[p. 22]

3. De twee Marnix-portretten van Jacques de Gheyn II

In 1594 was Marnix door de Staten Generaal benoemd tot bijbelvertaler. Kennelijk beoogde men enerzijds de gewezen staatsman zo veel mogelijk buiten de politiek te houden, terwijl men anderzijds zocht naar een definitief eerherstel voor de smaad, die op hem geworpen was na de overgave van Antwerpen, stad die hij als ‘Premier Bourgmaistre’ verdedigd had tegen Parma (1585). Voor de vervulling van deze taak moest hij verhuizen van West Souburg (bij Vlissingen), waar hij zich als ambteloos burger op zijn kasteel had teruggetrokken, naar Leiden, waar hij zich in de voorzomer van 1595 met zijn gezin vestigde aan het Rapenburg 33  . Anderhalf jaar later, in november 1596, vertrok hij op verzoek van Prins Maurits op dienstreis naar Zuid-Frankrijk, naar Orange, om aldaar een algehele reorganisatie op kerkelijk, wetenschappelijk en cultureel terrein door te voeren. Na een uitermate teleurstellend verblijf keerde hij vermoeid en ziek in februari 1598 in Leiden terug. Jicht en graveel kwelden hem en sloopten zijn gezondheid, zoals we lezen in een brief van 10 juli 1598 aan Mornay-Duplessis:

Je suis ici oiseux pour les continuelles afflictions que Dieu m'envoye de maladies de goutte, de gravelle, et aultre incommodités de vieillesse, sans relasche. Ce voyage d'Orange m'a comme mis soubs le pied et rendeu inutile. 34  

Bovendien moest hij zich nog teweer stellen in een uitvoerige Response apologétique tegen de felle aanval, die Emmery de Lyere gedaan had tijdens zijn afwezigheid tegen zijn geschrift Ondersoeckinge ende grondelijcke wederlegginge der Geestdrijvische Leere, welk werk in 1595 verschenen was en waarin Marnix fel van leer was getrokken tegen de geestdrijvers: de Dopers, de Franckonisten en andere sectariërs, die het Innerlijk Woord boven het woord van de bijbel stelden 35  .

Op 1 november van dat jaar verhuisde de zieke - noodgedwongen -naar de Pieterskerkgracht, hetgeen geen sinecure geweest zal zijn, als we alleen al denken aan het vervoer van zijn grote bibliotheek 36  ; zes weken later

 33  Vgl. P.J. Blok. ‘Marnix in Leiden’. In: Leids Jaarboekje, 1920, pp. 30-32.
 34  Oeuvres de Ph. de Marnix, Corr. et Melanges. Brussel 1860, p. 352.
 35  Vgl. C. Kramer. Emmery de Lyere et Marnix de Sainte Aldegonde. Den Haag 1971.
 36  De omvang van Marnix' bibliotheek kennen we van de catalogus van de veiling van zijn boekenbezit op 6 juli 1599 - de oudste auctiecatalogus, die we bezitten. Een facsimiledruk hiervan verscheen bij B. de Graaf te Nieuwkoop in 1964.


[p. 23]

op 15 december 1598, overleed hij.

 

Omstreeks dezelfde tijd dat Marnix naar Leiden verhuisde, vestigde zich hier ook de jonggehuwde kunstenaar Jacques de Gheyn (1565-1629). Hij was in april 1595 in Amsterdam in het huwelijk getreden met Eva Stalparts van der Wielen, uit een rijke Haagse familie afkomstig, met wie hij zich voor een aantal jaren in Leiden vestigde 37  . Het is bekend, dat hij er regelmatig in universiteitskringen verkeerde 38  . Ook Marnix heeft hij er ontmoet en hij tekende zijn portret naar alle waarschijnlijkheid tussen februari en december 1598. Dit is immers de enige periode, waarin Marnix in Leiden verbleef sedert eind 1596.

Het portretje dat De Gheyn tekende 39   was van meet af aan bedoeld als schets voor een gravure: het randschrift in het ovaal rond het portret PHILIPPE DE MARNIX SEIG.R DV MONT STE ALDEGONDE. AETAT. LVIIII. ANNO M... staat in spiegelschrift, evenals Marnix' lijfspreuk REPOS AILLEVRS links van het portret. De datering wordt bemoeilijkt door de onleesbaarheid van het getal, dat De Gheyn achter het Anno in het ovaal plaatste. I.Q. van Regteren Altena, in zijn laatste grote boek over de familie De Gheyn is hier echter zeer resoluut in zijn uitspraak: ‘er kan geen twijfel mogelijk zijn dat het jaar duidelijk als 1597 is aangegeven, wanneer men het in een spiegel leest’ 40  . Ik vind dit een al te optimistische kijk op de twee krulletjes of haaltjes boven in het ovaal: ik kan er met geen mogelijkheid het cijfer 97 in zien.

