 de gids Wat mogen onze
kinderen lezen?, die volgens de ondertitel duizend beoordelingen bevat van
kinderboeken die in de laatste jaren verschenen zijn.
De omvang van de beoordelingen is omgekeerd evenredig met het
aantal: vier tot tien regels. Door de beknoptheid zijn er meestal geen
duidelijke criteria uit af te leiden, maar als men het geheel overziet, blijkt
dat pedagogische overwegingen de doorslag geven. Behalve in de titel komt dit
naar voren in zinsneden als: ‘de daden worden in 't rechte licht gesteld’ of
‘hier en daar niet kinderlijk genoeg verhaald, maar wel aan te bevelen om de
strekking’ (Wat mogen 1899: 1, 5). Literaire overwegingen
gaan zelden verder dan ‘goed geschreven’ of ‘mooi’.
Als de strekking in orde is, hanteert de commissie ook wel an- | | | | dere argumenten, bijvoorbeeld in de beoordeling van
Alfreds gedragboekje van
Tine van Berken: ‘Hoe best kunnen we ons
begrijpen, dat de goeie, maar zwakke Freddy onder de gegeven omstandigheden tot
het leelijke vergrijp komt zijn gedragboekje te vervalschen. Wat een medelijden
voelen we met den armen jongen, als hij zoo bitter boet voor zijn misdaad. 't
Is werkelijk een mooi verhaal, natuurlijk, eenvoudig, maar tragisch, boeiend.’
(Wat mogen 1899: 22). Emotivistische argumenten, maar de
commissie laat er geen twijfel over bestaan dat ‘de daden in het rechte licht
worden gesteld’: in dat opzicht beantwoordt dit boek aan de eisen die Salzmann
in 1780 formuleerde.
Het vermelden waard is ten slotte de beoordeling van
Uit het leven van Dik Trom van
C. Joh. Kieviet, waarin - ná pedagogische
overwegingen - ook het oordeel van de beoogde lezers een rol speelt: ‘Dik Trom
is een leuke jongen. Er valt over te redeneeren, of het wel paedagogisch is,
zoo'n exemplaar aan de lieve jeugd voor te zetten en - er is ook al over
geredeneerd. Toch aarzelen wij niet het boek aan te bevelen. Dik zit vol
kwajongensstreken; maar is in de grond van zijn hart een beste jongen, die
bovendien op eenvoudige wijze van de dwalingen zijns weegs wordt bekeerd. De
jonge lezers - wij ondervonden het - zitten om dit boek te schaterlachen.’ (Wat mogen 1899: 74).
In 1904 verscheen een tweede bundel, met driehonderd beoordelingen.
Daarin blijkt opnieuw dat het accent niet op literaire aspecten ligt. Over
Het allernieuwste dierenboek, versjes van Mopje heet het
bijvoorbeeld: ‘De plaatjes zijn niet mooi. Ook de versjes laten wat te wenschen
over. Maar toch is 't wel bruikbaar voor een kind van 5 à 6 jaar.’ (Wat mogen 1904: 28).
't Verteluurtje In 1893 publiceerde
Stamperius samen met H. Hinse een
‘vertelselboek voor het huisgezin, de bewaarschool en de lagere school’,
't Verteluurtje. Het begint met een lange beschouwing over
het vertellen, waarin Stamperius' opvattingen over de functie van
kinderliteratuur op enkele punten gepreciseerd worden.
Het luisteren naar verhalen is volgens de auteurs voor jonge
kinderen niet alleen een groot genot, maar ook een middel om hun horizon uit te
breiden. Door middel van verhalen kunnen zij zich | | | | een voorstelling
maken van omstandigheden die zij nog niet kennen, en zich daarin inleven. Het
is bovendien een uitstekende oefening in het verstaan en gebruiken van de
moedertaal, een middel om het gevoel voor schoonheid te ontwikkelen en ‘een
machtig middel ter zedelijke opvoeding’.
Dit geldt echter alleen als er goed verteld wordt. Hoewel men
volgens hen niet in de eerste plaats vertelt om kinderen te vermaken maar om ze
iets te leren, is dat onmogelijk als ze zich vervelen. Als het verhaal
afgelopen is, moeten de kinderen het navertellen: anders heeft het geen effect
op hun taalontwikkeling. En voor de zedelijke vorming moet men daarna ‘met de
kinderen spreken over datgene, wat zij uit de vertelling leeren moeten’. De
kinderen moeten de ‘les’ van het verhaal onder woorden kunnen brengen en haar
kunnen toepassen op situaties uit hun omgeving (Hinse & Stamperius 1893:
15). Ter illustratie geven zij een gesprekje weer naar aanleiding van ‘Het
ongehoorzame muschje’, waarvan ik het laatste gedeelte citeer:
‘Uit de verschillende antwoorden houdt de onderwijzer ten slotte
deze twee vast: “Het muschje was ondeugend, omdat het ongehoorzaam aan zijn
ouders was.” “Het muschje was ongehoorzaam, want het deed niet, wat vader en
moeder gezegd hadden.”
O[nderwijzer]: “Wanneer zou 't muschje gedaan hebben, zooals het
doen moest?”
L[eerling]: “Wanneer het gehoorzaam geweest was.”
De les is nu begrepen, thans volgt de toepassing.’ (Hinse & Stamperius 1893: 16-17).
Hierop volgt weer een korte bespreking, die leidt tot de leefregel:
‘Kinderen moeten aan hun ouders gehoorzaam zijn’. Hierbij moet men het laten,
zeggen de auteurs: redeneringen over het waarom van dit voorschrift of
uitbreiding naar andere plichten van het kind moeten achterwege blijven. Ook
maken zij bezwaar tegen boeken waarin de moraal aan het eind wordt samengevat:
kinderen moeten de zedenles zelf ontdekken en onder woorden brengen.
Hinse en
Stamperius eindigen met enkele adviezen
over de aard van de vertelling. Net als Stamperius in 1885 waarschuwen zij
tegen verhalen die alleen maar vermakelijk zijn. Vooral in verhalen met een
opeenstapeling van wonderlijke gebeurtenissen zien zij een gevaar: die hebben
even weinig waarde als ‘sensatie-romans’ | | | | voor volwassenen. Zij
pleiten voor eenvoudige verhalen, waarin aan goed en kwaad ‘hun natuurlijke
gevolgen’ gegeven worden (Hinse & Stamperius 1893: 26).
Andere beschouwingen over kinderliteratuur De
eerste die na
Stamperius een beschouwing aan
kinderliteratuur wijdde, was
M.J. Koenen (1847-1920), onderwijzer en
vanaf 1880 leraar Nederlands aan de Rijkskweekschool te Maastricht, en
daarnaast auteur van een aantal schoolboeken en een
Verklarend handwoordenboek der Nederlandsche
taal (1897). In 1892 publiceerde hij een artikel ‘Over boeken en
schoolbibliotheken’, dat volledig aansluit bij de opvattingen van zijn
voorganger.
Hij vindt dat de jeugd een gelukkige tijd beleeft. Aan de meeste
scholen zijn kinderbibliotheken verbonden en er zijn honderden en nog eens
honderden kinderboeken voor een redelijke prijs te koop. Dat is belangrijk,
want ‘lezen vult’: een goed boek geeft kennis en inzicht, het biedt voedsel aan
de fantasie en vult langzaam maar zeker ‘de leegte in hoofd en hart’ (Koenen
1892: 257).
Lectuur heeft volgens hem een grote invloed op het kinderhart.
Daarom moet men waken voor zedeloze lectuur en boeken die de fantasie te sterk
aangrijpen. De boeken van Aimard en de meeste boeken van Verne horen naar zijn
mening niet in de schoolbibliotheek thuis, omdat ze geen rekening houden met
onze maatschappelijke toestanden of kinderen te ver wegvoeren uit de realiteit.
Hij geeft de voorkeur aan reisbeschrijvingen, taferelen uit de geschiedenis,
zedekundige verhalen en levensbeschrijvingen van grote mannen. Al deze boeken
hebben het voordeel dat ze wáár zijn. Want dat is voor Koenen het
belangrijkste: ‘Waarheid bovenal!’
Omdat boeken een grote bijdrage leveren aan de karaktervorming,
vindt hij een goede schoolbibliotheek geen luxe. Maar die heeft alleen waarde
als men de kinderen leert zorgvuldig te lezen: ‘Ook hier blijft de waarheid
gelden: Niet wat wij eten, maar wat wij verteren voedt ons!’ Kinderen moeten
daarom leren de boeken niet alleen om de avonturen te lezen, maar ook te letten
op de lessen die ze bevatten.
Vanaf 1899 verschijnen er meer beschouwingen over kinderliteratuur.
De eerste is van de hand van
K. Andriesse (1864-1907), een | | | |
onderwijzer uit
Amsterdam die het jaar daarvoor rapporteur
was geweest van de beoordelingscommissie van het NOG. Hij prijst
Stamperius als voorvechter van goede
kinderboeken, als de man die eisen heeft geformuleerd waaraan die boeken moeten
voldoen, maar zelf laat hij een verrassend nieuw geluid horen.
Een kinderboek moet natuurlijk aan enkele pedagogische eisen
voldoen, zegt hij, maar het moet toch in de eerste plaats boeiend zijn: ‘Als
juffrouw paedagogiek aldoor over den schouder van den schrijver tuurt en hem
telkens in het oor fluistert: “pas op, pas op!”, dan loopt hij veel kans een
ietwatje saai te worden. 't Is een best mensch, de juffrouw, maar men moet ze
soms wat op een afstand houden, anders wordt ze indringerig en vervelend.’
(Andriesse 1899, nr. 11).
Kinderboeken moeten niet moraliseren, vindt hij: kinderen lezen voor
hun genoegen; preekjes slaan ze over, hun ethische gevolgtrekkingen maken ze
zelf wel. De jeugd lacht graag, maar hun boeken lachen nooit: die zijn hoogst
ernstig of sentimenteel. ‘Kieviet gevoelde behoefte aan wat vroolijks, toen hij
Uit het leven van Dik Trom schreef en
al kunnen een paar paedagogen avonden zoek praten over de vraag, of het nuttig
en wenschelijk is, der jeugd een oolijken snuiter als gezegden Dik voor te
leggen, ik voor mij geloof, dat ze schuddende van 't lachen om dezen leuken
kwâjongen met zijn goed hart, op een uitstekende manier geniet.’ (Andriesse
1899, nr. 11).
Datzelfde jaar publiceert
Nellie van Kol haar artikel in
De Gids. Net als
Andriesse zet zij zich af tegen de
bestaande kinderliteratuur, maar niet omdat die te ernstig of te sentimenteel
zou zijn - nee, zij klaagt over ‘de veelheid, de eentonigheid en de
onbeduidendheid’ daarvan (Van Kol 1899: 3).
Zij stelt vast dat er verschillende opvattingen bestaan over de
functie van kinderlectuur. Volgens sommigen dienen boeken om kinderen te
vermaken, volgens anderen om hun iets te leren. Aanhangers van de
‘vermaakmethode’ zijn gauw klaar, zegt ze: die zijn tevreden met ieder boek dat
kinderen een paar uur bezighoudt. ‘Wie de leer-methode belijdt, die is
kieskeuriger. Die wil dat een boek, hoe vermakelijk ook, iets nalaat: een kern
van denken en voelen, één van die gezonde atomen waaruit zich een karakter en
| | | | een intelligentie opbouwen. Ik ben van de leer-methode, en wel op
grond van het eenvoudige feit: dat een onbedorven kind altoos
leeren wil.’ (Van Kol 1899: 25).
Een vergelijking van deze passage met het artikel van
Andriesse leidt tot merkwaardige
resultaten. Beiden beroepen zich op hét kind, dat ‘voor zijn genoegen leest’ of
juist ‘altoos leeren wil’. Allebei vertonen ze enige inschikkelijkheid
tegenover het standpunt van de ander: Andriesse geeft toe dat een kinderboek
aan enkele pedagogische eisen moet voldoen, en van Nellie mag het best
vermakelijk zijn. Maar allebei scherpen ze de tegenstelling ook aan: Andriesse
door middel van de ironie, Nellie door het standpunt van de ander tamelijk
gechargeerd weer te geven. Moeten we Andriesse niet tot de vermaakmethode
rekenen, die weinig kieskeurig heet te zijn? En vertoont Nellie geen trekjes
van juffrouw pedagogiek, die vervelend wordt als men haar niet op een afstand
houdt?
Het wordt nog merkwaardiger als we Nellies reactie op
Dik Trom in de vergelijking betrekken.
Zij is enthousiast, zowel over de tekst als over de tekeningen. Zij bewondert
Braakensieks spotprenten in De Amsterdammer, maar als
illustrator van kinderboeken heeft ze nooit zo'n hoge dunk van hem gehad. Nu is
hij schitterend. Hoe dat komt? ‘Mijnheer Braakensiek had schik toen hij
Dik Trom te illustreeren kreeg. Hij heeft zitten lachen bij
de snaaksche historie, zoo gezond en prettig van toon als zijn eigen prenten in
de Groene Amsterdammer; en lachend heeft hij de teekenstift
genomen, en lachend heeft hij al die aardige figuurtjes op 't papier gegooid.
O, wat hád hij een pret, Meneer Braakensiek! Pret in 't werk van den heer
Kieviet en pret in zijn eigen teekeningetjes.’ (De
Amsterdammer, 8 april 1900).
Het lijkt haast of
Nellie van Kol en Andriesse in hun
beschouwingen met geheel andere woorden hetzelfde bedoelen. Maar de
tegenstelling tussen ‘leermethode’ en ‘vermaakmethode’ is echt; dat blijkt ook
uit het tweede gedeelte van Nellies recensie. Het zedelijk gehalte van
Dik Trom vindt zij uitstekend, maar ze merkt wel op dat
Kieviet geen ‘na te volgen voorbeeld’ heeft geschilderd: hij beeldt eenvoudig
een jongenskarakter uit. En het zou haar spijten als de ‘straatbengel’ een
modetype werd: dat zou even verkeerd zijn als de mode van de Brave Hendriken.
Maar samen | | | | met andere boeken helpt Dik Trom de
ideale bibliotheek te vormen, en werkt het mee aan ‘de alzijdige vorming en
opbouwing van het kindergemoed’.
Uit deze recensie blijkt dat de theoretische opvattingen over
kinderliteratuur steeds getoetst moeten worden aan concrete beoordelingen. Met
die beperking kan de tegenstelling tussen ‘leermethode’ en ‘vermaakmethode’
echter dienen om een indeling te maken van degenen die in de volgende decennia
eisen formuleren waaraan kinderboeken moeten voldoen. Zien sommigen het boek
als een middel in de opvoeding, voor anderen heeft het een esthetische functie
(een complex begrip, dat ik hier niet zal definiëren; bij mijn conclusies geef
ik een samenvattende omschrijving: zie blz. 285). Van de laatsten leggen
enkelen de nadruk op het boek als kunstwerk, anderen gaan net als Andriesse uit
van de ervaringen van de lezers.
Met name de ‘opvoeders’ kan men nader indelen naar hun
levensbeschouwing. Dat is wel zo overzichtelijk en het sluit aan bij de
verzuiling van Nederland in deze periode. In chronologische volgorde behandel
ik eerst de verschillende benaderingen van degenen die zich niet (of niet in de
eerste plaats) op een politiek of religieus standpunt baseren, en daarna de
drie zuilen. Voor een juiste weergave van de ontwikkelingen moet ik echter
beginnen met een vertegenwoordigster van een levensbeschouwelijke
benadering.
Een religieus-socialiste: Nellie van Kol
Jacoba Maria Petronella van Kol-Porrey
(1851-1930) was, anders dan het huiselijke pseudoniem Nellie doet vermoeden,
zeker voor haar tijd een moderne, geëmancipeerde vrouw. Zij studeerde voor
onderwijzeres en ging na het behalen van haar akte als gouvernante naar Indië.
Daar publiceerde zij artikelen over pedagogische onderwerpen en een bundel
kinderverhalen, Bloemensprookjes (1883).
In Indië leerde zij ook haar man kennen, ir. Henri Huib van Kol. In
1892 keerde het echtpaar terug naar Europa. Hij was in 1894 een van de
oprichters van de SDAP en werd in 1897 lid van de Tweede Kamer; zij werd in
1893 de eerste redactrice van het tijdschrift De Vrouw en
richtte in 1896 Ons Blaadje op, met het doel
arbeiderskinderen goede lectuur te verschaffen voor twee | | | | cent per
week. In De Vrouw hield zij in 1899 een pleidooi voor
eerlijkheid in de seksuele opvoeding, waardoor het blad bijna alle Belgische
abonnees verloor. Over Ons Blaadje schreef
Mathilde Wibaut in 1906 dat het niet meer
aan zijn doel beantwoordde. Zij vindt het niet kinderlijk genoeg: ‘Het is meer
leidraad voor opvoeders geworden, die Nellie's tegenwoordige [christelijke]
levensbeschouwing deelen.’ (Wibaut 1906: 25).
In haar artikel in De Gids hekelt Nellie in 1899
de onbeduidendheid van de bestaande kinderliteratuur. Recht om te schrijven
heeft volgens haar alleen iemand die werkelijk iets te zeggen heeft. Bij
sommigen, de dichters en de zieners, is dat aangeboren: zij schrijven zonder
een uitgesproken bedoeling, maar hun werk doet weldadig aan ‘omdat het goed is
en schoon, en omdat het liefde in ons wekt’. Anderen hebben zich het recht om
te schrijven verworven ‘door studie, nadenken, zelfkennis, en warme liefde voor
de menschheid’ (Van Kol 1899: 7).
Zoals al naar voren kwam, verlangt zij dat kinderen iets kunnen
leren uit hun boeken. Leren heeft in dit verband wel een cognitief aspect, maar
dat staat niet voorop. Nellie noemt een kinderboek goed, ‘wanneer het op
aantrekkelijke wijze bijdraagt tot de vorming van hart, verstand, goeden smaak
en zedelijk gevoel van het kind’. Zij verlangt dus tendenslectuur, concludeert
ze, ‘en wel lectuur met bepaald goede tendenzen’. Zij voegt er onmiddellijk aan
toe, dat dit bezieling niet uitsluit. Integendeel: ‘de tendenz geeft meer
gehalte aan de bezieling, en de bezieling verheft de tendenz’ (Van Kol 1899:
27-28).
De rest van haar artikel is gewijd aan de inhoud van de tendens.
Goede kinderlectuur is volgens haar ‘naar het beginsel religieus = vroom; naar
de strekking evolutionnair = ontwikkelend; naar den inhoud universeel =
alzijdig; naar den vorm helder’ (Van Kol 1899: 32). Aan het laatste punt, dat
niet rechtstreeks met tendens te maken heeft, besteedt ze nauwelijks aandacht;
het is voor haar minder belangrijk. Naar aanleiding van enkele ‘supérieure’
boeken,
Sip-su,
Kudlago en
Oehoehoe van
Nienke van Hichtum en
Frans Naerebout van
Stamperius, had ze al opgemerkt: ‘Zijn al
deze boekjes ook supérieur uit een oogpunt van kunst-met-de-pen? Ik weet het
niet, en dat is ook niet de hoofdzaak. Supérieur zijn ze uit een oogpunt van
blijde, reine, vrome, uitstralende ziel... | | | | Ja, vrome ziel; ik weet dat ik het neerschrijf.’ (Van Kol 1899:
22).
Kennelijk is zij zich ervan bewust dat haar woordkeus tot
misverstanden kan leiden. Het begrip ‘vroomheid’ heeft bij haar dan ook een
ongebruikelijke betekenis. In navolging van Tolstoj verstaat zij onder religie
‘geen dogma, geen kerkgeloof, geen sekteverschil, maar datgene wat diep in ons
ligt, ons wezenlijk ik, ons Zelf’. Geen rechter is zo streng als dit ‘Zelf’,
zegt zij, maar het is tevens goed. Als we ons ‘Zelf’ gehoorzamen, zijn we goed
en sterk, en staan we hoog boven alles wat de mensen verdeeld houdt. De meeste
mensen durven dit niet en klemmen zich wanhopig vast aan ‘de nietigheden die
drijven aan de oppervlakte van hun ik’, aan stand en bezit, partijgeest en
kerkgeloof. ‘En toch moet de tijd eens komen waarin alle menschen waarachtig
vroom zullen zijn, omdat zij hun Zelf zullen hebben gevonden,
en zich niet langer zullen schamen het te koesteren en lief te hebben, omdát
het schoon is en rein en een gever van volmaakt goeden raad. Dien toestand -
Utopia nog - moet de kinderlectuur helpen voorbereiden en mogelijk maken.’ (Van
Kol 1899: 32).
De naam van God of Jezus hoeft in een religieus boek niet genoemd te
worden, gaat zij verder. Hij mág genoemd worden, net als de naam van Mozes of
Boeddha, want je hoeft je overtuiging niet te verdoezelen. Maar vroomheid
bestaat niet uit het noemen van namen. De namen mogen ons ook niet scheiden:
onderlinge verdraagzaamheid van alle geloofsrichtingen is niet genoeg, we
moeten onze kinderen leren al die anderen lief te hebben om hun ‘Zelf’. Want de
leer mag verschillen, de ‘ziel’ is overal gelijk.
Naar de strekking moeten kinderboeken evolutionair zijn: ‘Evolutie
is de wet die het heelal regeert, zoowel op stoffelijk als op geestelijk en
zedelijk gebied. Geen denkend wezen in onze eeuw die dat ontkent.’ (Van Kol
1899: 34). Kinderboeken moeten die ontwikkeling versnellen, door af te rekenen
met verouderde begrippen: weldadigheid, soms te goeder trouw maar gebaseerd op
een onrechtvaardige verdeling van aardse goederen; nationalistisch denken, dat
de wereldvrede in de weg staat; en de tegenstelling tussen de seksen, die
bevorderd wordt door jongensboeken vol avonturen en meisjesboeken met gebabbel
van onbeduidende bakvisjes. Ook ‘vorstenvleierij’ en ‘bewierooking van
beroemdheden’ zijn in strijd met de wet van de evolutie (Van Kol 1899:
35-37). | | | |
Dat kinderboeken naar de inhoud universeel moeten zijn, sluit
onbeduidende verhaaltjes en alledaagse niemendalletjes uit. De kinderliteratuur
moet ‘de ziel der dingen’ tonen en laten zien wat werkelijk van belang is in
het leven: ‘Ik zou wenschen dat de kinderliteratuur ware een hooge, slanke
toren, hoog oprijzend in reine lucht; een toren met veel vensters, uitkijkend
naar alle hemelstreken, - vensters van klaar en onbedriegelijk glas. En ik zou
wenschen dat sommige dier vensters waren mikroskopen, om te zien al het schoon
dat aan ons bloote oog ontsnapt; en dat andere waren telescopen, uitzicht
gevend in de ruimte om en boven ons; en nog andere wonderkijkers [...]’ (Van
Kol 1899: 47).
De kinderliteratuur zou kinderen moeten tonen wat zij in het
dagelijks leven niet te zien krijgen, gaat zij verder. Ze moet hun een beeld
geven van het leven van andere volkeren en van kinderen van andere standen, en
mensen beschrijven die onze liefde verdienen. Maar ze moet hun ook fantasie en
poëzie geven: sprookjes en legenden uit alle landen, zorgvuldig en met wijsheid
gekozen. Een kinderliteratuur die universeel is, moet alles bevatten wat de
mensheid beroert: ‘Alle denkbare gaven der ziel: die van bewonderen,
liefhebben, strijden en streven; die van medevoelen, medejuichen, medeweenen;
die van samenleven en samenstreven, - ik zou ze gevoed en ontwikkeld willen
zien door diezelfde kinderliteratuur, waarop tot heden toe zóó weinig tucht
werd uitgeoefend dat ze verwilderen kon.’ (Van Kol 1899: 48).
Over haar vierde eis ten slotte is
Nellie bijzonder kort. De vorm moet helder
zijn. Maar: ‘Wie helder weet wat hij wil, die schrijft gewoonlijk ook
duidelijk,’ meent zij, ‘en wie met heel zijn ziel iets goeds wil, diens stijl
zal het ook nooit ontbreken aan warmte en gloed.’ (Van Kol 1899: 49). Het enige
vormprobleem dat ze concreet behandelt, is interpunctie.
D.L. Daalder (1950) meent dat Nellies
betoog meer uitblinkt door enthousiasme dan door logica, en probeert haar
opvattingen terug te brengen tot enkele zakelijke eisen. De bezieling die zij
verlangt, bestaat volgens hem slechts in de uitingen van een ‘intens levend,
harmonisch mens’: de essentiële vraag is of de schrijver een persoonlijkheid
is, die zich zo heeft geuit dat kinderen hem kunnen verstaan (een eis die hij
zelf aan kinderboeken stelt). ‘Wil men de | | | | geest van dergelijke
lectuur religieus noemen, ik heb er vrede mee, al geeft het woord licht
aanleiding tot misverstand.’ (Daalder 1950: 107).
Daarmee miskent hij het levensbeschouwelijke karakter van haar
eisen. Waarschijnlijk komt dit doordat hij Nellies religieuze overtuiging
uitsluitend opvat als christelijk. Voor haar latere werk is dat juist. In 1901,
bij de introductie van haar ‘Volks-Kinderbibliotheek’, schrijft Nellie: ‘nu ben
ik geen agnostica meer. Ik heb God gevonden.’ (Van Kol 1901b:
59-60). Weer later zal ze zich aansluiten bij het Leger des Heils en gedichten
publiceren in Ons Tijdschrift.
8 Maar in ‘Wat zullen de kinderen lezen?’ heeft haar vroomheid een
heel andere inhoud, die men niet beter kan omschrijven dan zij het zelf gedaan
heeft met haar verwijzing naar Tolstoj. Haar artikel moet gelezen worden als de
uiting van een ernstige overtuiging, die - zoals iedere levensbeschouwing -
haar eigen logica heeft.
Leest
Daalder dit artikel te veel vanuit zijn
eigen opvatting dat een schrijver van kinderboeken een persoonlijkheid moet
zijn, Lea Dasberg doet in Het kinderboek als opvoeder zelfs
geen poging het te analyseren. Zij zegt dat Nellie wel genoemd moet worden in
een overzicht van ‘19e-eeuwse stemmen over de theoretische grondslagen van het
kinderboek’, maar vindt het niet nodig haar te citeren: ‘Ondanks herhaalde
lezing is ons nooit duidelijk geworden, waarom nu juist dit artikel zoveel
aandacht heeft gekregen.’ (Dasberg 1981: 32).
Een onthullende uitspraak, die slechts te verklaren is uit het feit
dat
Dasberg de geschiedenis bestudeert om
bouwstenen te vinden voor ‘een theorie van het kinderboek’. Om te begrijpen
waarom Nellies artikel zo'n opgang heeft gemaakt, moet men het lezen tegen de
achtergrond van die tijd, waarin een herwaardering van vele waarden plaatsvond.
Haar ideeën zullen niet alleen instemming hebben gevonden bij de aanhangers van
het opkomende socialisme, de vredesbeweging en de vrouwenbeweging, maar ook bij
degenen die zich hadden losgemaakt van het traditionele geloof om hun toevlucht
te zoeken bij ‘petites religions’ als de theosofie: allemaal verschijnselen
waaraan Jan Romein een hoofdstuk wijdt in zijn boek over deze periode,
Op het breukvlak van twee eeuwen
| | | | (1967). Nellie
verwoordde opvattingen die bij veel opvoeders leefden, en sommigen die het niet
in alle opzichten met haar eens waren, zullen onder de indruk zijn geweest van
‘de innigheid van het sentiment’ dat in haar artikel tot uitdrukking kwam, en
van de ernst waarmee hier over kinderliteratuur werd gesproken.
In een historisch overzicht van de opvattingen over kinderliteratuur
in Nederland verdient zij daarom uitvoerige aandacht. Zij heeft een grote
invloed gehad op de opvattingen in het begin van deze eeuw. Bovendien is zij de
eerste geweest die aandacht besteedde aan een aantal maatschappelijke aspecten
die voor sommigen nog altijd actueel zijn.
In twee korte artikelen heeft
Nellie haar opvattingen over
kinderliteratuur op enkele punten gepreciseerd. In ‘Het gruwelijke en
gedrochtelijke in de kinderlitteratuur’ (1900) constateert zij dat de
kinderliteratuur veel gruwelen bevat, zowel in sprookjes als in zogenaamde
jongensboeken. Men kan zich afvragen of we die wel aan onze kinderen mogen
geven. Misschien vinden sommige mensen dat wij er niet zoveel slechter van
geworden zijn, maar volgens Nellie gaat het erom of wij wel zo goed zijn als we
hadden kunnen zijn. Toch meent zij dat we onze kinderen hier niet buiten kunnen
houden, om de eenvoudige reden dat het bestaat: we zitten er middenin. Zij
vindt echter dat men jonge kinderen - tot een jaar of zeven, acht - al die
gruwelen moet besparen. De eerste indrukken van een kind moeten zuiver zijn en
rein.
In een artikeltje over Jules Verne (1901a) stelt
zij vast dat er op de zedelijke strekking van diens werk niets valt aan te
merken. Toch heeft ze opvoedkundige bezwaren tegen deze lectuur, en wel omdat
die zo boeiend is: ‘Wat toch doet in den regel een boek dat ons boeit? Het
ontneemt ons voor een bepaalden tijd onze zelfbeheersching; het houdt ons onder
hypnose; het overspant onze fantasie en brengt ons in een soort van
droom-bedwelming. Het prikkelt onze nieuwsgierigheid als het onschuldig, het
prikkelt onze hartstochten als het slecht is.’ (Van Kol 1901a: 185).
Kinderboeken hoeven niet saai te zijn, zegt zij, maar ze moeten wel
het juiste midden houden. Nu zal een enkel boek van Verne een kind niet
schaden. Maar kinderen die overvoed worden met zijn boeken, lopen volgens haar
gevaar ‘veel-lezers’ en ‘slecht-lezers’ te worden. | | | |
Nellies recensies dateren grotendeels uit de jaren 1898 tot 1900. De
eerste vijf jaargangen van De Vrouw (1893-1898) bevatten
slechts drie recensies, in jaargang 6 en 7 zijn het er zeventien. Daarna heb ik
alleen enkele verspreide recensies gevonden, waaronder die van
Dik Trom. Daaruit bleek al dat Nellie
in de beoordeling van concrete boeken minder streng is dan in haar artikel in
De Gids. Zij staat open voor vermaak, al vereist dat wel een
pedagogische rechtvaardiging. Een zelfde voorwaardelijke ruimheid is te vinden
in haar beoordeling van een boekje van
Goeverneur,
Kinderleven. Hoewel het niet voldoet
aan ‘de hoogere eischen van menschelijke solidariteit die wij ons stellen’,
vindt ze het net als Dik Trom wel bruikbaar naast andere
‘meer voedende en opvoedende lectuur’, omdat het ‘een allergezelligst huiselijk
boekje’ is (De Vrouw, 6: 49).
Daarmee zijn de grenzen van haar verdraagzaamheid echter bereikt. In
een recensie van
Drie kwajongens van
Stamperius veroordeelt zij de zinsnede
‘liegen deed ik maar zelden’. Voor volwassenen schaadt dat niet, zegt ze, maar
voor kinderen suggereert het ‘dat een enkel leugentje er niet op aan komt, daar
zelfs de heer Stamperius “wel eens” loog’. Als hij uit
oprechtheid niet durft te zeggen dat hij nooit loog, moet hij volgens haar
‘deze zeer gevaarlijke klip’ omzeilen (De Vrouw, 6: 151).
Enkele meisjesboeken veroordeelt ze als beuzelingen. Zij laat
bijvoorbeeld zien hoe
Truida Kok haar
Flora van Marcksveldt ‘vol kreeg’,
door een opsomming te geven van wat er in dit boek gegeten en gedronken wordt,
wat een lijst oplevert van anderhalve kolom (De Vrouw, 6:
192). Geheel in overeenstemming met haar theoretische eisen is ook haar
veroordeling van de onware moraal in
Wat ik Leo vertelde van
Stella Mare. Zo vertelt een moeder aan haar
dochterje dat ze een broertje krijgt... als ze zoet is. ‘Dat is iets nieuws uit
het rijk van den ooievaar: zusterzoetheid beloond met broedergeboorte. Leuk is
vooral die zekerheid van de mama dat het een broertje zijn zal!’ (De Vrouw, 7: 54).
Onvoorwaardelijk enthousiast is Nellie alleen als zij een boek
aankondigt met een onberispelijke strekking. ‘Met ware blijdschap’ begroet zij
Frans Naerebout van
Stamperius, waarin ‘de jeugd in zedelijke
aanraking [wordt] gebracht met een man uit het volk, een held zooals er vele
zijn langs onze (en alle) zeekusten’ (De
| | | |
Vrouw, 6: 127). Want hoewel zij zich in haar recensies op een
iets ruimer standpunt stelt, gaat het haar tenslotte om lectuur die kinderen
laat zien waar het werkelijk op aankomt in het leven.
| |
Opvattingen en beoordelingen die niet op een politiek of
religieus standpunt gebaseerd zijn
Het kinderboek als middel in de opvoeding Behalve
Nellie van Kol zijn er in deze periode nog
enkele figuren die het kinderboek in de eerste plaats als een middel in de
opvoeding beschouwen. Net als Nellie concentreren zij zich op de zedelijke
opvoeding. En hoewel zij zich niet (of niet zo duidelijk) op een politiek of
religieus standpunt baseren, verwijzen zij meer dan eens naar de eisen die zij
geformuleerd heeft.
Tot deze figuren behoren de vertegenwoordigers van de Nederlandsche
Kinderbond, die in 1891 naar Engels voorbeeld was opgericht ‘met het doel om
bij de kinderen, het volk der toekomst, rechtvaardigheid en medegevoel aan te
kweeken jegens al wat leeft, en ruwheid en baldadigheid tegen te gaan’ (artikel
1 van de statuten, geciteerd door Groshans 1917). Men probeerde dit doel te
bereiken door middel van clubs en bibliotheken en door te ijveren voor goede
kinderlectuur. In 1917 waren er 250 werkende leden in 23 afdelingen; aan de
clubs deden 3000 kinderen mee.
Een van de oprichters van de Kinderbond was C.C.A. van der
Hucht-Kerkhoven (1840-1915), de weduwe van een KNSM-directeur. Na zijn dood, in
1888, wijdde zij zich onder meer aan de dierenbescherming, een ideaal dat ook
in de Kinderbond veel aandacht kreeg. In 1899 zette zij haar visie op
kinderlectuur uiteen in een brochure die in opdracht van de Kinderbond werd
gedrukt.
9
Wie voor kinderen schrijft, mag volgens haar nooit vergeten ‘dat een
kinderziel iets uiterst teers en gevoeligs is’ (Van der Hucht 1899: 3). Alle
ruwheid moet daarom geweerd worden. Als men jongens boeken geeft ‘over niets
dan oorlog en jacht en moordtooneelen’, kan men niet verwachten dat ze later
een afkeer hebben van oorlog en militarisme. Daarom moeten we dit
‘strijdlustige element’ uit de opvoeding verwijderen. | | | |
Kinderen moeten ook leren de rechten van het dier te eerbiedigen, gaat
ze verder, maar dit is onmogelijk als de jacht en het uithalen van vogelnesten
in kinderboeken als iets heel gewoons worden voorgesteld. Als de jacht ter
sprake komt, moet duidelijk worden wat dat eigenlijk is: ‘een overblijfsel uit
een langzamerhand verdwijnende en afnemende periode van ruwheid en
barbaarschheid, zich nu nog openbarende in oorlog, in vivisectie, in
jachtvermaak, in overheersching van den zwakke en in zooveel, wat strijdig is
met het groote Liefdebeginsel, waarvan wij nu nog slechts het eerste
morgenlicht zien’ (Van der Hucht 1899: 6-7).
Overigens stelt zij niet alleen morele eisen aan kinderlectuur. Zo maakt
ze bezwaar tegen
't Verteluurtje van
Hinse en
Stamperius, omdat de meeste verhalen veel te
saai zijn: ‘Er is te veel deugd in, die beloond, te veel kwaad, dat gestraft
wordt.’ (Van der Hucht 1899: 8). Maar bij de meeste boeken wijst ze toch op
morele tekortkomingen.
Net als
Nellie van Kol bestrijdt zij het onderscheid
tussen jongens- en meisjesboeken. Als we willen dat mannen en vrouwen in moreel
opzicht elkaars gelijken worden, moeten we jongens en meisjes allebei
‘frissche, gezonde, opwekkende lectuur’ geven. Behalve vechtboeken moeten we
daarom de al te zoetsappige meisjesboeken in de ban doen. Onze meisjes moeten
flinke huisvrouwen en moeders worden, maar ze moeten al vroeg leren ‘dat de
wereld meer van haar vraagt, dan de kunst, om een pop netjes aan te kleeden, of
een puddinkje te maken’: ze moeten beseffen ‘dat op haar de hooge, verheven
taak rust de opvoedsters te zijn van het toekomstig menschengeslacht’ (Van der
Hucht 1899: 13-14).
Zij gaat ervan uit dat kinderboeken ‘een oneindigen invloed’ hebben:
‘Eén onnadenkend neergeschreven woord valt in 't kinderhart en wordt een
gifkiem, waarvan de vruchten en de gevolgen ook eindeloos kunnen zijn.’ (Van
der Hucht 1899: 16). Daarom kunnen we niet voorzichtig genoeg zijn: we mogen
kinderen nooit boeken geven die we zelf niet gelezen hebben. Helaas wordt dit
nog niet genoeg beseft: er wordt wel toezicht gehouden op alles wat een kind
eet, maar aan zijn ‘zielevoedsel’ wordt te weinig aandacht besteed.
Een andere vertegenwoordigster van de Kinderbond was Suze | | | |
Groshans (1863-1944). In een artikel over lectuur en spel omschrijft zij het
lezen als een oefening, een voorbereiding op het (volwassen) leven, ‘enkel
middel en geen doel’ (Groshans 1904a: 70). In haar artikel
‘Kinderen en boeken’ (1904b) blijkt dat zij wel degelijk oog
heeft voor de eisen die kinderen zelf aan hun boeken stellen. Als men daar geen
rekening mee houdt, schiet het middel zijn doel voorbij.
Zij heeft een aantal clubs van de Kinderbond en enkele schoolklassen
geënquêteerd over hun favoriete lectuur.
School-idyllen van
Top Naeff staat bovenaan, onmiddellijk gevolgd
door
Dik Trom;
Afke's tiental wordt veel minder genoemd.
Teleurstellend? Nee, zegt Groshans: zij had zich geen illusies gemaakt,
daarvoor kent zij de praktijk te goed. Er is wel vooruitgang geboekt, maar de
‘nieuwere en hoogere eischen aan kinderboeken gesteld’ zijn nog niet tot de
grote massa doorgedrongen. Zij constateert echter met vreugde dat er weinig
indianenverhalen worden genoemd: de drang naar avontuur is in betere banen
geleid en is ongetwijfeld ‘voor verdere loutering vatbaar’ (Groshans 1904b: 9).
Deze drang naar avontuur beschouwt zij als een natuurlijke neiging van
het kind. Er moet iets gebéúren in een verhaal dat zijn emoties oproept:
‘verbazing, bewondering, drang tot navolging of althans meeleving in zijn
verbeelding’. Hieraan moeten we echter ‘met oordeel en matiging’ voldoen, om
onrust en opwinding te voorkomen. En de behoefte aan emotie mag nooit leiden
tot bevrediging van onedele gevoelens als leedvermaak, spot, minachting of
wreedheid. Daarom betreurt zij het dat School-idyllen zo vaak
wordt genoemd, een boek waarin dergelijke ondeugden volgens haar verheerlijkt
worden. Zelfs met ‘de grapjes van onzen goeden Dik Trom’ is enige
voorzichtigheid geboden.
