Nieuw handboek der Nederlandsche letterkundige geschiedenis


auteur: Jan L. Walch


bron: Jan L. Walch, Nieuw handboek der Nederlandsche letterkundige geschiedenis. Martinus Nijhoff, Den Haag 1943


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 245]

Een stap verder

Een drietal zeer Nederlandsche - en wel Noordnederlandsche - renaissancisten kondigt zich aan. We leggen nadruk op ‘Nederlandsch’. Want Coornhert (1522-1590), Spiegel (1549-1612) en Roemer Visscher (1547-1620) hebben de Renaissance vooral als Nederlanders ervaren en aanvaard; we bedoelen, dat ze geenszins, met uitheemschheden dwepend, los raakten van den vaderlandschen grond en van den eigenaardig-vaderlandschen denktrant. Ze hebben dan ook uit het vele dat er uit de Oudheid en uit het eigentijdsch Italië tot hen kwam, vooral gekozen naar Nederlandsche voorkeur. En dat, veelal althans, in superieuren trant: meer wijsheid zoekende dan weten. Ze beslaan met hun drieën een eeuw; als Coornhert geboren wordt, liggen de Middeleeuwen nog in dicht-nabij, sterk doorwerkend verleden. In Holland is nog van het nieuwe niet veel te speuren. Als Roemer Visscher sterft, is Holland ‘omgewenteld’, vrij en rijk, de Gouden Eeuw is aanbrekende. We hebben bezittingen in de Oost, de schilderkunst bloeit, Breeroo en Hooft hebben al van het prachtigste onzer bloeitijdlitteratuur geleverd, Holland is reeds het land, waarvan men zoo typisch naar eigen trant zeide:

 
Laet Romen op de konst en haere aeloudheid brallen,
 
En Tivoli op zijn vele watervallen,
 
En Napels op het graf van Maro en haar gonst,
 
Hier is de beurs en 't geld en liefde tot de konst!

***

 

Coornhert is wel zeer een ‘echte’ Hollander - we zeggen niet ‘Nederlander’ -: karakter en zeden gaan hem verre boven kunst en zwier. Men heeft hem wel bij Erasmus vergeleken en bij Montaigne, beiden verreweg zijn meerderen als artisten, zijn minderen wat levensernst aangaat.

De vooropstelling van zulke vergelijkingen heeft haar nut; ze geeft een aanvankelijke benadering van het wezen van de person-

[p. 246]

nage over wien het gaat. Coornhert is voor alles een degelijk man en een moralist. Een degelijk man. Hoe is hij tot de klassieken gekomen, hoe is hij renaissancist geworden? Op zijn zestiende jaar - let wel! - in den Bijbel studeerend, meende hij onjuistheden in de leer der Roomsche kerk - waartoe hij behoorde, en waarmee hij nooit officieel gebroken heeft - te ontdekken. Hij gaat op zoek naar de waarheid: hij wil de kerkvaders lezen. Maar daar heeft hij kennis van 't Latijn voor noodig, en voor 't oogenblik wordt hij nog te veel door ook andere belangstellingen in beslag genomen; - gelukkig, zeggen we, waar 't een zoo jongen knaap geldt. Hij bespeelt allerlei muziekinstrumenten, leert schermen; zijn vader laat hem, naar de voortreflijke gewoonte van die eeuw ‘wat lands besoucken’; - ‘wat lands’ is hier Spanje en Portugal. En hij wordt verliefd op een meisje met een ondegelijke zuster, helaas, want die was het ‘vriendinnetje’ van Reinoud III, heer van Brederode en Vianen. En daarom heeft moeder Coornhert - de vader was al overleden - bezwaar tegen het huwelijk; er dreigt den zoon zelfs, dat hij bij ongehoorzaamheid onterfd zal worden. Deze geeft geen kamp; begeeft zich dan nog liever in dienst van zijn onwettigen zwager en wordt op diens kasteel Batestein bij Vianen hofmeester. Doch dat duurt niet lang; weldra - waarschijnlijk reeds op zijn twintigste jaar, in 1542 - vestigt hij zich met zijn vrouw te Haarlem als ‘plaetsnijder’ (graveur).

Als 't hem daar dan goed gaat, vat hij die oude studie weer op. Op zijn dertigste jaar begint hij met 't Latijn. Leest dan inderdaad de kerkvaders - en ook heidensche auteurs: Cicero, Seneca, Boëthius.

We zien in dien tijd wel héél dikwijls loswordingen van de Kerk, op grond van Bijbelstudie. Die critische geesten worden dan volgelingen van Luther of, later, van Calvijn. Niet aldus Coornhert. Zooals we reeds opmerkten, er is geen enkele aanwijzing gevonden dat hij de Moederkerk officieel verlaten zou hebben; integendeel, in een zijner geschriften ‘Ander en Corter Bewijs’ betoogt hij, dat de Roomsche Kerk, al heeft ze dan gebreken, toch de ware kerk is en nog op zijn 59ste jaar, in 1581, is hij de opsteller van een verzoekschrift, waarin de Katholieken te Haarlem vragen, dat hun een paar kerken voor hun godsdienstoefeningen zullen worden afgestaan.