Van Regteren Altena, dit standpunt eenmaal innemend, moet dan ook het AETAT LVIIII in het randschrift verklaren en komt dan als vanzelf op de vaststelling van het geboortejaar van Marnix. Hij stelt dan vast, dat Marnix aan De Gheyn verteld moet hebben, hoe oud hij was 41  . En, gaat hij verder, de tekening is het enige geloofwaardige document over zijn leeftijd, samen met het door hem [Marnix] getekende blad in het Album amicorum

 37  I.Q. van Regteren Altena. Jacques de Gheyn. An introduction to the study of his drawings. Amsterdam 1935, p. 5.
 38  Bekend uit deze periode is o.a. het fraaie portretje van Hugo de Groot op 15-jarige leeftijd. Voor andere connecties met wetenschappers, zie Van Regteren Altena, a.w., pp. 6-8.
 39  Deze tekening, vroeger in de collectie Fodor, bevindt zich in het Amsterdams Historisch Museum, inv. nr. A 10177.
 40  I.Q. van Regteren Altena. Jacques de Gheyn. Three Generations, II. Den Haag 1983, p. 113.
 41  Hij komt hier terug op zijn vermoeden, dat De Gheyn het portret niet naar het leven getekend zou hebben, omdat de gravure, die ernaar gemaakt werd, een jaar na Marnix' dood werd uitgegeven. Vgl. het in noot 37 vermelde werk, p. 8. Van Regteren Altena was hier trouwens al eerder op teruggekomen, zie Jaarboek ZWO 1974, p. 97.


[p. 24]



Marnix' handschrift in het Album amicorum van Emanuel van Meteren, gedateerd 20 juli 1576.

 



[p. 25]

van Emanuel van Meteren, waaruit blijkt, dat hij op 20 juli 1576 in het zevenendertigste jaar van zijn ‘pelgrimage door dit leven’ is 42  . Gecombineerd geven deze twee teksten dan, dat De Gheyn hem portretteerde in zijn negenenvijftigste jaar, d.w.z. toen hij 58 jaar oud was, dus is hij geboren in 1539 43  .

Maar Van Regteren Altena vergist zich hier. Indien De Gheyn Marnix naar het leven heeft getekend - en het fijn uitgewerkt portretje bestuderend, zie ik geen aanleiding te veronderstellen, dat dat niet het geval zou zijn - dan kan hij dat nooit gedaan hebben in 1597, omdat Marnix gedurende dit gehele jaar buitenslands vertoefde (nov. 1596 - febr. 1598). Uit het door Van Regteren Altena aangehaalde albumblad blijkt, dat Marnix op 20 juli 1576 nog 36 jaar is (in zijn zevenendertigste levensjaar derhalve) - hij zal dus 37 worden na die 20ste juli: dat kan zijn tussen 20 juli 1576 en 20 juli 1577. Terugrekenend moet hij dan geboren zijn tussen 21 juli 1539 en 20 juli 1540.

Er is echter nog een albumblad,waarop Marnix zijn leeftijd vermeldt en wel in het Album amicorum van de beroemde geograaf Abraham Ortelius 44  . Op dit blad vermeldt hij, dat hij op 7 maart 1579 in zijn negenendertigste levensjaar is. Hij is dus 38 en zal 39 worden tussen 8 maart 1579 en 7 maart 1580; de conclusie hieruit is, dat hij geboren is tussen 8 maart 1540 en 7 maart 1541. In dit laatste geval is hij op z'n vroegst geboren op 8 maart 1540, in het andere geval op z'n laatst op 20 juli 1540. Zijn geboortedatum moet derhalve tussen die twee data liggen 45  .

