|
|
|
| |
| | | |
1. Philips van Marnix van St. Aldegonde (1540-1598)
In 1939 verscheen van de hand van Dr. A.A. van Schelven een biografie over
Marnix van St. Aldegonde2. Het tijdstip van verschijnen lag precies in het midden van de
herdenkingen van Marnix' vierhonderdste geboortedag, die in België in 1938 gevierd werd en in
Nederland in 1940 gehouden zou worden, ware het niet dat ons land inmiddels door de Duitsers
bezet was. De verdeeldheid van de herdenking geeft de verwarring aan omtrent de juiste
geboortedatum van Marnix.
Van Schelvens Marnix-biografie werd intussen alom geprezen als het werk van een integer en
erudiet historicus en terecht: op een zo hoog historisch niveau was tot dan toe nog geen enkel
volledig levensbeeld van Aldegonde verschenen. De enige echte tegenstrever was de onvermoeibare
tegenstander van de orthodox-calvinistische Marnix, de katholieke kanunnik Floris
Prims, de stadsarchivaris van Antwerpen, die ‘een katholiek oordeel’ over Marnix èn
Van Schelven velde, dat beiden ongefundeerd onrecht aandoet.3. Het was dezelfde felle toon,
die ruim zestig jaar eerder al aangeslagen werd door een andere katholiek, P.P.M.
Alberdingk Thijm, die in zijn pseudo-satirische De vroolijke historie van Ph. van Marnix,
Heer van Ste-Aldegonde en zijne vrienden4 afbreuk trachtte te doen aan de Marnix-adoratie,
die in de jaren zeventig van de vorige eeuw door de Antwerpse rederijkerskamer De Olijftak werd
aangewakkerd door een prijsvraag uit te schrijven voor het beste populariserende levensverhaal
over Marnix.
Toch is er een ander kritisch geluid - minder opgemerkt wellicht, maar wel steekhoudender dan dat
van Prims - tegen Van Schelvens boek: het is de Nijmeegse hoogleraar J.D.M.
Cornelissen, die zijn knappe detailstudie Marnix en de Tuinbouw als volgt laat aanvangen:
De waarde van het boek ‘Marnix van Sint Aldegonde’ door Dr. A.A. van Schelven is voor
ons vooral gelegen in de omstandigheid, dat een bevoegd geacht auteur ons is komen versterken in
de overtuiging, hoe buitengewoon veel wij van dezen medewerker van Oranje nog niet met
historische
| | | | zekerheid weten. De schrijver, consciëntieuzer dan menig ander, heeft immers tal van zinswendingen
noodig, om aan zijn gissingen en veronderstellingen op een varieerende wijze vorm te kunnen geven.
En zoo slaagt hij er in ten slotte aan het einde te geraken van een overzicht, dat in zijn samenstelling
bewijst, hoe het ogenblik om dit op een waarlijk bevredigende wijze te kunnen voltooien nog
geenszins was aangebroken.5
Ook Maurits Sabbe, de toenmalige conservator van het Museum Plantin-Moretus
te Antwerpen, die in 1937 de taak op zich genomen had om onder zijn redactie een gedenkboek
over Marnix uit te geven, gewaagt er in de omzendbrief aan zijn medewerkers van, dat ‘het
definitieve boek, dat Marnix' leven en werken volledig zou leeren kennen en al de nog raadselachtige
punten uit zijn bestaan ophelderen zou, nog steeds niet geschreven is’6. Op een paar
belangrijke detailstudies na is er sedertdien weinig veranderd in dat opzicht.
Philips van Marnix neemt een belangrijke plaats in in de politieke, culturele en kerkelijke
geschiedenis van de tweede helft van de zestiende eeuw. Hij werd geboren te Brussel
in 1540 als tweede zoon van Jacob van Marnix, wiens vader Jean afkomstig was uit Savoye en die
als secretaris van Margaretha van Oostenrijk in haar gezelschap naar de Nederlanden was
gekomen. Zijn moeder, Marie de Haméricourt, dame de Mont Ste Aldegonde (een klein goed bij
Binche in Henegouwen), is afkomstig uit Brugge. In maatschappelijk opzicht behoort de familie tot
de lagere adel, de dienst-adel, die veelal de hogere ambtenaren voor de staat leverde. De ouders
zijn goed katholiek en als de moeder vrij kort na Philips' geboorte sterft, hertrouwt Jacob met Marie
de Bonnières, een protégé van Granvelle; de kinderen die uit dit huwelijk geboren worden, blijven
de moederkerk trouw.