Zij vindt dat we de goede kant op gaan, al is er nog veel onbeduidende
en ‘ondoelmatige’ lectuur en wordt veel goeds nog niet genoemd: Nellies
kinderbibliotheek bijvoorbeeld en het werk van
Ida Heijermans. Ze roept de clubleiders op
door te gaan op de ingeslagen weg, niet alleen door het slechte te weren, maar
vooral door propaganda te maken voor goede boeken. ‘En laat ons allen in dezen
durven vasthouden aan ons ideaal, eischende dat het boek voor het kind zuiver
zij van elk compromis met de moraal, die wij in zijn leven wenschen door te
voeren.’ (Groshans 1904b: 11). | | | |
Al houdt zij tot op zekere hoogte rekening met de behoeften van
kinderen, boeken blijven dus in de eerste plaats een middel in de opvoeding.
Dezelfde visie komt naar voren in de brochure Onderwerpen,
een lijst van aanbevolen kinderboeken samengesteld door Marie Jungius. De
titels zijn ingedeeld in tachtig onderwerpen, die staan voor alle mogelijke
deugden en ondeugden die door middel van boeken aangekweekt of bestreden moeten
worden (van ‘eigendunk, eigenwaan, zelfgenoegzaamheid, eigengerechtigheid’ tot
‘liefde’).
De recensies in het Correspondentieblad van den
Nederlandschen Kinderbond bevestigen het beeld, al zijn de beoordelingen
net als bij
Nellie van Kol wel eens iets soepeler dan de
theorie. Men blijft echter waakzaam voor alles wat in strijd is met de
beginselen. Zo maakt mevrouw Van der Hucht bezwaar tegen een gedichtje van
Johanna Wilhelmina Tadema, ‘Bij 't marcheeren’, ‘omdat wij onze kinderen, zelfs
de heele kleintjes niet uitgezonderd, geen soldaatje willen laten spelen. Juist
het “prettige” opwekkende van het marcheeren bij 't geroffel der trom is het
wat de eerste kiem kan leggen tot den lust om soldaat, om officier te worden en
een mooie uniform te dragen. Eerst als kind, al spelende, het verleidelijke
maar o zoo verderfelijke gif ingezogen en later... droevige wreede ernst,
bloedbaden, Elandslaagten, Glencoes...’ (Correspondentieblad,
1: 18).
Ook worden boeken afgekeurd omdat erin wordt gevist of gejaagd, maar
dergelijke elementen worden toch afgewogen tegen andere kwaliteiten, waarbij
soms ook argumenten vanuit de lezer worden gehanteerd. Zo veronderstelt
G.A.v.E. dat kinderen veel genoegen zullen beleven aan
Zeven jongens en 'n ouwe schuit van
A.C.C. de Vletter, waarbij ze ongemerkt ‘een
schat van nieuwe indrukken’ opdoen. Maar zij eindigt met de kanttekening: ‘Al
wordt er niet gevischt, 't vischtuig hadden ze ook maar thuis moeten laten.’
(Correspondentieblad, 7: 12).
In het algemeen wegen de pedagogische kwaliteiten echter het zwaarst.
Suze Groshans typeert
Een Rus te Delfzijl van J. Faber
bijvoorbeeld als: ‘Een verhaal voor oudere kinderen, dat misschien nog
spannender verteld had kunnen zijn, maar nu bovenal zich aanbeveelt door
degelijkheid.’ (Correspondentieblad, 11: 24). En als
| | | | een boek pedagogische waarde heeft, moet men die ook zoveel
mogelijk benutten. Groshans besluit haar recensie van Joosje uit
de heidehut van J.P. Zoomers-Vermeer met de raad: ‘Lees dit boek
met uw kinderen, ouders en leidsters, want bij 't
alleen lezen zal door den wat overvollen inhoud menig
kostelijk detail niet tot zijn recht komen. En is het niet zóó, dat wat in dit
Joosje aan innigs leeft, in elk kind en mensch in kiem
aanwezig is?’ (Correspondentieblad, 30: 5).
Tot degenen die het kinderboek als een middel in de opvoeding
beschouwen, behoort ook
Ida Heijermans (1866-1943), onderwijzeres en
lerares bij het nijverheidsonderwijs in Rotterdam en vanaf 1900 redactrice van
De Vrouw (als opvolgster van
Nellie van Kol). In een artikel over
taalonderwijs in De Gids (1897) besteedt zij voor het eerst
aandacht aan kinderboeken. Zij verklaart dat het schrijven voor kinderen niet
ieders werk is, want ook een kinder-vertelling moet ‘in haar soort’ een
kunstwerkje zijn: ‘De kinderschrijver behoort bewust of onbewust kunstenaar,
uitverkoren mensch te zijn. Hij moet verbeeldingskracht en gevoel hebben en
zich kunnen uiten in een vorm, waaraan men den schrijver herkent.’ (Heijermans
1897: 454).
In alles wat zij over kinderliteratuur heeft geschreven, is dit bijna de
enige keer dat zij aandacht besteedt aan literaire aspecten. Ook in dit artikel
stelt zij overigens nog andere eisen. Boeken moeten volgens haar de taal van
het kind vormen, maar niet alleen zijn taal: ‘Een kind is wordend mensch. Zijn
leesboek zal hem dus lectuur dienen te geven, waarin het van eigen denken en
voelen, iets van zichzelf dus terug vindt; maar zijn boek moet hem tevens iets
vertellen van de wereld, waarin zich menschen bewegen en waarin ook hij later
als volwassen mensch zich bewegen zal; in het boek moet het leven kloppen al
zal het dit ook langzaam en regelmatig moeten doen.’ (Heijermans 1897:
468-469).
In haar latere beschouwingen heeft Heijermans haar eisen nauwelijks
verder uitgewerkt; zij sluit zich eenvoudig aan bij de opvattingen van anderen:
Nellie van Kol, mevrouw Van der Hucht en
Nienke van Hichtum (Heijermans 1901 en 1904a). In 1906 citeert zij met instemming de opvatting van de Duitse
pedagoog Ernst Linde dat men niet te veel waarde moet hechten aan de literaire
| | | | voorkeur van kinderen. Hun oordeel is uit psychologisch oogpunt
interessant, ‘als alles wat het zieleleven van een kind ontsluiert’, maar zij
heeft meer dan eens ondervonden dat kinderen vaak de verkeerde boeken mooi
vinden. Ook in dit opzicht moeten zij opgevoed worden en dat is niet mogelijk
als men hun smaak klakkeloos volgt.
Welke eisen zij nu precies aan kinderboeken stelt, blijkt pas in haar
beoordelingen in De Vrouw en na 1922 in het Correspondentieblad van den Nederlandschen Kinderbond. Daarin
legt zij de nadruk op de pedagogische waarde van kinderboeken. Klokjes-luiden van Christine Doorman typeert zij in 1900 als een
boekje in de geest van de Kinderbond: een boekje met een duidelijke moraal.
Kinderen zullen er niet van smullen, zegt ze, maar zij beveelt het aan voor de
ouders om het met hun kinderen te behandelen (De Vrouw, 8:
34-36).
In 1920 zegt zij in een recensie, dat ‘natuurlijkheid, dat is waarheid,
een der eerste eischen is, aan elk boek in het algemeen en aan een kinderboek
in het bizonder te stellen’ (De Vrouw, 28: 56). Behalve een
onware strekking kan het gedrag van de personages een boek ongeschikt maken. In
haar beoordeling van Strooptochten van Emmy van Lokhorst
merkt zij bijvoorbeeld op: ‘Cigaretten-rookende schilderessen, die slapen in
zwarte zijden pijama's zijn er! Maar ze mogen geen tantes zijn in onze
meisjesboeken, met wie nichtjes dwepen.’ (De Vrouw, 28: 61).
Met de Rembrandt naar Genua van
J. Stamperius noemt zij in dezelfde jaargang een
goed en gevoelig boek. ‘Jammer, dat er soms wat veel wijn in gedronken wordt.’
(De Vrouw, 28: 55).
Ook in andere beoordelingen hanteert zij vooral pedagogische argumenten.
Ik heb maar één uitzondering gevonden: haar recensie van
Theo Thijssens
Jongensdagen (1909). Thijssen bezit alle
eigenschappen van een rasschrijver, zegt ze: hij schrijft ‘frisch, natuurlijk
Hollandsch’, hij ziet zijn figuren voor zich en heeft zich geheel in hun wereld
ingeleefd. ‘Veel gebeurt er niet in het boekje; het geeft in werkelijkheid
niets dan jongensdagen, maar bestudeerd door iemand, die van kinderen houdt,
oog en hart heeft voor het echte in hen en gelijk reeds gezegd, een schrijver
is. En wie dat niet van huis uit is, die kan nooit, nooit een goed kinderboek
maken.’ (De Vrouw, 17: 75). | | | |
Dit herinnert niet alleen aan haar artikel in De Gids,
het lijkt vooral een instemming met Thijssens eigen eisen (vgl. blz. 71 e.v.).
Meer dan een vriendelijk gebaar kan men daar echter niet in zien, daarvoor
liggen hun opvattingen te ver uiteen.
Een pedagogische benadering treffen we ook aan bij
J. Bos-Meilink, die in haar boekje
Lectuur voor kinderen (1914) voorlichting
geeft over de eisen waaraan kinderboeken moeten voldoen. Ook zij gelooft dat
boeken een grote invloed hebben. Ouders zouden daarom meer aandacht moeten
besteden aan de lectuur van hun kinderen: ze zien immers ook niet graag dat hun
kinderen met slechte vrienden omgaan.
Van een kinderboek verlangt zij in de eerste plaats dat het waar is, dat
het geen valse voorstelling geeft van de werkelijkheid. Dat wil niet zeggen dat
alle fantasie uitgebannen moet worden. In sprookjes wordt met opzet onwaarheid
gegeven, maar dan ook zó opzettelijk dat ieder kind het doorziet. Maar het werk
van Verne vindt zij een gevaar voor sommige kinderen, die alles als waar
aanvaarden.
Avonturenboeken kunnen volgens haar ook gevaarlijk zijn; niet de boeken
van Aimard maar de slechte imitatie, en niet de boeken op zich maar de
hoeveelheid. Door niets anders meer te lezen, laten sommige jongens zich het
hoofd op hol brengen. Overigens krijgen boeken vaak ten onrechte de schuld als
een jongen ‘op avontuur gaat’: meestal zijn er ook andere oorzaken, maar die
zijn alleen aan ingewijden bekend (Bos-Meilink 1914: 15-16).
Zij relativeert ook het gevaar van verhalen over ondeugende jongens: ‘Al
is Tom Sawyer een echte rakker, zijn gezelschap zal uw kind geen kwaad doen.’
Ook voor
Dik Trom is zij niet bang, ‘hoewel een
gezelschap van niets dan Dik Trom's ook al weer niet verkieslijk zou wezen’; en
Pietje Bell vindt zij ‘geen verkieslijke
vriend’ (Bos-Meilink 1914: 25-26).
Het kinderboek als gevaar Gegevens die het gevaar van
slechte boeken moeten illustreren, zijn vaak ontleend aan Duitse bronnen. Ze
hebben meestal betrekking op ‘colportageromans’ met titels als De
bandietenbruid, Nick Carter, Sherlock Holmes en Buffalo
Bill. Van alles wordt aan deze lectuur toegeschreven: van diefstal door
| | | | jeugdbendes tot moord en zelfmoord toe. De enige bewijsvoering is
die van de sensatiepers: de jeugdige zelfmoordenaar had het boek nog in de
hand! In Nederlandse beschouwingen worden deze voorbeelden meestal
gerelativeerd; alleen frater
S. Rombouts (1925d) citeert
ze met volle instemming (vgl. blz. 123).
J. Stamperius geeft in zijn brochure
Over kinderlectuur (1910) een bewijs uit
het ongerijmde voor dit gevaar. Het verbaast hem dat ouders en onderwijzers hun
kinderen indianenboeken van Aimard en anderen in handen geven: ‘Want óf men
ontkent den invloed der lectuur op de zedelijke vorming van het kind - en 't
zou een stout beweren zijn dit te doen - óf men moet toegeven, dat die
bloederige, de fantasie in hooge mate prikkelende Indianenverhalen, waarin een
moord, zoo 't slechts een roodhuid geldt, niet geteld, ja zelfs toegejuicht
wordt, alles behalve geschikt zijn om edele gezindheden te wekken en gezonde
begrippen van naastenliefde en verdraagzaamheid aan te kweeken.’ (Stamperius
1910: 4).
Hij wijst erop dat veel buitenlandse boeken voor volwassenen hier in
vertaling als kinderboek verschijnen. Vaak gaat het om auteurs die ook voor
kinderen geschreven hebben, zoals Louisa Alcott - al steekt daar bepaald geen
kwaad in - en kapitein Marryat. Ook De avonturen van Tom
Sawyer, ‘een boek waartegen, hoe amusant het ook is, als kinderlectuur
bezwaren zijn ingebracht’, is door Mark Twain niet als kinderboek bedoeld, maar
de vertaling wordt wel als zodanig in de handel gebracht (Stamperius 1910: 11).
‘Geef het kind wat des kinds is’, is zijn devies. De meeste boeken voor
volwassenen verplaatsen de lezer in een wereld waarin het kind zich niet
thuisvoelt, en waarin het ook nog niet thuishoort: ‘Houdt het kind zoo lang
mogelijk jong; ook door zijn lectuur.’ (Stamperius 1910: 14-15).
Stamperius heeft bezwaar tegen sommige meisjesboeken, die ‘een
verderfelijken invloed kunnen uitoefenen op de karaktervorming van 't opkomend
vrouwelijk geslacht’, en tegen alle soorten avonturenromans. Voor zijn
veroordeling van Verne voert hij ditmaal nieuwe argumenten aan: jongens lezen
diens werk alleen om het spannende verhaal; de passages waarvan ze iets kunnen
leren, slaan ze over of ze lezen er overheen. Bovendien zijn wetenschap en
fantasie bij Verne te zeer vermengd. Ook Met een kwartje de wereld
rond van Paul d'Ivoi lezen zij alleen om de avonturen. Wat | | | |
dat betreft is er geen enkel verschil met de colportagelectuur, die slechts kan
dienen om ‘de hartstochten te prikkelen en een ongezonde nieuwsgierigheid op te
wekken’, en die de lezer op den duur ongeschikt maakt voor het lezen van goede
boeken. ‘Dát is het bederf, door de sensatie-lectuur in de wereld gebracht.’
(Stamperius 1910: 27).
Niet alleen avonturenromans werden door velen als een gevaar beschouwd,
ook boeken over kwajongensstreken moesten het ontgelden. Dit genre ontstond in
Nederland naar het voorbeeld van
Dik Trom van
C. Joh. Kieviet, een boek dat aanvankelijk zeer
gunstig beoordeeld werd. De talloze navolgingen wekten echter al snel de
bezorgdheid van veel opvoeders. Een van hen was
C.S. Jolmers (1884-1939), onderwijzer in
Amsterdam en later in
Den Haag, waar hij in 1915 schoolhoofd werd. (Hij
promoveerde in 1918 op een proefschrift over Staring, maar hij bleef tot zijn
dood hoofd van een lagere school.)
In 1910 waarschuwt Jolmers in De Nieuwe School tegen
het werk van Kieviet. Hoewel hij toegeeft dat Dik Trom een
uitstekend boek is, ‘frisch en natuurlijk, [...] echt leuk en lollig, het heele
boek door’, vertoont het volgens hem al een neiging tot het
‘gevaarlijk-komische’, die in Kieviets latere werk steeds erger is geworden
(Jolmers 1910: 87). Om aan te tonen dat ‘een bordje met “Kinderen geen toegang”
zeer noodig [is]’, geeft hij een opsomming van de verkeerde elementen in drie
boeken:
Okke Tannema,
De hut in het bosch en
Vroolijke vertellingen. Omdat hij de enige
is die concreet aangeeft wat er nu zo verderfelijk is in deze lectuur, neem ik
enkele voorbeelden over.
In Okke Tannema komt de titelheld op een goed moment
langs een schutting, waarachter hij een tuin ontdekt vol bloeiende seringen.
Hij wil een paar takken plukken voor zijn moeder, maar zover komt het niet: hij
wordt betrapt door een agent en weet nog maar net te ontsnappen. (‘De vreugde,
die de lezende kinderen hierover hebben, zal hun werkelijk goed doen,’ zegt
Jolmers.) Een paar uur later komt Okke de agent opnieuw tegen, die hem bij zijn
oor pakt en vraagt wat hij op die schutting uitvoerde. En als Okke geen
antwoord geeft, trekt de agent zo hard aan zijn oor dat het begint te bloeden.
De volgende dag neemt Okke wraak. Als de agent langs | | | | zijn huis
komt, laat hij een touw uit het zolderraam zakken en trekt hem de helm van het
hoofd - onder luid gejuich van de omstanders.
Jolmers tekent hierbij aan: ‘Waarachtig - 't
is lollig,
Kieviet is een reuzentype. Eén opmerking
echter. Als de heer Kieviet jongens van tuchtscholen uitnoodigde om in de
school, waarvan hij het Hoofd is, de leerlingen te vermaken met de verhalen van
hun vroegere streken, zou er heel wat te doen zijn in de onderwijzers-wereld.
Ik vraag: hoe is het mogelijk, dat niemand aanmerking maakt, als deze man die
streken in boeken vertelt, al jaren lang?’ (Jolmers 1910: 90).
Deze morele verontwaardiging is geen uitzondering: ook door anderen
wordt dit genre in dergelijke krasse termen veroordeeld. Meestal geven zij
echter niet aan waartegen hun bezwaren zich nu precies richten. In een
overzicht van de beoordelingen van Dik Trom, aan het eind van
dit hoofdstuk, kom ik hierop terug (vgl. blz. 140 e.v.).
Jolmers heeft lagere-schoolkinderen op het oog. Er werd ook regelmatig
gepleit voor toezicht op de lectuur van de oudere jeugd. Stamperius denkt bij
zijn waarschuwing tegen ‘sensatie-lectuur’ aan jongens van twaalf tot zestien
jaar. En
Ida Heijermans verklaart in haar brochure
Onze jongeren en de moderne literatuur
(1919) dat juist de lectuur van jongeren in de puberteit aan pedagogische
maatstaven moet voldoen. Natuurlijk gelden er ook esthetische eisen, maar ‘de
vlag der schoonheid’ mag nooit een lading dekken die jongeren in verwarring kan
brengen: kinderen in de puberteit mogen alleen boeken lezen die ‘het karakter
vastheid geven en zelfbeheersching leeren’ (Heijermans 1919: 7-8).
Het grootste deel van de moderne literatuur vindt zij niet geschikt voor
de middelbare school: die is veel te somber en te vrijmoedig in seksuele zaken.
Maar ook met de klassieken moet men oppassen: wie de
Spaansche Brabander in de klas wil
behandelen, moet eerst aparte jongens- en meisjesscholen instellen.
Over de vraag hoe men jongeren in hun lectuur moet begeleiden, zegt zij:
‘In de eerste plaats moet er veel minder gelezen worden. Er ligt ten slotte
iets beangstigends in de tallooze bibliotheeken, die overal verrijzen, in den
boekenstroom, welke steeds | | | | meer wast. Wie wel eens in leeszalen
kinderen boeken heeft zien doorhollen of nagegaan heeft hoeveel lectuur er door
jongeren verslonden wordt, waarvan zij niet eens konden zeggen wie de schrijver
was, terwijl het hun evenmin mogelijk bleek den inhoud ervan na te vertellen,
weet dat het boek niet altijd een factor is voor waarachtige ontwikkeling.’
(Heijermans 1919: 40).
Daarom vindt zij dat kinderen beter één goed boek kunnen lezen en
herlezen: alleen op die manier kan een boek opvoedende waarde krijgen.
In 1930 hield de pedagoog J.H. Gunning Wzn. (1859-1951) een lezing voor
de AVRO-radio over de lectuur van jongeren. Veelzeggend is de vraag die hem was
voorgelegd: ‘Moet de lectuur van jongens en meisjes van 16 tot 20 jaar door
ouders en opvoeders gecensureerd worden?’ Gunning wijst die gedachte af:
censuur zou volgens hem niets uithalen of zelfs ongewenste gevolgen hebben. Als
men ook jongere kinderen erbij betrekt of ‘censuur’ door een mildere term
vervangt, komt het anders te liggen. Hij veronderstelt dat niemand de theorie
zal verdedigen dat men jonge kinderen maar alles moet laten lezen.
De boekenwereld is de grote-mensenwereld, zegt hij. Boeken geven
kinderen toegang tot die wereld op een leeftijd dat ze daar nog volstrekt niet
rijp voor zijn. Uit deze gedachte is indertijd de kinderliteratuur ontstaan,
maar ook kinderboeken zijn volgens hem niet allemaal geschikt. Daarom worden ze
nog eens door ‘paedagogische keurmeesters’ beoordeeld. Maar omdat er zeer veel
kinderboeken verschijnen, is de keuze niet eenvoudig. Toch blijven de ouders
verantwoordelijk. Op den duur moeten zij hun kinderen loslaten, maar dat moet
heel geleidelijk gebeuren.
Hij onderscheidt op dit punt een aantal fasen. Er is een periode waarin
kinderen toestemming vragen voor zij een boek lezen. Daarop volgt een periode
waarin zij hun ouders om raad vragen. Daarna worden ze langzamerhand
zelfstandiger. Eerst zullen hun ouders nog wel eens zeggen: ‘Het is beter dat
je dat boek nog niet leest.’ Daarna vragen ze: ‘Is het wel verstandig dat je
dat leest?’ Dan komt de tijd dat ze hooguit zeggen: ‘Hè, lees je dát boek?’ En
ten slotte komt de tijd dat ze maar beter hun mond kunnen houden als hun
kinderen een boek lezen dat zij afkeuren. | | | |
De eerste twee periodes duren het langst, preciseert hij. Ze strekken
zich uit van de kindsheid, ‘waarin de ouders nog geheel voor de kinderen kiezen
en waarin zij nog onbeschroomd kunnen verbieden’, tot de rijpere jeugd, ‘waarin
zij nog hoogstens aanwijzingen kunnen geven’. Vooral de periode waarin het kind
geen toestemming, maar nog wel raad vraagt, mag niet te kort duren. Als ze
wordt overgeslagen, verliest men volgens hem alle invloed ten goede op de
jeugd.
Een afwijkende pedagoog: Jan Ligthart De bekendste
Nederlandse pedagoog uit deze periode is ongetwijfeld
Jan Ligthart (1859-1916.) Hij werd in de
praktijk opgeleid tot onderwijzer: op zijn twaalfde jaar werd hij kwekeling
omdat zijn ouders het schoolgeld niet meer konden betalen. Door zelfstudie
ontwikkelde hij zich tot een toonaangevend pedagoog, die zijn inzichten vanaf
1899 publiceerde in een eigen tijdschrift, School en Leven.
Daarin zette hij zich af tegen de wetenschappelijke pedagogiek; zijn eigen
benadering was gebaseerd op intuïtie, zelfkennis en ervaring. Hij had een grote
belangstelling voor literatuur: in 1909 bezorgde hij bijvoorbeeld samen met
C.G. Kaakebeen de eerste schooluitgave van
Van den vos Reinaerde.
In zekere zin behoort ook hij tot degenen die het kinderboek als een
middel in de opvoeding beschouwen. De argumenten die hij gebruikt, zijn
grotendeels van pedagogische of morele aard. Maar zijn benadering van opvoeding
en moraal is weinig conventioneel en in tegenstelling tot de andere opvoeders
identificeert hij zich sterk met de lezers. Dat maakt hem tot een moeilijk in
te delen figuur, al staan zijn opvattingen het dichtste bij die van degenen die
aan kinderboeken een esthetische functie toekennen.
In twee stukjes over ‘Woensdagmiddaglectuur’ pleitte Ligthart in 1900
voor het voorlezen op school. Dat levert niet alleen een heerlijke middag op,
het is minstens zo belangrijk als het leren van tiendelige breuken en allerlei
nuttige kennis. ‘Alsof leeren - in den schoolschen zin - alles ware! Alsof het
tenminste belangrijker was dan iets ter kinderwereld!’ (Ligthart 1900b: 243).
In zijn volgende beschouwing, ‘Over het kantje’ (1904a), bespreekt hij twee boeken die de laatste tijd veel opgang
maken:
Dik Trom van
Kieviet en
School-idyllen van
Top Naeff. Waaraan heb- | | | | ben deze
boeken hun succes te danken? Zeker, ze zijn met talent geschreven, maar dat is
Een levenslustig troepje van mevrouw
E. de Pressensé ook, misschien wel méér, en dat
is nog nooit herdrukt. Nee, de werkelijke reden is dat Dik steeds ‘over het
kantje gaat’. Neem nu de scène waarin hij de klompen van de baker vol giet met
water. Die baker is beslist geen nare vrouw, zegt
Ligthart, maar de kinderen klappen in hun handen
van de pret als je het voorleest. En er gaat een gejuich op als zij, al
pratend, haar voet in de klomp steekt. Dat getuigt niet van veel respect en
evenmin van veel liefde! Zo is het ook met
School-idyllen. Wat is die ene lekker
brutaal tegen de juffrouw! Of ze daarbij nu zo billijk is, doet er niet toe:
omdat ze zich durft te verzetten tegen het gezag, is ze een heldin. ‘Menig
gevierd kinderboek dankt zijn triomftocht aan de vrijmoedigheid, om niet te
zeggen de brutaliteit, waarmee zijn held of heldin alles trotseert. De fortuin
is met den stoutmoedige.’ (Ligthart 1904a: 544).
De vraag is nu maar of we dit moeten bestrijden. Vóór Ligthart deze
vraag beantwoordt, onderbreekt hij zijn betoog met uitweidingen over het
verschil tussen ethiek en etiquette, over zogenaamde vieze woorden, over het
gezegde ‘Wijs bij de lui, mal om een hoekje’ en over het plezier van het
zoenen. De eerste twee haken in op een discussie die kort daarvoor in
Het Kind was gevoerd.
Het begon met een stukje van O. Gunning, ‘Aan wiens of wier leiding
kunnen wij ons toevertrouwen?’ (1904). Hij vertelt dat hij het bundeltje
Het regent, het zegent van
Nellie Bodenheim heeft aangeschaft, omdat het
door
Nienke van Hichtum was aanbevolen. ‘Wat een
ontgoocheling! Eén schurftig schaap steekt de heele kudde aan. Hier is meer dan
één schurftig schaap!’ (O. Gunning 1904: 35). Hij gaat de versjes een voor een
langs en heeft bijna overal wel iets aan te merken:
‘4. Kakkemijne stoeltje is geen goddelijke nonsens
meer, maar geheel en al onbegrijpelijk. Maar vooral, waartoe dat woord “kak”?
[...]
17. Waar ben je dan geweest? is uitstekend. “Gat” is
minder aesthetisch. Wie maakt van de beide laatste regels iets anders? Bijv.:
“Wat heb je daar gekregen / Twee koekjes aan mekaar geregen”. | | | | En
dan op de teekening, twee koekjes met een touwtje er door. Aan het kind
vertellen we dan, dat die koekjes “gaatjes” hebben. [...]
20.
Het regent, het zegent. De plaatjes zijn
verrukkelijk. De stippeltjes op den laatsten regel kunnen bij mij natuurlijk
geen genade vinden. Zet alle flauwe “moppigheid” ter zijde en neem in plaats
van “hun ...” “het pad”. Uw kind zal er niet minder om worden.’ (O. Gunning
1904: 36).
Het volgende nummer van Het Kind bevat een reactie van
A. Boissevain, die Gunnings opmerkingen
vreselijk overdreven vindt en schertsend voorstelt ‘een koekje met een gat’ dan
maar te vervangen door ‘een koekje met een broekje’.
Er is ook een reactie van
Nienke van Hichtum: ‘Waarom oude
kinderdeuntjes?’ Zij constateert dat Gunning kennelijk vindt dat alles wat een
kind zingt of hoort, geestelijk en moreel op hem moet inwerken; dat z'n ouders
alles moeten uitleggen en verklaren - alsof een peuter dat allemaal kan
begrijpen! Zij pleit ervoor om in de eerste plaats de fantasie te ontwikkelen
en de smaak te vormen door kinderen, aanvankelijk onbewust, echte kunst te
laten genieten. Deze versjes hebben zich door de eeuwen gehandhaafd doordat ze
origineel en zangerig zijn. Zij verwijst hierbij naar Heinrich Wolgast, die
over de tegenwoordige Duitse kinderpoëzie klaagt: ‘Alles ist aufs Moralische
gestellt.’
Ten slotte verklaart zij dat het niet haar bedoeling is ‘leiding’ te
geven. Zij geeft slechts haar eigen, weloverwogen oordeel, in de hoop dat
ouders zich daardoor een mening kunnen vormen.
Zoals gezegd haakt
Ligthart op deze discussie in. Hij begint met
te verklaren dat iets ‘onfatsoenlijks’ lang niet altijd slecht is: fatsoen is
immers aan mode onderhevig. Misschien is de ontwikkeling van de etiquette zelfs
omgekeerd evenredig met ware reinheid.
Naar aanleiding van ‘Het regent, het zegent’ wijdt hij vervolgens een
beschouwing aan het woord ‘gat’. Hij vraagt zich af of het zogenaamde fatsoen
om sommige gaten in het menselijk lichaam niet bij hun naam te noemen, niet
getuigt van gebrek aan eerbied voor de schepping. Zijn vrouw zong vroeger over
de drie boerin-netjes: ‘die vielen heelemaal plat’. En Nienke van Hichtum
schreef hem onlangs dat zij deze regel veranderde in: ‘die vielen in een
| | | | gat’. Het principe maakte dat nodig: alle onreinheid was immers
verboden in de kinderkamer.
‘Jonge ouders richten hun opvoeding meestal in naar zekere principes, zonder daarbij rekening te houden met de kindernatuur. Vandaar dat ze zich door redeneering ook niet laten
overtuigen, want wie principieel redeneert staat sterk, al is
't meer in de redeneering dan in de levenspractijk. Wanneer we echter wat ouder
zijn geworden en de kinderen hebben leeren kennen zooals ze zijn, en ze dus niet meer beschouwen zooals wij ze in onze
gedachten construeerden, dan veranderen we wel een beetje.’
(Ligthart 1904a: 590).
Hij kan geen enkele onreinheid ontdekken in ‘die vielen op hun gat’, ook
niet als er om dat woord gelachen wordt: ‘Er is geen
onreinheid, dan in uw blik.’
En dan het zoenen. Net als bij de andere intermezzo's is het verband met
Ligtharts betoog niet meteen duidelijk; we moeten daarvoor terug naar het begin
van zijn artikel. In één adem met
Dik Trom en
School-idyllen noemt hij nog een boek:
‘Toen mijn vrouw onlangs in deze kolommen den zesden druk aankondigde van
Tom Sawyer als prachtige lectuur voor... volwassenen, dacht
ik: Ga je gang maar, maar niettemin zullen de jongens het
verslinden.’ (Ligthart 1904a: 543). Marie Ligtharts
beoordeling van Tom Sawyer staat in dezelfde jaargang van
School en Leven (5: 390-397). Waarom is het volgens haar geen
kinderboek? Volwassenen worden al te dom voorgesteld, zegt zij, en ze worden te
veel bespot. Bovendien is Tom verliefd, een jongen van twaalf!, hij zoent zelfs
een meisje.
Zonder haar te noemen bestrijdt
Ligthart dus zijn vrouw, als hij over het
zoenen zegt dat je kinderen niet moet verbieden wat je zelf zonder enig berouw
hebt bedreven. De natuur gaat boven de leer: daarom wil hij er in deze stukjes
‘telkens weer aan herinneren, dat menig verboden terrein eigenlijk het terrein
is, dat we betreden moeten’ (Ligthart 1904a: 624).
Daarna vat hij de draad van zijn betoog weer op, door te verklaren dat
er in ieder mens een anarchist schuilt. Uit praktische overwegingen moeten we
ons aanpassen, maar dat neemt niet weg dat anarchie ons ideaal is. Er zijn maar
twee beperkingen van de vrijheid die we onvoorwaardelijk erkennen: die van de
natuurwet- | | | | ten en die van het geweten. En naarmate ons méér regels
worden opgelegd, zijn we meer gedwongen ‘over het kantje te gaan’. Daarom
houden kinderen zo van
Dik Trom. En daarom kunnen grote mensen
die nog iets van het kind in zich voelen, ook nog zo genieten van zijn streken.
Niet alle kinderen hebben de moed om toe te geven aan hun vrijheidsdrang.
Sommige missen ook de naïviteit, de ware onschuld die nodig is om ‘ondeugend’
te zijn.
‘Behoef ik nog te zeggen, dat ik lectuur van boeken als Dik
Trom en
School-idyllen warm aanbeveel? Ja, ja, 'k
zie ook wel gevaren, maar waar zijn die niet? Zelfs bij saliemelk kun je de
tong branden, en in een stuk koek kun je stikken. Maar het enorme voordeel van
zulke lectuur, net zoo goed als van die der indianen-romans is dit: dat ze bij
de kinderen niet alleen de behoefte bevredigen aan 't avontuurlijke, 't
heldhaftige, 't ondernemende, maar dat ze in hun aankweeken bewondering voor
het stoute, het vermetele, voor het durven en doen, voor het
breken met banden van schijn. Gevaar van deze aankweeking ken ik niet, als
er maar mee gepaard gaat: aankweeking van hulpvaardigheid, van liefdevol
zorgen.’ (Ligthart 1904a: 640).
Reacties op dit artikel blijven niet uit. De eerste, van
H.A. Laban, is getiteld ‘En toch zijn er
grenzen’. Hij geeft enkele voorbeelden van kinderen die zich - in hun onschuld
- ‘onbetamelijk’ uitdrukken. Hij vindt dat we op dit punt wel de grenzen in
acht moeten nemen. Waar die precies liggen, is moeilijk vast te stellen, maar
we moeten kinderen niet met opzet onfatsoenlijke woorden leren. Naar zijn
mening mag je Dik Trom niet zomaar aan iedere jongen in
handen geven. En het zou hem weinig moeite kosten om aan te tonen dat
School-idyllen beslist een verkeerd boek is.
Ook
Ida Heijermans (1904b) kan
School-idyllen niet onvoorwaardelijk aanbevelen. Zij ziet wel
de waarde van ‘over het kantje gaan’, bijvoorbeeld in vrolijkheid en
plagerijtjes tijdens een schoolreisje, maar in School-idyllen
schuilt volgens haar een gevaar. Omdat meisjes daarop gewezen moet worden,
behandelt zij het boek in de klas. Zij legt uit dat de hoofdpersonen dingen
doen die niet goed te praten zijn: spieken vinden ze heel gewoon, ze gedragen
zich zeer onbehoorlijk tegenover hun leraressen, spijbelen en gaan dan ook nog
taartjes eten, op krediet nog wel! | | | |
Na School-idyllen behandelt zij altijd de boeken van
Louisa Alcott,
Onder moeders vleugels bijvoorbeeld,
waarbij meisjes ook kunnen bewonderen en meelij hebben, maar dan niet ten koste
van anderen. Overigens is het niet haar bedoeling, een jonge schrijfster als
Top Naeff te vergelijken met deze moederlijke,
fijn voelende vrouw met haar tedere hart en milde wijsheid.
Ligthart antwoordt in een stukje getiteld
‘Ketterij’ (1904b). Hij noemt spieken ‘de natuurlijkste zaak
van de wereld’, al was het misschien royaler als de meisjes hun boek openlijk
op tafel zouden leggen, ‘zooals verschillende onderwijzers en leeraars doen,
als ze de lessen overhooren’ (Ligthart 1904b, nr. 51). Ook voor de andere zonden in
School-idyllen kan hij best begrip
opbrengen.
In een slechte invloed van het boek gelooft hij niet. Zet maar eens een
slechte leraar, die geen orde kan houden, voor een klas welopgevoede kinderen,
zegt hij. Binnen een maand is het een bende, ook al hebben ze niets anders
gelezen dan het Zedekundig leesboek. En je kunt ze gerust
School-idyllen laten lezen, zonder dat de lessen van goede
leraren daaronder lijden.
Wat ook het effect is geweest van Ligtharts pleidooi voor
‘anarchistische’ verhalen, zijn eigen vrouw heeft hij in ieder geval niet
overtuigd. Als zij vier jaar later
Hein Stavast van
Chr. van Abkoude bespreekt, dat ze omschrijft
als een boek van het type Dik Trom, merkt ze op: ‘Of zulke
boeken in opvoedkundig opzicht aanbevelenswaardig zijn, komt mij twijfelachtig
voor, al zijn ze door iemand uit mijn naaste omgeving wel eens verdedigd.’ (School en Leven, 10: 284).
Net als zijn benadering van de pedagogiek hebben ook Ligtharts recensies
een heel eigen karakter. In een ervan bespreekt hij de problemen van de
recensent. Als een boek je bijzonder getroffen heeft, kun je het wel aanbevelen
met allerlei oordelen: ‘mooi’, ‘frisch’, ‘boeiend’, ‘opvoedend’, maar dat geeft
geen enkel idee van het boek. De belangrijkste vraag vindt hij daarom, hoe je
een boek moet karakteriseren, wat je als ‘eigenaardig element’ onder de
aandacht moet brengen.
In vergelijking met andere recensenten geeft hij inderdaad weinig
oordelen; vaak probeert hij het boek voor zichzelf te laten | | | |
spreken. Zijn recensie van
Jongensdagen van
Theo Thijssen begint met de kreet waarmee de
hoofdpersonen elkaar aanroepen: ‘Riet-pe-tie-oe!’ Bij hem galmt het geluid niet
over een Amsterdamse gracht, maar door een schoollokaal, waar de meester zit
voor te lezen: ‘Rier-pe-tie-oe!’ Vervolgens weidt hij uit over voorlezen in het
algemeen en het voorlezen van Jongensdagen in het bijzonder.
Daarmee weet hij de sfeer van het boek uitstekend op te roepen (School en Leven, 11: 529-537).
Zeer geregeld geeft hij naar aanleiding van een boek een pedagogische
beschouwing. Bij
Afke's tiental van
Nienke van Hichtum vergelijkt hij de situatie in
grote gezinnen met het ‘twee-kinderen-stelsel’, om vervolgens over de liefde te
filosoferen. Over het boek vertelt hij dat zijn hoogste klas het prachtig vindt
als voorleesboek, en dat een groepje kinderen in de trein er ook al door
geboeid werd (School en Leven, 5: 58-64).
Wat zijn nu Ligtharts criteria bij het beoordelen van kinderboeken? De
vraag is eigenlijk strijdig met zijn onbevangen benadering, waarbij hij zich
zoveel mogelijk openstelt voor het boek zelf. Net zo min als de opvoeding richt
hij zijn beoordelingen in naar ‘zekere principes’. In zijn recensie van
Willem de Kabeljauw of Hoorn in 1479 van
J.G. Kramer meet hij zijn bezwaren breed uit:
het boek geeft wel een goed beeld van een periode uit de geschiedenis, maar het
staat vol met gezochte beeldspraak en onlogische uitdrukkingen en redeneringen.
‘Hoe kan ik zoo'n boek nu aanbevelen!’ zegt hij. ‘En toch beveel ik het aan. En
met volle overtuiging.’ (School en Leven, 1: 409).
Meer dan de traditionele opvoeders gaat hij in op literaire kwaliteiten.