Voor de veronderstelling, dat Marnix en De Gheyn tegenover elkaar gezeten moeten hebben, pleit nog iets anders. Marnix heeft zelf de tekenpen niet onverdienstelijk gehanteerd; dat blijkt uit zijn bijdragen in verschillende alba amicorum. Niet alleen op het blad uit het zojuist genoemde album van Ortelius, maar ook nog op de bijdrage van 2 februari 1578 in het album van Janus Douza 46  , de eerste curator van de Leidse Universiteit, tekende hij boven de tekst een scheepje op de woelige zee tussen de klippen, op weg naar de Heer, Wiens naam hij in het Hebreeuws Jahweh en de naam

 42  Dit Album amicorum bevindt zich in de Bodleian Library te Oxford. Zie voor de tekst: A. Gerlo. De onuitgegeven briefwisseling van Marnix van Sint-Aldegonde. Brussel 1985, pp. 232-233. Een afbeelding in: M.v. St. A. Officieel Gedenkboek, a.w. afb. 3 (met onjuist jaartal).
 43  A.w., p. 114.
 44  Dit album bevindt zich in het Pembroke College te Cambridge. Tekst in Gerlo, a.w., pp. 235-236. Afbeelding: A.A. van Schelven, a.w., tegenover p. 13.
 45  Over Marnix' precieze geboortedatum is veel geschreven. Ik verwijs hier kortheidshalve naar Van Schelven, a.w., pp. 1-2.
 46  Verblijfplaats van dit Album is de Bibliotheek van de Leidse Universiteit. Tekst in: Gerlo, a.w., pp. 233-234. Afbeelding: Marnix van St. Aldegonde samengesteld door J. van Ham (Elckerlyc boekje nr. 1). Baarn z.j. [1939], tegenover p. 4.


[p. 26]



Marnix' handschrift in het Vriendenalbum van Abraham Ortelius, gedateerd 7 maart 1579.

 



[p. 27]



Marnix' handschrift in het Vriendenalbum van Janus Douza, gedateerd 2 februari 1578.

 



[p. 28]

CHR[ISTU]S in een stralende zon tekende met daarbij nog het sterrebeeld Grote Beer, het vaste baken voor de schipper.

Wanneer we nu zien, dat De Gheyn hetzelfde zinnebeeld in een medaillon naast het portret plaatst (waarbij hij het sterrebeeld Grote Beer verandert in de Kleine Beer en het Christusmonogram weglaat 47  ), dan moeten we aannemen, dat hierover persoonlijk contact tussen de twee mannen geweest is. En hun discussie lijkt nog verder gegaan te zijn: De Gheyn tekent er ook nog wolken bij, waaruit een stormwind waait, die het scheepje tracht tegen te houden op zijn koers naar de Heer en die aangeblazen wordt door Marnix' Roomse tegenstanders Koning, Paus en Monnik, zoals A. Meij ontdekte 48  .

Voor wat de datering van deze tekening betreft, houd ik het op bovengenoemde periode en indien Van Regteren Altena gelijk heeft, dat Marnix aan De Gheyn zijn leeftijd meedeelde, dan moet dit portret gemaakt zijn na 7 maart 1598. Eerst na deze datum is het AETAT LVIIII volledig terecht.

 

Kort na Marnix' dood gebruikt De Gheyn de tekening inderdaad als basis voor een gegraveerd portret, dat hij met het jaar 1599 dateert. Waarschijnlijk is het in het begin van dat jaar ontstaan, immers op een exemplaar ervan wordt boven het portret een citaat vermeld van Marnix' vriend, de beroemde geleerde Joseph Scaliger en onder het portret, in een ander handschrift, de datum, het exacte tijdstip van overlijden en de leeftijd van Marnix. Het komt mij voor, dat dit niet lang na zijn overlijden genoteerd moet zijn 49  .

Het zal niet algemeen bekend zijn, dat het koperplaatje, waarop De Gheyn zijn Marnix-portret graveerde, nog tot in de negentiende eeuw, of misschien tot in onze dagen bewaard is gebleven en wellicht als wandversiering heeft gediend: ik ken tenminste een paar nieuwe, lichte afdrukken op modern papier (19e-eeuws?) met een afdruk van een gaatje midden boven 50  .