Met zijn iets oudere broer Jan wordt de 13-jarige Philips in 1553 ingeschreven als student van de
Universiteit van Leuven, waar de gebroeders waarschijnlijk klassieke letteren
studeren. In 1555 vertrekken ze naar Frankrijk en studeren in Parijs en Dole en gaan dan naar Italië,
waar ze in Padua hun studies voortzetten. Als de vader in 1557 overlijdt, erft Jan het landgoed
Toulouse (in Franche Comté) en Philips het bezit van moederszijde, Mont Ste Aldegonde -
landgoederen, waarnaar de gebroeders meestal genoemd worden. Wanneer de Marnixen
overgegaan zijn tot het Calvinisme is niet zeker, in elk geval behoren zij in 1559 tot de eerste
studenten van de nieuw opgerichte Universiteit van Genève, waar ze aan de voeten
| | | |
van Calvijn en Beza gretig de nieuwe leer van de hervorming inzuigen.
In 1561 keren de gebroeders definitief naar de Nederlanden terug en houden zich jarenlang schuil,
zoals Marnix later zelf getuigt in zijn Response apologétique à un libelle fameux:
je m'estoie tenu par l'espace de six ans, depuis mon retour de Geneve jusques au
commencement des troubles, comme caché soubs la croix des persecutions, qui estoient alors
tres-aspres.7
Terwijl Philips zich bezig blijft houden met theologische studies, richt Jan zijn aandacht steeds meer
op politieke aangelegenheden. In het eerste verzet van de Nederlandse adel tegen de politieke,
sociaal-economische en religieuze maatregelen van de Spaanse Koning en Heer van de
Nederlanden, Philips II, staat Jan in de voorste gelederen, later volgt Philips zijn broer. Zij behoren
tot de eersten, die zich aansluiten bij het Verbond der Edelen en tot de eerste ondertekenaars van
het aan de landvoogdes aangeboden Smeekschrift. Het is al spoedig duidelijk, dat de gebroeders tot
de extremisten onder de edelen behoren: Philips schrijft een verdediging van de Beeldenstorm
(Van de beelden afgheworpen in de Nederlanden in augusto 1566, eerst in 1871
uitgegeven en de verder uitgewerkte tekst hiervan in Vraye narration et apologie des
choses passées au Pays-Bas, touchant le Fait de la Religion, en l'An M.D.LXVI,
verschenen in 1567), en Jan, man van de daad, is een van de belangrijkste organisatoren van het
gewapende verzet en komt in het eerste bloedige treffen met de regeringstroepen in maart 1567 om
bij Austruweel onder de rook van Antwerpen. Als de hertog van Alva met een groot leger naar de
Nederlanden komt om orde op zaken te stellen, vlucht Philips met zijn gezin naar Duitsland, waar hij
gastvrij onthaal vindt in Bremen en in Emden, waar hij gast is op de Lütetzburg bij de drost Unico
Manningha, die veel om hun geloof gevluchte ballingen heeft geherbergd.
Zijn zorg geldt in eerste instantie de organisatie en de eenheid van de hervormde kerk: hij schrijft
twee Advysen aengaende den twist in de Nederduytsche Kercke tot London in
Engellandt. Hij voltooit er ook, begin 1569, zijn meesterwerk, de beroemde satire
De Biënkorf der H. Roomsche Kercke, een felle bespotting van de katholieke
kerk. Nadat hij aanvankelijk in dienst was getreden van Frederik III, de calvinistische keurvorst van
de Palts, wordt hij begin 1571 ‘uitgeleend’ aan Prins Willem van Oranje, een dienstverband
dat duurt tot aan het levenseinde van de laatste in 1584.
Ongetwijfeld is Marnix de trouwste en meest toegewijde medewerker
| | | |
van de Prins. Hij dient hem als woord- en penvoerder, secretaris en raadsheer, ambassadeur en
diplomaat, propagandist en pamflettist. In die laatste hoedanigheid verdedigt hij bij voorbeeld de
Prins tegen een scherpe aanval in een pamflet, waarin niet alleen Oranje, maar ook hijzelf heftig
aangepakt wordt en ‘personne vrayment factieuze et perverse’ genoemd wordt. In zijn
Response a un libelle fameux (1579) pareert hij:
Je ne me soucie gueres d'estre calomnié d'un mechant, plustost je l'estime à grande
louange, mesme de ce qu'on me fait cest honneur de me mettre au rang des fidelles serviteurs
de son Excellence, lequel à bon droit nous pouvons appeller Pere de la Patrie.8
En in zijn andere grote verdediging, de hierboven genoemde Response apologétique
(1598) verraadt hij iets van zijn bijzondere relatie tot de Prins tijdens het laatste gesprek, dat tussen
de twee mannen plaatsvond te Delft bij de doop van Frederik Hendrik in juni 1584:
En ce voiage il me montra infienement plus d'honeur, de caresse, de privauté et de
confiance qu'il n'avait onques faict de sa vie, ni à moi ni à aucun sien conseiller ou
serviteur.9
Naast zijn politieke werkzaamheden blijft hij een onvermoeibare organisator van de hervormde kerk
en raadsman voor de hervormde synodes van Wesel (1568), Emden (1571), Dordrecht (1578) en
Middelburg (1581). Bovenal is hij dichter en literator, ook al stelt hij zijn gigantische talenkennis
meer in dienst om zijn godsdienstige overtuiging uit te dragen, dan om zijn literaire artisticiteit ten
toon te spreiden.