Net als
Ida Heijermans besteedt hij regelmatig
aandacht aan de personages en dat heeft ongetwijfeld een pedagogische functie,
maar hij gaat ook in op de karakteruitbeelding en daarmee op het vakmanschap
van de schrijver. Literaire en pedagogische argumenten zijn bij hem niet goed
te scheiden. Als hij zich verheugd toont dat er in Jongensdagen nu eens een ‘fijne agent’ optreedt in plaats van de
eeuwige kwaaie veldwachter, heeft dat zowel een pedagogische als een literaire
dimensie.
De pedagogische argumenten zijn bij hem echter van een ander gehalte dan
bij de andere opvoeders. Zijn afwijzing van een opvoeding gebaseerd op vaste
morele principes, richt zich ook tegen | | | |
Stamperius,
Ida Heijermans en de vertegenwoordigers van de
Kinderbond, die zich geheel op de moraal concentreren. In zijn visie houden zij
geen rekening met de aard van het kind, maar alleen met een ideaalbeeld. Omdat
hij uitgaat van de realiteit, heeft hij geen enkele behoefte aan voorbeeldige
personages in de traditie van Salzmann. Hierdoor ontstaat ruimte voor een
realistische karakteruitbeelding, waarin figuren goede en slechte eigenschappen
hebben. Zijn visie op de opvoeding en zijn visie op literatuur zijn dus veel
complexer dan die van de andere opvoeders.
Het kinderboek als kunstwerk Bij degenen die zich
niet op een politiek of religieus standpunt baseren, zijn drie figuren die van
een kinderboek in de eerste plaats verlangen dat het een kunstwerk is.
Onderling vertonen zij duidelijke verschillen in benadering: terwijl
Theo Thijssen benadrukt dat de schrijver van
kinderboeken een kunstenaar moet zijn, ontvouwt
J.W. Gerhard een theorie over de waarde van
echte kunst in de opvoeding, en beperkt
C.E. Hooykaas zich tot een waarschuwing tegen
de goede bedoelingen waardoor volgens hem veel kinderboeken bedorven worden.
Wat hen drieën verenigt, is de afwijzing van elke opzettelijke moraal.
Theo Thijssen (1879-1943) kwam net als
Ligthart uit een arm middenstandsgezin in de
Amsterdamse Jordaan. Dankzij de inspanningen van zijn moeder kon hij echter
studeren aan de Rijkskweekschool in Haarlem. Als jong onderwijzer richtte hij
in 1905 samen met P.J. Bol het tijdschrift De Nieuwe School
op. In dit ‘Tijdschrift voor practische paedagogiek’, zoals de ondertitel
luidde, recenseerde hij schoolboekjes met een felheid die aan De
Nieuwe Gids doet denken. Maar ook kinderboeken hadden zijn belangstelling.
Al meteen in het eerste nummer zette hij zijn eisen uiteen.
‘Als ik een kinderboek lees, denk ik dikwijls aan Kloos, die gezegd
heeft, dat kinderen Koningen waren. Wat deksel, zeg ik dan zachtjes, als je
toch met een koning omgaat, kan je maar niet de eerste de beste zijn; je moet
toch 'n beetje, wat-je-noemt een nette vent zijn; 'n beetje elegant moet je
zijn, hè, met af en toe een sierlijk gebaar... En wat zijn het toch meestal 'n
geestes-plebejers, die kinderschrijvers!’ (Thijssen 1905: 19). | | | |
Kinderboeken kunnen op allerlei manieren ontstaan, gaat hij verder,
bijvoorbeeld door vertaling van een buitenlands prul: ‘dat is niet moeilijk,
want het hoeft niet letterlijk; en 't is maar voor kinderen’. En als een roman
niet wil lukken, kan de schrijver er altijd nog een kinderboek van maken. Of
‘een edel mensch, die opvoederig is, zooals
Multatuli zou zeggen’, schrijft ‘een ethica in
vertellingen’. Maar haast nooit ontstaat een kinderboek op de goede manier.
‘Een kinderschrijver moet schrijver zijn. Hem moet de
taal iets méér zijn dan het ons gewone menschen is; en bovendien moet hij van
het kind houden; zóóveel houden, dat het kind hem verstaat. Hij moet eerlijk
geven wat er in hem leeft; en wat er in hem leeft moet voor het kind zijn; en
zóó hevig moet het in hem zijn, dat hij 't uit; dat hij 't uiten moet.
Een kinderboek moet écht zijn. En een kinderboek beoordeelen is alleen
maar kijken, of het echt is; of de schrijver kinder-kunstenaar is. Wat 'n raar
woord, hè, “kinder-kunstenaar”!’ (Thijssen 1905: 21).
Net als
Nellie van Kol vindt hij dus dat alleen iemand
die werkelijk iets te zeggen heeft, kinderboeken mag schrijven. Maar daarmee
houdt de overeenkomst ook op.
Thijssen kiest voor een persoonlijk
kunstenaarschap, dat niet aan een leer gebonden is, en niet in regels te
vangen. Dat had hij al eerder laten blijken in een recensie van
Kees Lovers van
Charles Krienen, een deel uit de ‘Nieuwe
Bibliotheek voor de jeugd’ van Stamperius. ‘Zoo iets heb ik nog niet gehad,’
zegt hij, ‘een geredigeerd boekje!’ Hij citeert Stamperius'
eisen: een kinderboek moet boeiend zijn, het moet voedsel bieden voor hoofd en
hart, enzovoort. Hij vindt het een treurig programma, zoals het een belachelijk
idee is dat een schrijver er een redacteur op nahoudt - of er door een
redacteur op nagehouden wordt. ‘Een kinderschrijver moet mans genoeg zijn om
zelf op te treden, wanneer hij wil, en zooals hij wil.’ (School en Leven, 3: 555).
Van ‘opvoederigheid’ moet Thijssen niets hebben: evenmin als de kunst is
de opvoeding in regels te vangen. ‘Niet de letters van den man aan de
schrijftafel, de daden van den man voor de klasse zijn paedagogiek’, is het
motto van De Nieuwe School. | | | |
In een recensie van een boekje van
Nellie van Kol kondigt hij aan binnenkort zijn
mening te geven over ‘het knoei-beweginkje van
hyper-sentimenteel-dilettant-paedagogischen aard waaraan de laatste jaren
eenige vrouwen zooveel doen’ (De Nieuwe School, 1: 121). Dat
doet hij een jaar later in een stukje ‘Voor Mej.
Ida Heijermans’: ‘Die hebbelijkheid van u, om
naar aanleiding van vervelende bedenkseltjes zedelijke boomen op te zetten
tegen de kinderen, die begint ons zoo te vervelen. [...] Het is misschien erg
ongelukkig, maar heel die opzettelijke opvoederij in school, waar u en andere
dames zoo graag over spreekt, daar voelen wij zoo weinig voor; daar worden we
een beetje onpasselijk van, eerlijk gezegd. En nu moet u niet denken, dat dit
komt, door dat wij zoo grof zijn, en u zoo fijn. Het is juist omgekeerd. Het is
grofheid van ú, te meenen, dat men spreekt over liefde en eerlijkheid als over
boter en kaas.’ (Thijssen 1906: 132).
Je moet je als mens aan een kind geven, vindt hij. Dat is genoeg. En het
is door niets te vervangen, zeker niet door ‘kunstmatig moraliseeren’. Vanuit
die opvatting veegt hij drie jaar later de vloer aan met
Hinse en
Stamperius, in een bespreking van de zesde
druk van
't Verteluurtje. Het idee dat je kinderen
goed leert spreken door ze te verbeteren als ze een verhaal navertellen, noemt
hij uit taalpsychologisch oogpunt belachelijk. Even onzinnig vindt hij het om
met kinderen te spreken over ‘wat zij uit de vertelling leeren moeten’: ‘Dat we
doen moeten wat we kunnen, om ons doel te bereiken, dat zal iedereen met de
heren H. en St. eens zijn. Maar het is weer een zo-maar-es geuite, en volgens
de praktijk onware bewering van de heren, dat we daarom met de
kinderen moeten spreken over de les die in de vertelling zit. Het is
veeleer zo, dat we daarom vooral niet met de kinderen over de
les moeten spreken!’ (De Nieuwe School, 5: 13).
De manier waarop Hinse en Stamperius over vertellen praten, is volgens
Thijssen onbeschaafd; en wat ze beweren, is
kletskoek. ‘Vertellen [...] hoort bij de omgang met het kind;
daarom zal de onderwijzer vertellen.’ Hij vindt dat je daar geen regels voor
kunt geven: hoe iemand vertelt en wat hij vertelt, hangt af van zijn
persoonlijkheid en van de kinderen die hij in de klas heeft.
Behalve tegen de neiging tot moraliseren zette Thijssen zich af
| | | | tegen de angst voor ‘gevaarlijke’ lectuur. In een recensie van een
jongensboek dat bedoeld is als waarschuwing tegen indianenboeken -
De avonturen van Klavervier door
J.L. Keetelaar - bekent hij weinig te voelen
voor de solide ideeën van wijze grote mensen: ‘ik geef nog maar altijd de
jongens gelijk, hè’.
Pedagogische bezwaren ziet hij niet: ‘Erger nog, ik heb de stellige
overtuiging, dat die heerlike boeken van Aimard machtig veel hebben bijgedragen
tot mijn geestelike groei; ik weet zeker, dat ik veel minner soort mens geweest
zou zijn, als Aimard niet had meegedaan aan m'n opvoeding. En als het waar is,
dat de tegenwoordige jeugd als gevolg van een kwasi-pedagogiese klets-campagne
tegen de avonturen-boeken, minder Aimard, en minder Marryat en minder Jules
Verne te lezen krijgt dan vroeger, dan beweer ik, dat-ie bij ons vergeleken,
heel wat te kort komt.’ (De Nieuwe School, 5: 233).
Thijssens recensies zijn opmerkelijk fel van toon. Steeds opnieuw trekt
hij van leer tegen schrijvers die volgens hem geen schrijver zijn. Er is in dit
opzicht geen enkel verschil tussen de drie recensies die hij in 1901 en 1902
publiceerde in School en Leven, het blad van
Jan Ligthart, en de laatste in De
Nieuwe School van 1909.
Van
Kees Lovers (het ‘geredigeerde’ boekje)
stelt hij in 1902 vast dat het aan de eisen van Stamperius voldoet. Maar het is
een aaneenrijging van anekdotes, zonder enige samenhang: ‘slechts hier en daar
het hooge, de kunst-voor-het-kind. Eigenlijk is het andere prullenwerk.’ (School en Leven, 3: 558). Dat levert een woedende reactie op van
de auteur:
Thijssen moet niet proberen
Van Deyssel te imiteren, want dat lukt hem toch
niet. Een verwijt dat hij als redacteur van De Nieuwe School
nog verschillende malen te horen zal krijgen.
In dit tijdschrift recenseerde hij in 1909 voor het laatst een
kinderboek:
Schooljongens lief en leed van
E. Molt. Hier hebben we nu waarlijk
kinderlectuur van de twintigste eeuw, hoont hij, de eeuw van het kind. Molt
gaat met zijn tijd mee en doet zijn best om kinderen op te voeden. ‘Eén ding is
jammer: als auteur is de heer E. Molt niet veel soeps. Hij schrijft slecht; en
dat is toch altijd een beetje ongelukkig voor iemand, die een boek wil maken.’
Het boek gaat over een ruzie tussen twee jongens, maar Molt slaagt er niet in
| | | | dit gegeven geloofwaardig uit te werken. Zijn figuren komen niet
tot leven, het blijven morele clichés: ‘een treurig brokkie kinder-psychologie’
(De Nieuwe School, 5: 57, 60).
Al met al recenseerde hij in De Nieuwe School twintig
kinderboeken, waarbij hij maar tweemaal tot een positief oordeel kwam. De
eerste keer ging het om een boek van
C. Joh. Kieviet,
De Kennemer vrijbuiter.
10 Er zijn wel wat slordigheden in de taal
aan te wijzen, maar: ‘De auteur van
Dik Trom steekt zóó ver uit boven het gros
der kinderschrijvers dat ik hem niet eens lastig wil vallen.’ (De
Nieuwe School, 2: 27). Die clementie had hij niet voor
Nellie van Kol, in de bespreking van haar
bewerking van Oedipus. Als zij de Griekse mythologie zo
geschikt vindt voor kinderen, zegt hij, waarom castreert ze die dan? Hij vindt
dat haar stijl ‘iets raars, iets internationaals heeft, iets onkinderlijks
ook’. Zij ziet kans om te schrijven: ‘de duisternis van het onweder legerde
zich om de geheele streek’ (De Nieuwe School, 1: 120). Enkele
vertalingen van
J.W. Gerhard komen er nog slechter af: die staan
volgens hem vol germanismen, rare uitdrukkingen en regelrechte fouten.
Bij het begin van de derde jaargang persifleert Thijssen de manier van
recenseren in andere onderwijsbladen. Om iets te doen tegen de ‘honderden
aanbevelinkjes en kletspartijtjes van tien en een halve regel’ begint de
redactie een rubriek ‘Korte beoordeelingen’. De Nieuwe School
heeft evenveel recht als anderen om een oordeel te publiceren zonder enige
argumentatie en zal voortaan van dit recht gebruik maken. Medewerkers aan deze
rubriek zullen echter geen initialen gebruiken (zoals de recensenten in andere
bladen). Een van de boekjes die in deze rubriek besproken worden, is
Kleine bengels van
Tante Lize (een pseudoniem dat Thijssen al eens
had geleend voor een parodie): ‘Bekend pseudoniem, hè; lief ook! Leuke titel.
Maar 'n zeldzaam-idioot boek.’ (De Nieuwe School, 3: 14).
Kennelijk vond hij het te veel eer om een dergelijk oordeel steeds
opnieuw te motiveren. In 1909 stopte hij helemaal met recensies van
kinderboeken in De Nieuwe School. Nadat hij achttien van de
twintig besproken boeken had neergesabeld, was zijn oordeel over het gros van
de kinderboeken ook genoegzaam bekend. Hoe het volgens hem dan wel moest, liet
hij datzelfde jaar zien in zijn enige kinderboek,
Jongensdagen. | | | |
Tot degenen die van een kinderboek verlangen dat het in de eerste plaats
een kunstwerk is, behoort ook
J.W. Gerhard (1864-1923), een zoon van de
pionier van de vrijdenkersbeweging, H. Gerhard, en de broer van een van de
oprichters van de SDAP, A.H. Gerhard. Nadat hij net als zijn broer onderwijzer
was geworden - in die tijd de gebruikelijke opleiding voor arbeiderskinderen
die door mochten leren - hield hij zich vooral bezig met de waarde van de kunst
in de opvoeding, waarover hij in 1905 twee brochures publiceerde.
In
De aesthetische opvoeding der jeugd
(1905a), dat grotendeels aan prentenboeken gewijd is, stelt
hij vast dat de school wel veel doet om kinderen ‘nuttige en gepaste kennis’
bij te brengen, maar niets om hun gevoel voor schoonheid te stimuleren. Wat dat
betreft is er niets veranderd sinds Schiller in 1795 zijn Briefe
über die ästhetische Erziehung publiceerde. In navolging van Schiller
betoogt hij dat de ontwikkeling van de mensheid drie stadia kent: de fysieke,
de esthetische en de morele fase. Volgens hem bevindt de mens zich nog in de
laagste fase: ‘Door de zorgen om zijn physiek bestaan onderscheidt hij zich
niet van het dier. Hierboven verheft hij zich eerst als hij in den
aesthetischen toestand overgaat; en dezen moet hij weer eerst doorgaan, om in
den moreelen toestand te komen. Volkomen valsch is de opvatting, dat de mensch
moraal kan leeren, zonder eerst door aesthetisch gevoel bewustzijn van zijn
hooger Ik verworven te hebben.’ (Gerhard 1905a: 147).
Hij pleit daarom voor verbetering van het onderwijs. Volgens hem is de
opvoeding niet compleet als daarin geen aandacht wordt besteed aan de kunst.
Voor de literatuur werkt hij deze gedachte uit in zijn volgende brochure,
Onze kinderliteratuur in de aesthetische opvoeding (1905b). In het wettelijk doel van de lagere school, de ‘opleiding tot
alle christelijke en maatschappelijke deugden’, ziet hij slechts een middel om
het volk onmondig te houden. Daarnaast leren kinderen op volksscholen alleen
wat ze ‘naar het oordeel der regeerende klassen’ nodig hebben: als ze kunnen
lezen, schrijven en rekenen, is dat genoeg voor de rol die ze in de
maatschappij moeten spelen: die van ‘producent aller levensbehoeften’ (Gerhard
1905b: 309).
Hoewel Gerhard zich hier duidelijk laat kennen als socialist, leidt dit
uitgangspunt bij hem juist tot een keuze voor het boek als kunstwerk en tot het
afwijzen van elke opzettelijke tendens. De | | | | school, zo vervolgt
hij, zal de kinderen niet alleen moeten opleiden tot producerende, maar ook tot
‘genietende’ mensen. Volgens Lessing is ‘genot het einddoel van alle kunsten’,
dus ook van de literatuur: zij dient ‘tot verheffing van ons innerlijk leven,
tot bevrediging van ons aesthetisch gevoel’. (Gerhard 1905b:
310).
De meeste bestaande schoolboekjes vindt hij niet geschikt voor de
esthetische opvoeding. Ze zijn vooral bedoeld om kinderen kennis bij te brengen
of een moraal te prediken. Dit laatste wijst hij af, omdat het volgens hem geen
enkel effect heeft: ‘Moraal krijgt de mensch niet door hem te zeggen: gij moet
zoo en zoo handelen, dit doen en dat laten. En hierop komen bijna alle
moraliseerende lesjes in onze schoolboeken, en zelfs daarbuiten in onze
kinderboeken neer.’ (Gerhard 1905b: 311).
Al naar gelang hun levensbeschouwing stellen volwassenen andere eisen
aan kinderlectuur: als men zich op een ‘eng begrensd partij- of godsdienstig
standpunt’ stelt, bestaan er dus allerlei soorten goede kinderlectuur. Maar een
kind is nog geen partijlid of bewust lid van een kerk. ‘Voor de natuurlijke
ontwikkeling van het kind gelden vaste wetten; de politieke of godsdienstige
meeningen der volwassenen, dus ook der ouders, hebben daarmee niets te maken.’
(Gerhard 1905b: 336).
Een kinderboek hoeft maar aan één eis te voldoen: het moet een kunstwerk
zijn. Bij de concretisering van deze eis baseert hij zich duidelijk op Heinrich
Wolgast, zonder overigens rechtstreeks naar hem te verwijzen. Aparte
kinderkunst bestaat niet, zegt hij: opzettelijke kinderlectuur is per definitie
onesthetisch. Hij sluit zich aan bij Theodor Storm, die gezegd heeft: ‘Wanneer
gij voor de jeugd wilt schrijven, dan moogt gij niet voor de
jeugd schrijven.’
Ook een opzettelijke moraal is in strijd met de eis dat een boek een
kunstwerk moet zijn. In godsdienstige tendensboekjes worden de mensen niet
getekend zoals ze zijn, maar zoals de schrijver ze voor zijn doel gebruiken
kan: zo'n misvormd beeld kan volgens hem nooit esthetisch zijn. Met de
toenemende neutraliteit van het openbaar onderwijs kreeg het kinderboek een
meer neutraal-moraliserend karakter, maar dat maakt weinig verschil: ‘Het goede
moest beloond, het kwade gestraft worden; vroeger met en door
God, thans zonder God - ten minste in de meeste gevallen. Maar wisselde de
vorm, de inhoud bleef gelijk: men kreeg
dezelfde on- | | | | mogelijke menschen, groot en klein, die dezelfde
onmogelijke, ongemotiveerde handelingen verrichten, als voorheen, [...] voor 't
doel pasklaar gemaakte ziellooze, wassen beelden, die braaf of goed zijn, al
naar de auteur het voor zijn doel hebben wil.’ (Gerhard 1905b: 378-379).
Dat Gerhard tegen een opzettelijke moraal is, betekent niet dat hij alle
pedagogische overwegingen bij de beoordeling van kinderboeken afwijst. Hij
vindt dat je kinderen niet vrij kunt laten in de keuze van hun boeken, omdat ze
nog niet in staat zijn het waarschijnlijke van het onwaarschijnlijke, goed van
kwaad en werkelijkheid van fantasie te onderscheiden. Daarom moet een
volwassene bepalen ‘wat werkelijk in ethischen en aesthetischen zin opbouwend
werken kan’ (Gerhard 1905b: 342).
Daarbij moet men volgens hem wel rekening houden met de eisen die
kinderen aan hun lectuur stellen. Zij willen het onbekende, zegt hij, eerst in
sprookjes, later in verhalen over avonturen en over onbekende landen en mensen.
Het zou dwaas zijn je daartegen te verzetten, want de natuur van het kind is
niet te veranderen. Maar je hoeft kinderen niet alles te laten lezen: een kind
mag niets in handen krijgen dat zijn liefde voor avontuur ‘in verkeerde banen
kan leiden’. Twee kinderen met dezelfde aanleg kunnen zich totaal verschillend
ontwikkelen. Door de omstandigheden groeit de een op tot een flink mens en de
ander tot een misdadiger. ‘Men zij derhalve hoogst zorgvuldig bij de keuze van
lectuur voor het kind. Zij moet dienen om zijn kennis te vermeerderen, zijn
karakter te sterken, zijn schoonheidszin te veredelen. Elk boek moet minstens
aan één dezer eischen voldoen, en nimmer met een ervan in strijd zijn. Voldoet
het aan alle, dan kan men van een kunstwerk spreken.’
(Gerhard 1905b: 389).
Als een boek dat aan deze eisen voldoet, noemt hij Robinson
Crusoe: een klassiek boek, dat steeds weer herlezen zal worden. Maar de
avonturenromans van Aimard keurt hij voor kinderen af: ‘Deze wereld van
bandieten, zeeschuimers enz. is [...] niet een wereld, waarin men de jeugd
brengen mag, en daarom moeten Aimard en Reid óók uit de kinderbibliotheek
verdwijnen.’ (Gerhard 1905b: 396-397).
Ook de boeken van
Kieviet kunnen niet allemaal door de beugel.
Uit het leven van Dik Trom vindt hij zeer
vermakelijk; alleen | | | | als
Kieviet aan het eind een ernstige toon aanslaat,
wordt hij volgens
Gerhard gemaakt en vervelend. Maar in andere
verhalen voert hij kwajongens ten tonele die verre van onschuldig zijn: ‘Wilde Bob is er zo een; ik zou elken ouder afraden zijn kinderen
met dezen te laten omgaan.’ (Gerhard 1905b: 368).
Zelfs in het werk van
Stamperius worden volgens hem - geheel in
strijd met diens eigen eisen - allerlei laffe streken ‘behaaglijk’ voorgesteld.
Toch verwijt hij Stamperius dat diens ‘Nieuwe Bibliotheek voor de jeugd’
grotendeels neerkomt op moraliseren voor de openbare school. Ook andere bekende
auteurs ontkomen niet aan zijn kritiek. De eerste verhalen van
Nienke van Hichtum, over Eskimo's en Kaffers,
keurt hij af.
Afke's tiental vindt hij veel beter, maar
‘of het geheel als zoodanig juist is, deze arme Afke, met haar tien kinderen van 4-18
jaar, is wel aan eenigen twijfel onderhevig’. Daarom is het geen kunstwerk,
‘noch naar den inhoud, noch naar den vorm’. (Gerhard 1905b:
388).
Ida Heijermans, die in De
Vrouw op Gerhards beschouwing reageert, vindt dat hij niet duidelijk maakt
waaraan hij kinderboeken nu precies toetst, omdat hij het begrip ‘aesthetica’
nergens definieert. Hij is voor schoonheid en tegen tendens. Die tegenstelling
vindt zij onjuist: ‘Ik meen, dat men ook opvoedt tot het schoone, tot het
aesthetische, door alle krachten in den mensch te ontwikkelen, welke hem
brengen uit het moeras van het heden. Misschien wordt er juist het schoone zoo
weinig gekend en genoten, omdat wij meenen, dat het niet in ons dagelijksch
leven zou hoeven zijn, omdat wij maar altijd doorgaan met goed en schoon,
nuttig en schoon als aan elkaar vijandelijke elementen te beschouwen.’
(Heijermans 1905: 74).
En
Theo Thijssen schampert een paar maanden later
in De Nieuwe School dat Gerhard zijn ideeën kennelijk altijd
uit Duitsland moet halen: de vorige keer bij Schiller en nu weer bij Lessing.
Over Gerhards beoordelingen is hij nog veel minder te spreken. Hij matigt zich
nogal wat aan: het slot van
Dik Trom is mislukt;
School-idyllen is oppervlakkig, zielloos
zelfs. Dat durft Gerhard te zeggen, die wel zijn eigen vertalingen aanbeveelt!
Nee, ‘Gerhard is voor de jeugd niet veel soeps.’ (De Nieuwe
School, 2: 116). | | | |
Lea Dasberg citeert in
Het kinderboek als opvoeder Gerhards
opvatting dat voor de ontwikkeling van het kind vaste wetten gelden,
onafhankelijk van de politieke of godsdienstige overtuiging van de ouders. Een
‘zo onmaterialistische, zuiver idealistische benadering’ verwondert haar,
vooral van een socialistische onderwijzer. Uit zijn kritiek op de moralistische
boekjes voor de openbare school blijkt volgens Dasberg dat Gerhard zelf ook
‘het onbevredigende van neutraliteit in het kinderboek’ aanvoelde: ‘Gerhard
erkent dan impliciet zelf, dat neutraliteit ook een tendens is, als hij besluit
met: “Het goede moest beloond, het kwade gestraft worden,
vroeger met en door God, thans zonder God - tenminste in de meeste gevallen”.’
(Dasberg 1981: 48).
Deze interpretatie is echter onjuist. Niet de ‘neutraliteit’ is de
tendens van deze boekjes, maar het feit dat altijd het goede beloond wordt en
het kwade gestraft. Dát wijst
Gerhard af, omdat hij vindt dat het een vals
beeld geeft van de werkelijkheid en omdat het volgens hem nooit een kunstwerk
kan opleveren. Hij heeft ook geen reden om ‘het onbevredigende van neutraliteit
in het kinderboek’ te erkennen, omdat hij geen neutraliteit verlangt. Boeken
die zonder te moraliseren - dat wil zeggen: zonder nadrukkelijk een boodschap
te verkondigen en zonder dat de personages ‘wassen beelden’ worden - een
socialistische geest ademen, zijn niet in strijd met zijn opvattingen.
Zijn pleidooi voor echte kunst is ook zeker niet ‘onmaterialistisch’:
hij pleit voor kunst op de lagere school, omdat die volgens hem nodig is voor
de harmonische ontwikkeling waarop alle kinderen - ook arbeiderskinderen, die
meestal alleen lager onderwijs volgden! - recht hebben.
De laatste vertegenwoordiger van deze benadering is de remonstrantse
predikant
C.E. Hooykaas (1878-1933), die in 1911 een
lezing hield over kinderlectuur. Hij constateert dat sinds het Gids-artikel van
Nellie van Kol iedere schrijver en iedere
pedagoog een theorie heeft over kinderboeken, en iedere dominee of onderwijzer
een boekenlijst of een index. Vermoedelijk hebben zijn toehoorders (mensen uit
het zondagsschool- en clubhuiswerk) veel sympathie voor de christelijke of
humanitaire stroming. Maar hij wil het nu eens opnemen voor de ‘gezellige,
eenvoudige, dichterlijke | | | | kinderlectuur’, en waarschuwen tegen de
neiging om kinderen ‘verédelende’ boeken te geven, die hen ‘vromer, braver,
gevoeliger, menschlievender en verstandiger zullen maken’. Zelf heeft hij als
kind genóten van Andersens ‘De Sneeuwkoningin’. Niet om de strekking, die hij
niet begreep en die je ook niet aan kinderen moet gaan uitleggen, maar om de
poëzie. Meer is ook niet nodig: ‘Het kinderboek brenge poëzie, schoonheid voor
de geest. Dat is ál.’ (Hooykaas 1911: 157).
De verleiding is groot om kinderen iets te gaan leren, zegt hij, maar
tendens leidt altijd tot maakwerk. Als voorbeeld daarvan noemt hij onder meer
Nellies ‘Vogeltjesverdriet’: een heel aardig versje, ‘u zult er wil van hebben,
als u 't voordraagt aan 't eind van een zondagschooluur over “eerbied voor alle
schepsels”’. Maar hij vindt het geen kinderlectuur: als kinderen voor hun
plezier lezen, moet je ze iets moois geven en er geen lesje aan vastknopen
(Hooykaas 1911: 171).
Niemand zal het opnemen voor ‘prikkellectuur’, maar tegenwoordig zijn er
volgens hem te veel mensen die vinden dat kinderboeken leerzaam moeten zijn of
een moraal moeten hebben. Door die goede bedoelingen worden veel kinderboeken
bedorven. Als boeken die daar niet aan lijden, noemt hij Robinson
Crusoe en Gullivers reizen, Dik Trom en het werk van
Marryat en Twain (Tom Sawyer en Huckleberry
Finn).
Bij de publikatie van Hooykaas' lezing in De Vrouw
merkt
Ida Heijermans in een naschrift op dat er geen
goede kinderboeken mogelijk zijn zónder strekking. Het is volgens haar juist de
strekking die kinderen aantrekt in boeken vol kostelijke humor als Tijl Uilenspiegel en Baron von Münchhausen.
Hier doet zich hetzelfde misverstand voor als in Dasbergs commentaar op
Gerhard. Het begrip ‘tendens’ kan men op twee manieren gebruiken: voor de
opzettelijke boodschap die een auteur verkondigt, en voor de (vrijwel)
onvermijdelijke strekking van het verhaal. Net als
Gerhard wijst
Hooykaas het eerste af. Uit zijn opmerking
over ‘De Sneeuwkoningin’ blijkt dat hij tegen het tweede geen enkel bezwaar
heeft, als men de strekking maar niet gaat uitleggen. | | | |
Kunst en stuiverromans Net als
Stamperius heeft
J.W. Gerhard (1910) zijn mening gegeven over
colportagelectuur. Hoewel ook hij het verschijnsel veroordeelt, hebben zijn
bezwaren een ander karakter. Zijn kritiek is niet dat deze lectuur ‘de
hartstochten prikkelt’, maar dat ze niet aan esthetische eisen voldoet. Hij
zoekt de oplossing dan ook niet in censuur, maar (opnieuw) in de verbetering
van het onderwijs.
In navolging van zijn Duitse collega's duidt Gerhard deze lectuur aan
als ‘Schund’, afval. Alle gedrukte teksten zonder literaire waarde rekent hij
tot de Schund-literatuur. Het ergste zijn volgens hem de kranten, die dagelijks
vol staan met ‘wat elk beschaafd mensch in sensatie-romans zoo verderflijk
acht’, in geuren en kleuren. In het Nederlands wordt Schund wel aangeduid als
‘prikkelliteratuur’. Die term vindt Gerhard onjuist. Iedereen heeft zo nu en
dan de behoefte even te ontsnappen aan de eentonigheid of de zorgen van het
dagelijks bestaan. Die behoefte aan afwisseling, aan prikkeling van andere
zintuigen kan op allerlei manieren bevredigd worden: met tabak, alcohol,
theater, concert, lectuur. En dan vooral lectuur die ons verplaatst in een
wereld die heel anders is dan de wereld die we kennen: ‘Het vreemde, het
ongewone, trekt niet alleen het kind aan, maar ook den volwassene.’ (Gerhard
1910: 35).
Dát is de oorzaak van ‘prikkelliteratuur’, die op zichzelf niet ongezond
is. Het lezen van Dumas, ter ontspanning, doet ons esthetisch gevoel heus geen
kwaad. Wat sommige ‘prikkelliteratuur’ tot Schund maakt, is de onwaarheid, de
leugenachtigheid van de voorgestelde personen en handelingen. In Nick Carter bijvoorbeeld: ‘Men weet niet, waarover men zich meer
verbazen moet: over de menschen die in zulken onzin genoegen kunnen vinden, of
over den schrijver, die zooveel idiote akeligheden vermag uit te denken. Ik
geloof eigenlijk niet, dat de schrijver één oogenblik denkt bij zijn werk.’
(Gerhard 1910: 37).
Het succes van deze lectuur is volgens hem alleen te verklaren ‘door de
algemeenheid van het volksonderwijs’. Bovendien zouden we ons meer moeten
inspannen voor de verspreiding van goede, betaalbare lectuur, zoals dat in
Duitsland gebeurt. Maar de hoofdzaak is toch: beter onderwijs, niet alleen op
het verstandelijke gericht, en uitbreiding van de ‘vervolglessen’ voor de
werkende jeugd. | | | |
Daarmee is de cirkel gesloten. Als beter onderwijs - dat de kinderen
opleidt tot ‘genietende’ mensen - de smaak voor goede boeken ontwikkelt, maakt
slechte lectuur uiteraard minder kans.
Ook
Theo Thijssen heeft over colportagelectuur
geschreven, zij het niet in een beschouwing maar in zijn kinderboek
Jongensdagen (1909). Hij laat de
hoofdpersonen enkele middagen lang genieten van een stuiverroman in
afleveringen,
De Parijse straatjongen. Het begint
allemaal als Henk en Ko hun vriend Ay komen halen om naar het zwembad te gaan.
‘“Och, jóng, schei uit en laat me lezen,” zei Ay zuchtend. “Het is nóu zoo
mooi... Ik ben net, dat-ie opgehangen is en dat ze nou met gloeiende bouten
vlak bij z'n voeten zitten om 'em te pijnigen...”’ (Thijssen 1909: 133).
Al gauw hebben Henk en Ko ook een aflevering te pakken. Ze zijn volledig
in de ban van het verhaal, tot ze van Ays broer horen dat de laatste aflevering
zoek is. En hij is nergens meer te krijgen ook. Cor weet het nog van vroeger,
het is hem ook overkomen een paar jaar geleden. Hij laat de jongens in grote
verslagenheid achter: ‘Zin om verder te lezen hadden ze geen van drieën meer.
Als ze tóch nooit zouden hooren, hoe het afgeloopen was! “Heb je niet wat
anders te lezen,” vroeg Henk. Ay haalde onverschillig de schouders op, en
antwoordde niet eens. “Wat anders?” bromde Ko vol minachting, “wat anders?
Ajakkes!”’ (Thijssen 1909: 141).
Uiteraard geeft Thijssen, die zijn personages van binnenuit beschrijft,
hier hún kunstopvatting weer. Maar het is duidelijk dat hij in De
Parijse straatjongen geen enkel gevaar ziet: anders zou hij deze
beschrijving niet in een kinderboek opnemen. Net als bij zijn geliefde
indianenboeken identificeert hij zich kennelijk meer met de jongens dan met
bezorgde volwassenen.
Vanuit het kind bekeken We hebben gezien hoe
K. Andriesse zich in 1899 als eerste in deze
periode distantieerde van de neiging tot moraliseren, en de nadruk legde op de
eisen die kinderen zelf aan hun boeken stellen. Beide elementen komen we ook
tegen bij
Jan Ligthart en - in verschillende gradaties -
bij degenen die het boek in de eerste plaats als kunstwerk beschouwen. Maar bij
geen van deze vier zijn de eisen van kinderen het voornaamste uitgangspunt,
zoals het dat voor Andriesse was. | | | |
In 1908 sluit de Haagse onderwijzer
P.L. van Eck Jr. (1876-1956), de latere
onderdirecteur van het Nederlands Schoolmuseum in
Amsterdam, zich bij hem aan. Hij wil een
historisch-kritisch overzicht van de kinderpoëzie geven en vindt dat hij
daarvoor zou moeten weten wat kinderen van de versjes van
Van Alphen en anderen vonden. Maar daarvan is
niets bekend: uit de vele herdrukken kunnen we alleen afleiden dat Van Alphen
succes had bij de volwassenen die zijn bundeltje voor hun kinderen kochten. Aan
de andere kant komt de kritiek op Van Alphen ook alleen van volwassenen, al
hebben zij tegenwoordig een belangrijk hulpmiddel in de
ontwikkelingspsychologie.
11 Ter illustratie citeert
hij ‘Het tederhartige kind’:
Zou ik niet mijn moeder eeren,
Ach wat doetze niet voor mij?
Wat mij nut is, mag ik leeren;
Ben ik vrolijk, zij is blij.
Zo is een kind niet, zegt hij: een kind houdt geen bespiegelingen over
de liefde voor zijn moeder; het slaat zijn armen om haar hals, geeft haar een
zoen en speelt weer verder. En toch, hij weet nog precies hoe hij dit versje
gezongen heeft, als jongetje van vijf of zes. Hij was een gewoon levenslustig
kind, maar dit versje ontroerde hem. Zou de dichter dan toch niet de juiste
toon hebben getroffen, ‘ondanks 't feit dat wij, grote en verstandige mensen
van 'n eew later, vinden dat 't niet deugt?’ (Van Eck 1908: 5).
Zijn eisen voor goede kinderpoëzie ontleent hij aan De Genestet, maar op
één punt wijkt hij van hem af.
De Genestet wil het godsdienstig element in de
kinderpoëzie behouden. Van Eck vindt dat niet des kinds. Hij is het met De
Genestet eens dat je tegen kinderen op zo'n manier over God moet spreken dat de
gedachte ze niet verbaasd in de rondte doet staren, ‘maar ingang vindt en
werkt, en zich ontwikkelt in hun ziele’. Maar dat lijkt hem nu juist
onmogelijk. Daarom concludeert hij: ‘De onderwerpen: God en godsdienst, hoe
kinderlik ook ingekleed, zijn geen kinderkost.’ (Van Eck 1908: 9).
In 1912 neemt
Cornelis Veth (1880-1962) het op voor de
boeken | | | | die
Stamperius twee jaar daarvoor veroordeeld had.
Veth, die nu nog bekend is als karikaturist,
was daarnaast onder meer toneelcriticus en auteur van een groot aantal
parodieën (bijvoorbeeld acht deeltjes Prikkel-idyllen). Van
zijn talent in die richting is in zijn beschouwing over jongensboeken wel iets
terug te vinden.
‘Wij beleven een tijd van ontwakend verantwoordelijkheidsgevoel,’
constateert hij. Nog niet zo lang geleden liet een schrijver van kinderboeken
of een bewerker van boeken voor de jeugd ‘zijn fantasie, zijn humor vrij spel,
en dacht misschien iets te weinig aan de konsekwenties. Zooals men er nu heusch
wel wat te veel aan denkt.’ Voor een pedagoog die het kwaad in de wereld wil
bestrijden, is in jongensboeken veel verderfelijks te vinden. Wat hebben we
vroeger niet allemaal gelezen? Verhalen vol leugens, geweld, ongehoorzaamheid,
dronkenschap. ‘Het is geen wonder, dames en heeren, dat wij werden, die wij
zijn! Bloeddorstig, wraakgierig, leugenachtig, drankzuchtig, tuchteloos,
eerbiedloos... Zoo is het immers?’ (Veth 1912: 10).
Ach nee, zegt hij, al die jonge lezers groeien op tot oppassende,
misschien zelfs wat saaie grote mensen. Want volwassenen die ‘met den bril
[hunner] zedelijke kritiek gewapend’ nog eens in hun oude boeken neuzen,
vergeten dat de meeste kinderen niets leren uit hun lectuur, geen goed en geen
kwaad. Het is de stemming van die boeken waar het kind ‘een abstract genot’ uit
put. Het lezen is voor hem een spel, hij neemt de dingen niet zo letterlijk.
Hij denkt niet aan de pijn van dat scalperen, en het lezen daarover maakt hem
ook niet slechter: ‘Hij is zóó grof, zóó hard. En dat is -
niet heel erg.’ Al die gruwelen zijn immers maar abstracties, herhaalt hij. De
jonge lezer is een kunstminnaar: ‘Hij leest niet om te leeren. Hij leest om
niet te leeren.’ (Veth 1912: 11).