 47  Op de gravure naar de tekening voegt hij, behalve de Poolster, ook het Christusmonogram weer toe, niet zoals Marnix CHRS, maar met de Griekse letters Χ Ρ Ε.
 48  Catalogus Tentoonstelling Jacques de Gheyn II als tekenaar in Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam 14 december 1985 - 10 februari 1986, p. 52.
 49  J.J. van Toorenenbergen, a.w., p. 239. De betreffende prent, in 1878 in bezit van prof. Doedes te Utrecht, zoals Van Toorenenbergen vermeldt, bevindt zich thans in het Institut Néerlandais te Parijs, waar hij op de De Gheyn tentoonstelling Le Héraut du Dix-Septième Siècle, gehouden van 9 mei tot 16 juni 1985, werd getoond onder nr. 65. Overigens vermeldt Van Toorenenbergen t.a.p., dat de tekst bij de gravure met de eigen hand van Scaliger is geschreven. De tentoonstellingscatalogus, p. 106, weerlegt dit standpunt met de mededeling, dat handtekening en handschrift niet lijken op dat van Scaliger. De prent staat afgebeeld op plaat 53 van de catalogus.
 50  Een exemplaar bevindt zich bij het Iconographisch Bureau in Den Haag. Een ander exemplaar is in mijn bezit.


[p. 29]



Jacques de Gheyn II. Portret van Marnix van St. Aldegonde. Negentiende eeuwse afdruk van het koperplaatje, waarop de gravure in 1599 gemaakt werd. (cat. nr. 5a)

 



[p. 30]

Aan het eind van 1599 51   wordt het gegraveerde portret gepubliceerd en wel na de titelpagina van het Traicté du Sacrament du Ste Cene du Seigneur, een werk, dat Marnix kort voor zijn reis naar Orange voltooid had 52  , maar dat nu eerst postuum werd uitgegeven door Iean Paedts en Iean Baudewin te Leiden. Marnix' weduwe Josine de Lannoy schenkt een exemplaar van dit boek in februari 1600 met het mooie, in haar handschrift geschreven sonnet ‘La vie en la mort’ aan de Universiteit van Leiden, daarmee, zo komt mij voor, tevens het portret van haar overleden man erkennend.

Het heeft zin wat langer stil te staan bij de tekening en de gravure van De Gheyn. Vergelijken we beide portretten goed, dan bespeuren we al snel, dat, hoe fraai De Gheyn de gravure ook uitgewerkt heeft, veel van het directe en spontane in de communicatie met de zitter, maar vooral ook: veel van het menselijke van de oude Marnix is verloren gegaan. Terecht merkt Schapelhouman op 53  , dat de geportretteerde op de prent een aanmerkelijk jongere en meer gesoigneerde indruk maakt dan op de tekening. Deze laatste vertoont Marnix aan het eind van een veelbewogen leven; hij is pas 58 jaar, maar de stormen, die over hem heen zijn gegaan, hebben diepe sporen in zijn uiterlijk achtergelaten. Het gelaat is zeer gerimpeld en de blik in zijn ogen die de toeschouwer onderzoekend aankijken, verraadt een lichte spot of ironie, geaccentueerd door een flauwe glimlach.

De Marnix van de gravure laat een geheel andere indruk na: het lijkt, alsof hier de strenge Calvinist, die Marnix was, uitgebeeld is - geen jonge man, maar toch iemand in de kracht van zijn leven, een vastere blik, een strakkere mond en, in het algemeen, eerder geïdealiseerd. Van Regteren Altena wijst eveneens op het opmerkelijke verschil tussen de trekken op tekening en gravure: de veel spitsere kin op de laatste zou ingegeven zijn door opmerkingen van vrienden of familieleden, maar ook omdat De Gheyn dacht, dat Marnix sterk veranderd was kort voor zijn dood 54  . Een bron voor deze verklaring geeft Van Regteren Altena helaas niet. Merkwaardig verschillend is ook het haar: de korte, dicht op elkaar geplaatste omhoogstaande krulletjes op de gravure, zijn op de tekening slechts schetsmatig aangegeven, zijn veeleer wat platter gekamd en ook de inplant op het voorhoofd lijkt anders. Op het haar kom ik later in ander verband nog terug. Het komt mij voor, dat de tekening, juist door de goede observatie en de weergave van het menselijke, Marnix weergeeft, zoals hij er op het eind van zijn leven uitzag.

 51  Van Toorenenbergen. Gods. en Kerk. Geschr. II, 's-Gravenhage 1873, p. XXI.
 52  Het voorwoord is gedateerd 12 october 1596.
 53  M. Schapelhouman. Oude tekeningen in het bezit van de Gemeentemusea van Amsterdam, waaronder de collectie Fodor. Tekeningen van Noord- en Zuidnederlandse kunstenaars geboren voor 1600, vol. II. Amsterdam 1979, pp. 56-57.
 54  Three Generations, II, p. 113.