Zijn eerste optreden namens de Prins van Oranje in deze landen is op de eerste vrije
Statenvergadering te Dordrecht in juli 1572, waarin hij vraagt de Prins tot stadhouder
van Holland en Zeeland te erkennen, om geldelijke steun verzoekt om de opstand te financieren en
voor gelijkheid van de gereformeerde en de rooms-katholieke godsdienst pleit. In deze periode van
onze geschiedenis, waarin de zaak van de Nederlandse gewesten er vaak zeer slecht voorstond,
heeft hij de Prins met raad en daad terzijde gestaan; naast het hanteren van een vlijmscherpe pen
was hij begiftigd met grote diplomatieke gaven en een bijzondere welsprekendheid. Ongeëvenaard
was zijn bedrevenheid in het ontcijferen van geheimschrift, ook al is er jarenlang een lek geweest aan
Spaanse zijde, waardoor de cijfersleutels naar de Prins van Oranje werden doorgegeven.
| | | |
In 1573 valt hij in handen van de Spanjaarden en wordt een jaar lang opgesloten in
Utrecht. Vooral in de eerste maanden van zijn gevangenschap vreest hij voor zijn
leven en tracht hij de Prins over te halen vrede met Spanje te sluiten. In de gevangenis houdt hij zich
bezig met het vertalen van de Psalmen vanuit de grondtekst. Nadat hij tegen de Spaanse
bevelhebber Mondragon is uitgewisseld, reist hij in dienst van het vaderland half Europa af - tot
Polen toe - en tracht steun te verkrijgen voor de onderdrukte gewesten. Maar ook in dienst van de
wetenschap reist hij naar het buitenland: in 1575 gaat hij naar Heidelberg om professoren te winnen
voor de pas opgerichte Universiteit van Leiden. En passant onderhandelt hij er over een huwelijk
van zijn meester met Charlotte de Bourbon en voert haar als bruid naar Holland.
Mede door zijn toedoen sluiten de gewesten zich (kortstondig) aaneen in de Pacificatie van Gent
(1576). Hij is nauw betrokken bij de voorbereidingen en het tot stand komen van de Unie van
Utrecht (1579) en verdedigt als burgemeester van Antwerpen de stad tegen de hertog
van Parma. Door gebrek aan proviandering, onderlinge verdeeldheid van de diverse groeperingen
binnen de stad en het uitblijven van hulp van buitenaf, moet hij de stad - de belangrijkste in de
Nederlanden - overgeven aan de Spanjaarden (1585). Ten onrechte heeft men hem daarvoor van
landverraad en zwakheid beschuldigd; hevig teleurgesteld door wat hij voelt als onrecht, trekt hij
zich uit alle openbare ambten terug op zijn kasteel te West Souburg in Zeeland, zijn
dagen slijtend met theologische studies (met name schrijft hij een herziening van zijn Psalmberijming,
1591, en steekt hij zijn landgenoten, die nog zuchten onder het kruis der vervolgingen een hart onder
de riem met zijn Trouwe Vermaninge, 1589). Vooral ook houdt hij zich bezig met de
botanische studie: met grote hartstocht kweekt en cultiveert hij bloemen en gewassen.
Vanaf 1590 verleent hij weer diensten aan het land: men vraagt hem enige onderschepte Spaanse
brieven te ontcijferen en van de inhoud ervan de Franse koning en de Engelse koningin persoonlijk
op de hoogte te stellen. Een algehele rehabilitatie volgt in 1594 met de opdracht de bijbel te
vertalen, een werk, waaraan hij door allerlei nieuwe opdrachten slechts korte tijd heeft kunnen
werken. Hij is 58 jaar oud als hij op 15 december 1598 te Leiden zijn ‘repos
ailleurs’ vindt.
|
2A.A. van Schelven. Marnix van St. Aldegonde. Groote figuren uit
ons verleden I. Utrecht 1939.
3Kan. Floris Prims. Marnix
van St. Aldegonde. Een katholiek oordeel. Antwerpen 1939.
4P.P.M. Alberdingk Thijm. De vroolijke historie
van Ph. van Marnix, Heer van Ste-Aldegonde en zijne vrienden. Eene zedeschets, opgedragen
aan alle zijne bewonderaars. Leuven 1876.
5J.D.M. Cornelissen. ‘Marnix en de Tuinbouw’. In:
Historisch Tijdschrift XIX, 1940, pp. 223-251.
6Marnix van Sinte
Aldegonde. Officieel Gedenkboek. Brussel-Amsterdam z.j. [1939], pp. 15-16.
7Oeuvres de Ph. de Marnix, Correspondance et Mélanges.
Brussel 1860, p. 436.
8Oeuvres
de Ph. de Marnix, Écrits politiques et historiques. Brussel 1859, p. 79.
9Oeuvres de Ph. de Marnix, Correspondance et Melanges. Brussel 1860,
p. 435.
|
|