Het is niet zijn bedoeling de slechte namaak te verdedigen, de
fantasieloze prullen die uit niets dan gruwelen en onzin bestaan. Hij neemt het
op voor boeken die een eigen karakter hebben. Wat ons aantrekt, is ‘de stemming
van ongewoonheid, de lokale kleur, de geest in die boeken’. Maar ze hebben vaak
nog een andere waarde. In Robinson Crusoe komt een leegloper
in een situatie waarin hij moet leren werken om in leven te blijven. Ook de
veelgesmade boeken van Aimard zijn ‘niet gansch onstichtelijk’: de liefde voor
de natuur, voor vreemde volkeren en voor de vrijheid | | | | weegt
ruimschoots op tegen ‘het beetje bloeddorst’ en de vele onzin (Veth 1912:
19).
Het werk van Verne ontlokt hem een ware lofrede, vooral vanwege de
karakteruitbeelding en de humor: ‘kwezelachtige vandalen’ moeten daar met hun
handen vanaf blijven. En hij bekent dat hij als jongen ook wel hield van
Sherlock Holmes, de échte wel te verstaan, niet de
stuiverboekjes. Hij besluit: ‘Wat meer gemoedelijkheid, dames en heeren. Leven
en laten leven. Gunt een jongen zijn echte jongensboeken, zijn bluf, zijn
overmoed, zijn spanning, zijn lach, en steekt uw eigen wijze neuzen niet dieper
in zijn zaken, dan noodig is.’ (Veth 1912: 76).
Veths benadering ‘vanuit het kind’ heeft dus niets te maken met de
pedagogiek ‘vom Kinde aus’, die kinderen juist wilde afschermen van de
gruwelijke realiteit, en die vooral opgang maakte na de publikatie van
De eeuw van het kind (Barnets århundrade,
1900) door Ellen Key.
12 In zijn blijspel Bonzo
en de eeuw van het kind (1930) stak hij opnieuw de draak met het idee dat
kinderen zouden moeten opgroeien in een kunstmatig ‘gelukkig’ wereldje. Zijn
eigen standpunt wordt waarschijnlijk het beste samengevat in de woorden van
De Genestet die hij door een van zijn
personages laat citeren: ‘Het leven alleen is de school van het leven.’
De derde vertegenwoordiger van deze benadering, de schrijver
A.C.C. de Vletter (1866-1935), zette zijn
opvattingen over kinderliteratuur uiteen in zijn artikeltje ‘Pipper’ (1912).
Pipper - de held van een jongensboek dat hij datzelfde jaar publiceerde - staat
model voor de manier waarop jongens van tien à twaalf lezen. Van jongensboeken
moeten zij volgens hem niets hebben; die vinden ze maar flauw. Ze lezen liever
De roos van Dekama en
Arsène Lupin. Alle beschrijvingen,
ontboezemingen, preken en slepende dialogen slaan ze over: ze lezen alleen de
passages waar actie in zit, pakkende dialogen en beschrijvingen die zijn
weggewerkt in een dramatische of lachwekkende handeling.
Hij vertelt dat hij vijftien jaar geleden vreselijk zijn best deed voor
de schoolbibliotheek. Er waren uitmuntende boeken en elke zaterdag was het een
strijd wie het eerst mocht kiezen. Maar de kinderen bleken die boeken te lenen
voor hun ouders of hun oudere broers en zusters. Zelf hadden ze hun eigen,
geheime biblio- | | | | theek: colportageromans van één cent per aflevering,
detectives en een enkele Verne.
Hij wil boeken schrijven die kinderen wél graag lezen: afwisselende,
avontuurlijke verhalen in eenvoudige taal. Of volwassenen zijn boeken mooi
vinden, raakt hem niet, zegt hij. Maar van goedkope effecten moet hij niets
hebben: hij schrijft geen prikkellectuur. Integendeel, als hij iets leerzaams
in zijn boeken kan verwerken, zal hij het niet laten.
Twee, drie of vier benaderingen? Hoeveel benaderingen
moeten we onderscheiden in de opvattingen die tot nu toe aan de orde kwamen?
Die vraag heeft slechts een betrekkelijke waarde. Elke indeling is in laatste
instantie niet meer dan een hulpmiddel om vat te krijgen op de veelheid van
verschijnselen. Door aan bepaalde aspecten meer of minder betekenis toe te
kennen, kan men het aantal benaderingen uitbreiden of beperken (en bijvoorbeeld
de esthetische benadering al dan niet onderverdelen in een literaire benadering
en een benadering vanuit het kind). Dit is echter alleen zinvol, als er een
werkelijke tegenstelling bestaat tussen de betreffende benaderingen.
Die zie ik slechts tussen degenen die het kinderboek als een middel in
de opvoeding beschouwen - waarbij ik Ligthart nog even buiten beschouwing laat
- en degenen die het een esthetische functie toekennen. De vertegenwoordigers
van beide benaderingen blijken dit zelf ook als een tegenstelling te ervaren en
zetten zich herhaaldelijk tegen elkaar af. Het felst is
Thijssen, die de neiging tot moraliseren als
grofheid bestempelt; ook
Gerhard en
Hooykaas maken er bezwaar tegen. En zowel
Thijssen als
Veth zet zich af tegen de angst voor
‘gevaarlijke lectuur’. Heijermans bestrijdt op haar beurt Gerhard en Hooykaas
als die pleiten voor schoonheid en tegen tendens.
Weliswaar vermelden opvoeders soms dat een boek goed geschreven is, en
beroepen zij zich wel eens op het oordeel van kinderen, maar zij doen dit pas
als de strekking aanvaardbaar is gebleken. Bij de vertegenwoordigers van de
esthetische benadering is het net andersom.
Andriesse geeft toe dat kinderboeken aan
enkele pedagogische eisen moeten voldoen, maar hij vindt dat ze in de eerste
plaats boeiend moeten zijn. En als De Vletter kinderen | | | | iets kan
leren, zal hij het niet laten, maar hij wil allereerst boeken schrijven die zij
graag lezen.
Alleen
Gerhard komt dicht bij de vertegenwoordigers
van de pedagogische benadering met zijn opvatting dat een kinderboek in
ethische en esthetische zin opbouwend moet zijn. Maar omdat hij in de eerste
plaats kúnstpedagoog is, deel ik hem in bij de esthetische benadering. Voor
zover hij aan kinderliteratuur een pedagogische functie toekent, onderscheidt
hij zich van de (andere) opvoeders door zijn opvatting dat alleen echte kunst
die functie kan vervullen. Niet alleen wijst hij elke opzettelijke moraal af -
hij ontkent dat die enig effect heeft.
Gerhard toont ook een grotere bezorgdheid voor ‘gevaarlijke’ lectuur dan
de andere vertegenwoordigers van de esthetische benadering. Afgezien van hem
bestaat er geen tegenstelling tussen degenen die verlangen dat een kinderboek
een kunstwerk is, en degenen die uitgaan van het kind. Als
Cornelis Veth het opneemt voor het plezier dat
een jongen aan zijn boeken beleeft, blijkt het te gaan om kunst; en als
Hooykaas poëzie verlangt, is het leesgenot van
kinderen zijn belangrijkste motief.
De moeilijkste vraag is waar
Jan Ligthart ingedeeld moet worden. Hoewel hij
zich aandient als pedagoog, bestaat er een duidelijke tegenstelling tussen hem
en de andere opvoeders. Het lijkt zelfs mogelijk in zijn pedagogische
uitgangspunt in ‘Over het kantje’ niet meer dan een stijlmiddel te zien, en hem
tot dezelfde benadering te rekenen als Cornelis Veth: beiden willen zij
kinderen niet verbieden waar ze zelf van genoten hebben. Maar al kent Ligthart
aan kinderliteratuur óók een esthetische functie toe, hij is wel degelijk
pedagoog. Terwijl Veth elke invloed van avonturen-boeken ontkent, gaat Ligthart
ervan uit dat ‘anarchistische’ jongensboeken en indianenromans een weldadig
effect hebben. Wat hem van de andere opvoeders onderscheidt, is zijn keuze voor
het leven boven de leer en zijn afwijkende opvoedingsideaal, waarbij hij op
saillante punten afwijkt van de gangbare moraal. Hij is dus een pedagoog met
een andere levensbeschouwing en een andere pedagogische methode. Zowel het een
als het ander brengt hem met de andere opvoeders in conflict.
Wat de invloed is geweest van beide benaderingen, zal uit de | | | | beoordelingen moeten blijken. Maar een vermoeden kan ik hier wel
uitspreken. Weliswaar is de getalsverhouding tussen de opvoeders en de
vertegenwoordigers van de esthetische benadering ongeveer in evenwicht, maar
bij de eerste gaat het om publikaties van grotere omvang, die soms ook voor een
groter publiek bestemd waren: vijf brochures en een lang artikel in
De Gids, dat al gauw in boekvorm herdrukt werd. Bovendien
vertegenwoordigen sommige opvoeders een organisatie (het NOG, de Kinderbond),
terwijl de anderen geheel op eigen kracht opereren.
De beschouwingen van Ligthart en degenen die aan kinderliteratuur een
esthetische functie toekennen, zijn vrijwel vergeten. Bij
Daalder (1950) zijn ze niet te vinden,
Riemens-Reurslag (1949) en meer recente overzichten van de opvattingen rond de
eeuwwisseling (Dasberg 1981, Van den Hoven 1981) vermelden alleen
J.W. Gerhard.
Beoordelingen In totaal heb ik twaalf tijdschriften
onderzocht die niet exclusief voor lezers van een bepaalde levensbeschouwing
bestemd waren, plus vier kranten en een weekblad. Van de tijdschriften
publiceerden er zes regelmatig recensies van kinderboeken.
13 De recensies in Het Kind, van
Nienke van Hichtum en H.C. Gunning-de Vries,
komen verderop aan de orde (blz. 97 en 112-113); de andere recensies in deze
zes tijdschriften zijn reeds behandeld. Zes andere tijdschriften bevatten geen
recensies, of zo weinig dat er geen conclusie aan verbonden kan worden.
14
Opmerkelijk is dat de recensies in De Gids tot 1906
verschenen in de rubriek ‘Letterkundige geschiedenis en literaire kritiek’ en
de laatste in 1910 in ‘Onderwijs en opvoeding’. Nadat kinderboeken sinds de
oprichting van De Gids tot de literatuur waren gerekend,
werden ze nu kennelijk als een middel in de opvoeding beschouwd. Dit wordt
bevestigd door een ander gegeven: in de negentiende eeuw hebben
Potgieter,
Busken Huet,
De Genestet en
Beets zich met kinderliteratuur beziggehouden,
maar van de achttien figuren die tot nu toe in dit hoofdstuk aan de orde
kwamen, speelden er slechts drie een bescheiden rol in de officiële literatuur
(
Nellie van Kol,
Theo Thijssen en
Cornelis Veth); twaalf van de achttien waren
onderwijzer. | | | |
Van de vier kranten heb ik het laatste kwartaal van de jaargangen 1899,
1909, 1919 en 1929 onderzocht; van het weekblad de hele jaargangen. Zowel het
aantal als het karakter van de beoordelingen wisselt per krant en per jaargang,
zoals blijkt uit tabel 1 (blz. 91). De getallen zijn niet meer dan een
indicatie van de aandacht die aan kinderboeken wordt besteed: ook de lengte van
de stukken en het aantal besproken boeken variëren.
Opvallend is dat in 1899 meer aandacht wordt besteed aan kinderboeken
dan in de jaren daarna. Dit kan verband houden met de recente discussie over
het onderwerp, maar het is niet zo dat kranten daardoor voor het eerst
kinderboeken gingen bespreken. Bij wijze van steekproef heb ik ook het
Algemeen Handelsblad van 1889 onderzocht, dat zes stukken
over kinderboeken bleek te bevatten (zowel aankondigingen als recensies). Wel
wordt in 1899 een paar keer ingehaakt op de discussie. In de NRC van 1 december 1899 wordt vastgesteld dat ook
kinderliteratuur thans ‘een quastie’ is, waarbij wordt verwezen naar Nellies
artikel in De Gids en de beoordelingen van het NOG. En een
recensent in het Algemeen Handelsblad merkt op: ‘Er is, het
loopt zachtjes aan tegen St. Nicolaas, al weer een aantal kinderboeken
verschenen. Er zijn ongeschikte en zeer geschikte; en nu tegenwoordig, volkomen
te recht trouwens, op de lectuur die onzen kinderen wordt voorgezet, zoo
bijzonder nauwkeurig wordt toegezien, achten wij het noodig precies onze
meening over elk boek te zeggen.’ (Algemeen Handelsblad, 21
oktober 1899).
In twaalf van de twintig onderzochte jaargangen (c.q. kwartalen)
beperken de kranten zich echter tot aankondigingen, waaraan soms een vaag
oordeel is toegevoegd: ‘frisch’, ‘opgewekt geschreven’ (‘en het boek is niet
duur ook’). Men lijkt geen andere bedoeling te hebben dan de lezers op
geschikte sinterklaascadeautjes te attenderen (van de achtennegentig stukken
zijn er maar acht na 5 december verschenen!). Om na te gaan welke opvattingen
de meeste invloed hebben gehad, zijn we dus op de resterende acht jaargangen
aangewezen.
Pedagogische argumenten zijn te vinden in het Algemeen
Handelsblad van 1899 en 1909, De Amsterdammer van 1
oktober 1899 en de NRC van 1929. In het Handelsblad van 1899 wordt driemaal een avonturenboek afgekeurd.
Over Avonturen aan gene zijde van
| | | |
Tabel 1 Beoordelingen in vier dagbladen en een
weekblad
| |
1899 |
1909 |
1919 |
1929 |
| Algemeen Handelsblad |
9+ |
10+ |
6- |
5- |
| De (Groene) Amsterdammer |
7+ |
1+ |
2- |
3± |
| Nieuwe Rotterdamsche Courant |
2± |
8- |
6± |
12± |
| Het Nieuws van den Dag |
3- |
5- |
5- |
0 |
| Het Vaderland |
11- |
1- |
0 |
2- |
De getallen geven het aantal stukken over kinderboeken aan; in één stuk
kan meer dan één boek aangekondigd of besproken worden.
+ duidt op recensies, met een oordeel en
argumenten
- duidt op aankondigingen, met een typering van het boek of
een samenvatting van het verhaal en soms een oordeel (zonder
argumenten)
± voornamelijk aankondigingen, maar ook een enkele
recensie
| | | |
de Evenaar van Kurt von Albrecht heet het
bijvoorbeeld: ‘Dit boek kan hoogstens vechtlust opwekken bij een jongen. Wij
willen hiermee niet zeggen, dat een romannetje, dat kinderen voor hun pleizier
lezen, per se tot een of andere deugd moet opwekken, maar tot
een ondeugd aansporen mag het toch zeker niet.’ (Algemeen
Handelsblad, 21 oktober 1899).
In De Amsterdammer van 1 oktober 1899 maakt
M. Wibaut-Berdenis van Berlekom bezwaar tegen
hetzelfde genre. Maar ook op meisjesboeken wordt zorgvuldig toegezien. Zo wordt
't Pension van tante Saar van
Augusta van Slooten in het Algemeen
Handelsblad van 26 oktober 1909 afgekeurd, omdat artistiek werk daarin
lichtvaardig wordt voorgesteld: alsof iedereen die een beetje kan tekenen, een
toekomst heeft als schilder of tekenaar. Dat is niet op zijn plaats in een
meisjesboek, vindt de anonieme recensent. In enkele andere recensies vond ik
eveneens pedagogische argumenten.
Daar staan twee recensies tegenover waarin strenge pedagogische eisen
worden bestreden. In De Amsterdammer van 21 mei 1899
constateert de recensent van
Een levenslustig troepje van
E. de Pressensé dat we kennelijk worden
teruggedreven naar de didactische benadering: naast veel dat kinderlijk en
aardig is, bevat dit boek streng-religieuze passages die ‘wel eens afbreuk
zouden kunnen doen aan het doel dat zich schrijfster en vertaalster [Nellie van
Kol] zeker beiden hebben voorgesteld: kinderen in de goede richting te leiden,
met den glimlach van onschuldigen humor op de lippen’.
En
Jeanne Reyneke van Stuwe prijst De reis om de wereld in 40 dagen, of de zoon van Phileas Fogg van
Jan Feith tien jaar later, omdat hier nu eens
geen ‘wijze, welwetende paedagoog’ neerbuigend tegen kinderen praat. Feith
vertelt alleen een verhaal, hij vertelt ‘het werkelijke leven na’. ‘Niets
anders doet hij, maar dat is alles, wat noodig is. De jongens wenschen niet
onderricht, bepreekt, terecht gewezen te worden, zij willen zich ontspannen,
zij willen genieten. En genieten zullen zij van De reis om de
wereld in 40 dagen; het is een der aardigste jongensboeken, die ik ooit
heb gelezen.’ (De Amsterdammer, 24 januari 1909).
Zij identificeert zich dus met de lezers. Een ander voorbeeld daarvan
vond ik in Het Nieuws van den Dag van 14 november 1919, waar
De slavenjagers van den Nijl van Karl May wordt aanbevolen
| | | | als ‘een zeer gewild St. Nicolaasgeschenk voor jonge zoons en
neven’.
Literaire argumenten zijn zeldzaam. Zo nu en dan worden er wel
aanmerkingen gemaakt op de stijl, maar dit is nooit een reden om een boek af te
keuren. Alleen een anonieme recensent in het Algemeen
Handelsblad van 28 november 1909 vraagt zich af of men moet blijven
meewerken aan de verspreiding van de ‘stijl- en karakterlooze boekjes’ die
massaal verschijnen. Een overwegend literaire argumentatie vond ik ook in een
recensie van
De H.B.S.-tijd van Joop ter
Heul van
Cissy van Marxveldt, die in de NRC wordt
geprezen omdat zij op het ‘afgemaaide terrein’ van het meisjes-boek iets
oorspronkelijks weet te brengen, ‘doordat ze beter keek of zuiverder voelde -
eerlijker zijn dorst dan velen wien het meer om een verhaal dan om het leven te
doen is’ (NRC, 3 december 1919).
Een duidelijke conclusie valt uit de beoordelingen in dag- en weekbladen
niet te trekken. Pedagogische argumenten komen iets meer voor dan die waarbij
aan kinderboeken een esthetische functie wordt toegekend, maar het verschil is
niet doorslaggevend. Belangrijker is dat er vrijwel alleen boeken worden
áfgekeurd op grond van pedagogische overwegingen. Daaruit zou men kunnen
afleiden dat de opvattingen van de traditionele opvoeders in deze periode de
meeste invloed hebben gehad. De getallen zijn echter te klein om er een
conclusie aan te verbinden; daarvoor zijn meer gegevens nodig. Ik kom daar aan
het eind van dit hoofdstuk op terug.
| |
Opvattingen en beoordelingen vanuit een politiek of
religieus standpunt
Socialisten Van de figuren die tot nu toe aan de orde
kwamen, waren er niet minder dan vier socialist, al sloot
Ida Heijermans zich nooit officieel aan bij de
SDAP en Thijssen pas ‘in 1909 of kort daarna, “toen de Verelendungstheorie uit
het program verwijderd werd”’ (Schouten 1976:48). Maar
Nellie van Kol en
J.W. Gerhard waren socialisten van het eerste
uur. Bij allebei is van die keuze wel iets terug te vinden in hun
beschouwingen, maar voor geen van beiden is dit hét uitgangspunt voor hun
opvattingen over kinderliteratuur: bij Nellie zijn de politieke ideeën ingepast
in haar reli- | | | | gieuze denken, terwijl Gerhard de esthetische vorming
van de jeugd vooropstelt.
De vijfde is de schrijfster
Nienke van Hichtum (pseudoniem van
Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer, 1860-1939),
net als
Nellie van Kol getrouwd met een van de
oprichters van de SDAP en zelf overtuigd socialiste. Hoewel zij haar
maatschappijvisie nooit verbergt, besteedt zij ook ruime aandacht aan andere
aspecten. Dat blijkt al meteen in haar artikel ‘Kinderlitteratuur’, dat zij in
1901 onder haar eigen naam in De Nieuwe Tijd publiceerde.
Zij constateert dat de sociaal-democratische beweging al vroeg het
belang van kinderboeken heeft ingezien, en citeert met instemming haar Duitse
partijgenoot Kautsky, die in 1893 een beschouwing aan het onderwerp wijdde. Een
partij die de toekomst heeft, moet volgens hem veel aandacht besteden aan de
jeugd. Naast het onderwijs beschouwt hij vooral de kinderliteratuur als een
middel dat daarbij in aanmerking komt, al haast hij zich om te zeggen dat hij
geen propaganda nastreeft: we moeten kinderen niet lastig vallen met abstracte
theorieën, maar door aanschouwelijke mededelingen hun kennis vergroten en door
het voorbeeld invloed uitoefenen op hun karakter. Niet dat men het karakter van
een kind naar willekeur kan vormen: het karakter van elk individu wordt bepaald
door zijn aanleg en door de omgeving waarin hij opgroeit. Maar tot die omgeving
behoren ook de toestanden en personen die we in onze boeken aantreffen. Het
sociale milieu is ongetwijfeld belangrijker, maar boeken zijn ook van betekenis
en ze hebben het voordeel dat ze gemakkelijker te veranderen zijn - al kan men
een goede kinderliteratuur ook niet zo maar uit zijn mouw schudden.
Sjoukje Troelstra tekent hierbij aan dat de Duitse partijgenoten het
laatste duidelijk ondervonden hebben. In de afgelopen jaren zijn wel pogingen
ondernomen om boekjes te schrijven voor kinderen van partijgenoten, maar die
blinken vooral uit door goede bedoelingen. De meeste schrijvers missen het
talent om boeiend te vertellen, in een taal die de kinderen begrijpen.
Bovendien zijn hun boekjes door en door ernstig en ontbreekt ieder vleugje
humor. En die hebben kinderen nu juist zo nodig.
In eenvoudige taal en met een beetje humor kan men hun een hele dosis
wetenschap toedienen, al is er niets op tegen als kinderboeken alleen enkele
ogenblikken van waar genot verschaffen. | | | | ‘Echte poëzie (zooals men
die b.v. in Andersens sprookjes vindt), schaterende humor, voor de kleineren
zelfs dolle, prettig klinkende onzin - wie zou zijn kinderen deze dingen willen
onthouden! Dit alles is als de heerlijke, gouden zonneschijn dien immers ieder
noodig heeft. Wij grooten kunnen er niet buiten en voor de kleinen is ze nog
veel meer een levensbehoefte dan voor ons. Maar voedsel geve
men ze daarnevens, zoowel geestelijk als moreel.’ (Troelstra 1901a: 223). Zij vindt echter dat de moraal verborgen moet zijn in
het verhaal en niet aan de oppervlakte drijven. Het gaat er niet om dat
kinderen haar napraten, maar dat ze haar onbewust aanvoelen.
Zo blijft haar maatschappijvisie ondergeschikt aan literaire eisen, ook
als zij voor haar partijgenoten schrijft. In een artikel dat ze vrijwel
tegelijkertijd publiceerde in Die Neue Zeit, het orgaan van
de Duitse sociaal-democraten, legt ze iets meer nadruk op socialistische eisen.
Zij citeert de kritiek van Kautsky op avonturenboeken die overlopen van ruwheid
en vechtlust, en die kinderen een heel verkeerd beeld geven van vreemde
volkeren: ‘Vielleicht nirgends hat die Kolonialpolitik grössere Verheerungen
angerichtet, als in den Köpfen unserer Kinder.’ (Troelstra 1901b: 717). Zij zegt dat dergelijke boeken voor haar de aanleiding
waren om verhalen te schrijven die een serieus beeld geven van andere volken.
Daarvan zijn er nu vier verschenen, onder pseudoniem, ‘denn der “gefährliche”
Name meines Gatten sollte lieber Anfangs nicht genannt werden’. Helaas had de
partij niet de middelen om deze boekjes uit te geven; ze moesten bij een
‘burgerlijke’ uitgever verschijnen, waardoor de prijs voor de meeste
arbeiderskinderen te hoog is.
Zij vertelt dat de Nederlandse kinderliteratuur ingrijpend begint te
veranderen. Zij is benieuwd hoe het er in andere landen voor staat. De goede
kinderliteratuur is internationaal, betoogt zij. We zouden daarom over en weer
het goede moeten uitwisselen dat in elk land verschijnt. Zo'n internationale
kinderliteratuur zou het onderlinge begrip tussen de volkeren bevorderen en
door de grotere oplagen zouden de boeken betaalbaar blijven. Als de partij de
boeken zou uitgeven, zouden de schrijvers zich zelfs helemaal aan de
sociaal-democratische jeugd kunnen wijden. Maar, citeert zij opnieuw Kautsky,
socialistische kinderliteratuur moet geen pro- | | | | paganda bedrijven,
maar karaktervormend werken. Zij moet alles bevorderen wat in de huidige
maatschappij in de verdrukking komt: weetgierigheid, trouw aan de eigen
overtuiging, het verlangen om verdrukten en zwakkeren te helpen,
onbaatzuchtigheid tegenover kameraden, maar ook zelfbewustheid tegenover
tegenstanders en tegenover de baas, afkeer van onderdrukking en gemeenheid, en
minachting voor vleierij en slaafsheid.
Dit pleidooi heeft kennelijk niets opgeleverd. In een volgend artikel in
Die Neue Zeit (1903) stelt zij vast dat zo nu en dan wel de
wenselijkheid van een sociaal-democratische kinderliteratuur wordt
uitgesproken, maar dat er verder niets gebeurt: de boeken blijven uit. En zij
heeft tot haar verontrusting vastgesteld dat zelfs de kinderen van Duitse
partijgenoten colportageromans lezen. Daarover citeert zij Heinrich Wolgast:
kinderen worden door deze lectuur weliswaar niet dommer of slechter, behalve
bij een bijzondere samenloop van omstandigheden, maar hun smaak wordt er wel
door bedorven.
In een Nederlands artikel over ‘prikkelliteratuur’ (1909) toont zij een
grotere bezorgdheid. Op grond van Duitse bronnen verklaart zij dat verkeerde
lectuur maar al te vaak aanleiding is geweest tot misdaden. Overigens tekent
zij hierbij aan dat dit alleen voorkomt ‘op den bodem van een oorspronkelijk
misdadigen aanleg’: ‘Een goed geaard kind zal door deze lectuur niet tot moord
en diefstal worden verleid. Wel echter zal het zich inleven in de wereld der
prikkellitteratuur, het fijnste zieleleven zal maar al te licht afstompen en
verharden, en grovere zedelijke opvattingen zullen bij hem ontstaan.’ (Van
Hichtum 1909a: 139).
Als het beste middel om het kwaad te bestrijden, ziet zij het
verspreiden van goede boeken, het ontwikkelen van de smaak voor betere lectuur.
Toch is daarvan volgens haar weinig te verwachten zolang de maatschappelijke
verhoudingen niet veranderen: als sociaal-democrate is zij van mening dat ook
hier de kapitalistische inrichting van de maatschappij de voornaamste oorzaak
van alle ellende is.
In een vervolg op dit artikel houdt zij een lofrede op Robinson Crusoe, dat zijn waarde niet ontleent aan de handeling
of het karakter van de personages, maar aan de getrouwe karakterontleding. Om
duidelijk te maken wat dit met prikkelliteratuur te | | | | maken heeft,
citeert zij Heinrich Wolgast: ‘Wanneer men den Robinson
slechts eenmaal doorvliegt, kan dit evenzeer het onartistieke stofbegeeren
prikkelen als de eerste de beste Indianenhistorie. Dit zal trouwens alleen
plaats kunnen vinden bij reeds door veel lezen bedorven lezers: het is echter
gewis, dat in de lectuur van dit boek een zeker gevaar schuilt, dat slechts
vermeden wordt door er zich lang en intens in te verdiepen.’ (Van Hichtum
1909b: 192; Wolgast 1896: 39).
In haar beschouwingen is
Nienke van Hichtum dus een synthese-figuur,
die elementen van verschillende benaderingen in zich verenigt. Voor haar
beoordelingen geldt hetzelfde. Een duidelijk socialistisch uitgangspunt vinden
we in een recensie in De Vrouw (8: 151-152), waarin zij
bezwaar maakt tegen twee boeken van Bertha Clement, die volgens haar wel goed
geschreven zijn, maar van een verouderde levensbeschouwing getuigen. De
schrijfster staat nog helemaal op het bekrompen standpunt van liefdadigheid en
stelt het bovendien voor alsof met één concert van een paar jongelui een heel
dorp van noodlijdende wevers te helpen zou zijn.
Vanaf 1902 verzorgde zij een eigen rubriek in Het
Kind: ‘Welke boeken zullen we met Sint-Nicolaas aan onze kinderen geven?’
Zoals de titel al suggereert, beperkt zij zich vaak tot aankondigingen, maar
zij geeft ook langere recensies. Een van de eerste is gewijd aan twee boeken
van
Kieviet,
Wilde Bob en
Dik Trom, die zij omschrijft als prettige,
frisse boeken voor ouders die niet bang zijn hun kinderen over ondeugende
jongensstreken te laten lezen. ‘Mijn eigen ondeugend, elfjarigen zoontje las ze
voor, en dat met een animo en een entrain, die wél bewezen, hoe goed de Heer
Kieviet het jonge goedje heeft bestudeerd.’ Zij heeft niet gemerkt dat hij er
ondeugender van geworden is. ‘Wél echter heeft de nobele geest, die ook aan
deze boeken van Kieviet ten grondslag ligt, op dergelijke woelwaters bepaald
een goeden invloed.’ (Het Kind, 3: 186).
Haar aanbeveling is dus gebaseerd op pedagogische argumenten én op de
ervaring van een kind. Een literaire beoordeling van
De zoon van Dik Trom levert zeven jaar
later een minder positief oordeel op. Het is een echt gezellig boek, zegt ze,
en Kieviets humor is onweerstaanbaar. ‘Maar - hij schrijft te
gemakkelijk, dat | | | | is jammer! Bij elk boek van hem dat je
kritisch leest, krijg je het gevoel: Hè, wat had hij, met zijn groot talent, daar nog oneindig veel meer van
kunnen maken. [...] Er had veel overtolligs kunnen worden weggelaten, en veel
dingen hadden beter en serieuser uitgewerkt kunnen worden.’ (Het
Kind, 10: 172).
Nog wat kritischer is zij over
Paddeltje van
Joh. H. Been. Het boek is vlot geschreven, vindt
ze, en het zal er zeker ingaan. Maar bij Been lijken de personages te veel op
elkaar, ze praten ook te veel op dezelfde manier. Paddeltje en de andere
figuren ‘zijn wel aardige, prettige typen, en de schrijver heeft ze met
voorliefde geteekend, maar of 't echt menschen zijn, en nog
wel menschen uit dien tijd, dat valt soms te betwijfelen’ (Het
Kind, 10: 177). Zij rekent Paddeltje daarom niet tot de
allerbeste boeken en zet het niet op haar ‘lijst van aanbevelenswaardige
kinderboeken’.
Een andere socialiste die over kinderliteratuur schreef, was
Mathilde Wibaut-Berdenis van Berlekom
(1862-1952). Zij had in 1903 in
Middelburg een radicale vrouwenvereniging
opgericht, Samen Sterk, die onder meer een kinderbibliotheekje beheerde. In
1904 verhuisden de Wibauts naar
Amsterdam, waar zij een jaar later de eerste
Sociaal-democratische Vrouwenclub oprichtte.
Een belangrijk ideaal in de socialistische beweging was de verheffing
van de arbeidersklasse. ‘Voor de moeders der arbeiders-kinderen’ schreef
Mathilde Wibaut haar brochure
Het boek en het volkskind (1906). Zij
wijst erop dat kinderen nog andere behoeften hebben dan eten en drinken: zij
moeten kunnen spelen en hun fantasie ontwikkelen. Deze behoeften worden helaas
maar al te vaak miskend: ‘Men laat de kinderen honger lijden naar den geest,
zoowel als naar het lichaam!’ (Wibaut 1906: 7).
Op sommige punten is haar boekje een uitwerking van gedachten die
Nellie van Kol al had genoteerd, bijvoorbeeld
in de kritiek op de ‘burgerlijke moraal’ waarvan de meeste huiselijke verhalen
doortrokken zijn. Voor arbeiderskinderen is die ten enenmale ongeschikt, vooral
waar het de verhouding tussen armen en rijken betreft. Veel van deze verhalen
laten zien dat geld niet gelukkig maakt.
‘Het arme kind wordt in het kinderverhaal dan ook altijd aan het rijke
kind voorgehouden als een toonbeeld van tevredenheid. Het | | | | is zelfs
tevreden als het met een gebroken been den heelen dag alleen op een
zolderkamertje ligt, terwijl zijn moeder, een flinke zindelijke schoonmaakster,
uit werken is, zooals beschreven wordt in een pas uitgekomen boekje.
Rijke kinderen zijn gewoonlijk maar ontevreê. Een rijk meisje moest in
zoo'n verhaaltje eens zoeken naar de “leliën der tevredenheid”. En zij vond ze
niet in de huizen der rijken, maar hoe armoediger de hutjes waren, die ze
binnen trad, hoe mooier de leliën der tevredenheid bloeiden. En blinde arme
kinderen, o die zijn zoo buitensporig tevreê. Die breien maar altijd door en
zetten de rijke kinderen, die zich met al hun speelgoed nog vervelen,
beschaamd. Soms ruilen ze wel eens van plaats, de rijke en de arme kinderen.
Dan verlangt echter het rijke kind gauw terug naar de weelde, het arme kind
naar zijn verloren tevredenheid.’ (Wibaut 1906: 21-22).
Armoede wordt dus voorgesteld als het hoogste waarnaar men kan streven,
zegt ze, hoewel we om ons heen precies het tegenovergestelde kunnen zien. Deze
verhalen stellen de maatschappij als volmaakt voor, ‘terwijl de kinderen zelve
dagelijks het onvolmaakte er van ondervinden’. Haar grootste bezwaar tegen deze
onoprechte verhalen is dat ze ‘een verkeerde nederigheid’ aankweken bij arme
kinderen in plaats van het gevoel van eigenwaarde dat ze nodig hebben.
Zij vindt het overigens niet nodig om alle boeken te weren die niet
precies de juiste denkbeelden verkondigen. Dan zou men haast geen gewone
huiselijke verhalen overhouden en die lezen kinderen juist zo graag. Als ze
goed geschreven zijn, bevatten ze volgens haar nooit zo'n onoprechte moraal:
‘Alle boeken die met talent geschreven zijn, ook al gaan ze niet uit van het
tegenwoordige arbeidersstandpunt, kan men gerust aan het volkskind geven.’
(Wibaut 1906: 28).
Minder tolerant staat zij tegenover historische verhalen, die
vaderlandsliefde willen opwekken en dat meestal doen op valse gronden: ‘wij’
zijn in die boeken altijd superieur aan andere volkeren. Ook van vorstelijke
personen geven ze meestal een vals beeld. In het tijdschrift Jeugd wordt onze koningin voorgesteld als de Koningin van de
Vrede. ‘Toch kan het kind dagelijks in de krant beschrijvingen lezen van de
oorlogen, die wij in Indië voeren.’ (Wibaut 1906: 30). | | | |
Net als
Nellie van Kol vindt zij dat het onderscheid
tussen jongens- en meisjesboeken moet verdwijnen: het steunt op het denkbeeld
dat alles wat ruw en woest is, vooral geschikt is voor jongens; en wat flauw en
kinderachtig is, voor meisjes. Een dwaze onderscheiding! ‘Als een boek mooi is,
dan is het goed voor onze jongens, zoowel als voor onze meisjes. Daarentegen
zijn ruwe of flauwe boeken evenmin goed voor een jongen als voor een meisje.’
(Wibaut 1906: 36). Grote jongens en meisjes kunnen volgens haar het beste
boeken lezen die eigenlijk voor volwassenen geschreven zijn, bijvoorbeeld van
Dickens of
Bosboom-Toussaint.
In 1928 stelde Mathilde Wibaut met de Haagse bibliothecaresse Saskia
Lobo een gidsje samen van kinderboeken die zij voor socialisten aanvaardbaar
achtten. In de inleiding leggen ze nog eens uit dat het hun niet te doen is om
politieke propaganda, maar om ‘boeken die in de sfeer van de jeugd passen en
bij voorkeur die, welke tot echte “literatuur voor de jeugd” gerekend kunnen
worden’ (Wibaut & Lobo 1928: 6).
Nog altijd blijken kinderboeken vrijwel uitsluitend burgerlijke
opvattingen te weerspiegelen. Er is weinig dat aansluit bij socialistische
idealen als gemeenschapszin, afkeer van oorlog en verheffing van de arbeid. Ook
de rol van meisjes is niet veranderd; van een streven naar zelfstandigheid is
niets te merken, het huwelijk blijft het doel van de opvoeding. Het enige
nieuwe verschijnsel is negatief: boeken als Van krantenjongen tot
millionair, die een nieuw kapitalistisch verlangen als ideaal voorhouden
aan de jeugd.
Hoewel
Mathilde Wibaut zich meer beperkt tot
socialistische punten dan
Nienke van Hichtum, besteedt zij eveneens
aandacht aan literaire aspecten en aan de beleving van het kind, en is zij
weinig dogmatisch. Een andere benadering vinden we bij
J. Stoop-Snouck Hurgronje (1871-1953) in haar
brochure
Brieven over kinderlectuur (1920), een
fictieve briefwisseling tussen een moeder en haar dochter. De laatste wil een
bibliotheekje oprichten en vraagt haar moeder om raad bij de keuze van de
boeken. Beiden hanteren vrijwel uitsluitend politiek-morele en pedagogische
argumenten.
Terwijl
Nienke van Hichtum in 1909 alleen kritiek had
op de karaktertekening in
Paddeltje van
Joh. H. Been, keurt mevrouw | | | | Stoop
dit boek zeer beslist af om het ‘eng begrensde vaderlandsbegrip’ dat eruit
spreekt: een bekwaam man als Been had volgens haar moeten beseffen dat Michiel
de Ruyter eigenlijk een zeerover was. ‘Het is gewoon weg propagandalectuur voor
de Nederlandsche marine,’ concludeert ze, ‘propagandalectuur voor lang
vervlogen vaderlandsche idealen’ (Stoop-Snouck Hurgronje 1920: 26).
Zij maakt ook bezwaar tegen de ‘groffe dronkemansgrappen’ in het werk
van
Kieviet en
Van Abkoude en tegen het feit dat veel
jongensboeken in een welgesteld milieu spelen, waardoor de lezers zich ten
slotte ‘geen gelukkig en vroolijk leven meer kunnen voorstellen dan met een
auto, of op een badplaats in groote hotels’. Zij vindt zelfs dat Kieviet maar
niet meer moet schrijven tot hij ‘zijn parvenu-achtig denken en voelen’
overwonnen heeft (Stoop-Snouck Hurgronje 1920: 39).
Ook
School-idyllen van
Top Naeff kan volgens haar niet door de beugel.
Zij vindt het een ‘wreed, bijtend en spottend’ boek, onder meer vanwege de
episode waarin een meisje denkt dat een officier op háár verliefd is, terwijl
hij in werkelijkheid voor haar zusje komt. ‘Het is een knap, vlot gedurfd
geschreven boek over doodgewone alledaagsche kleinburgerlijke jonge-dochters,’
besluit ze, ‘maar daarom toch niet een boek voor jonge meisjes.’ (Stoop-Snouck
Hurgronje 1920: 45).
Inhoudelijk komen haar argumenten voor een deel overeen met die van
Mathilde Wibaut. Het grote verschil is dat mevrouw Stoop zich veel krasser
uitdrukt en dat iedere relativering ontbreekt.
Beoordelingen van kinderboeken heb ik in socialistische bladen
nauwelijks aangetroffen. In tien jaargangen van De Proletarische
Vrouw vond ik vier maal een lijst van betáálbare kinderboeken, pas na 1920
trof ik enkele beoordelingen aan. Ze zijn echter zo kort dat er geen enkele
conclusie aan verbonden kan worden.
In het laatste kwartaal van Het Volk van 1900, 1909,
1919 en 1929 vond ik alleen in 1900 (de eerste jaargang van deze krant) twee
stukjes over kinderboeken, van Sj(oukje) Tr(oelstra.) Op 10 december 1900
kondigt ze drie boekjes aan die door partijgenoten voor een lagere prijs
aangeschaft kunnen worden, waaronder De
| | | |
geschiedenis van den kleinen Eskimo Kudlago door
Nienke van Hichtum.
Dat uitgevers toen ook al opkwamen voor een vaste boekenprijs, blijkt
uit een ingezonden brief van
S.L. van Looy, drie dagen later. Hij deelt mee
dat de boekjes door hem niet in prijs zijn verlaagd, en dat hij geen enkele
boekverkoper aanleiding heeft gegeven om ze tegen een gereduceerde prijs te
verkopen. Daar is ook geen reden toe, zegt hij, want de boekjes zijn beslist
niet te duur.
Protestanten Hoewel bij de orthodox-protestanten
gedeeltelijk dezelfde vragen aan de orde komen als bij de socialisten, vindt de
discussie bij hen plaats in een geheel andere situatie. Een aparte
socialistische kinderliteratuur heeft in Nederland nooit bestaan.
Nienke van Hichtum en
Mathilde Wibaut hebben daar ook geen behoefte
aan: zij maken wel bezwaar tegen boeken die volledig in strijd zijn met de
socialistische idealen, maar vinden het niet nodig dat ieder boek precies de
juiste denkbeelden bevat.
De protestanten hadden daarentegen al sinds het midden van de
negentiende eeuw hun eigen kinderboeken. Mede door het gebruik de leerlingen
van zondagsscholen bij de kerstviering een boekje te geven, ontstond een
afzonderlijk genre van stichtelijke kinderlectuur: de kerst- of
zondagsschoolboekjes. Daarnaast waren er kinderboeken die wel een christelijke
geest ademden, maar niet zo nadrukkelijk een boodschap verkondigden (al is de
grens tussen beide genres tamelijk vaag). Hierdoor was de discussie over
kinderliteratuur complexer dan bij de socialisten. Zij spitste zich toe op twee
punten: Moeten christelijke kinderboeken ook aan literaire eisen voldoen of kan
men volstaan met een beoordeling van de strekking? En moet men wel specifiek
christelijke kinderboeken verlangen of kan men aanvaarden wat niet
anti-christelijk is? Door velen werden de zondagsschoolboekjes gehekeld om hun
oppervlakkigheid. Voor sommigen was dit een reden om een opzettelijke tendens
af te wijzen, anderen pleitten voor een degelijker uitwerking van de
christelijke boodschap.
Het laatste standpunt vinden we onder meer bij J. Smelik (1829-1898),
hoofd van een christelijke lagere school in Den Haag, in zijn artikel
‘Schoolbibliotheken’ in Paedagogische Bijdragen van 1876 (dus
negen jaar voor de lezing van Stamperius). Hij consta- | | | | teert dat
schoolbibliotheken de laatste jaren opgang maken als middel om ‘den lust tot
onderzoek en verbreiding van nuttige kennis onder de schooljeugd te
bevorderen’. Onderwijzers van bijzondere scholen hebben daarbij volgens hem het
voordeel dat ze niet gebonden zijn aan het voorschrift van de openbare school
om alles na te laten wat andersdenkenden zou kunnen kwetsen: zij hoeven zich
dus niet te beperken tot de uitbreiding van de kennis, maar kunnen ook ‘de
vorming van het hart’ nastreven (Smelik 1876: 26; bij ‘hart’ zullen we ditmaal
niet in de eerste plaats moeten denken aan de zetel van het zedelijk gevoel,
maar aan de zetel van het geloof). Hij betwijfelt echter of op christelijke
scholen al veel gebruik wordt gemaakt van dit uitnemende middel.
Wat betreft de eisen waaraan de boeken moeten voldoen, citeert hij met
instemming het program van het maandblad De Vrije Kerk, dat
zich afzet tegen ‘christelijke romannetjes’ in het algemeen en ‘bonte
bekeeringsgeschiedenissen’ in het bijzonder, en aandringt op degelijker kennis
en ‘schriftuurlijke bevinding’. Maar, voegt hij daaraan toe, een kind moet nog
met ‘melk’ en niet met ‘vaste spijzen’ gevoed worden: op een leeftijd dat men
nog geen abstract denken mag verwachten, moeten boeiend vertelde verhalen,
ontleend aan de bijbelse, vaderlandse, algemene of kerkelijke geschiedenis, een
belangrijke plaats innemen. De meeste schrijvers leggen zich echter toe op
verzonnen verhalen, waardoor een zekere oppervlakkigheid wordt bevorderd, die
van ernstige studie afkerig maakt. Het is volgens hem niet eenvoudig om het
degelijke met het aangename te verenigen, maar onmogelijk is het niet.
Smelik publiceerde ook enkele recensies van kinderboeken in Paedagogische Bijdragen, maar een systematische beoordeling van
kinderliteratuur komt in de door mij onderzochte christelijke onderwijsbladen
pas na 1900 op gang. Een georganiseerde beoordeling van zondagsschoolboekjes
ontstond al iets eerder. De maatstaven die daarbij soms werden gehanteerd,
werden in 1901 gekritiseerd door de secretaris van het Christelijk Letterkundig
Verbond, W. van Nes (1849-1918), in een lezing over ‘Ontspanningslectuur voor
jongelieden’.
Hij verlangt van die lectuur dat ze het christendom niet onder- | | | | mijnt, maar verzet zich tegen de ‘opzettelijke aankweeking van
Christelijke meeningen’. Zeer af te keuren vindt hij de ‘exclusieve dogmatische
eischen’ van sommige kerkelijke groeperingen, zoals de Gereformeerde
Zondagsschool Vereeniging Jachin. Haar werk noemt hij ‘als werk prijzenswaard’,
maar de manier waarop het gebeurt heeft zijn ‘volmaakte antipathie’ (Van Nes
1901: 530).
Namens Jachin antwoordt dominee J.P. Tazelaar (1862-1936), de redacteur
van Jachins Boekbeoordeeling, waarin ieder jaar de boekjes
voor de zondagsschool werden beoordeeld. Nu werden gereformeerde zondagsscholen
ook wel door sommige gereformeerde kinderen bezocht, maar Jachin stond op het
standpunt dat de zondagsschool in de eerste plaats een evangelisatie-instituut
hoorde te zijn. Dat kinderboeken het christendom niet ondermijnen, vindt
Tazelaar dan ook niet voldoende: hij verlangt dat ze opbouwend zijn. Jachin
heeft dat in een circulaire aan de uitgevers zo omschreven: ‘Het Hoofdbestuur
zag gaarne, dat door de Uitgevers, bij het aannemen van kopy, ernstig gelet
wierd op de degelijkheid der boekjes, vooral wat betreft het Christelijk
gehalte. Dringend verzoekt het, toch geene werkjes uit te geven, waarin een
algemeene-verzoeningsgeest heerscht, of van het borgtochtelijk lijden van
Christus niet wordt gesproken.’ (Tazelaar 1902: 358).
Kinderlectuur moet de christelijke beginselen - dat is iets anders dan
méningen, zegt Tazelaar - duidelijk laten uitkomen. Dat hoeft niet steeds een
preekje te worden, liever niet zelfs, maar: ‘O.i. mogen in de lectuur voor de
jeugd betuigingen aangaande de noodzakelijkheid der wedergeboorte, de
onmisbaarheid van geloof en bekeering, de verlossing door het bloed en de
heiliging door den Geest van Christus niet ontbreken. Menig boekje zou
degelijker zijn, en aan kracht en ernst winnen, als, waar het pas geeft, de
nadruk gelegd werd op het verbond der genade, den Heiligen Doop en het werk des
Heiligen Geestes in het hart van den zondaar.’ (Tazelaar 1902: 359).
Boekjes waarin slechts sprake is van een bekering van de zonde tot de
deugd, keurt Jachin af. Volgens Tazelaar is dit geen dogmatisme of
exclusivisme, maar ‘trouw aan onze beginselen’.
In zijn repliek legt Van Nes nog eens uit, dat zijn antipathie tegen de
beoordelingen van Jachin vooral werd veroorzaakt door | | | | de
exclusieve dogmatische eisen die Jachin hanteert. Hij vindt dat je onderscheid
moet maken tussen christelijke beginselen en gereformeerde meningen daarover.
Hij respecteert die meningen volledig, maar verlangt dat men ook zijn mening
respecteert. Dit betekent dat Jachin geen kinderboeken mag afkeuren omdat ze
niet specifiek gereformeerd zijn. Of heeft Jachin alleen gereformeerde kinderen
op het oog? Dan komt de zaak iets anders te liggen, maar ook dan vindt hij een
dergelijk exclusivisme verkeerd. ‘Zijn er wel gereformeerde kinderen?’ vraagt
hij zich af. ‘Ik geloof het niet - er zijn kinderen van gereformeerde ouders.’
(Van Nes 1902: 479). Hij begrijpt wel dat die ouders graag willen dat hun
kinderen ook gereformeerd worden. Als zij hun dan maar de kans geven om
gereformeerd te worden: de ouders moeten hun kinderen niet gereformeerd willen
máken!
Kort daarna doet de schrijfster
J.L.F. de Liefde (1875-1960) een poging de
tegenstelling te verzoenen. Aan de lectuur van kinderen uit een christelijk
gezin kan men als ruimste eis stellen dat ze het christendom niet ondermijnen,
zegt zij, maar zondagsschoolboekjes moeten evangelieprediking zijn: daaraan
ontlenen ze tenslotte hun recht van bestaan. Zij maakt echter bezwaar tegen
preken, die het verhaal onderbreken, tegen kanseltaal en theologische
discussies in kinderboeken.
Zondagsschoolboekjes werden door Jachin al sinds 1885 op hun waarde als
evangelisatiemiddel onderzocht. Jaarlijks publiceerde deze vereniging de
Boekbeoordeeling van kinderlectuur voor de zondagsschool door de
commissiën van ‘Jachin’: de eerste drie jaar in het weekblad De Bazuin, vanaf 1888 als zelfstandige uitgave óf in het
novembernummer van De Zondagsschool.
De beoordelingen in De Bazuin zijn zeer beknopt en
geven slechts een aanwijzing van de eisen die men stelt. Zo worden in 1886
enkele boekjes afgekeurd omdat de kerstboom - en niet de kerstboodschap - ‘de
hoofdrol speelt’. Van een ander boekje heet het: ‘De eenige aanmerking die te
maken is, zou zijn, dat het minder sierlijke Heer in plaats van Heere gedrukt
staat.’ (De Bazuin, 34, nr. 50: 3).
De jaargangen 1888 tot 1921 heb ik niet kunnen vinden. Een groot gemis
is dat niet, want in de jaren daarna worden regelmatig | | | | recensies
uit de vorige jaargangen herdrukt. Jachin richtte zich geheel op de selectie
van boekjes voor de jaarlijkse kerstuitdeling op de zondagsscholen: als een
boekje herdrukt werd, moest het opnieuw worden aanbevolen of afgekeurd; en
omdat de normen niet veranderden, kon men volstaan met een herhaling van de
oude recensie.
Dat de normen in 1928 nog even strikt waren als in Tazelaars beschouwing
van 1901, blijkt bijvoorbeeld uit de beoordeling van
Een kerel van
D. van der Spiegel: ‘Het godsdienstig gehalte
achten we zeer zwak. De kentering bij Henri is geen ware verootmoediging; een
“kerel” te mogen zijn is zijn hoogste ideaal. En bij Henk is wel sprake van
schuldbelijdenis en gebed om kracht, maar het boekje spreekt er niet van, dat
er alleen verzoening is door des Middelaars bloed: den eenigen Naam, onder den
Hemel gegeven om zalig te worden, vinden we nergens genoemd. Wat het zwaarste
is, moet het zwaarst wegen. Zulke gebreken zijn voor ons zóó overwegend, dat
wij het boek voor onze Zondagsscholen niet kunnen aanbevelen.’ (De
Zondagsschool, 26, nr. 11: 7).
Het spreekt bijna vanzelf dat literaire maatstaven ondergeschikt zijn
aan de evangelisatiewaarde. Oorspronkelijkheid is evenmin een vereiste, al
heeft men wel oog voor de gebreken van het genre. Zo luidt het slot van de
beoordeling van Twee buurjongens van Marijo: ’'t Gewone
thema, we zouden haast zeggen: 't Zondagsschoolboekjesthema: dieverij van een
kleinigheid - plagend geweten - ernstige ziekte, die tot nadenken brengt -
berouw en vergeving. Maar 't is toch wel het gebeuren in de kinderwereld en
daarom in een kinderboek niet misplaatst. Duidelijk komt uit dat stelen zonde
is en dat God die zonde ziet en bezoekt. Ook leeft de kracht van het gebed in
't boekje. Aanbevolen.’ (De Zondagsschool, 26, nr. 11:
11).
Jachin was niet de enige instantie die zondagsschoolboekjes beoordeelde.
Andere zondagsschoolverenigingen hadden hun eigen boekbeoordeling. De discussie
tussen Van Nes en Tazelaar is de reden dat ik als voorbeeld juist de
beoordelingen van Jachin onderzocht heb. Ook in de christelijke onderwijsbladen
werden deze boekjes besproken. Daar worden ze echter niet beoordeeld als
evangelisatiemiddel, maar als lectuur voor kinderen uit een christelijk gezin,
om de tegenstelling van J.L.F. de Liefde over te nemen. | | | |
De eerste die, na Smelik, in een christelijk onderwijsblad een
beschouwing over kinderliteratuur publiceerde, was A. Kloosterman (1864-1947),
een onderwijzer uit Dinteloord, die van 1903 tot 1911 De School
met den Bijbel redigeerde en in die jaren regelmatig kinderboeken besprak.
In de eerste jaargang zette hij zijn opvattingen uiteen. Hoewel hij hem nergens
noemt, is hij duidelijk geïnspireerd door De Genestet.
De kern van zijn betoog is dat de meeste kinderboeken niet kinderlijk
genoeg zijn: ‘In onze kinderlectuur komt nog maar al te veel voor wat geen
kinderkost is, op- en aanmerkingen van godsdienstigen aard zonder tal, die den
gang van het verhaal storen en den lezer ontstemmen. Wanneer er
een moraal moet opgelegd worden door preekjes en teksten deugt het kinderboek
niet.‘ (Kloosterman 1904: 168).
Kinderlectuur heeft volgens hem een tweeledig doel: de kinderen moeten
aangenaam beziggehouden worden en tegelijk nog iets kunnen leren. Maar dat moet
steeds gebeuren in een vorm die des kinds is. Om onderhoudend te kunnen
schrijven, moet een schrijver de kinderen kennen: hij moet kunnen denken zoals
kinderen denken, hij moet kunnen spelen en fantaseren als een kind en hij moet
vooral de taal van de kinderen kennen en daarbij aansluiten in zijn
taalgebruik. Ook in dat opzicht vindt Kloosterman de meeste kinderboeken niet
kinderlijk genoeg.
Wat het leren betreft, moeten we niet denken aan leren in de schoolse
betekenis, zoals
Stamperius dat verlangt. Kloosterman beoogt
met kinderliteratuur geen uitbreiding van de kennis, hij wil dat kinderen
inzicht krijgen in de wereld om hen heen: ‘Het kinderboek moet dienen om het
kind de juiste verhouding te leeren in zijn wereld. Dan moet
er klimming in zijn, zoodat het ten slotte er uit leert de verhoudingen in
de wereld. En dat moet geen opzettelijk onderwijs zijn, geen
kinderpreekjes moet het bevatten. Die verhoudingen moeten gezien worden in het
verhaal.’ (Kloosterman 1904: 223).
Helaas missen veel schrijvers de tact en het inzicht die hiervoor nodig
zijn, zegt hij. Ze zijn maar al te nadrukkelijk aanwezig, terwijl een echte
kinderschrijver op de achtergrond blijft. Het is net als met lange
beschrijvingen, die het verhaal onderbreken: een goede verteller verwerkt alle
gegevens in het verhaal. Op dezelfde | | | | manier hoort ook de moraal
in het verhaal zelf verwerkt te zijn.
Zijn beoordelingen leidt
Kloosterman vaak in met een fragment uit zijn
beschouwing van 1904. Kennelijk wil hij niet volstaan met het aanwijzen van
geschikte boeken. Uit de beoordelingen zelf blijkt regelmatig dat hij meer
verlangt dan een goede strekking. Tussen eenendertig kerstboekjes herkent hij
er één als iets bijzonders: ‘En vooral zeer mooi in “kinderstijl” is Van de
Hulst's Van een klein meisje en een groote klok.’ (De School met den Bijbel, 7: 49).
Maar Ouwe Bram van dezelfde schrijver is volgens hem
‘een vreeselijk boek, in opgeschroefde taal’. Hij vindt het veel te
sensationeel: ouwe Brams huisje wordt in brand gestoken, waarbij zijn dochter
stikt in de rook; zijn kleindochter wordt door jongens in het water gegooid en
verdrinkt; er is nóg een brandstichting, waarvan ouwe Bram ten onrechte wordt
verdacht; bijna gebeurt er een auto-ongeluk; ouwe Bram redt een jongen uit het
water, de nacht daarop sterft hij. Kloosterman betwijfelt of kinderen na het
lezen van dit boek nog rustig kunnen slapen. ‘En toch heeft Van de Hulst
talent. Hij is stylist, geen alledaagsche zelfs [...] maar de schrijver kleurt
te sterk.’ (De School met den Bijbel, 7: 73).
Slaagt Kloosterman erin christelijke kinderboeken te vinden die aan zijn
eisen voldoen, Fr. Kruyt-Hogerzeil is pessimistischer. In een artikel in
Het Kind verdedigt zij in 1909 het standpunt dat men maar
beter neutrale kinderboeken kan kiezen, die op een veel hoger peil staan.
Christelijke kinderlectuur geeft kinderen volgens haar niet de kans om zelf
iets te ontdekken: men zou met heilige schroom het onuitsprekelijke niet moeten
noemen, maar in christelijke kinderboeken is alles op onmiddellijk resultaat
gericht. Daarbij hanteert men een vast schema: vreselijke zonde, schokkende
gebeurtenis, bekering.
Aan de tendens wordt alle waarachtigheid opgeofferd: ‘De kinderen in de
boekjes worden niet gezien in hun eigenaardig, persoonlijk leven, dat een
voortdurende rijkheid en veelzijdigheid van karakter-ontwikkeling zou geven,
maar elk kind is figurant, bestaat niet om zichzelf, maar om het doel.
Een kind is heftig, driftig, niet omdat dat kind heftig of driftig
is, maar om te laten zien, dat heftigheid en drift een zonde is.’
(Kruyt-Hogerzeil 1909a: 3). Dergelijke tendenslectuur is
maakwerk, zegt ze, buitengewoon opper- | | | | vlakkig en vaak ook
buitengewoon grof in het uitbeelden van ‘zondaars’: het lijkt wel of de
schrijvers hun stof kiezen uit de rubriek ‘Gemengd nieuws’.
In een reactie op dit artikel zegt de redacteur van Het
Kind, de pedagoog J.H.Gunning, dat hij het gedeeltelijk met mevrouw Kruyt
eens is, maar hij vindt haar veel te radicaal in haar afwijzing van
christelijke kinderlectuur: het lijkt wel of zij uit is op l'art pour l'art.
Hij vertelt dat hij zich eens geruime tijd heeft opgehouden in de welvoorziene
bibliotheek van een katholieke school. Hij vond er louter stichtelijke lectuur,
vooral veel heiligenlegenden en martelaarsverhalen. Met veel ervan kon hij zich
als protestant niet verenigen, maar al met al vond hij die bibliotheek toch
‘veel beter en veel gezonder’ dan de bibliotheken die hij in openbare scholen
had aangetroffen.
Kruyt-Hogerzeil (1909b)
licht enkele weken later haar standpunt nog eens toe. Zij verklaart dat zij
niet tegen elke tendens is: in de opvattingen van
Nellie van Kol komt de tendens voort uit het
volle zieleleven, zegt zij, het is er één mee. Tendens in die betekenis is te
vinden in
Afke's tiental:
Nienke van Hichtum heeft echte mensen getekend,
volkomen natuurlijk in hun eigen leven zoals dat is op het Friese platteland.
De lezers voelen dat: ze leven mee en lijden mee met de kinderen in het boek,
want het is realiteit voor ze. Dát ontbreekt volgens haar aan de christelijke
kinderlectuur. Als gunstige uitzondering noemt ze
De jongens van de club van
G. Schrijver.
In 1917 publiceerde
P. Oosterlee (1863-1930), een onderwijzer die
in 1905 directeur was geworden van de christelijke kweekschool ‘De Klokkenberg’
in
Nijmegen, een brochure
Over kinderliteratuur: niet alleen de
laatste maar ook de meest uitvoerige beschouwing van protestantse zijde in deze
periode. Volgens hem zijn er maar weinig mensen die voor kinderen kunnen
schrijven: volwassenen die een kinderlijke toon aan willen slaan, worden al
gauw kinderachtig. ‘En de kinderen willen ernst, veel meer dan groote menschen,
al doen die veel deftiger dan zij. Daarom moet een kinderschrijver ernstig
zijn, echt ernstig, niet met den bastaardernst van namaak-vroomheid, maar met
den blijden ernst van eenen, die in de school des leevens den kinderen gelijk
is geworden.’ (Oosterlee 1917: 4). | | | |
Zoals
Beets opmerkte, vereist het schrijven van een
kinderboek ‘een rijpen geest, een rijk gemoed, beproefde wijsheid, aangeboren
tact en letterkundige begaafdheid’. Maar daarmee is men er niet, zegt
Oosterlee: de schrijver moet het hart van de kinderen kennen om echte, levende
kinderen te kunnen uitbeelden. Een kinderboek moet waar zijn, en echt, wat niet
betekent dat het slechts een kopie, ‘eene photographie’ zou moeten zijn van de
werkelijkheid: de schrijver ‘zij als onze oud-Hollandsche schilders, voor wie
ook het gewoonste lichtdrager was, die ook het meest alledaagsche overspreidden
met eeuwigheidsglans’ (Oosterlee 1917: 5).
Deze verwijzing naar de Hollandse schilderkunst van de zestiende en
zeventiende eeuw om aan te geven welk karakter het realisme in de literatuur
moet hebben, is bepaald niet nieuw. Ze komt al voor bij
Potgieter in zijn ‘Kopijeerlust des
dagelijkschen levens’ (1841); volgens
M.H. Schenkeveld (1981b: 84)
is het dan al ‘een internationaal verbreide topos in dit verband’. Maar
waarschijnlijk is Oosterlee ook geïnspireerd door de opvattingen van
christelijke letterkundigen van zijn tijd.
R.G.K. Kraan vermeldt in zijn studie over
Ons Tijdschrift dat
A.J. Hoogenbirk zich in 1896 afzette tegen het
‘plat-alledaagsche, laag-bij-de-grondsche’ realisme van Tachtig, en dat
G.G. van As in zijn recensies herhaaldelijk
zijn afkeer van het naturalisme liet blijken. In 1909 schreef de laatste
bijvoorbeeld: ‘Het gewone, het dagelijksche, bést... maar verinnigd door een
dieper inzicht dan dat van den gewonen, den doorsneê-lezer, het gewone verheven
op een hooger plan, en voor óns: het gewone in den glans der goddelijke
Heerlijkheid van het Hoogste Leven, dat is het Leven in God.’ (Kraan 1961:
130-131, 170).
Vanuit deze opvattingen zet Oosterlee zich af tegen de ‘onmogelijke
avonturen en afschuwelijke wreedheden’ in de boeken van
J.H. van Balen, Paul d'Ivoi en anderen. Maar
hij moet evenmin iets hebben van hun tegenhangers, die hij typeert met een
versje van Beets:
Op de eerste bladzijde een, die zich voor God niet
buigt
En voor de menschen leeft in allen boozen
handel,
Reeds op de derde een kind, geloovig, overtuigd,
Een voorbeeld op de vierde, in leer zoowel als
wandel.
| | | |
Dergelijke boekjes keurt
Oosterlee af - niet omdat ze een uitgesproken
strekking hebben, en nog minder omdat ze aandringen op vernieuwing des harten
en leven in dienst van de Heer; integendeel, het is zijn overtuiging ‘dat er
aan alles, zelfs aan een kunstwerk, iets ontbreekt, als het godsdienstig
element wordt gemist’ (Oosterlee 1917: 7). Maar deze boekjes zijn zo
onwaarachtig, het is zulk fabriekswerk: als een kinderboek stichtelijk is, wil
dat niet zeggen dat het goed is.
Men kan kinderboeken volgens hem evenmin uitsluitend op hun nut
beoordelen: ‘Er zijn menschen, die meenen, dat het beste voorbehoedmiddel tegen
wat zij afdwalingen der phantasie noemen, in vroegtijdige gewenning bestaat aan
lectuur, die “nuttige kundigheden” doet verwerven. “Reisverhalen,
levensbeschrijvingen en dergelijke geven den kinderen, wat ze gebruiken kunnen,
om in de wereld vooruit te komen.” Zelfs Jules Verne achten ze niet zonder
gevaar! [...] Zeker, een hok met eieren leggende kippen is voordeeliger dan een
kastanjeboom, waarin nachtegalen slaan en houtduiven kirren, maar tegenover
stoffelijke winst staat geestelijk verlies.’ (Oosterlee 1917: 10).
Hiermee neemt hij duidelijk stelling tegen de opvattingen van
Smelik,
Stamperius en
Koenen. En hoewel hij de eisen van
Beets onderschrijft, vindt hij ze niet
voldoende. Zijn eigen eisen zijn vooral door
De Genestet geïnspireerd: dat de schrijver het
hart van de kinderen moet kennen, is ontleend aan
Over kinderpoëzy, de passage over
bastaard-ernst weerspiegelt de lectuur van de Leekedichtjes
(nr. XIV en CV).
Met uitzondering van de recensies van Kloosterman zijn de beoordelingen
in de christelijke onderwijsbladen even summier als die in Het
Nieuwe Schoolblad. Ze lijken ook dezelfde functie te hebben: de
onderwijzers laten weten welke boeken zij zonder bezwaar in de
schoolbibliotheek kunnen zetten. Daartoe worden om te beginnen ieder jaar de
‘feestuitgaven’ van de christelijke uitgevers Bredée en Callenbach besproken:
twintig tot veertig titels in één of twee kolommen. De beoordeling beperkt zich
vaak tot enkele woorden: ‘Een mooi verhaal’ of ‘Ook deze drie kunnen we ten
volle aanbevelen’. Soms komen we iets meer te weten over de gehanteerde normen,
zoals in deze beoordeling in het Christelijk
| | | |
Schoolblad van 1904: ‘Dit laatste verhaal is wel wat sterk
versierd, maar de strekking is alleszins heerlijk. De inkleeding alleen komt
over de perken der waarschijnlijkheid. Overigens is het zeer aandoenlijk en
leerrijk.’ (Christelijk Schoolblad, 11, nr. 46).
Ook als zondagsschoolboekjes worden beoordeeld voor de
schoolbibliotheek, blijkt de strekking voorop te staan. De normen zijn minder
strikt dan bij Jachin, maar toch wordt zo nu en dan een boekje afgekeurd
vanwege bijvoorbeeld ‘de niet gepaste vergelijking der liefde van Jezus met
die, welke hier door een broer betoond wordt’ (Christelijk
Schoolblad, 16, nr. 50). Overigens hoeft niet ieder boek een christelijke
strekking te hebben: zo nu en dan worden ook neutrale boeken aanbevolen.
Natuurlijk mogen ze niets bevatten dat het geloof of de christelijke zeden
ondermijnt. Zo worden regelmatig boeken afgekeurd vanwege het ijdel gebruik van
Gods naam of van woorden als ‘eeuwig’, ‘zalig’, ‘allemachtig’.
15 En in De School met
den Bijbel (27: 89) wordt Doctor Dolittle van Hugh
Lofting afgekeurd omdat het een ergerlijke profanie bevat: de schrijver laat
een prehistorische schildpad optreden, die vertelt over de ark van Noach en de
zondvloed. Zonder die passage zou de recensent het boek graag hebben
aanbevolen, nu moet hij het onvoorwaardelijk afkeuren.
Dat literaire argumenten niet doorslaggevend zijn, blijkt ook uit een
recensie (door H.H.) van W. Schippers'
Vaders jongen.
Schippers levert volgens H. maakwerk, dat
bovendien wel wat al te braaf is: ‘geen boek van literair genot, maar daarvoor
werd het ook niet geschreven. [...] Voor onze opgroeiende jongens en meisjes -
mits ze niet te verwend zijn in lectuur - een wel boeiend en waarschuwend
verhaal. Aanbevolen.’ (De School met den Bijbel, 27:
135).
Voor de recensenten in christelijke onderwijsbladen, met uitzondering
van
Kloosterman, zijn kinderboeken dus allereerst
een middel in de opvoeding. Afgezien van het levensbeschouwelijke aspect
vertonen hun beoordelingen een opvallende overeenkomst met die van
Ida Heijermans en
Nellie van Kol.
In Het Kind werden christelijke kinderboeken besproken
door een schoonzuster van de redacteur,
H.C. Gunning-de Vries (1861-1924). Zij is
tamelijk kritisch, al keurt ze maar zelden een boek met zoveel woorden af. Over
De twee gebroeders, een bekeringsverhaal
| | | | waarvan ze geen auteur vermeldt, zegt ze bijvoorbeeld: ‘Wie deze
bekeerings-lectuur voor kinderen of als middel tot evangelisatie wenscht,
schaffe zich dit boek aan. Voor velen kan het een goede lectuur zijn, al
verveelt ons het thema niet weinig.’ (Het Kind, 10: 138).
Zij probeert meestal nog iets goeds te ontdekken in boeken waartegen ze
bezwaren heeft. En als ze een zondagsschoolboekje echt niet geschikt vindt voor
kinderen, velt ze een Salomonsoordeel: ‘'k Zou zeggen: maar weer voor 't
militair tehuis, want er is ook wel veel goeds in.’ (Het Kind, 10: 153).
Die weg gaan verscheidene boekjes.
Tien jaar later geeft ze in een recensie de volgende verklaring voor
haar mildheid: ‘Tot dusver heb ik in deze boekbespreking niet veel anders
gedaan dan prijzen. Wellicht wekt dit eenige bevreemding of zelfs afkeuring.
Inderdaad ik zou aanmerkingen genoeg kunnen maken, maar ik laat het dezen keer
eenvoudig wegens tijds- en plaatsgebrek. Lezers en uitdeelers hebben er meer
aan, dat ik hen op de beste boekjes wijs, dan dat ik afkeur, die werkjes, welke
zij dan toch zeker niet in de eerste plaats zullen willen leeren kennen.’ (Het Kind, 20: 377).
Daarmee typeert ze niet alleen haar eigen beoordelingen, maar ook die
van veel andere recensenten, die eveneens meer bemiddelaar dan criticus
zijn.
Een heel ander karakter hebben de recensies die
G.G. van As (1876-1927) afwisselend onder
eigen naam en onder zijn pseudoniem
G. Schrijver in Ons
Tijdschrift publiceerde. In een beoordeling van vijfentwintig kerstboekjes
hekelt hij de onnatuurlijkheid en het gebrek aan vakmanschap. Over
Kinderen des Allerhoogsten van
W. van Wilkerdon concludeert hij, na een reeks
van bezwaren: ‘De strekking is uitstekend, maar niet alleen daarop mag worden
gelet.’ (Ons Tijdschrift, 9: 598).
En over
De zwerveling van
J. Keuning schrijft hij in dezelfde recensie, na
enkele stijlbloempjes te hebben aangehaald: ‘Dit is cliché-stijl en verraadt
gebrek aan oorspronkelijkheid, zooals het armoede van taal bewijst, wanneer ik
op pag. 150 lees: “Wij zullen niet trachten, waarde Lezer, u deze ontmoeting te
schetsen tussen vader en dochter. Hebt ge u ooit kunnen voorstellen, wat vader
| | | | Jacob en zijn zoon Jozef gevoelden, toen zij in Egypte elkaar
wederzagen?” Natuurlijk niet, - wie kan dat? Kon de schr[ijver] het, dan had
hij althans kunnen trachten, waarde Lezer, ... enz. Maar daarom deugt ook het
vervolg niet: “Ditzelfde gevoelden Jelis en zijn dochter.” Weten de “waarde
Lezers” 't nu? Ik niet.’ (Ons Tijdschrift, 9: 595).
Anders dan de meeste recensenten beoordeelt hij kinderboeken als
literatuur: ‘kinderlectuur moet innerlijk en uiterlijk supérieur zijn’ (Ons Tijdschrift, 9: 592). Toch, of misschien juist daarom, ging
zijn belangstelling niet zo ver dat hij regelmatig kinderboeken besprak: in de
elf jaar dat hij redacteur van Ons Tijdschrift was
publiceerde hij maar zes recensies van kinderboeken; daarnaast verschenen er in
het blad vier recensies van anderen.
De recensies in het dagblad De Standaard voegen aan
het beeld weinig toe. In het laatste kwartaal van de jaargangen 1899, 1909,
1919 en 1929 vond ik in totaal negen stukjes over kinderboeken, die echter
nauwelijks argumenten bevatten. Op 1 november 1909 worden enkele kerstboekjes
van Bredée aangekondigd, met als enig commentaar: ‘Aan een bespreking wagen we
ons niet.’ Slechts een enkele maal is men minder terughoudend. Zo wordt
Dodo van E. Bergsma op 28 oktober 1919 volstrekt onbruikbaar
genoemd, omdat er een moeder in voorkomt die haar kind vertelt dat iemand
dichter bij God komt, naarmate hij beter, zachter en vriendelijker is. Hoewel
men zich zelden aan een oordeel waagde, kon men dergelijke vrijzinnigheden
kennelijk niet laten passeren.
Katholieken Alle richtingen die tot nu toe aan de orde
kwamen, publiceerden voor 1905 hun eerste beschouwing over kinderliteratuur.
Van katholieke zijde heb ik uit die tijd wel enkele recensies gevonden, maar de
eerste beschouwing dateert van 1920. Er bestond ook nauwelijks katholieke
kinderliteratuur. Als in 1910 in Het Katholieke Schoolblad
(3: 316) gevraagd wordt naar titels van niet te dure boeken voor de
schoolbibliotheek, weet de redactie er maar drie te noemen: Mariaverhalen, verzameld door C.H.M. van Schalkhaar, en
Koning Alcohol en Onze gezondheid van
C.H.M. Diels. Verder wordt gesuggereerd om oude jaargangen van de katholieke
kindertijdschriften De Engelbewaarder en Ons
Weekblaadje in de bibliotheek te zetten. | | | |
Nu wist de redactie misschien niet zo goed wat er te koop was; dat kan
men althans afleiden uit de toevoeging: ‘Catalogi van F.H.J. Bekker en G. Borg,
uitgevers te Amsterdam, zullen ongetwijfeld nog tal van geschikte nummers
bevatten.’ Maar anders had men toch niet veel meer kunnen noemen dan de
stichtelijke lectuur die J.H. Gunning aantrof in de ‘welvoorziene’ bibliotheek
van een katholieke school.
Daalder (1950) weet uit deze tijd tenminste
geen titels van katholieke kinderboeken te noemen en de Rafaël-catalogus bevat in 1925 weliswaar driehonderd titels, maar
ook die behoren voor het merendeel tot de stichtelijke lectuur.
Wat de katholieken misten, was een leestraditie. De jongeren rond het
tijdschrift Van Onzen Tijd (1900-1920) stuitten volgens
G. Knuvelder op het probleem dat het
katholieke volksdeel ‘aan lezen ternauwernood toe was, laat staan aan het lezen
van letterkundige werken’ (Knuvelder 1977: 404). Diezelfde klacht beheerst het
beeld dat
W. van de Pas schetst in De
strijd voor het katholieke boek (1949).
Le Sage ten Broek zegt het in 1832,
Alberdingk Thijm herhaalt het omstreeks 1880
en pater Molkenboer stelt het in 1922 opnieuw vast: de katholieken lezen niet.
Van de Pas zoekt een verklaring in het feit dat vaak meer geijverd werd tégen
slechte, dan voor goede lectuur: ‘Het katholieke publiek is de twintigste eeuw
binnengestapt met een zekere schuwheid voor het papieren gevaar.’ (Van de Pas
1949: 122).
Van Onzen Tijd heeft volgens Van de Pas een nieuwe
periode ingeluid: vooral Maria Viola maakte in haar recensies propaganda voor
goede boeken om het katholieke literaire leven te stimuleren. In 1922 riep
pater Bonaventura Kruitwagen het katholieke publiek op de roomse pers te
steunen; later dat jaar breidde B.H. Molkenboer de actie uit tot het katholieke
boek. De dagbladpers bloeit, stelt hij vast, maar van de katholieke boekhandel
kan dat niet gezegd worden: ‘De R.K. boekhandel is door de Katholieken zélf
vermoord. De Katholieken lezen niet. Daar moet verandering in komen.’ (De
Tijd, 13 juni 1922, geciteerd door Van de Pas 1949: 95). In hetzelfde jaar
publiceerde J.J. Doodkorte zijn brochure Jeugd en lectuur,
die het begin vormde van de actie voor katholieke jeugdlectuur.
Aan die brochure gaat één korte beschouwing vooraf: een artikel
| | | | van Toos Post (1886-1971), bibliothecaresse van de RK Openbare Leeszaal en Bibliotheek in Delft, in De
Katholieke Vrouw van 1920. Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst, zegt
zij, en lectuur is een factor bij de opvoeding die nog te veel veronachtzaamd
wordt: boeken hebben kinderen soms voor het leven bedorven, maar boeken kunnen
ook vormend werken.
Wie zijn grenzen ruim stelt, is tevreden als een boek geen slechte
invloed heeft, maar echt christelijke ouders verlangen dat hun kinderen iets
goeds leren uit hun lectuur. Boeken van neutrale auteurs zijn misschien aardig
geschreven, en er zijn soms heel fijntjes goede zedenlessen doorheen geweven,
‘maar toch laten de verhalen, waarin Gods naam zoo angstvallig vermoffeld
wordt, een leegte in de ziel achter...’ (Post 1920: 194). Zij moet echter
vaststellen dat er een groot gebrek is aan katholieke kinderlectuur.
In 1922 verschijnt dan de brochure
Jeugd en lectuur van
J.J. Doodkorte (1885-1954), een frater van
Utrecht die aanvankelijk onderwijzer was, later leraar geschiedenis aan de
katholieke kweekscholen in Zeist en Hilversum. Eerder dat jaar had hij al een
andere brochure gepubliceerd:
Ouders, houdt uw kinderen af van den
voetbalmatch!
Net als Toos Post is hij van mening dat boeken grote invloed hebben.
Helaas zoekt de jeugd in haar lectuur ‘meestal emotie; vaak tijdverdrijf; soms
kennis; zelden stichting’. Daarom vermaant Mgr. Hopmans in zijn vastenbrief van
1922: ‘Ouders en Oversten, laat uw gezag hier gelden en gewent uw kinderen en
uw onderhoorigen in zake lectuur aan matigheid en zelfbeheersching...’
(Doodkorte 1922: 5).
Het hoofddoel van de lectuur is ‘gemoeds- en karaktervorming, en wel in
positief Roomschen geest’ (Doodkorte 1922: 6). Daarom moet men de jeugd
afhouden van neutrale boeken, ook van de beste. Hij noemt met name Alleen op de wereld, waarin ‘de oude dwaas Vitalis’ dieren laat
denken alsof het mensen zijn, en waarin Rémy weinig kieskeurig is in zijn
lectuur en dat achteraf vergoelijkt. Onze Lieve Heer telt haast niet mee in het
leven van Rémy; als hij het Angelus hoort kleppen, gaat hij erop af: ‘Niet om
troost te zoeken in Jezus' Woning: “Daar was een dorp en zeker ook een
bakker”...!’ (Doodkorte 1922: 10). Dergelijke boeken vervreemden | | | |
het kind volgens hem langzaam maar zeker van het katholieke levensideaal.
Doodkorte geeft toe dat er maar weinig echt roomse kinderboeken zijn;
maar niet het vele is goed, doch het goede is veel, zegt hij: één boek in de
week is genoeg. Sommige kinderen zullen de positieve boeken misschien saai
vinden, maar dat is een kwestie van gewenning en doorzettingsvermogen. Of die
boeken aan literaire maatstaven voldoen, is niet het belangrijkste: ‘Wat onze
opgroeiende jeugd allereerst noodig heeft is niet “kunst”, maar simpele deugd,
maar godsdienstzin.’ (Doodkorte 1922: 16).
Helaas zien veel katholieken dat niet in: ze gaan ervan uit dat kinderen
voor hun plezier lezen, dat boeken spannend moeten zijn. En de recensies in de
roomse bladen zijn volgens Doodkorte vaak te slap. Zelf kan hij niet genoeg
waarschuwen tegen de gevaren die de jeugd bedreigen: van
Prikkebeen, ‘waarin de hoofdpersonen met
't grootste gemak van christen muzelman worden’, tot allerlei
padvindersverhalen, die bij de jeugd het verlangen wekken om te gaan kamperen,
geheel in strijd met het Bisschoppelijk kampeerverbod.
Doodkortes brochure wordt in De Katholieke Vrouw van 2
februari 1923 aanbevolen door M. Emich. Zij vraagt zich af of de ouders het
gevaar van zogenaamde neutrale bibliotheken wel beseffen: er zijn ouders die
hun kinderen naar een katholieke school sturen, en ze alleen lid laten worden
van katholieke clubs, maar die op het punt van de lectuur heel lichtzinnig
zijn. Met Doodkorte pleit zij voor toezicht op de lectuur.
De Katholieke Vrouw van 16 februari 1923 bevat een
reactie van
Christine Vetter (1859-1932), een
hoofdonderwijzeres uit
Zutphen die een groot aantal romans en verhalen
op haar naam had staan en gedichten had gepubliceerd in Van Onzen
Tijd. Zij geeft toe dat ‘Ouders en Overheden’ nooit te voorzichtig kunnen
zijn bij hun toezicht op wat kinderen lezen. Maar zij is er ook van overtuigd
dat voorzichtigheid weinig baat als er geen aardige, boeiende boeken bestaan in
de geest van het katholieke geloof: ‘Iedereen begrijpt, dat ik volstrekt niet
bedoel: preekboeken, zedenverhalen! Daar bedanken de kinderen voor, waarin ze
groot gelijk hebben! Ook niet opzettelijk nuttige verhalen, met bladzijden
lange na- | | | | tuurvolken- of reisbeschrijvingen... deze slaan ze over,
alweer gelijk. Neen, boeken in den trant der zoogenaamde neutrale, maar dan in
Roomschen geest! En... die hebben wij niet! Of: zoogoed als niet!’ (Vetter
1923: 332).
Dat er nauwelijks katholieke kinderboeken waren, blijkt ook uit een
lijst die Doodkorte in 1923 publiceerde in Ons Eigen Blad,
het ‘Tijdschrift voor onderwijsgevende kloosterlingen’. Voor de derde en vierde
klas van de lagere school noemt hij 101 boeken, waarvan er 77 alleen
antiquarisch te krijgen zijn (onder meer 17 boekjes van de negentiende-eeuwse
Duitse kanunnik C. von Schmid). Naar de titels te oordelen is het overwegend
stichtelijke lectuur. Voor de hoogste klassen van de lagere school en de eerste
ULO-klassen beveelt hij 77 titels aan, waarvan er 33 uitverkocht zijn. De meest
genoemde auteur is hier de Amerikaanse priester Francis Finn, die enige faam
genoot om zijn jongensboeken.
16
Doodkorte is overigens niet ontevreden: hij concludeert dat er genoeg
roomse lectuur bestaat om ‘bij 1 boek per week maximaal, alle neutrale boel te
kunnen missen’ (Doodkorte 1923: 396). In de inleiding had hij er al op gewezen
dat bijbelse en kerkelijke geschiedenissen in zijn lijst ontbreken, omdat
daarvan al een overzicht bestaat. Volgens hem is dat nu juist de lectuur die
gepropageerd moet worden, ‘desnoods door tijdelijk den jongen lezer ieder ander
“ontspannings-boek” consequent te onthouden’ (Doodkorte 1923: 390).
Op 25 juni 1924 richtten de zes onderwijsgevende religieuze congregaties
een Keurraad voor Roomsche Jeugdlektuur op, met het devies: ‘Voor het Roomse
kind het Roomse boek’. De normen die deze Keurraad hanteerde, werden in januari
1925 in Ons Eigen Blad gepubliceerd door een zekere frater
Ivo. Volgens Martinio Fritschy (1954) waren ze opgesteld door frater
S. Rombouts (1883-1962).
Godfried Frans Rombouts (zijn kloosternaam was Sigebertus) was de
belangrijkste katholieke pedagoog van die tijd. Hij was leraar aan de
katholieke kweekschool in Tilburg, later in Goirle, redactiesecretaris van
Ons Eigen Blad en redacteur van de ‘Opvoedkundige
Brochurenreeks’ waarin Doodkorte in 1922 zijn beide brochures publiceerde.
Vanaf 1925 was hij bovendien de | | | | belangrijkste woordvoerder van de
actie voor roomse jeugdlectuur.
Dat hij de uitgangspunten van de Keurraad had opgesteld, blijkt ook uit
de spelling (Rombouts was spellinghervormer). Frater Ivo geeft de belangrijkste
punten als volgt weer: ‘Het godsdienstig-zedelike is bij een jeugdboek steeds
het voornaamste kriterium: pas op de tweede plaats komt het estetiese en
kunstzinnige. [...] Te veroordelen is ieder boek met heidense, anti- of
onroomse sfeer. Dus ook het neutrale, al is de strekking ook overigens goed.’
(Ivo 1925a: 25).
Neutraal noemt de Keurraad een boek ‘als het godsdienstig element niet
dáár spreekt, waar het uiteraard spreken moet’ (bijvoorbeeld Alleen op de wereld). Een boek dat uit zijn aard niet anders dan
neutraal kan zijn, zoals ‘een verhaal uit de wereld van uitvinding en
techniek’, hoeft niet veroordeeld te worden. Bovendien wil men geen overdreven
vroomheid; wel moet de geest steeds katholiek zijn.
Uit deze hoofdbeginselen volgt dat boeken afgekeurd moeten worden als er
verkeerde eigenschappen in voorkomen die niet ‘door goede leiding of flinkheid
van karakter worden overwonnen’, als ze platte uitdrukkingen bevatten, seksuele
voorlichting geven of dingen aanroeren ‘waarmee een kind niets te maken heeft’.
Ook wordt een boek afgekeurd als de illustraties ‘in zedelik opzicht niet
deugen’: ‘Dit is niet alleen dán het geval, als een plaatje de seksuele
verbeelding prikkelt, maar ook, als de klederdracht van meisjes, jongens of
volwassenen niet in overeenstemming is met de daaromtrent bestaande
aanwijzingen der kerkelike overheid.’ (Ivo 1925a: 25-26).
Frater Ivo kondigt aan dat binnenkort een gids zal verschijnen met
boeken die aan de beginselen van de Keurraad zijn getoetst, de Rafaël-catalogus. Voor het zover is, wordt een andere lectuurgids
gepubliceerd, die niet alleen kinderboeken bevat: de Standaard
catalogus van het R.K. Centraal Bureau voor Lectuur, samengesteld door
pater A.B.H.Gielen (1871-1929). Twee ingezonden brieven in Ons
Eigen Blad van 15 april 1925 attenderen op deze lijst, waarin
Pietje Bell,
Dik Trom en de boeken van
A.C.C. de Vletter worden goedgekeurd.
| | | |
De redactie plaatst hier een naschrift bij, dat opnieuw is toe te
schrijven aan
Rombouts. Hij zegt onder meer: ‘Als we ons
niet vergissen, behoren “pedagogen” niet tot Pater Gielen's biezondere
vrienden. Waarschijnlik heeft hij tijd noch lust gehad om te lezen wat zij over
jeugdlektuur gezegd en geschreven hebben, en is hem onze aktie voor
Roomse jeugdlektuur slechts bij geruchte bekend. En dat hij
hier 'n mening verkondigt of laat verkondigen die lijnrecht ingaat tegen die
van prof. Gunning Wzn.,
Jan Ligthart,
Ida Heijermans en andere niet-katholieke
pedagogen - om ons zelf maar niet te noemen - weet hij misschien niet eens.
Toch is het zo: die pedagogen hebben
Van Abkoude,
Kieviet,
De Vletter afgewezen als niet te verkiezen
jeugdschrijvers. Pater Gielen beveelt ze aan.’ (Ons Eigen
Blad, 13: 275).
Wannéér Jan Ligthart zijn mening over
Dik Trom herzien zou hebben, vermeldt
Rombouts helaas niet. Wel wijst hij erop dat het
oordeel van deze pedagogen geen gril is, maar ‘berust op bepaalde motieven’.
Hij nodigt pater Gielen uit, eens de gronden van zijn oordeel uiteen te
zetten.
Dat doet Gielen in Ons Eigen Blad van 15 mei 1925. Hij
legt uit dat de Standaard catalogus is uitgegeven om te
waarschuwen tegen verkeerde boeken en goede aan te bevelen. En de genoemde
boeken zijn volgens hem goed, ‘hetgeen wij niet mochten ontkennen om propaganda
te maken voor specifiek katholieke boeken’ (Gielen 1925: 337). Rombouts heeft
bezwaar tegen boeken waarin het godsdienstig element niet voldoende naar voren
komt; maar in déze boeken hebben de schrijvers hun stof volgens Gielen zo
gekozen dat er geen enkele aanleiding is tot religiositeit. Zulke boeken mogen
katholieke kinderen gerust lezen; het zou hem spijten als ze geheel door
katholieke boeken verdrongen werden. Kinderen hoeven niet als kasplantjes
opgevoed te worden; ze zouden anders nog gaan denken dat de hele wereld
katholiek is.
Rombouts (1925b) is het hier, ‘zelfs afgezien van de
tuchteloosheid die door bedoelde boeken in de hand wordt gewerkt’, volstrekt
niet mee eens: ‘Als weken, maanden lang, het doen en laten van een stelletje
jongens wordt nagegaan, dan is het onmogelik, ook al tracht de schrijver nóg zo
zorgvuldig het te ontgaan, dat [niet] hier of daar de godsdienst zich opdringt,
dat er [niet] aan kerkelike plichten herinnerd wordt.’ (Rombouts 1925b: 341-342). | | | |
Dan zullen de kinderen heus niet denken dat de hele wereld katholiek is,
zegt hij: bij een boek van 200 bladzijden is het al voldoende als er 25 over
godsdienstige zaken handelen. Er blijven dan nog 175 pagina's over voor meer
profane zaken. Of is ‘12, 5 procent godsdienstigheid’ soms al te veel van het
goede?
Diezelfde maand verschijnt in de eerste jaargang van De
Gemeenschap een artikel over jeugdlectuur van de Utrechtse onderwijzer
Henk Kuitenbrouwer (1900-1974), redacteur en mede-oprichter van dit
tijdschrift. Hij stelt vast dat er een groot gebrek is aan goede roomse
jeugdlectuur: er is alleen goedbedoelde middelmaat, onschadelijk leesvoer
zonder literaire waarde.
‘Gij glimlacht: dat 't geen woordkunst is, maar stevige kost voor de
ziel en werk met volkskracht en... Maar dát ontbreekt er juist aan. Woordkunst
is 'n term, die verschillende betekenissen toelaat. Daarom is 't beter daarover
te zwijgen. Dat echter over 't algemeen in deze verhalen vol tranerige
sentimentaliteit, vol hartstochtloze braafheid en kinderlijke bandieterij 'n
volkskrácht zou steken, dát betwijfelen we. Slemp geeft geen steun tegen 'n
barre ziekte.’ (Kuitenbrouwer 1925: 159).
Het is niet moeilijk om de neutrale jeugdlectuur wat te doorsausen met
roomse woorden, zegt hij: zolders vol boeken kun je op die manier produceren.
Maar zelfs als er auteurs komen die de beste ‘heidense’ schrijvers evenaren,
wat is er dan bereikt? ‘Dan hebben we (zo luidt de geliefde slagzin) de
liberale kultuur ingehaald. Dan hebben we nagelopen waar voorgegaan moest
worden.’ De actie van dit moment is een andere richting ingeslagen, die
Kuitenbrouwer al even verkeerd vindt: ‘Mét behoud van 'n dorre, fantasieloze
klets-stijl en illustraties, die 'n niet te weerhouden scheurwoede opwekken, is
't zwaartepunt op de braafheid gevallen.’ (Kuitenbrouwer 1925: 160). Een
voorbeeld daarvan is de veroordeling van Verne, die door Doodkorte nota bene in
één adem wordt genoemd met Nick Carter.
‘In de wereld, niet van de wereld’ willen de kloosterlingen zijn. Die
spreuk inspireerde Doodkorte en sommige auteurs van roomse jeugdboeken. Volgens
Kuitenbrouwer vergeten zij maar al te vaak dat de plaats van de jeugd in de
wereld is: dat verklaart de eenzijdige visie op het leven en de angst voor
‘omstandigheden die | | | | nu eenmaal tot dit leven behoren’; het
verklaart ook de kloof tussen kinderboeken en romans voor volwassenen.
Voor goede roomse jeugdlectuur is meer nodig dan een beschrijving van
een Heilige Communie tussen handig samengeflanste avontuurtjes, herhaalt hij:
‘Daarvoor is nodig, dat de schrijver zich zelf ten volle kan terugdenken in 'n
jeugd, dat hij de geestelike momenten doorvoelt, en vooral en daarnaast: dat
hij schrijven kan.’ (Kuitenbrouwer 1925: 162).
In Ons Eigen Blad wordt
Kuitenbrouwer onmiddellijk terechtgewezen door
een zekere frater Mariac: ‘Henk, Henk, je jeugd heeft je laten verleiden over
jeugdlectuur te schrijven, niet? Schoenmakertje, blijf bij je leest, en laat
die actie maar gerust aan de bekende jeugdopvoeders over. Mannen als fr. Sig.
Rombouts, pedoloog als weinig in den lande, weten heusch wat ze doen, - ook
ondanks sommigen d'r monnik-zijn.’ (Mariac 1925: 367).
Hierop volgt een artikel van
Rombouts: ‘Hoe moet een Rooms jeugdboek zijn?’
(1925c). Hij meent dat er een legende dreigt te ontstaan over
de eisen die Ons Eigen Blad en de Keurraad aan kinderboeken
stellen. Er hoeft niet om de drie regels een kruisje geslagen of om de vijf
bladzijden een rozenhoedje gebeden te worden, laat staan dat er van begin tot
eind gepreekt en gemoraliseerd moet worden. Wel eisen Rombouts en de zijnen dat
de katholieke wereld- en levensbeschouwing in ieder katholiek kinderboek tot
uiting komt, en wel zó dat het door de jonge lezers begrepen en doorvoeld
wordt.
Hij is het met Kuitenbrouwer eens dat daar meer voor nodig is dan de
beschrijving van een communie in een avonturenboek, maar hij waarschuwt tegen
overschatting van kunst en schoonheid: op dat punt gaan niet alle katholieke
jongeren vrijuit. Schoonheid is niet het voornaamste, ook niet bij de
beoordeling van jeugdlectuur: ‘Boven het schone gaat het goede, en de hoogste
kunst is de lévenskunst.’ (Rombouts 1925c: 375). In de
catalogus van roomse jeugdlectuur, die binnenkort in Tilburg zal verschijnen,
is daarom alles opgenomen wat ‘draaglik van taal’ was.
Rombouts vindt dat Kuitenbrouwer te hoge eisen stelt. Hij verzoekt de
critici voorlopig niet te streng te zijn: schrijvers en uitgevers van
katholieke kinderboeken hebben in de eerste plaats aanmoediging en hulp
nodig. | | | |
Kort daarna verschijnt de
Rafaël-calalogus van Roomsche
jeugdlectuur, met een inleiding van
Rombouts die hij nog hetzelfde jaar uitbreidt
tot een brochure:
Wat laat ik m'n kinderen lezen? (Rombouts
1925d). Alvorens de beginselen van de Keurraad uiteen te
zetten, wijst hij op het gevaar van slechte lectuur: een vijftienjarige
moordenaar werd geïnspireerd door ‘een prikkelroman’; een HBS-leerling pleegde
zelfmoord na het lezen van Sherlock-Holmesverhalen; een gymnasiast die een
‘hartstochtelik verslinder van kolportage-lektuur’ was, deed hetzelfde. Dat
gebeurde allemaal in Duitsland, zegt hij, maar ook in ons land komen zulke
gevallen voor: ‘men kan ze herhaaldelik in de krant lezen’. Hij noemt een
jeugdige dievenbende, die volgens een krantebericht ‘enkel [werd] geïnspireerd
door verderfelike lektuur’ (Rombouts 1925d: 3-4).
Er zijn ook boeken die weliswaar onschadelijk zijn, maar die toch geen
positieve invloed hebben, gaat hij verder. Daarmee mag men uiteraard ook geen
genoegen nemen. ‘Voor het Roomse kind het Roomse boek’, blijft het devies: het
godsdienstig-zedelijke is bij een jeugdboek steeds het voornaamste, de
kunstwaarde komt op de tweede plaats. Voor echte taalkunst zijn kinderen toch
nog niet ontvankelijk en de boeken waar ze wel op afvliegen, van Karl May en
Jules Verne, moet men zeker verbieden, ‘daar ze de smaak voor degeliker lektuur
in de grond bederven. Wie met zijn biblioteek niets anders beoogt dan z'n
jongens zoet te houden, die kan nergens anders beter terecht dan bij Karl May.
Hij gooie dan echter gerust alle heiligenlevens en wat er op lijkt, alle
missiever-halen en werkelik vormende boeken, literair of zedelik, op zij, want
ze worden toch niet gevraagd. De jeugd die eenmaal op avonturen verslingerd is,
haalt geblaseerd de neus op voor al dat zoete en tamme.’ (Rombouts 1925d:
16).
Rombouts besteedt de meeste aandacht aan boeken die afgekeurd moeten
worden. Om te beginnen alle neutrale boeken, waarin de helden ‘nooit 's een
ogenblikje [hebben] om te bidden, zelfs niet voor en na het eten’. Die zijn
daarom zo gevaarlijk, ook al is de strekking verder goed, omdat ze doorwerken
in het onderbewustzijn en de lezer wennen aan een leven zonder godsdienst.
Erger zijn boeken die wel degelijk verkeerde elementen bevatten, zoals
sommige boekjes van
Ligthart en
Scheepstra, ‘die, schijnbaar nog steeds
bevangen in de rationalistiese Aufklärungs- | | | | ideeën, zelfs hun
gewone schoolboekjes benutten - in Van planten en dieren b.v.
tot walgens toe - om de kinderen vroegwijs en vroegrijp te maken. Het kan geen
mens ontgaan, dat deze schrijvers - ook Charles Krienen o.a. is van het zelfde
hondje gebeten - met hun gevader en gemoeder bij dieren bewust bedoelen, dat
het lezende kind zal doordenken, opdat toch maar zo spoedig mogelik duidelik
worde zijn eigen verhouding tot zijn ouders.’ (Rombouts 1925d: 25). Boeken hoeven niet levensecht te zijn, zegt hij: het
verhaal van de ooievaar is beter voor kinderen dan de werkelijkheid.
Rest de vraag hoe men de jeugd kan behoeden voor slechte lectuur.
Volgens
Rombouts moeten kinderen leren, nooit een boek
te lezen zonder hun ouders, hun biechtvader of ‘een ander vertrouwd persoon’ te
raadplegen. Verder moeten ze weten ‘dat zij bij die en die boekhandelaar in de
stad nooit moeten komen, en dat die en die leenbiblioteek niets bevat wat voor
hen geschikt is’ (Rombouts 1925d: 36). En ten slotte moet men
erop toezien dat ze geen boeken van
Van Abkoude en
Kieviet lezen, want dat leidt van kwaad tot
erger: ‘gewone kwajongensstreken zijn voor de 14, 15 jarige reeds niet pikant
genoeg meer; die laat hij over aan “kinderen” en gaat zelf uit op het sexuele.
[...] Geloof nu maar niet, dat zo'n vijftienjarige zijn voornaamste “leesvoer”
nog haalt in de Roomse jeugdbiblioteek, hij weet wel andere adressen!’
(Rombouts 1925d: 38).
17
Daarmee geeft Rombouts zelf de zwakke schakel in zijn betoog aan. De
vijftienjarige kent die adressen immers door de uitdrukkelijke waarschuwing
tegen ‘die en die boekhandelaar’ en ‘die en die leenbiblioteek’! Nog afgezien
van de uitdagende werking die al sinds de boom der kennis van goed en kwaad van
een verbod pleegt uit te gaan, lijkt hier de mening van Christine Vetter
bevestigd te worden dat waarschuwingen en toezicht weinig uithalen als men de
jeugd niet aan eigen lectuur kan vergoeden wat men haar aan neutrale boeken
afneemt.
Dat is ook de mening van G. van der Bruggen (geboren in 1919), die in
1979 zijn herinneringen opschreef aan de jaren dat hij - vanaf 1934 - als
vrijwilliger in de parochiebibliotheek in St. Michielsgestel werkte. De boeken
waren daar ingedeeld in drie | | | | rubrieken: A - lectuur voor
iedereen; B - lectuur voor gevorderde lezers; en C - voorbehouden lectuur. Van
de laatste categorie waren maar enkele boeken aanwezig (onder andere
Boerenpsalm van
Felix Timmermans en het werk van
Antoon Coolen); ongehuwden kwamen er nooit
voor in aanmerking, gehuwden werden op hun ‘geestelijke rijpheid’
getaxeerd.
‘Dit had wel tot gevolg, dat veel jongelui van mijn leeftijd uit de
bibliotheek “verjaagd” werden en hun boeken gingen halen in het nabije
's-Hertogenbosch waar volop particuliere uitleenbibliotheken te vinden waren.
Daar gold geen enkele beperking. Men kon er gemakkelijk boeken lenen die in
onze parochiebibliotheek niet aanwezig waren en er ook nooit - althans met de
opzet van toen -in zouden komen. Oorlogsromans over '14-'18 zoals Van het westelijk front geen nieuws en vele andere boeken,
waaronder ook romans waarin het sociale probleem werd aangesneden, konden
jeugdige personen daar vrij lenen of “in handen krijgen”, zoals de minder
gunstige term toen luidde.’ (Van der Bruggen 1979: 21).
In de beschrijving van de feiten stemt Van der Bruggen dus overeen met
Rombouts (al blijkt de jeugd niet alleen uit
te zijn geweest op ‘het seksuele’). Het grote verschil is dat hij een
oorzakelijk verband legt tussen de strengheid van de regels en de overtreding
ervan. Dat hij dit in 1979 heel anders waardeert dan Rombouts in 1925, spreekt
bijna vanzelf. Hij vertelt dat er zelfs jongelui van zijn leeftijd waren die
toen al ‘zo los van hun geestelijke leiders stonden’, dat ze boeken van de
index durfden te lezen, onder andere van Zola. Dat was toen een doodzonde, zegt
hij. ‘Het waren echter gewoon de “progressieve” jongeren van die dagen, die
niet overal meer intrapten en een probleem vormden voor de
parochiegeestelijken.’ (Van der Bruggen 1979: 23).
Het beeld dat uit de beschouwingen naar voren komt, wordt bevestigd door
de beoordelingen in katholieke bladen. Er wordt, vooral de eerste jaren, weinig
aandacht besteed aan kinderliteratuur en het aantal titels van katholieke
kinderboeken is zeer gering. Alleen Ons Eigen Blad besteedt
vanaf de oprichting in 1913 veel aandacht aan kinderboeken.
Opvallend is het milde oordeel over neutrale boeken in de recensies van
de eerste jaren, al is het katholieke element niet afwe- | | | | zig. Zo
wordt De gedenkschriften van Azor van J.R. van der Lans, over
een hondje dat ‘door omgang met en verleiding van straat-hondjes bedorven, ten
slotte aan eigen kwaad ten gronde gaat’, in 1912 door Jos M. Reynders
aangeprezen als een boekje met een goede roomse strekking (Van
Onzen Tijd, 12: 147). Maar in Ons Eigen Blad worden in
1913 onder andere Winnetou's dood en Winnetou's
testament van Karl May aanbevolen. De recensent roemt met name de
‘prachtige natuurbeschrijvingen, waarin de schrijver Gods almacht verheerlijkt’
(Ons Eigen Blad, 1: 46). In de volgende jaargang wordt
Alleen op de wereld geprezen als ‘een staaltje van degelijken
en verheffenden roman, zooals er door ons volk moeten gelezen worden’ (Ons
Eigen Blad, 2: 143). Ook in De Katholieke Vrouw worden
in 1921 verscheidene neutrale auteurs opgenomen in een lijst van
kinderboeken.
Na de brochure van
Doodkorte komt de omslag. Terwijl voor die
tijd in Ons Eigen Blad alleen boeken werden besproken die het
‘nihil obstat’ verdienden, worden in 1923 - als waarschuwing? - ook boeken
afgekeurd. Dat lot ondergaan bijvoorbeeld twee boeken van
Chr. van Abkoude,
De Pinkertonnetjes en
De padvinders van Duinwijk, ‘dat zich
aandient als “een modern jongensboek”, en een warm pleidooi is voor de neutrale
padvinderij’ (Ons Eigen Blad, 11: 735). In de volgende
jaargang krijgen bijna alle beoordeelde boeken echter het ‘Stempel Keurraad
voor Roomsche Jeugdlektuur’; naar titels en auteursnamen te oordelen zijn het
ook overwegend katholieke boeken. Het oordeel is meestal te vaag om er iets uit
af te leiden over de criteria (‘een aanwinst voor onze Roomsche
Jeugdbibliotheken’). Jaargang 17 (1929) vertoont hetzelfde beeld.
In De Katholieke Vrouw komen helaas te weinig
beoordelingen voor om iets over de criteria te kunnen zeggen, maar ook hierin
worden na de aankondiging van Doodkortes brochure alleen nog katholieke boeken
besproken.
Propaganda of literatuur voor de jeugd? Tussen de drie
levensbeschouwelijke richtingen blijken grote verschillen te bestaan in
leerstelligheid en in de mate waarin men (ook) aandacht besteedt aan de
esthetische functie van kinderboeken. Bij de socialisten is van dogmatisme
nauwelijks iets te bespeuren.
Mathilde Wibaut | | | | wijst weliswaar
de burgerlijke moraal in veel kinderboeken af en maakt ook bezwaar tegen
nationalistische elementen in historische verhalen, maar zij vindt het niet
nodig dat ieder boek precies de juiste denkbeelden verkondigt: alle boeken die
met talent geschreven zijn, vindt zij aanvaardbaar; in plaats van propaganda
eist ze ‘literatuur voor de jeugd’. Die leus is ook een goede samenvatting van
de opvattingen van
Nienke van Hichtum. Hoewel zij in Die Neue Zeit pleit voor een internationale socialistische
kinderliteratuur, laat ze er nooit twijfel over bestaan dat ze een
nadrukkelijke moraal afwijst. Ook in andere opzichten is zij niet dogmatisch:
met haar bezorgdheid over ‘prikkelliteratuur’ mag ze dan aan de kant van
Stamperius staan, in haar beoordelingen neemt
ze duidelijk stelling tegen overbezorgdheid en hanteert ze vooral literaire
argumenten. Alleen Stoop-Snouck Hurgronje stelt zich minder ruim op en beperkt
zich grotendeels tot politiek-morele oordelen waaraan elke relativering
ontbreekt. Waarschijnlijk heeft zij echter in vergelijking met de beide anderen
niet veel invloed gehad.
Bij de protestanten bestaan duidelijk twee benaderingen naast (en
gedeeltelijk tegenover) elkaar. Jachin stelt strenge dogmatische eisen aan
zondagsschoolboekjes. Maar Oosterlee vindt dat men kinderboeken niet alleen op
hun nut kan beoordelen, en dat een stichtelijk boek nog geen goed boek hoeft te
zijn. Vanuit diezelfde opvatting recenseert Van As op een manier die aan
Theo Thijssen doet denken; en Kruyt-Hogerzeil
kiest bij gebrek aan goede christelijke kinderboeken zelfs voor neutrale
lectuur, die volgens haar op een veel hoger peil staat. De meeste recensenten
in de christelijke onderwijsbladen nemen een tussenstandpunt in: de
pedagogische argumenten overheersen, maar niet alles hoeft aan strenge
levensbeschouwelijke eisen te voldoen.
Bij de katholieken vindt men dezelfde tegenstellingen, maar de
verhoudingen liggen totaal anders. Kuitenbrouwer is een buitenstaander in het
kinderboekenwereldje en hij wordt onmiddellijk terechtgewezen door frater
Mariac; van enige invloed is niets te merken. Met Gielen ligt het anders: zijn
Standaard catalogus is ongetwijfeld gebruikt bij de selectie
van kinderboeken. Maar in de beschouwingen over kinderliteratuur geven
Rombouts en
Doodkorte de toon aan. Literaire eisen zijn
voor hen van ondergeschikt | | | | belang - en rekening houden met de
smaak van kinderen is uit den boze, omdat men dan alle stichtelijke boeken wel
kan weggooien. In Ons Eigen Blad zijn hun opvattingen
bepalend voor de recensies vanaf 1923. In andere bladen zijn recensies helaas
zo zeldzaam dat niet valt na te gaan of daarin de leus ‘Voor het Roomse kind
het Roomse boek’ werd overgenomen.
Voor een belangrijk deel is het verschil tussen protestanten en
katholieken historisch te verklaren. De protestanten houden zich met
kinderboeken bezig vanuit een traditie die teruggaat tot het allereerste begin
van de kinderliteratuur. In de negentiende eeuw was het kinderboek bovendien
als evangelisatiemiddel ontdekt en waren er uitgeverijen ontstaan die zich
toelegden op de verbreiding van stichtelijke lectuur. Rond de eeuwwisseling was
er een overvloed aan christelijke kinderboeken, zowel zondagsschoolboekjes als
ontspanningslectuur. Men kan zich dus veroorloven de boeken kritisch te
beoordelen.
De katholieken hebben nauwelijks een eigen kinderliteratuur. Pas na de
actie van Doodkorte en Rombouts begint men, te oordelen naar de recensies in
Ons Eigen Blad, de achterstand in te lopen. Het accepteren
van alles wat ‘draaglik van taal’ is, moet tegen deze achtergrond worden
bezien: schrijvers en uitgevers van katholieke kinderboeken hadden geen
kritiek, maar aanmoediging en hulp nodig.
Rombouts zegt zelf ook: ‘Zaten we in het veen
en hoefden we dus niet op een turfje te zien, waarschijnlik waren we dan wel
ietwat kieskeuriger geweest.’ (Rombouts 1925d: 15). Maar, en
daar tekent zich een principiële tegenstelling af, hij voegt eraan toe dat hij
zich nooit zal kunnen verenigen met ‘kunstpedagogen en eenzijdige esteten à la
Wolgast, die indertijd in Duitsland zo'n drukte maakten, of met de hedendaagse
kunstvergoders, die ook ten onzent zich roeren’: de eis dat een kinderboek
allereerst een kunstwerk moet zijn, moet hij uit beginsel verwerpen. Daarmee
zet hij zich niet alleen af tegen de opvattingen van
J.W. Gerhard, die elke opzettelijke tendens
afwijst, maar ook tegen die van
Kuitenbrouwer, voor wie - om met
Huet te spreken - alles op de inkleding
aankomt en de tendens slechts gerechtvaardigd kan worden door een
kunstwerk.
| | | |
| |
Opvattingen over kinderliteratuur en over het kind
Als onderwijzers omstreeks 1885 beginnen met de beoordeling van boeken
voor de schoolbibliotheek, ontstaat er een breuk in de opvattingen over
kinderliteratuur. Nadat kinderboeken aanvankelijk beschouwd waren als een
middel om kennis en deugd te vermeerderen, werd in de negentiende eeuw
geleidelijk meer nadruk gelegd op de esthetische functie van kinderliteratuur
en werden hogere eisen gesteld aan de kinderlijkheid en het literaire gehalte.
De opvattingen van
Stamperius en
Koenen sluiten echter in het geheel niet aan
bij die van
De Genestet en
Leopold en evenmin bij die van
Beets. Hun visie op kinderliteratuur wordt
bepaald door het doel van de openbare school, dat teruggaat op de ideeën van de
Verlichting, waaraan ook
Salzmann en de recensenten van
Van Alphen hun opvattingen over
kinderliteratuur ontleenden. Al moeten schoolbibliotheken dan een bijdrage
leveren aan de ontplooiing van de leerlingen, het beeld dat Stamperius en
Koenen daarvan hebben, is vooral uit maatschappelijk oogpunt tamelijk statisch.
Kinderboeken staan in dienst van de opleiding tot ‘alle christelijke en
maatschappelijke deugden’, dat wil zeggen: de bevestiging van de heersende
moraal. In een ander opzicht hebben Stamperius en de zijnen echter vernieuwend
gewerkt: door het stimuleren van schoolbibliotheken hebben zij grote invloed
gehad op de uitbreiding van het aantal kinderen dat met (kinder)boeken in
aanraking kwam.
In 1899 brengt
Nellie van Kol met haar artikel in
De Gids de kinderliteratuur onder de aandacht van een groter
publiek. Haar opvatting over de functie van kinderliteratuur wijkt nauwelijks
af van die van Stamperius: ook bij haar staan kinderboeken in dienst van de
moraal, of liever de ‘tendens’. Maar anders dan Stamperius streeft zij naar een
doorbreking van de heersende moraal en de bestaande maatschappelijke
verhoudingen. Elementen daarvan (anti-militarisme vooral) vinden we terug bij
de vertegenwoordigers van de Kinderbond;
Ida Heijermans legt er veel minder nadruk op.
Voor Nellie is een goede strekking bovendien niet voldoende: zij eist
‘bezieling’ en lijkt daarmee iets meer oog te hebben voor de esthetische
functie van kinderliteratuur dan Stamperius, die volstaat met de eis dat
kinderboeken boeiend moeten zijn. In | | | | de rest van haar artikel en
in haar recensies besteedt zij echter nauwelijks aandacht aan dit punt en bij
de andere opvoeders is het geheel afwezig. Van een aansluiting bij de
opvattingen van
De Genestet,
Busken Huet of
Leopold is geen sprake.
Bij
Jan Ligthart is dat anders. In zijn keuze voor
een opvoeding gebaseerd op de kindernatuur en niet op ethische principes, komt
hij overeen met Leopold, die eveneens pleitte voor natuurlijkheid in de
opvoeding. Ook de vertegenwoordigers van de esthetische benadering sluiten aan
bij opvattingen die in het midden van de negentiende eeuw naar voren kwamen.
Van Eck ontleent zijn eisen voor goede
kinderpoëzie rechtstreeks aan De Genestet; ook
Oosterlee laat zich sterk door hem inspireren.
Gerhard,
Hooykaas en
Thijssen delen de opvatting van Huet dat
moraliseren afbreuk kan doen aan het literaire gehalte van kinderliteratuur,
maar zij gaan verder dan hij en wijzen om deze reden elke opzettelijke moraal
af.
Voor een goed begrip van de opvattingen in de hier besproken periode is
het verhelderend de factoren die de benadering van kinderliteratuur bepalen,
afzonderlijk te bekijken: de opvattingen over het kind, de opvattingen over de
invloed van kinderliteratuur (die nauw met de vorige samenhangen) en de
opvattingen over literatuur in het algemeen. Aan de levensbeschouwing zal ik
geen afzonderlijke aandacht besteden, omdat die de benadering van
kinderliteratuur niet aanwijsbaar beïnvloedt. Wélke morele normen iemand
hanteert, is afhankelijk van zijn levensbeschouwing; maar of die normen
vooropstaan bij de beoordeling van kinderboeken, wordt bepaald door andere
factoren (vooral zijn opvattingen over de functie van kinderliteratuur).
Nellie van Kol en
Stamperius kiezen allebei voor een
pedagogische benadering; alleen het doel van de opvoeding verschilt. Omgekeerd
vinden we bij de protestanten zowel een pedagogische als een esthetische
benadering. De levensbeschouwing kan dus een stempel zetten op de eisen die men
stelt aan kinderboeken, maar de benadering van kinderliteratuur wordt er niet
door bepaald.
Opvattingen over hel kind De opvattingen over de
functie van kinderliteratuur worden in hoge mate bepaald door opvattingen over
het kind, al zijn ze er niet volledig toe te herleiden. Is een kind
| | | | al iemand of moet het nog iemand worden? De meeste opvoeders
benadrukken het laatste. Volgens
M.J. Koenen vullen kinderboeken ‘de leegte in
hoofd en hart’;
Ida Heijermans spreekt zelfs over het kind als
‘de toekomstige mensch’ (Heijermans 1901: 188). En al gaat het misschien te ver
om te zeggen dat alle opvoeders het kind als een tabula rasa beschouwen, de
toekomstige mens moet naar hun idee nog wel helemaal gevormd worden.
Kinderboeken moeten daarom voedsel bieden voor hoofd en hart, ze zijn enkel
middel en geen doel.
De functie van kinderliteratuur is voor hen sinds 1778 nauwelijks
veranderd. Wel is er inmiddels een scherpe grens getrokken tussen kinderen en
volwassenen. Het kind moet beschermd worden tegen de gevaren van de volwassen
wereld: het hoort daar nog niet in thuis, zegt
Stamperius, en het voelt zich er ook niet
thuis. Alle opvoeders gaan ervan uit dat een kinderziel uiterst teer en
gevoelig is, en willen kinderen daarom niets dan zuivere lectuur geven.
Aangezien kinderen zelf niet in staat worden geacht om uit te maken wat goed
voor ze is, moeten volwassenen toezicht houden op hun lectuur. Gunning vindt
zelfs dat ‘kinderen’ van zestien tot twintig jaar nog begeleid moeten worden in
de keuze van hun boeken, en net als
Rombouts wil hij dat jongere kinderen
toestemming vragen aan een volwassene voor ze een boek lezen.
Bij
Ligthart en de vertegenwoordigers van de
esthetische benadering vinden we een heel andere opvatting over het kind. Als
Ligthart zegt dat in ieder mens een anarchist schuilt, maakt hij geen
onderscheid tussen kinderen en volwassenen.
Cornelis Veth beschrijft de jonge lezer als
een kunstminnaar, bij wie geen sprake is van kinderlijke onschuld: hij is al
even ‘grof en hard’ als zijn boeken.
Thijssen lijkt kinderen te idealiseren als hij
Kloos citeert, die gezegd heeft dat kinderen koningen zijn; maar hij gebruikt
dit beeld alleen in tegenstelling tot de ‘geestesplebejers’ die kinderboeken
schrijven. Als hij zegt dat je je als mens aan een kind moet geven, suggereert
dat gelijkwaardigheid.
Zij gaan uit van wat het kind is, en niet van wat het worden moet. En
omdat zij geen duidelijke grens trekken tussen kinderen en volwassenen, zien ze
minder gevaren. Ligthart wil kinderen niet verbieden wat hij zelf zonder enig
berouw heeft bedreven, en Veth adviseert de volwassenen zich niet te veel met
de zaken van | | | | hun kinderen te bemoeien. Volgens
De Vletter heeft dat ook geen zin: kinderen
maken zelf wel uit wat ze lezen.
Literaire eisen houden met deze opvatting over kinderen rechtstreeks
verband. Als een kind al iemand is, verdient het boeken waarin zijn eigen
gedachten en gevoelens weerspiegeld worden. Aan de karaktertekening worden dan
heel andere eisen gesteld dan wanneer alles om de moraal draait. Bovendien moet
de schrijver rekening houden met de eisen die kinderen aan hun boeken stellen,
zoals De Vletter betoogt: anders leggen ze zijn boeken eenvoudig opzij of slaan
ze hele stukken over.
Opvattingen over de invloed van kinderliteratuur
Naarmate men het kind minder als een zelfstandige persoonlijkheid ziet, legt
men dus meer nadruk op de pedagogische functie van kinderliteratuur, waarbij
men ervan uitgaat dat boeken een rechtstreekse morele invloed hebben. Die
invloed wordt nooit ter discussie gesteld: volgens
Stamperius is het dwaasheid eraan te
twijfelen.
Nellie van Kol verlangt dat kinderen
rechtstreeks iets uit hun boeken kunnen leren: ‘Ik leg nadruk op dat
rechtstreeks. Bij wijze van tegenstelling kan men leeren uit
ieder boek, het zotste en het slechtste. Maar zooveel denkkracht en
wijsbegeerte bezitten de kinderen nog niet, met hun naïf geloof in ons.’ (Van
Kol 1899: 26).
Ook de andere vertegenwoordigers van de pedagogische benadering gaan uit
van een rechtstreekse morele invloed. Zelfs als
Ida Heijermans vaststelt dat veel kinderen in
leeszalen boeken ‘doorhollen’ waarvan ze niet eens de inhoud kunnen
navertellen, leidt dit niet tot de vraag of kinderboeken wel een rechtstreekse
invloed hebben; zij zoekt slechts naar de voorwaarden waaronder die invloed
alsnog tot stand kan komen. Kinderen kunnen beter één goed boek lezen en
herlezen, zegt zij: alleen dan kan een boek opvoedende waarde krijgen.
Van boeken die niet aan hun eisen voldoen, nemen zij echter aan dat ze
al bij eerste lezing een verderfelijke invloed hebben: door de afwijkende
moraal, door het slechte voorbeeld van afwijkende personages of door een
spannende, ‘prikkelende’ handeling. Eén onnadenkend neergeschreven woord kan
volgens mevrouw Van der Hucht een gifkiem worden, die een oneindige invloed
heeft. En hoewel de meeste opvoeders toegeven dat niet ieder kind een mis- | | | | dadiger
wordt door verkeerde lectuur, zijn ze ervan overtuigd dat zijn gevoelsleven er
wel door afstompt.
De meeste vertegenwoordigers van de esthetische benadering laten zich
niet uit over de morele invloed van kinderboeken. Zij wijzen eenvoudig elke
opzettelijke moraal af, wat betekent dat kinderen zelf hun morele conclusies
moeten trekken, om met Andriesse te spreken.
Cornelis Veth gelooft zelfs dat de meeste
kinderen niets leren van hun lectuur, geen goed en geen kwaad.
Ook
Gerhard meent dat men kinderen niet kan
‘verbeteren’ met morele lessen, maar hij kent aan kinderliteratuur wel een
morele functie toe: literatuur moet niet alleen het gevoel voor schoonheid
stimuleren, ze moet de mens via de esthetische fase in de morele fase brengen.
Anders gezegd: ontwikkeling van het gevoelsleven is voorwaarde voor de
ontwikkeling van een moreel bewustzijn. (Net als de vertegenwoordigers van de
pedagogische benadering toont hij zich daarbij bezorgd voor lectuur die ‘de
liefde voor avontuur in verkeerde banen kan leiden’.)
Ligthart ten slotte toont wel geloof in een morele invloed van boeken
als hij zegt dat
Dik Trom en
School-idyllen bewondering aankweken voor
het vermetele en stoutmoedige. Maar die invloed is slechts een bevestiging van
wat in het kind leeft, en hij voltrekt zich via het gevoel en niet via het
verstand. Van een moraal die uitgelegd kan worden, is geen sprake. Bovendien is
het een averechtse invloed: het gaat immers om boeken die door de (andere)
opvoeders als een gevaar worden beschouwd. Dat Ligthart niet in een
rechtstreekse morele invloed gelooft, blijkt ook uit zijn provocerende
opmerking dat een opvoeding gebaseerd op ethische principes niets uithaalt als
ze geen rekening houdt met de aard van het kind. Daarmee neemt hij duidelijk
afstand van het vrijwel onbeperkte vooruitgangsgeloof, dat doorklinkt in de
opvattingen van
Ida Heijermans, de Kinderbond en
Nellie van Kol.
In plaats van een rechtstreekse morele invloed kennen de
vertegenwoordigers van de esthetische benadering aan lectuur een emotionele
uitwerking toe. Als Cornelis Veth zegt dat we een jongen zijn echte
jongensboeken moeten gunnen, stelt hij die vervolgens gelijk met ‘zijn bluf,
zijn overmoed, zijn spanning, zijn lach’, waarmee hij vrijwel op één lijn staat
met
Jan Ligthart. Van | | | | Eck
relativeert de rationele kritiek van volwassenen op de kindergedichten van
Van Alphen door er de emotionele reactie
tegenover te stellen van het kind dat hij geweest is. De Vletters beschrijving
van wat kinderen lezen en wat ze overslaan, levert hetzelfde beeld op: in zijn
waarneming is lezen een emotioneel, en geen moreel of rationeel proces.
Door de vertegenwoordigers van de pedagogische benadering worden deze
manier van lezen en deze uitwerking van kinderliteratuur overigens niet
ontkend, maar grotendeels afgewezen. Voor
Ida Heijermans is de toelaatbaarheid van
emoties afhankelijk van de strekking van het verhaal en de morele kwaliteiten
van de personages: bij
School-idyllen zijn bewondering en
medelijden een gevaar, bij de boeken van
Louisa Alcott juist een voordeel. Een emotioneel
effect dat verder gaat, wordt door de meeste opvoeders als een bedreiging
gezien. Prikkeling van emoties, van hartstochten, vinden zij ongewenst:
spannende lectuur ontneemt kinderen hun zelfbeheersing en maakt hen op den duur
ongeschikt voor het lezen van goede, zedelijk vormende boeken.
De houding tegenover fantasie komt hiermee overeen. Koenen eist bovenal
waarheid, dat wil zeggen: correcte informatie over de werkelijkheid.
Kinderboeken moeten wel voedsel geven aan de fantasie, maar ze mogen de lezer
niet wegvoeren uit de realiteit. Andere opvoeders zijn iets soepeler, maar ze
verlangen wel dat fantasie en realiteit duidelijk gescheiden blijven. Oosterlee
echter, die aan kinderliteratuur een esthetische functie toekent, bestrijdt de
angst voor ‘afdwalingen der fantasie’ en neemt het net als
Cornelis Veth op voor Verne: fantasie mag dan
geen stoffelijk voordeel opleveren, het is volgens hem een verrijking voor de
geest.
Opvattingen over literatuur De benadering van
kinderliteratuur kan eveneens beïnvloed worden door opvattingen over literatuur
in het algemeen: kán, want deze invloed is niet altijd aanwezig. Bij degenen
die kinderboeken als een middel in de opvoeding beschouwen, blijven literaire
overwegingen meestal zelfs zozeer op de achtergrond, dat niet eens duidelijk
wordt of zij die bij de beoordeling van kinderboeken niet van belang vinden, of
dat ze in het algemeen weinig waarde hechten aan literatuur.
Bij de vertegenwoordigers van de esthetische benadering is de
| | | | invloed van opvattingen over literatuur meestal duidelijk
aanwijsbaar, al is het niet altijd mogelijk ze te reconstrueren. Uit het betoog
van
Cornelis Veth spreekt een liefde voor
literatuur die bij de meeste opvoeders ontbreekt, maar uit zijn opvattingen
over jongensboeken zijn geen opvattingen over literatuur in het algemeen af te
leiden.
Bij
Thijssen is dat wel het geval: voor de eisen
waaraan kinderliteratuur moet voldoen, verwijst hij naar de kenmerken van de
ware schrijver. In zijn poëtica is literatuur niet in regels te vangen: een
schrijver moet, uit een innerlijke noodzaak, uiten wat er in hem leeft en hij
moet een buitengewoon talent hebben om de taal te hanteren. Voor een
kinderschrijver komt daarbij dat hij van het kind moet houden: een eis die ook
door anderen wordt gesteld, maar die bij hem een bijzondere betekenis heeft. De
schrijver moet zoveel van het kind houden, dat het kind hem verstaat; en wat
hij te zeggen heeft, moet ‘voor het kind zijn’. Hiermee sluit hij aan bij eisen
van
De Genestet en
Leopold: de schrijver moet de harten van de
kinderen kennen en weerspiegelen wat er in hen leeft.
Gerhard benadert de literatuur niet vanuit de
schrijver, maar vanuit de functie die ze voor de lezer heeft. Het doel van
literatuur is genot: ze dient ‘tot bevrediging van ons aesthetisch gevoel’. Bij
Oosterlee ten slotte vinden we een opvatting over literatuur die geïnspireerd
is door de critici van Ons Tijdschrift: literatuur mag zich
niet beperken tot een reproduktie van de realiteit, ze moet een diepere
werkelijkheid tonen; een kunstwerk is niet compleet als het godsdienstig
element ontbreekt.
Over het begrip ‘kunst’ bestaat overigens een zelfde verschil van
opvatting als over ‘tendens’, wat soms aanleiding geeft tot misverstand. Geen
enkele vertegenwoordiger van de esthetische benadering kiest voor l'art pour
l'art; toch schuift
Rombouts hun deze opvatting in de schoenen als
hij de eis dat een kinderboek allereerst een kunstwerk moet zijn, om
principiële redenen verwerpt. Kuitenbrouwer heeft vorm én inhoud op het oog als
hij van een schrijver van kinderboeken verlangt dat hij schrijven kan, en dat
zijn werk doorleefd is. Rombouts stelt in zijn reactie kunst gelijk met
uitsluitend vorm om vervolgens te kiezen voor de moraal. | | | |
Rombouts geeft bovendien blijk van een ‘hoge’
literatuuropvatting door onderscheid te maken tussen ‘echte taalkunst’ en
boeken waar kinderen op afvliegen, van Karl May en Jules Verne bijvoorbeeld:
boeken die naar zijn mening de smaak bederven. Vrijwel dezelfde opvatting
vinden we bij
Nienke van Hichtum, die - in navolging van
Wolgast - lezen om het spannende verhaal verwerpt als ‘onartistiek
stofbegeeren’ (wat overigens alleen zou voorkomen bij ‘reeds door veel lezen
bedorven lezers’). Gerhard is veel toleranter: hij rekent het werk van Dumas
niet tot de hoogste literatuur, maar hij vindt dat het ons esthetisch gevoel
geen kwaad doet.
Thijssen toont in
Jongensdagen ook veel begrip voor het
lezen om het spannende verhaal: als je nooit zult weten hoe het afloopt, is er
geen lol meer aan!
Moraliseren - moraal, tendens, strekking Als het gaat
om de concrete eisen waaraan kinderboeken moeten voldoen, is de tegenstelling
tussen de pedagogische en de esthetische benadering toegespitst op één punt: de
wenselijkheid of toelaatbaarheid van een nadrukkelijke moraal. Als
vertegenwoordigers van beide benaderingen zich tegen elkaar afzetten, heeft dat
altijd hierop betrekking. Naar aanleiding van
Ida Heijermans' naschrift bij de lezing van
Hooykaas heb ik al opgemerkt dat ze daarbij
niet altijd dezelfde betekenis hechten aan de gebruikte termen. Voor een beter
inzicht in de verschillende standpunten moeten we de begrippen nauwkeuriger
omschrijven.
Lea Dasberg maakt in
Het kinderboek als opvoeder (1981: 25 en
passim) onderscheid tussen een ‘agitatorische’ en een ‘niet-agitatorische’
tendens. Hoewel deze termen suggereren dat het onderscheid betrekking heeft op
het al dan niet opruiende karakter van de tendens (dat is tenslotte de
betekenis van ‘agitatorisch’), blijkt het erom te gaan of de tendens er al dan
niet dik bovenop ligt. Zo zou
De Genestet volgens Dasberg (1981: 46) ‘het
“agitatorisch karakter” van bijvoorbeeld
Van Alphen’ hebben gehekeld. Elders (1981:
26-27) omschrijft zij deze tegenstelling met de termen ‘boeken met een boodschap’ tegenover ‘boeken vanuit een
boodschap en boeken als boodschap’. Een treffende typering,
maar te weinig specifiek om de opvattingen over tendens te beschrijven.
In mijn beschrijving ga ik uit van wat er in deze periode gezegd
| | | | wordt over de moraal of tendens en over de manier waarop die in
een verhaal of gedicht verwerkt kan zijn. De vraag ‘Is men voor of tegen een
moraal?’ moet dan vervangen worden door drie vragen:
- Hoe denkt men over verhalen waarin een moraal wordt geformuleerd (in
de vorm van zedenlessen of morele beschouwingen)?
- Hoe denkt men over verhalen die geheel zijn toegesneden op een moraal,
ook al wordt die niet met zoveel woorden geformuleerd? Anders gezegd: welke
eisen stelt men aan de karaktertekening en de plot?
- In hoeverre formuleert men morele, politieke of godsdienstige eisen
waaraan de strekking van een kinderboek moet voldoen?
18
De vertegenwoordigers van de pedagogische benadering concentreren zich
op het laatste. Voor hen draait alles om de inhoud van de moraal; aan de manier
waarop die in het verhaal verwerkt is, besteden zij geen aandacht. Ze verlangen
eenvoudig dat een kinderboek een moraal bevat, en formuleren duidelijke eisen
waaraan de strekking moet voldoen.
Daardoor is het soms onvermijdelijk dat een boek morele beschouwingen
bevat (al worden die nooit met zoveel woorden verlangd). De eisen van Jachin
bijvoorbeeld moeten wel tot ‘preekjes’ leiden: anders is het niet mogelijk dat
‘van het borgtochtelijk lijden van Christus [...] wordt gesproken’ of ‘de
nadruk gelegd [wordt] op het verbond der genade, den Heiligen Doop en het werk
des Heiligen Geestes in het hart van den zondaar’. En
Rombouts mag het dan niet wenselijk vinden dat
er in katholieke kinderboeken van het begin tot het eind wordt gepreekt en
gemoraliseerd, godsdienstige beschouwingen zijn toch niet te vermijden als
vijfentwintig van de tweehonderd bladzijden over godsdienstige zaken moeten
gaan.
Opmerkelijk is het standpunt van
Hinse en
Stamperius. Een samenvatting van de moraal
door de verteller wijzen zij af: zij vinden dat kinderen de les zelf moeten
ontdekken en onder woorden brengen. Maar hun hele systeem van navertellen en
nabespreken is op dit laatste gericht, waardoor de moraal veel meer nadruk
krijgt dan het geval zou zijn als ze in het verhaal werd samengevat. Voor
boeken vinden we een zelfde benadering bij Suze Groshans en
Ida Heijermans, die allebei in een recensie
eenmaal de suggestie | | | | doen dat ouders het besproken boek met hun
kinderen lezen of ‘behandelen’ omdat anders niet ieder detail tot zijn recht
komt. Als die boeken al geen morele beschouwingen bevatten, worden ze er dus
bij het voorlezen alsnog aan toegevoegd.
J.L.F. de Liefde ten slotte is tegen preken
die het verhaal onderbreken, maar vindt tegelijk dat zondagsschoolboekjes
evangelieprediking moeten zijn. Dit betekent dat alle godsdienstige
overwegingen verwerkt moeten worden in de dialoog en in de gedachten van de
hoofdpersoon, en dat eventueel een preek ingelast kan worden die het verhaal
formeel niet onderbreekt, door de hoofdpersoon een kerkdienst of een
kerstviering te laten bijwonen (een kunstgreep die zijzelf bijvoorbeeld
toepaste in Onder zes nichtjes en neefjes).
De Liefde is hiermee de enige voorstander van een uitdrukkelijke
boodschap die iets zegt over de vorm waarin deze in het verhaal verwerkt moet
zijn. Op het punt van de karaktertekening zien we hetzelfde: de
vertegenwoordigers van de pedagogische benadering stellen alleen morele eisen,
aan literaire aspecten besteden zij geen aandacht. Verhalen die geheel zijn
toegesneden op een moraal, worden daardoor stilzwijgend aanvaard. Dergelijke
verhalen gaan - wat de kinderliteratuur betreft - terug op de eisen die
Salzmann in 1780 formuleerde: kinderen in kinderboeken moeten zo oordelen en
handelen als men wénst dat kinderen doen; de personages moeten dikwijls in
omstandigheden komen waarin zij de wezenlijke waarde der dingen beseffen; zij
moeten soms wel verkeerd handelen, maar dan moet men de lezer de treurige
gevolgen daarvan tonen.
Dit laatste punt is terug te vinden bij
Hinse en
Stamperius, die verlangen dat goed en kwaad in
een verhaal hun ‘natuurlijke gevolgen’ krijgen. Het wordt, opmerkelijk genoeg,
afgewezen door mevrouw Van der Hucht, die de meeste verhalen in 't
Verteluurtje te saai vindt, omdat de deugd telkens beloond wordt en het
kwaad gestraft. De eerste eis van Salzmann komt men vaker tegen. Dood-korte
veroordeelt Alleen op de wereld omdat Rémy bij het luiden van
het Angelus niet aan godsdienstige zaken denkt, en
Rombouts verlangt dat de helden van een
verhaal ten minste bidden voor en na het eten. In recensies wordt het gedrag
van de personages regelmatig in de beoordeling betrokken: mevrouw Van der Hucht
| | | | maakt bijvoorbeeld bezwaar tegen het marcheren van kleuters in
een kinderversje, en
Ida Heijermans vindt dat tantes in
meisjesboeken geen sigaretten mogen roken of in zwarte zijden pyjama's
slapen.
Als deze eisen strikt gehanteerd worden, leidt dit tot een clichématige
karaktertekening en een clichématige plot. In een aantal beoordelingen in
christelijke tijdschriften wordt het obligate karakter van de meeste
zondagsschoolboekjes wel gesignaleerd, maar het staat een aanbeveling niet in
de weg. De andere vertegenwoordigers van de pedagogische benadering maken nooit
opmerkingen over een oppervlakkige karaktertekening of een afgezaagd
verhaaltje, laat staan dat zij om die reden boeken afkeuren: dat doen ze alleen
als de personages niet aan hun morele eisen voldoen.
De vertegenwoordigers van de esthetische benadering spreken zich
daarentegen duidelijk uit over de vorm waarin de strekking in het verhaal
verwerkt moet zijn. Morele beschouwingen worden afgewezen door
Thijssen,
Gerhard en
Hooykaas, die elke opzettelijke moraal
verwerpen. Maar ook anderen verklaren zich tegen morele (politieke,
godsdienstige) beschouwingen in kinderboeken:
Nienke van Hichtum, die verlangt dat de moraal
verborgen is in het verhaal;
Kloosterman, die vindt dat een kinderboek niet
deugt als er een moraal wordt opgelegd door middel van preekjes of
bijbelteksten; en
Christine Vetter, die zegt dat kinderen groot
gelijk hebben als ze bedanken voor ‘preekboeken’ en zedenverhalen.
Ook aan de karaktertekening en de plot stellen zij hoge eisen. Thijssen
maakt zich in een recensie boos over een ‘treurig brokkie kinderpsychologie’;
schrijvers van een ‘ethica in vertellingen’ beschouwt hij als
‘geestesplebejers’. Verhalen die zijn toegesneden op een moraal, worden
afgewezen als fabriekswerk: de personages zijn ‘wassen beelden’ en de plot is
gebaseerd op een formule. Nienke van Hichtum heeft zelfs kritiek op
Paddeltje, waarin de personages wel met
liefde getekend zijn maar toch niet helemaal ‘echte mensen’ worden.
De literaire argumenten zijn duidelijk: morele beschouwingen verstoren
het verhaal, ze gaan ten koste van de levendigheid en de poëzie; personages die
in dienst staan van de moraal, zijn onesthe- | | | | tisch omdat ze niet de
gedachten en gevoelens van echte kinderen weerspiegelen. Daarom verlangen de
vertegenwoordigers van de esthetische benadering dat de moraal verborgen is in
het verhaal.
19 En hoewel
morele overwegingen bij hen nooit ontbreken, stellen zij geen concrete eisen
waaraan de strekking van een kinderboek moet voldoen. Dat geldt ook voor
degenen die opvattingen formuleren vanuit een politiek of religieus standpunt
(zoals
Nienke van Hichtum,
Oosterlee en
Kuitenbrouwer). Om een uitdrukking van
Kruyt-Hogerzeil te gebruiken: zij proberen
niet het onuitsprekelijke onder woorden te brengen.
Deze ‘heilige schroom’ wijst erop dat het verschil met de
vertegenwoordigers van de pedagogische benadering méér omvat dan de manier
waarop de moraal in het verhaal verwerkt moet zijn. Er is ook een verschil in
waardering van gedetailleerde morele regels. Het duidelijkst blijkt dit bij
Ligthart en
Thijssen. De alledaagse moraal, die door de
andere opvoeders zorgvuldig wordt bewaakt, wordt door Lighart afgedaan als
‘etiquette’, die niets te maken heeft met ware ethiek. Ook Thijssen weigert
goed en kwaad te reduceren tot regels en voorschriften. Hij vindt het grof om
te denken dat je over liefde en eerlijkheid kunt praten als over boter en kaas:
niet alleen het moraliseren zelf, ook het ‘schriftelijk zeuren erover’ is in
zijn ogen onbeschaafd.
| |
Invloed van de verschillende benaderingen
De beoordeling van Dik Trom Een vraag die nog steeds
beantwoord moet worden, is welke benadering van kinderliteratuur in deze
periode de meeste invloed heeft gehad. Uit de beoordelingen in algemene bladen
viel dat niet met zekerheid op te maken. Een duidelijker beeld krijgt men uit
de veranderende beoordeling van
Dik Trom tussen 1899 en 1930.
20
Uit het leven van Dik Trom was overigens
al in 1891 verschenen. De auteur,
C. Joh. Kieviet (1858-1931), was een
hoofdonderwijzer die al twee jongensboeken had geschreven:
De twee neven (1890) en
Frans van Dorentil (1891). Maar
Dik Trom was iets heel nieuws. Zevenendertig jaar later zegt
Kieviet daarover in een interview in Het Vaderland van 8
maart 1928, ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag: ‘Ik wilde een
nieuwen geest brengen in de kin- | | | | derlitteratuur. Niet alleen in de
geschiedkundige verhalen, maar ook in de kinderromans. Tot nu toe - dat hebben
bijv.
Andriessen en
Gerdes zoo voortreffelijk gedaan - werden in de
kinderlitteratuur alle jongens en meisjes als heele brave wezentjes
voorgesteld. 'k Vind echter dat, wil de jeugd iets leeren uit de boeken, die
men haar te lezen geeft, zij dan in de hoofdpersonen moet vinden jongens en
meisjes die werkelijk bestaan kunnen, niet alleen in hun gedachtenwereld, maar
ook daarbuiten, in het leven. Uit deze gedachte nu is Dik Trom gegroeid.’
De manier waarop
Kieviet deze gedachte uitwerkte, was echter zo
revolutionair dat hij aanvankelijk grote moeite had een uitgever te vinden voor
dit boek, vertelt hij in hetzelfde interview: ‘Niemand durfde het aan. Men
verklaarde mij ronduit voor gek.
Uit het leven van Dik Trom zou veel te
verderfelijk op de jeugd inwerken. Stel je voor, een jongen, die maling neemt
met veldwachters en schoolmeesters! Neen, dat was te bar.’
Het boek verscheen uiteindelijk in 1891 bij uitgeverij Kluitman in
Alkmaar. Een onmiddellijk succes was het niet. Op 27 oktober 1893 schreef
Kluitman aan Kieviet: ‘Voor Dik Trom heb ik u als honorarium
betaald ƒ75,-, dat is ongeveer ƒ8,80 per vel. U vond dat toen weinig, terwijl
ik meende dat het wel betaald was. Ons land is niet groot en de taal is
buitenaf onbekend; de groote honoraria, die in 't buitenland betaald worden,
kunnen hier niet gegeven worden. - Dit kan ik u ten minste verzekeren, dat de
kosten der uitgaaf van Dik Trom nog niet gedekt zijn. - 't Is
evenwel een lief boekje, dat ik vertrouw dat zijn weg verder wel zal vinden.’
In dat vertrouwen is hij niet beschaamd, maar het zou nog ruim vijf jaar duren
voor de hele oplage uitverkocht was.
Van de eerste druk heb ik maar één recensie gevonden, oorspronkelijk
verschenen in Het Nieuwe Schoolblad, later gebundeld in
Wat mogen onze kinderen lezen? (1899). De
commissie van het NOG aarzelt niet het boek aan te bevelen en
K. Andriesse, de voormalige rapporteur van deze
commissie, doet dat in 1899 nog eens dunnetjes over. In de beoordeling van het
NOG wordt wel opgemerkt dat er over te redeneren valt of het wel pedagogisch is
om de jeugd zo'n leuke jongen als Dik Trom voor te zetten, ‘er is ook al over
geredeneerd’. Maar de schriftelijke neerslag daarvan ben ik niet tegengekomen.
Misschien heeft de discussie zich ertoe be- | | | | perkt dat ‘een paar
paedagogen avonden zoek [konden] praten’, zoals Andriesse het uitdrukt.
In mei 1899 verschijnt de tweede druk. Het Nieuws van den
Dag van 29 november 1899 voorspelt dat deze ‘wel spoedig den weg [zal]
volgen van zijn voorganger, want die nieuwe uitgaaf van Dik
Trom is geïllustreerd, dus nog aantrekkelijker dan de voorgaande’. De
tekeningen van
Joh. Braakensiek hebben ongetwijfeld
bijgedragen tot het succes, maar het is niet zo dat
Dik Trom nu op slag beroemd was. Op 17
maart 1900 schrijft
Nellie van Kol in een recensie van
De club ‘Van Zessen Klaar’: ‘Ik weet niet
of de heer Kieviet als schrijver voor de jeugd reeds een zeer groote bekendheid
heeft; maar hij verdient ze in elk geval ten volle.’ (De
Vrouw, 7: 116). Haar juichende recensie van
Uit het leven van Dik Trom verschijnt drie
weken later in De Amsterdammer.
Nienke van Hichtum beveelt het boek in 1902
aan in Het Kind, zowel op grond van het enthousiasme van haar
zoontje als om ‘de nobele geest, die ook aan [dit boek] van
Kieviet ten grondslag ligt’. In 1904
publiceert
Jan Ligthart zijn vurige pleidooi voor
Dik Trom. Daarop volgt de eerste bezorgde reactie die ik heb
gevonden: van
H.A. Laban, die meent dat Dik
Trom aan lang niet iedere jongen in handen gegeven mag worden.
Suze Groshans verklaart in datzelfde jaar dat
met ‘de grapjes van onzen goeden Dik Trom’ enige voorzichtigheid geboden is,
maar tot zijn rehabilitatie voegt ze daaraan toe dat Dik een beste jongen is.
Vanaf 1905 prijkt Dik Trom zelfs op de lijst van boeken die
door de Nederlandsche Kinderbond worden gebruikt (Correspondentieblad. 7: 8).
In hetzelfde jaar noemt
J.W. Gerhard Dik Trom zeer
vermakelijk, alleen het slot van het boek vindt hij mislukt. Voor
Theo Thijssen is deze kritiek een van de
bewijzen dat Gerhards oordeel niet deugt; hij vindt dat de schrijver van
Dik Trom zó ver boven het gros van de kinderboekenschrijvers
uitsteekt, dat hij hem niet eens wil lastig vallen over enkele slordigheden in
de taal van
De Kennemer vrijbuiter.
C.E. Hooykaas noemt Dik Trom
in 1911 als een van de boeken die aan zijn eisen beantwoorden en
Cornelis Veth prijst het een jaar later als ‘een
werkelijk gezellig boek’; Kieviets latere werk vindt hij ‘wat al te grappig’
(Veth 1912: 71).
Kieviet was inmiddels een bekend schrijver en Dik Trom
was een succes, dat volop werd nagevolgd. Kieviet zelf publiceerde | | | | naast andere jongensboeken van tijd tot tijd een vervolgdeel:
De zoon van Dik Trom (1907),
Toen Dik Trom een jongen was (1912),
Dik Trom en zijn dorpsgenooten (1920),
Het tweede boek van Dik Trom en zijn
dorpsgenooten (1923) en
Avonturen van Dik Trom (1931). Met het
succes neemt ook de kritiek toe.
Nienke van Hichtum noemt in 1909 De zoon van Dik Trom een echt gezellig boek en Kieviets humor
onweerstaanbaar, maar ze vindt dat hij zijn werk wat te makkelijk neemt. Heel
verhuld levert
Jan Ligthart kritiek op de navolgers van
Kieviet in zijn recensie van
Theo Thijssens
Jongensdagen, waarin hij de figuur van
‘de fijne agent’ - en nu eens geen nijdige veldwachter! - waardeert.
P.J. Bol spreekt zich zeven jaar later
duidelijker uit, als hij over
Kleine vuurtjes van
A. Trelker schrijft: ‘[...] tip-top in orde.
Ik zonder de veldwachter uit, die 'k in Dik Trom voor 't
eerst ontmoette en die nu zo langzamerhand een alombekend en misbruikt tiep van
een dorpsveldwachter is geworden.’ (De Nieuwe School, 13:
238).
Blijft het wat de literaire kritiek betreft bij dergelijke stekelige
opmerkingen, met de pedagogische bezwaren ligt dat anders. Wat
Nellie van Kol vreesde, was gebeurd: behalve
de veldwachter was ook de ‘straatbengel’ een bekend type geworden en daardoor
werd de bezorgdheid aanzienlijk versterkt. Terwijl Laban zich in 1904 nog
beperkte tot de waarschuwing dat Dik Trom lang niet aan
iedere jongen in handen gegeven mag worden, gaat
Marie Ligthart in 1908 al iets verder: zij
betwijfelt of het hele genre wel zo aanbevelenswaardig is. Nog verder gaat
C.S. Jolmers in 1910. In Okke
Tannema ziet hij een ernstig gevaar voor het normbesef van kinderen; dat
hij Dik Trom ondanks de ‘gevaarlijk-komische’ elementen
prijst als een fris en natuurlijk boek, lijkt mij niet meer dan een retorische
toegeving om ook de liefhebbers van dit ene boek voor zijn standpunt te winnen.
De waardering was in 1910 nu eenmaal zo algemeen dat je Dik
Trom niet kon veroordelen zonder veel mensen af te stoten.
Na 1914 komt daar verandering in. In dat jaar verschijnt
Pietje Bell van
Chr.van Abkoude, de bekendste (of beruchtste)
navolging van Dik Trom. De boeken worden voortaan in één adem
genoemd en vanaf dat moment neemt het aantal veroordelingen toe. De
ontwikkeling is overigens vrij geleidelijk. In 1914 waarschuwt een zekere H.
Wuite in School en Leven tegen Pietje Bell:
| | | | volgens hem een mislukte navolging van Dik
Trom, nog afgezien van de vraag of dit laatste boek in alle opzichten de
toets der kritiek kan doorstaan. Bos-Meilink verklaart datzelfde jaar dat
Dik Trom geen kwaad kan, al vindt ze een ‘gezelschap’ van
louter Dik Trom's niet gewenst; Pietje Bell is volgens haar ‘geen verkieslijke
vriend’. Tussen 1916 en 1920 wordt Dik Trom nog opgenomen in
drie van de vier lijsten van aanbevolen kinderboeken die in die jaren
verschijnen.
In 1919 waarschuwt J. Lens in De School met den Bijbel
tegen ‘een prul als Pietje Bell’. Om gezonde jongensgrappen
kan men lachen, zegt hij, maar wat in dit soort boeken verteld wordt, ‘verheft
zich niet boven de stuiversblad humor’. Ieder besef van goed en kwaad gaat er
volgens hem door verloren: het laffe wordt voorgesteld als leuk, het kwaad als
helemaal niet erg, ‘als je er maar om lachen kunt’. Hij waarschuwt daarom
uitdrukkelijk tegen dergelijke lectuur, waartoe hij ook ‘het veelgelezen en
hooggeprezen Dik Trom’ rekent, al is dit niet zó dol als
Pietje Bell: ‘Deze prikkellectuur doet kinderen veel kwaad;
ontwikkelt den zin voor grove affecten, en staat een gezonde ontwikkeling van
den smaak in den weg. Het is in één woord, gevaarlijk goed.’ (Lens 1919:
37).
Dik Trom wordt aan
Pietje Bell gekoppeld; en terwijl Wuite in
1914 nog in het midden laat of het boek van Kieviet in alles de toets der
kritiek kan doorstaan, is het voor Lens alleen ‘minder dol’ dan Pietje Bell. Nog scherper is
J.H. Gunning in 1923 in zijn recensie van
De bengels van IIIB van
George van Aalst: ‘een uit de sfeer der lagere
naar die der middelbare school overgebrachte Dik Trom,
waarbij de schrijver getracht heeft - en blijkbaar met succes - in ploertigheid
niet alleen
Kieviet, maar zelfs den nog veel ergeren
Van Abkoude te overtreffen’ (Het
Kind, 24: 4).
Dit is aanleiding tot een ingezonden brief van een zekere S.E. Schoevers
(Het Kind, 24: 40-41). Hij vertelt dat hij als kind
Dik Trom drie of vier keer gelezen heeft; en toen hij het als
volwassene herlas, heeft hij er weer van genoten. Waarom het ploertig is,
ontgaat hem volledig: Dik is ‘uit 't leven gegrepen’, elke jongen voelt zich
aan hem verwant. Het succes van Dik Trom vindt hij dan ook
ten volle verdiend.
Gunning zegt in een naschrift, graag te willen aannemen dat hij over
Dik Trom te ongunstig heeft geoordeeld. Maar hij beschouwt
| | | | het boek als een type en het succes is voor hem een teken des
tijds. Allerlei schrijvers zijn erdoor aangestoken: navolgers, die hun
voorbeeld nog proberen te overtroeven. De wereldoorlog heeft ons geleerd dat
het ons nog zeer aan beschaving ontbreekt; tegen een gebrek aan innerlijke
beschaving kan daarom niet krachtig genoeg gestreden worden: ‘Wie meent dat
kinderlectuur een onbelangrijk deel der opvoeding uitmaakt, die heeft nog het
A.B.C. der paedagogiek niet leren spellen. Liever daarom alle lectuur van
direct of indirect verkeerde strekking met een wellicht wat te kras woord
gebrandmerkt, dan het kwaad ongehinderd te laten voortwoekeren.’ (Het Kind, 24: 42).
Hiermee hebben de bezwaren tegen Dik Trom hun hoogtepunt bereikt. Voor
de ‘ploertigheid’ van het boek geeft Gunning overigens geen argumenten: hij
veroordeelt het genre en daarmee het boek waaruit het is voortgekomen. Zijn
standpunt wordt in de daarop volgende jaren door de meeste beoordelaars
gedeeld. Als Saskia Lobo in 1924 een gidsje samenstelt met een keuze uit de
kinderboeken van de afgelopen vijf jaar, Het kinderboek
1920-1924, ontbreken daarin de twee Dik Trom's uit die jaren. En als
Gielen in 1925 wel vijf delen opneemt in zijn Standaard
catalogus, mét Pietje Bell en de boeken van
De Vletter, wordt dit onmiddellijk
gesignaleerd in Ons Eigen Blad. Gielen mag dan volhouden dat
de genoemde boeken goed zijn,
Rombouts is ervan overtuigd dat ze de
tuchteloosheid in de hand werken. Tussen 1926 en 1932 verschijnen nog zes
lectuurgidsen; in vier daarvan ontbreekt Dik Trom. En in 1928
meldt A. Kranendonk in De School met den Bijbel (25: 575) dat
het boek in Den Haag uit de bibliotheken van de openbare lagere scholen is
verwijderd: een voorbeeld dat volgens hem navolging verdient.
21
In tabel 2 (blz. 146) is de omslag in de waardering van
Dik Trom duidelijk te zien: tot 1914
dertien aanbevelingen en drie waarschuwingen, in de eerste tien jaar na de
verschijning van
Pietje Bell een evenwicht (vijf tegen
vijf),
22 daarna zijn de verhoudingen omgekeerd
(drie-negen). Eigenlijk is de verschuiving nog groter dan deze cijfers
suggereren: het enthousiasme van sommige aanbevelingen uit de eerste jaren komt
na 1914 alleen nog maar voor in de ingezonden brief van Schoevers, terwijl de
tegenstanders het boek in steeds krassere termen veroordelen. | | | |
Tabel 2 De verandering in de waardering van Dik
Trom
| |
Positief |
Negatief |
| |
|
|
| |
Wat mogen onze kinderen lezen? |
|
| |
K. Andriesse |
|
| |
Het Nieuws van den Dag |
|
| 1900 |
Nellie van Kol |
|
| 1902 |
Nienke van Hichtum |
|
| 1904 |
Jan Ligthart |
H.A. Laban |
| |
Suze Groshans |
|
| 1905 |
Lijst Nederlandsche Kinderbond |
|
| |
J.W. Gerhard |
|
| 1906 |
Theo Thijssen |
|
| 1908 |
|
Marie Ligthart |
| 1910 |
Kinderlectuur NOG |
C.S. Jolmers |
| 1911 |
C.E. Hooykaas |
|
| 1912 |
Cornelis Veth |
|
| |
|
|
| 1914 |
J. Bos-Meilink |
H. Wuite |
| 1916 |
Jongensboeken |
|
| |
Onze kinderen en hun boeken |
|
| 1919 |
Lijst Nienke van Hichtum in School en
Leven |
J. Lens in De School met den Bijbel |
| 1920 |
|
J. Stoop-Snouck Hurgronje |
| |
|
Niet in Lijst ‘Ons Huis’ |
| 1923 |
Reactie S.E. Schoevers |
J.H. Gunning |
| |
|
|
| 1924 |
|
Niet in Het kinderboek 1920-1924 |
| 1925 |
Standaard catalogus |
Ingezonden brieven in Ons Eigen Blad (met
naschrift Rombouts) |
| |
|
Rafaël-catalogus / Wat laat ik m'n kinderen
lezen? |
| 1926 |
Lijst BNO |
|
| 1927 |
|
Niet in De kleine vuurtoren |
| 1928 |
H. van Tichelen |
‘Verbannen’ uit de Haagse schoolbibliotheken |
| |
|
Niet in Wibaut & Lobo 1928 |
| |
|
Jachin |
| 1931 |
|
Niet in Bibliotheekgids Lens |
| 1932 |
|
Niet in Hellinga-Zwart & Hellinga 1932 |
| | | |
Tot de tegenstanders van
Dik Trom behoort ook Jachin. De Zondagsschool van november 1928 plaatst een commentaar bij het
interview met
Kieviet in Het Vaderland. Het
wordt ‘een teekenachtig verschijnsel’ genoemd dat de jongens meestal
Dik Trom noemen als ze op school een voorleesboek mogen
kiezen. Maar de onderwijzer zal liever een ander boek voorlezen, veronderstelt
de anonieme commentator, ‘omdat hij niet gaarne voor de heele klas een
onderwijzer gedupeerd ziet vanwege de ééne poets op de andere, die in deze
boeken den onderwijzer wordt gebakken’. Hij vindt dat deze boeken speculeren op
een verkeerde geest: ‘Ze zijn vol zevenklappers en knal-effecten, en telkens
barsten de bommen naar den kant van degenen, die voor het besef van de jeugd
“het gezag” vertegenwoordigen.’ (De Zondagsschool, 26, nr.
11: 2).
Al is de waardering volstrekt tegengesteld, deze interpretatie van
Dik Trom wijkt nauwelijks af van die van
Ligthart. Diens conclusie dat de fortuin met
de stoutmoedige is, geldt nog onverminderd. Want al wordt de ‘anarchistische’
Dik Trom dan uiteindelijk door de pedagogen afgewezen, voor de kinderen (en hun
ouders) is hij de held. Van
Uit het leven van Dik Trom verscheen in
1929 de twintigste druk; de totale oplage was ongeveer honderdduizend
exemplaren.
De bezorgde opvoeders mogen dan bij de beoordeling van Dik
Trom uiteindelijk de grootste invloed hebben gehad, die reikte toch niet
verder dan de beoordelaars van kinderboeken en wellicht de samenstellers van
school- en jeugdbibliotheken. De kinderen lazen Dik Trom toch
wel en hun ouders, die er vroeger zelf van genoten hadden, hadden daar - zo
blijkt uit de verkoopcijfers - geen enkel bezwaar tegen. Ze werden in deze
houding bevestigd door Het Vaderland, dat Kieviet in het
interview bij zijn zeventigste verjaardag omschrijft als ‘de man, aan wien
Neerlands jeugd zulke groote verplichtingen heeft’. Men kan zich dan ook
afvragen of de verwijdering van Dik Trom uit de
schoolbibliotheek, zoals op de Haagse openbare scholen, niet vooral het effect
heeft gehad dat de verkoop nog eens extra werd gestimuleerd.
De studie van Van Tichelen Een tweede maatstaf voor de
invloed die de verschillende benaderingen in deze periode hebben gehad, zijn de
lectuurgidsen, waarvan er vooral na 1925 nogal wat ver- | | | | schenen.
Daarnaast verscheen in 1928 een boek dat in dit verband afzonderlijke aandacht
verdient:
Over boeken voor kindsheid en jeugd van
Hendrik van Tichelen (1883-1967), de
conservator van het Stedelijk Schoolmuseum in
Antwerpen. Hij is de eerste die zijn eisen voor
goede kinderboeken gedeeltelijk baseert op andere auteurs. Hoewel zijn studie
geen afspiegeling hoeft te zijn van de meest gangbare opvattingen (dus van de
invloed van de verschillende benaderingen), kan het wel een aanwijzing in die
richting zijn.
Het interessantste is misschien welke auteurs hij als bron vermeldt.
Naast enkele Vlaamse en Duitse auteurs zijn dat:
Bos-Meilink,
Doodkorte,
Gerhard,
Nellie van Kol,
Stamperius (1910) en
Stoop-Snouck Hurgronje: uitsluitend
beschouwingen die in boekvorm verschenen zijn, en dus vrijwel alleen
vertegenwoordigers van de pedagogische benadering. Bij het bespreken van de
eisen waaraan kinderboeken moeten voldoen, verwijst hij bovendien naar enkele
figuren die hij niet in zijn lijst van bronnen vermeldt:
Ida Heijermans, ‘
Nellie[!] van Hichtum’ en
Mathilde Wibaut.
Omdat hij ervan uitgaat dat kinderboeken een grote invloed hebben, ten
goede of ten kwade, verlangt hij dat ze ‘opbouwend materiaal’ bevatten, dat de
inhoud degelijk is. Zijn eisen op dit punt ontleent hij aan Bos-Meilink en
Nellie van Kol. Een kinderboek moet wáár zijn,
zedelijk, en onzijdig (en niet één levensbeschouwing als de enig ware
opdringen). En ten slotte moet het ‘humanitair’ zijn en ‘datgene in het licht
stellen wat de menschen en volkeren tot elkander voert, onaangezien het
geslacht, den stand, de nationaliteit, het ras waartoe ze behooren’ (Van
Tichelen 1928: 11).
Hij besteedt echter meer aandacht aan de vorm van kinderboeken dan de
(andere) opvoeders. De vorm moet niet alleen correct zijn, maar ook
oorspronkelijk, ‘plastisch’ en levendig. ‘We zeggen niet: de vorm is hoofd- of
bijzaak, maar wel: de vorm is de wijze waarop de inhoud aangeboden wordt, en
daarom maakt hij in laatste instantie het werk aannemelijk of niet.’ (Van
Tichelen 1928: 9). Morele beschouwingen wijst hij af: hij verlangt dat een
kinderboek ‘niet door gepredik, maar door het edele of onedele der daden zelf
den lezer van het menschelijk slechte of minderwaar- | | | | dige afwendt
en naar het goede, het rechtvaardige, het schoone toekeert’ (Van Tichelen 1928:
10).
Afgezien van deze passage concentreert hij zich echter op pedagogische
aspecten. Hij waarschuwt bijvoorbeeld uitvoerig tegen avonturenverhalen.
De reis om de wereld in tachtig dagen en Michel
Strogoff van Verne kunnen misschien geen kwaad, zegt hij, maar jongens die
uit belustheid op avontuur alles van Verne hebben gelezen, zullen zonder enige
aarzeling naar Aimard, May en Wörishöffer grijpen en daardoor ongevoelig worden
voor goede beschrijvingen van de natuur en de volkeren. De boeken van Aimard
zijn wel goed gedocumenteerd, maar het is onwaar dat één ‘held’ zoveel gevaren
kan doorstaan, het is onzedelijk om fanatieke avonturiers als helden voor te
stellen, het is partijdig om in één volk of ras altijd de vijand te zien, en
het is inhumaan om voortdurend moordpartijen als ‘de eenig mogelijke uitweg’
voor te stellen (Van Tichelen 1928: 26-27). Hij verwerpt ook ‘de jongst
opgespoorde grappen van Dik Trom, en de hééle verzameling fratsen van Pietje
Bell’ (Van Tichelen 1928: 126).
Van zijn kritiek op Aimard neemt hij verderop iets terug. Hij zegt dat
Aimard, Cooper en Verne voortreffelijk werk hebben geleverd, maar ze worden
helaas niet om het didactische element gelezen, of liever verslonden, maar om
de avonturen. Kinderen raken erdoor geprikkeld, waardoor ze alles van deze
schrijvers gaan lezen, en ook van zeer verwerpelijke auteurs als Wörishöffer en
May, ja zelfs colportageromans als Buffalo Bill, Nick Carter, Lord
Lister en dergelijke. Het feit dat deze lectuur, ‘getuige zekere openbare
zittingen van kindertribunalen, noodlottig inwerkt op de verbeelding van jonge
lezers, dat moet ons aansporen tot omzichtigheid bij onze aanbevelingen’ (Van
Tichelen 1928: 142). Daarom vindt hij dat kinderen niet te vroeg met Verne en
Aimard moeten beginnen en dat ze maar een beperkt aantal boeken van deze
schrijvers mogen lezen.
Aan zijn studie voegt hij een lijst van aanbevolen boeken toe, met in
totaal zo'n zevenhonderd titels, gebaseerd op zijn eigen oordeel en dat van
recensenten. Van Aimard beveelt hij twee titels aan voor lezers van veertien
jaar en ouder. Ook met Dik Trom is hij royaler dan men zou
verwachten: de tot dan verschenen delen worden alle vijf aanbevolen.
| | | |
Lectuurgidsen Rond de eeuwwisseling kon een
onderwijzer bij de selectie van boeken voor de schoolbibliotheek gebruik maken
van twee gidsen: een lijst van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen uit 1894
en de bundels met beoordelingen van het NOG (waaruit in 1910 ook een lijst van
aanbevolen boeken werd samengesteld). Later kwamen daar lijsten in
tijdschriften bij, in 1916 de gids Onze kinderen en hun
boeken, samengesteld door Annie Gebhard, en in 1920 een lijst van boeken
aanbevolen door een commissie van ‘Ons Huis’. Vanaf 1925 verscheen er bijna
ieder jaar een lijst van aanbevolen kinderboeken, totdat in 1931 iedere
levensbeschouwelijke richting haar eigen bibliotheek- of lectuurgids had: een
passende afsluiting van een periode die begon met de vraag welke boeken een
onderwijzer zonder bezwaar in zijn bibliotheek kon opnemen.
Omdat deze gidsen een overzicht geven van de boeken die aan het eind van
deze periode geschikt werden gevonden voor kinderen, vormen ze een belangrijke
maatstaf voor de invloed van de verschillende benaderingen. Als ze echter al
beoordelingen bevatten, zijn die meestal zo kort dat ze niets zeggen over de
selectiecriteria. De criteria moeten dus uit de selectie zelf worden afgeleid:
tussen de honderden titels en auteursnamen moet men er een aantal vinden die
een aanwijzing geven over de opvattingen van de samenstellers. Ik heb de gidsen
daarom onderzocht op de aanbeveling van boeken die in deze periode
controversieel waren en dus als sjibbolet kunnen dienen: avonturenboeken en
‘anarchistische’ jongens- en meisjesboeken.
Een overzicht van de aanbeveling van controversiële avonturenboeken is
te vinden in tabel 3 (blz. 151). Van de volstrekte afwijzing waartoe
Stamperius neigt, is slechts in enkele
gevallen sprake, maar over de hele linie is een duidelijke daling te zien van
het aantal avonturenboeken dat men kinderen wil laten lezen en het aantal van
de auteurs die aanvaardbaar worden gevonden: 120 titels in de lijst van het
Nut, 30 in die van het NOG (de commissie staat op een veel ruimer standpunt dan
Stamperius) en gemiddeld 12 à 16 in de lijsten die na 1910 verschenen (het
aantal is niet precies te berekenen, omdat
Gielen in zijn Standaard
catalogus drie maal een auteur goedkeurt zonder titels te noemen).
Van alle samenstellers van lectuurgidsen komt Gielen het dichtst bij de
opvatting van
Cornelis Veth dat je jongens hun echte
| | | |
Tabel 3 Aanbeveling van avonturenboeken in
lectuurgidsen
| |
A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
J |
K |
L |
| Gustave Aimard |
11 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
2 |
- |
- |
| J.H. van Balen |
23 |
1
1 |
- |
- |
17 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
| J.F. Cooper |
6 |
3 |
2 |
- |
- |
- |
- |
4 |
- |
5 |
- |
- |
| Paul d'Ivoi
2 |
- |
- |
- |
- |
11 |
- |
- |
1 |
- |
3 |
- |
- |
| F. Marryat |
18 |
6 |
3 |
1 |
+
3 |
- |
3 |
2 |
1 |
5 |
- |
3 |
| Karl May
4 |
- |
14 |
- |
6 |
+ |
- |
1 |
5
5 |
- |
- |
- |
- |
| Jules Verne |
51 |
6 |
2 |
2 |
+ |
- |
- |
10 |
5 |
6 |
- |
6 |
| S. Wörishöffer |
11 |
- |
- |
- |
10 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Totaal auteurs |
6 |
5 |
3 |
3 |
6 |
0 |
2 |
5 |
2 |
5 |
0 |
2 |
| Totaal titels |
120 |
30 |
7 |
9 |
38+ |
0 |
4 |
22 |
6 |
21 |
0 |
9 |
| A = | Lijst van boeken Nut 1894 |
| B = | Kinderlectuur NOG 1910 |
| C = | Onze kinderen 1916 |
| D = | Lijst ‘Ons Huis’ 1920 |
| E = | Standaard catalogus 1925 |
| F = | Rafaël-catalogus 1925 |
| G = | Lijst BNO 1926 |
| H = | De kleine vuurtoren 1927 |
| I = | Wibaut & Lobo 1928 |
| J = | Van Tichelen 1928 |
| K = | Bibliotheekgids Lens 1931 |
| L = | Hellinga-Zwart & Hellinga 1932 |
De getallen geven het aantal titels aan.
| + | de auteur wordt aanbevolen zonder vermelding van
afzonderlijke titels |
| - | niet vermeld/negatief oordeel |
| | | |
jongensboeken moet gunnen. Alleen het werk van Aimard en Cooper vindt
hij niet geschikt voor kinderen (bij Aimard geeft hij overigens als reden dat
in diens werk te veel hartstochtelijke liefde voorkomt). Ook de lijst van
Van Tichelen en
De kleine vuurtoren zijn royaler met
avonturenromans dan het gemiddelde. Ondanks zijn bezwaren tegen Aimard beveelt
de eerste twee boeken aan voor lezers van veertien jaar en ouder. Door de
beperking van het aantal titels en de redenen die hij daarvoor aanvoert, blijft
hij echter een pedagoog die op een wat ruimer standpunt staat. Henriëtte Kluit
en Saskia Lobo tonen zich iets meer verwant met Veth door in het eerste
supplement van De kleine vuurtoren (1928) het oordeel van
volwassenen enigszins te relativeren. Zij vinden dat je ook rekening moet
houden met de lezer: je kunt niet ieder kind dezelfde boeken geven: aanleg en
omstandigheden moeten de keus mede bepalen; daarom geven zij een ruime keuze.
Daaruit blijkt nog eens duidelijk hoezeer de opvattingen veranderd zijn, want
hun ‘ruime keuze’ omvat maar een fractie van de titels die in 1894 werden
opgenomen in de lijst van het Nut. In de resterende zeven gidsen worden
nauwelijks avonturenromans aanbevolen (gemiddeld vier titels).
Drie van de acht auteurs zijn na 1910 vrijwel van het toneel verdwenen:
Aimard komt alleen nog voor bij Van Tichelen; Van Balen en Wörishöffer worden
slechts aanbevolen door Gielen. Cooper (volgens Veth wel wat braaf) komt na
1910 nog in drie gidsen voor, Paul d'Ivoi eveneens. Karl May wordt viermaal
genoemd: na Marryat en Verne scoort hij het hoogst. Bij de laatste twee is
eigenlijk alleen sprake van een beperking van het aantal titels, conform het
standpunt van
Nellie van Kol dat je kinderen niet met Verne
moet overvoeren, maar dat een enkel boek niet zal schaden. De controverse
tussen
Stamperius en
Veth is dus vrijwel volledig in het voordeel
van de eerste beslecht: de pedagogische argumenten hebben het gewonnen van de
literaire en de argumenten vanuit de lezer.
Tegen ‘anarchistische’ jongens- en meisjesboeken bestonden nog meer
weerstanden, zoals blijkt uit tabel 4 (blz. 153). Hoewel de boeken recenter
zijn dan de avonturenromans, worden de onderzochte auteurs/series na 1910 in
slechts 26,5 procent van de geval- | | | |
Tabel 4 Aanbeveling van controversiële jongens- en
meisjesboeken in lectuurgidsen
| |
A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
J |
K |
L |
| Chr. van Abkoude, Pietje Bell
1 |
- |
- |
- |
- |
3 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
| C. Joh. Kieviet, Dik Trom |
- |
1 |
1 |
- |
5 |
- |
1 |
- |
- |
5 |
- |
- |
| Cissy van Marxveldt
2 |
- |
- |
- |
- |
5 |
- |
1 |
- |
- |
- |
- |
- |
| Top Naeff, School-idyllen
3 |
- |
+ |
- |
- |
+ |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
| Mark Twain, Tom Sawyer |
+ |
- |
+ |
+ |
- |
- |
- |
+ |
- |
+ |
- |
+ |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Totaal auteurs/series |
1 |
2 |
2 |
1 |
4 |
0 |
2 |
1 |
0 |
2 |
0 |
1 |
| Totaal delen |
1 |
2 |
2 |
1 |
14 |
0 |
2 |
1 |
0 |
6 |
0 |
1 |
| A = | Lijst van boeken Nut 1894 |
| B = | Kinderlectuur NOG 1910 |
| C = | Onze kinderen 1916 |
| D = | Lijst ‘Ons Huis’ 1920 |
| E = | Standaard catalogus 1925 |
| F = | Rafaël-catalogus 1925 |
| G = | Lijst BNO 1926 |
| H = | De kleine vuurtoren 1927 |
| I = | Wibaut & Lobo 1928 |
| J = | Van Tichelen 1928 |
| K = | Bibliotheekgids Lens 1931 |
| L = | Hellinga-Zwart & Hellinga 1932 |
De getallen geven het aantal titels aan (bij series het
aantal delen).
| + | aanbevolen |
| - | niet vermeld/negatief oordeel |
| | | |
len aanbevolen (tegen 35 procent bij de avonturenromans). Dat
Tom Sawyer het hoogst scoort, is geen verrassing: het is dan
al klassiek en de held is het minst ‘tuchteloos’. Toch wordt het in twee van de
vijf gevallen voorbehouden aan lezers van veertien jaar en ouder (de lijst van
‘Ons Huis’ en
Van Tichelen).
Dik Trom is goed voor een tweede plaats
(al behoort het niet tot de ‘ruime keuze’ van
De kleine vuurtoren).
Cissy van Marxveldt, die volgens de NRC van 3 december 1919 in
De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul ‘beter
keek of zuiverder voelde - eerlijker zijn dorst’ dan andere schrijfsters van
meisjesboeken wordt slechts aanbevolen in twee van de negen gidsen die na haar
debuut verschenen; ook door Gielen, die echter opmerkt dat men tegen de
genoemde titels ‘wellicht bezwaren van opvoedkundigen aard kan laten gelden’
(Standaard catalogus 1925: 114).
School-idyllen en
Pietje Bell worden na 1910 zelfs alleen
nog aanbevolen door Gielen. Dat er in Ons Eigen Blad tegen
zijn werk gewaarschuwd wordt, is dus geen uiting van roomse enghartigheid: de
Standaard catalogus is inderdaad veel royaler dan alle andere
gidsen.
De praktijk van de lectuurvoorziening Het onderzoek
van de lectuurgidsen bevestigt eerdere aanwijzingen dat de pedagogische
benadering in deze periode de meeste invloed heeft gehad: van de
vertegenwoordigers van de esthetische benadering wordt alleen
Gerhard genoemd in historische overzichten;
ook
Van Tichelen baseert zich in 1928 vrijwel
uitsluitend op degenen die het kinderboek als een middel in de opvoeding
beschouwen; en Dik Trom, aanvankelijk toegejuicht als een
vermakelijk en goedgeschreven kinderboek, wordt ten slotte op grond van
pedagogische overwegingen afgekeurd.
Zoals gezegd blijkt uit het voorbeeld van Dik Trom
ook, dat de invloed van de behoudende pedagogen soms niet verder reikte dan het
officiële kinderboekenwereldje: veel ouders zagen er geen been in om dit
‘verderfelijke’ boek voor hun kinderen te kopen. Een aanbeveling had soms al
even weinig effect.
J. Riemens-Reurslag vermeldt in
Het jeugdboek in de loop der eeuwen (1949)
een lijst van aanbevolen boeken die in 1932 door vier directrices van
kinderleeszalen in samenwerking met
Suze Groshans en anderen was opgesteld ten
behoeve van het Bureau International d'Education | | | | te Genève. Ze
stelt vast dat deze ‘crème de la crème’ weinig succes heeft gehad: sindsdien
zijn van alle boeken op deze lijst alleen Dik Trom en de
baker- en kinderrijmen van
S. Abramsz herdrukt (Riemens-Reurslag 1949:
186). Haar conclusie dat het kinderboek was ‘doodgepaedagogiseerd’, is dan ook
ten hoogste geoorloofd voor de officieel goedgekeurde en aanbevolen
kinderliteratuur. Juist de boeken die niet aan de pedagogische eisen voldeden,
werden het meest verkocht en gelezen.
Rest de vraag hoe groot het officiële kinderboekenwereldje was, waar de
behoudende pedagogen de meeste invloed hadden. Als de meeste ouders zich
blijkbaar weinig aantrokken van aanbevelingen en afkeuringen, moeten
lectuurgidsen vooral effect hebben gehad op de lectuurvoorziening in
bibliotheken. Van de situatie in schoolbibliotheken is weinig te zeggen, maar
het bezit van openbare bibliotheken in deze periode is vastgelegd in gedrukte
catalogi. Om een indruk te krijgen van de invloed van de gidsen heb ik ook de
catalogi van de jeugdafdelingen van twaalf bibliotheken onderzocht op de
aanwezigheid van controversiële avonturenboeken en ‘anarchistische’ jongens- en
meisjesboeken: acht catalogi van (algemene) openbare leeszalen en bibliotheken
en vier van katholieke bibliotheken.
23 Het verschil met de
lectuurgidsen is overweldigend.
Een overzicht van de aanwezigheid van controversiële avonturenboeken is
te vinden in tabel 5 (blz. 156). Hoewel maar één bibliotheek de 120 titels van
de lijst van het Nut uit 1894 overtreft, is er vrijwel niets te bespeuren van
de daling die in de gidsen zichtbaar was. Gemiddeld hadden de jeugdafdelingen
95 avonturenboeken van de onderzochte auteurs: ongeveer zeven maal zoveel als
er worden aanbevolen in de gidsen die na 1910 verschenen. Bij de meest
controversiële auteurs is het verschil nog groter: van Aimard zijn gemiddeld
8,5 titels aanwezig (tegen 0,2 in de gidsen), van Van Balen eveneens; en het
werk van Wörishöffer, na 1910 alleen door Gielen aanbevolen, is in alle
bibliotheken aanwezig. Hoewel er grote verschillen bestaan tussen de
bibliotheken onderling (de aantallen variëren van 32 tot 152), zien we geen
duidelijke scheiding tussen algemene en katholieke bibliotheken: van de
volstrekte afwijzing van neutrale avonturenboeken door Rombouts en de zijnen is
niets terug te vinden.
24
| | | |
Tabel 5 Aanwezigheid van avonturenboeken in openbare
leeszalen en bibliotheken
| |
A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
J |
K |
L |
| Gustave Aimard |
13 |
5 |
15 |
4 |
14 |
- |
24 |
20 |
6 |
- |
- |
1 |
| J.H. van Balen |
- |
17 |
11 |
1 |
- |
4 |
19 |
5 |
10 |
27 |
7 |
2 |
| J.F. Cooper |
5 |
5 |
6 |
5 |
11 |
5 |
11 |
5 |
1 |
1 |
5 |
5 |
| Paul d'Ivoi |
8 |
18 |
11 |
5 |
10 |
1 |
14 |
14 |
6 |
7 |
7 |
14 |
| F. Marryat |
15 |
13 |
11 |
10 |
10 |
7 |
15 |
12 |
8 |
3 |
1 |
12 |
| Karl May |
14 |
4 |
11 |
5 |
25 |
- |
28 |
22 |
20 |
29 |
28 |
36 |
| Jules Verne |
34 |
40 |
30 |
28 |
37 |
12 |
29 |
30 |
35 |
3 |
31 |
38 |
| S. Wörishöffer |
10 |
4 |
6 |
2 |
6 |
3 |
12 |
10 |
1 |
3 |
6 |
3 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Totaal auteurs |
7 |
8 |
8 |
8 |
7 |
6 |
8 |
8 |
8 |
7 |
7 |
8 |
| Totaal titels |
99 |
106 |
101 |
60 |
113 |
32 |
152 |
118 |
87 |
73 |
85 |
111 |
| A = | Katalogus Gem. Jeugdleeszaal Den Haag 1923 |
| B = | Catalogus Openbare Leeszaal Delft 1924 |
| C = | Katalogus OLB Den Helder 1924 |
| D = | Catalogus OLB Zutphen 1926 |
| E = | Catalogus Gem. Bibliotheek Rotterdam 1929 |
| F = | Katalogus Filiaal OLB Den Haag 1931 |
| G = | Catalogus OLB Enschede 1933 |
| H = | Katalogus Openbare Leeszaal Utrecht 1937 |
| I = | Lijst RK OLB 's-Hertogenbosch 1930 |
| J = | Catalogus St. Vincentius Oost-Arnhem 1934 |
| K = | Catalogus St. Vincentius Den Haag 1935 |
| L = | Catalogus RK OLB Den Haag 1936 |
De getallen geven het aantal titels aan.
| | | |
Nu kan men zich afvragen of deze aantallen wel een maatstaf zijn. Het
gaat immers om oude titels: misschien waren de boeken nog niet gesaneerd, maar
zou men ze nu niet meer aanschaffen. Dit argument gaat echter niet op. De
(kinder)leeszalen waren immers nog betrekkelijk jong. De Gemeentelijke
Jeugdleeszaal in
Den Haag dateert bijvoorbeeld van 1918; in 1921
werd
Saskia Lobo hier aangesteld.
25 Doordat de catalogus van 1923 uit twee
delen bestaat, een voorlopige lijst en een supplement 1921-1922, kunnen we
vaststellen dat zij in die twee jaar 27 avonturenboeken aanschafte: vijf méér
dan
Henriëtte Kluit en zij in 1927 opnamen in
De kleine vuurtoren. Bij die 27 boeken
waren er maar liefst negen van
Aimard.
De kinderbibliotheek van de Gemeentebibliotheek in
Rotterdam was nog iets later gestart, in 1924,
toen de gemeente de kinderleeszaal overnam die het Nut in 1916 had geopend.
Henriëtte Kluit, sinds 1917 hoofd van de Nutskinderleeszaal, verhuisde mee naar
de Gemeentebibliotheek. Bijna alle 113 avonturenboeken die de kinderbibliotheek
in 1929 bezat, moet zij hebben aangeschaft. Ook bij haar was de praktijk dus
veel ruimer dan de ‘ruime keuze’ van De kleine vuurtoren.
De verklaring is waarschijnlijk dat Kluit en Lobo wel bedenkingen hadden
tegen avonturenboeken, maar dat zij er eenvoudig niet buiten konden omdat deze
lectuur nu eenmaal zeer gevraagd was. De enige die nauwelijks concessies doet
aan haar lezers, is de derde belangrijke pionier van het jeugdbibliotheekwerk
van wie ik een catalogus heb gevonden: Louise de Gaay Fortman, hoofd van de
jeugdafdeling van het filiaal aan de Paets van Troostwijkstraat in Den Haag en
van 1934 tot 1939 redactrice van De kleine vuurtoren. Haar
collectie bevat slechts 32 titels van de onderzochte auteurs.
26 Gustave Aimard en Karl May staan bij
haar niet op de plank.
Een overzicht van de aanwezigheid van ‘anarchistische’ jongensen
meisjesboeken geef ik in tabel 6 (blz. 158). Het gemiddelde bezit is 12,3
delen: ruim 4,5 maal zoveel als er worden aanbevolen in de gidsen die na 1910
verschenen. Het verschil is dus kleiner dan bij de avonturenboeken: kennelijk
was het taboe hier sterker, met name bij
Pietje Bell, dat in vijf van de acht
algemene bibliotheken ontbreekt. De campagne tegen de ‘ploertigheid’ van dit
boek | | | |
Tabel 6 Aamvezigheid van controversiële jongens- en
meisjesboeken in openbare leeszalen en bibliotheken
| |
A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
J |
K |
L |
| Chr. van Abkoude, Pietje Bell |
- |
1 |
2 |
- |
- |
- |
3 |
- |
3 |
2 |
3 |
4 |
| C. Joh. Kieviet, Dik Trom |
3 |
5 |
2 |
4 |
4 |
- |
5 |
5 |
5 |
5 |
6 |
5 |
| Cissy van Marxveldt |
1 |
5 |
1 |
- |
- |
2 |
14 |
3 |
5 |
14 |
12 |
7 |
| Top Naeff, School-idyllen |
+ |
+ |
+ |
+ |
+ |
- |
+ |
+ |
+ |
- |
- |
+ |
| Mark Twain, Tom Sawyer |
+ |
+ |
+ |
- |
+ |
- |
+ |
+ |
+ |
- |
- |
+ |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Totaal auteurs/series |
4 |
5 |
5 |
2 |
3 |
1 |
5 |
4 |
5 |
3 |
3 |
5 |
| Totaal delen |
6 |
13 |
7 |
5 |
6 |
2 |
24 |
10 |
15 |
21 |
21 |
18 |
| A = | Katalogus Gem. Jeugdleeszaal Den Haag 1923 |
| B = | Catalogus Openbare Leeszaal Delft 1924 |
| C = | Katalogus OLB Den Helder 1924 |
| D = | Catalogus OLB Zutphen 1926 |
| E = | Catalogus Gem. Bibliotheek Rotterdam 1929 |
| F = | Katalogus Filiaal OLB Den Haag 1931 |
| G = | Catalogus OLB Enschede 1933 |
| H = | Katalogus Openbare Leeszaal Utrecht 1937 |
| I = | Lijst RK OLB 's-Hertogenbosch 1930 |
| J = | Catalogus St. Vincentius Oost-Arnhem 1934 |
| K = | Catalogus St. Vincentius Den Haag 1935 |
| L = | Catalogus RK OLB Den Haag 1936 |
De getallen geven het aantal titels aan (bij series het
aantal delen).
| | | |
heeft haar uitwerking dus niet gemist.
Dik Trom blijft echter geaccepteerd: het
ontbreekt alleen bij
Louise de Gaay Fortman, die hier nog minder
concessies doet dan bij de avonturenboeken.
Opmerkelijk is dat ook de kinderbibliotheek in
Rotterdam vier delen van Dik
Trom bezit. Een lezer uit die tijd,
Alfred Kossmann (geboren in 1922), heeft
namelijk andere herinneringen aan de Gemeentebibliotheek, waar zijn vader
directeur was: ‘De jeugdafdeling van dat instituut werd geleid door dames die
geloofden in opvoeding, en die enkel pedagogisch verantwoorde boeken
aanschaften. [...] Wij mochten
Fulco de minstreel lezen, en
Paddeltje, en de kostschoolboeken van J.B.
Schuil, maar niet
Dik Trom en niet
Pietje Bell.’ (Kossmann 1972: 56).
Nu was Kossmann in 1929 misschien nog wat jong voor Dik
Trom, hoewel hij zich in deze herinneringen laat kennen als een voorlijke
lezer. Maar de catalogus van 1931 - de laatste die de Gemeentebibliotheek bezit
van voor de oorlog - vermeldt eveneens vier delen van Dik
Trom en niets wijst erop dat ze daarna verwijderd zijn.
Wat Pietje Bell betreft, zijn Kossmanns herinneringen
overigens juist: dit Rotterdamse boek was zelfs in 1984, zeventig jaar na de
verschijning, nog niet in de Rotterdamse bibliotheek aanwezig (Haagsche Courant, 25 april 1984; Trouw, 28
april 1984). Het is echter het enige boek waarbij de bezorgde opvoeders zo'n
invloed hebben gehad. Ironisch genoeg bleef die beperkt tot algemene
bibliotheken: de katholieke bibliotheken waarvan ik een catalogus onderzocht,
bezitten er gemiddeld drie delen van. En hier is het boek wel representatief
voor het genre, want er zijn gemiddeld 18,75 controversiële jongens- en
meisjesboeken aanwezig (tegen 9,1 in algemene bibliotheken).
Al met al hebben de bezorgde opvoeders dus een zeer beperkte invloed
gehad op de praktijk van de lectuurvoorziening. Behalve Louise de Gaay Fortman
zullen er nog wel enkele bibliothecarissen zijn geweest die niet zo royaal
waren met controversiële boeken, maar op grond van deze steekproef mogen we
aannemen dat dit uitzonderingen waren. We zien in deze periode dus een
duidelijke kloof tussen theorie en praktijk. Op papier verlangt men dat
kinderboeken aan strenge pedagogische normen worden getoetst, in de praktijk
stelt men zich veel ruimer op en gunt men de jeugd haar favoriete lectuur.
|
5Volgens Lea Dasberg (1981:32) was al in 1865
een ‘keuzelijst van aanbevolen lectuur’ verschenen: de Leiddraad
en eerste bouwstoffen voor eene boekenlijst, samengesteld door M. D. van
Otterloo en anderen. In werkelijkheid bevat deze brochure echter een
uiteenzetting van de beginselen van het christelijk-nationaal onderwijs en een
lijst van léérboeken die aan deze beginselen voldoen.
6Deze Eerste proeve eener lijst
van boeken, geschikt om te worden opgenomen in eene leesbibliotheek voor
jongelieden van 12-18 jaren wordt besproken door J. Stamperius
(1889).
7Hij citeert zonder bronvermelding.
Waarschijnlijk zijn deze eisen afkomstig uit een aankondiging van de ‘Nieuwe
Bibliotheek voor de jeugd’: ze worden zowel door Theo Thijssen als door J.W.
Gerhard aangehaald in een bespreking van deze reeks (vgl. blz.72 en
79).
8‘Deze gedichten,’ aldus R.G.K. Kraan in zijn
dissertatie over Ons Tijdschrift, ‘wier esthetische waarde in
de titel Stamelingen treffend juist is aangegeven, verdienden
volgens de redactiesecretaris een plaats in OTs “vooral om de
innigheid van het sentiment dat er in tot uiting kwam”.’ (Kraan 1962:
214).
9Deze brochure, Kinderlectuur,
verscheen nog voor het Gids-artikel van Nellie van Kol: ze
wordt door Nellie vermeld in De Vrouw van 25 maart 1899;
Nellies artikel verscheen in De Gids van oktober
1899.
10Het andere boek dat hij positief beoordeelde, was
Eduard Kerner van M.C. van Doorn: De Nieuwe
School, 4 (1908): 20-26.
11De ontwikkelingspsychologie was toen een jong
vak, waarvoor de basis was gelegd door de medicus W.T. Preyer met zijn boek
Die Seele des Kindes (1882).
12Lea Dasberg (1975: 97) wijst er overigens op dat
Ellen Key zélf waarschuwde dat men kinderen niet weerloos moest maken door ze
van de volwassen wereld te isoleren.
13Twee onderwijzersbladen ( De Nieuwe
School en Het Nieuwe Schoolblad), drie opvoedkundige
tijdschriften voor een groter publiek (het Correspondentieblad van
den Nederlandschen Kinderbond, Het Kind en De Vrouw) en
een tijdschrift dat op de grens lag van die twee ( School en
Leven).
14Hierbij zijn vier onderwijzersbladen:
De Bode, het orgaan van de Bond van Nederlandsche
Onderwijzers (drie recensies in vier jaargangen), Nieuwe
Paedagogische Bijdragen, het Tijdschrift voor Onderwijs en
Opvoeding en het Vaktijdschrift voor Onderwijzers. Van
de literaire tijdschriften die ik heb onderzocht, bevat Groot
Nederland in het geheel geen recensies van kinderboeken, en De Gids - althans in deze periode - zeer weinig: drie in de
jaargangen 1887-1896, eveneens drie in 1897-1906, nog één in 1907-1916 en
daarna niet meer.
15In een rapport van de Bond van Gereformeerde
Knapenleiders vindt men een gematigder standpunt met betrekking tot
bastaardvloeken en andere ‘krasse’ uitdrukkingen: ‘In 't algemeen zijn kruiden
voor kinderen niet goed. [...] Maar we hebben bij het beoordeelen van het kwade
in dit opzicht ook te bedenken, dat vele schrijvers bij de beoordeeling van het
gebruik dezer uitdrukkingen een geheel ander standpunt dan wij innemen en de
beschuldiging: Gij vloekt! met klem zouden terugwijzen. Ook doet het verband,
waarin zulk een woord of uitdrukking voorkomt, hierbij veel af of toe. En ook,
onze vaderen waren weinig kiesch en preutsch en vaak allesbehalve gekuischt in
hun woordenkeus. Niet, alsof we hiermee een verschoonend pleit willen voeren
voor deze zonde! Maar de vraag is, of een aanbevelenswaardig boek behoort
afgewezen om het voorkomen van enkele min-gewenschte uitdrukkingen?’ ( Jongensboeken 1916: 24).
16Volgens het Lectuur-repertorium (1900-1952: 894) heeft hij ‘een reeks
voortreffelijke jongenstypen geschapen, die hun zedelijke grootheid en
idealisme danken aan hun bovennatuurlijke oriëntatie en hun gebruik van de
genademiddelen der kerk’.
17In een rapport van de Bond van Gereformeerde
Knapenleiders wordt twaalf jaar later een heel ander verband gelegd tussen
lectuur en seksualiteit. De auteurs wijzen erop ‘dat in het algemeen verstokte
onanisten niets meer voelen voor de z.g. avontuurlijke romans. [...] Omgekeerd
is het nu echter ook waar, dat een goed avontuurlijk boek de fantasie kan
leiden van de sexueele gedachte af en zoo het jonge mensch voor veel kwaad kan
behoeden.’ ( Jongens- en meisjesboeken 1937: 41).
18Tussen ‘moraal’, ‘tendens’ en ‘strekking’ maak
ik hier geen onderscheid. Hoewel deze termen een verschillende gebruikswaarde
hebben, overlappen ze elkaar. Ook Van Dale (1984) verwijst bij ‘moraal’ naar
‘tendens’ en omgekeerd.
19Van een ‘moraal’ - volgens Van Dale (1984: 1749)
een ‘(zeden)les’ - kan men dan eigenlijk niet meer spreken. Om de strekking te
ontdekken, moet de lezer het verhaal interpreteren (om met Andriesse te
spreken: hij moet zijn eigen morele gevolgtrekkingen maken).
20Ik heb niet naar volledigheid gestreefd, maar me
beperkt tot de bewijsplaatsen in het onderzochte materiaal, aangevuld met
enkele gegevens uit het archief van de familie Kieviet.
21In Den Haag werden de klassebibliotheken van de
openbare lagere scholen sinds 1921 verzorgd door de Gemeentelijke Jeugdleeszaal
in de Nieuwe Schoolstraat, die onder leiding stond van Saskia Lobo (Van
Riemsdijk 1977: 26).
22Hoewel Stoop-Snouck Hurgronje bij haar
veroordeling van de ‘groffe dronkemansgrappen’ in het werk van Kieviet en Van
Abkoude geen titels noemt, heeft zij waarschijnlijk ook Dik
Trom op het oog.
1Plus een bundel Sprookjes.
2Eerste Nederlandse vertaling
1895.
3Met uitzondering van vijf titels, die men
‘liefst voor oudere lezers moet bewaren’.
4Eerste Nederlandse vertaling
1890.
5Met waarschuwing tegen andere
titels.
1Eerste deel verschenen in
1914.
23Uit praktische overwegingen heb ik me beperkt
tot catalogi vermeld in de ‘bibliografie van bibliografieën op het gebied van
kinderboeken’ van Jeannette Kok (1986).
24De jeugdafdelingen van de algemene bibliotheken
hebben gemiddeld 97,5 titels van onderzochte auteurs (wat neerkomt op 6,4
procent van de collectie), de jeugdafdelingen van de katholieke bibliotheken 89
titels (7,1 procent van de collectie).
25De gegevens over het jeugdbibliotheekwerk in
deze periode heb ik ontleend aan de bundel Pioniers van het
jeugdbibliotheekwerk (1986).
26Deze 32 titels vormen slechts anderhalf procent
van de collectie; in de andere bibliotheken varieert het percentage van 4,2 tot
9,4 (met een gemiddelde van 7,15).
|
|