Niet gebroken met de Moederkerk, neen, maar toch niet een ge-

[p. 247]

dwee lid van de kudde harer herders! Want naar de mis ging hij niet; hij aarzelde niet de meeste hoofden der Kerk ‘verslindende wolven’ te noemen1); kettervervolging scheen hem een even groote zonde als de vervolging van de ware geloovigen; de beeldstormerij verfoeide hij, maar de zoo vaak bedreven beeldendienst was voor hem afgoderij.... Dus: hij stond zoowat tusschen beide in.... Maar hij is ook weer verre van wat in dien tijd ‘een libertijn’ heet, d.i. wat we tegenwoordig met een schertsenden term een ‘gematigd onverschillige’ noemen, want hij is volkomen geloovig, - geloovig op zijn eigen manier, een manier die we in dien tijd bij meer individualisten vinden, die in 't Christendom opgevoed, de Oudheid als een méé-verlossend element in hun leven hebben gevonden. Men kan het met een niet-ongebruikelijke woordcombinatie ‘Stoïsch Christendom’ noemen, een term, die inderdaad niet zoo dwaas lijkt, als hij op 't eerste gezicht menigen positieven Christen of negatieven heiden mag lijken, daar er een belangrijk raakvlak tusschen deze twee levensbeschouwingen is; - men mag óók gelooven, dat dat wat zij gemeen hebben - speciaal de denkbeelden over de gemeenschap met God - den invloed van het Christendom op Epictetus bewijst.

Zijn ‘levensbeschouwing’, dat is wat we hier inderdaad voorop mogen zetten, want dat is wat al zijn werk doortrekt; zijn hoofdwerk is toch immers ook een ‘Zedekunst, dat is Wellevenskunste, vermids waarheyds kennisse vanden Mensche, van de zonden ende vande dueghden’; - en dat werk is veelszins een samenvatting van zijn geheelen arbeid; hij schreef het op 't laatst van zijn leven, in 1586. Deze gesteldheid van zijn wezen en werk doet de vraag opkomen, of hij wel in een boek, en zelfs in wat slechts een ‘handboek’ over de letterkunde heet, een ietwat belangrijke plaats, ja, éenige plaats mag innemen? Hij zelf zou daar geen aanspraak op maken!

 
Wat stelt ghy desen Saul onder u propheten,
 
Dees craey by u zwaens? My dan by den poëten?
 
By const-geesten my, in wyen noyt const gebooren werdt!
[p. 248]

Dat schreef hij althans in het Vrundt-bouc van Jan van Hout, waar hij zich in het gezelschap van diverse ‘zwaens’ bevond. En al kan natuurlijk een dergelijke nederige uiting voor een deel aan de bescheidenheid die een element in de letterkundige omgangsvormen was, vooral bij opdrachten en albumwoorden naar voren gebracht, worden toegeschreven, - toch moet Coornhert dit wel eenigszins gemeend hebben; zijn geschriften waren immers ook wel veelzins anders dan de kunstige, veelal naar onzen smaak te kunstige werken van dien tijd, die vooral ‘litteratuur’ wilden zijn.

Daartegenover staat in de eerste plaats: er is werk van een hoofdzakelijk letterkundige beteekenis van hem over; in de tweede plaats heeft hij een paar letterkundige werken als de Odyssee en de Decamerone (beide gedeeltelijk) vertaald. Maar in de laatste en voornaamste plaats: men kan een letterkundig kunstenaar blijken te zijn, zijns ondanks; zooals bijvoorbeeld in onze dagen het wetenschappelijk werk van de historici Fruin en Huizinga letterkundige waarde heeft. Trouwens, we spreken nu over een tijd, waarin geschriften van wetenschap en van belletrie nog aanmerkelijk minder scherp gescheiden waren dan thans.

Voor we echter, kortelijks, bij deze werken stilstaan, moge tot begrip van Coornherts persoonlijkheid nog iets worden gezegd over zijn verder maatschappelijk leven. We zagen, hoe hij als Haarlemsch ‘plaet-snyder int coper’ den kost won; en tijd voor theologische en verdere Latijnsche studie vond. We vermeldden ook hoe die studie hem niet, als zoovelen, tot het Protestantisme bracht; integendeel, men kan wel zeggen dat hij vijandig staat tegenover het hem te militant en onverdraagzaam Calvinisme, en, als hij per slot van rekening de meeste waarheid in het Katholicisme vindt, nemen zijn klassieke studiën een meer litteraire richting; in 1561 en '62 vertaalt hij ‘D'eerste twaelf boecken Odyssaee’, Cicero's ‘De Officiis’, en Seneca's ‘De Beneficiis’; zijn vertaling van de Decamerone (uit het Fransch) dateert van 1564. In 1561 wordt hij notaris, in '62 secretaris der stad Haarlem; collega dus weldra van Van Hout, die dit ambt sedert '64 te Leiden bekleedt. Beiden hebben, als politieke personen, te lijden van de weldra uitbrekende troebelen; zij het dat ze, met al hun humaniteit, aan verschillende kanten stonden. Coornhert protesteert en ageert tegen de beeldstormerij, bergt bewoonsters en waarden van het Ste Cecilia-klooster, dat naast zijn huis ligt,

[p. 249]

te zijnent in veiligheid; in 1566 maakt hij voor 't eerst kennis met Prins Willem, als die te Haarlem komt, daarna spreekt hij hem weer te Breda (1 Febr.);in 't najaar, op de Staten-vergadering te Schoonhoven, vertegenwoordigt hij met een der burgemeesters zijn stad; en krijgt daarna, te Utrecht, van den Prins de opdracht den Calvinisten te Amsterdam de boodschap te brengen, dat ze geen kerk in hun stad ingeruimd kunnen krijgen, zooals ze hadden gevraagd. En intusschen - het is het lot der verdraagzamen, der ‘middenmannen’, slagen van twee kanten te krijgen - ondanks die bescherming van de ‘benancxte susterkens’ en zijn weigering van kerken aan de Calvinisten, wordt hij in 1567 voor den Raad van Beroerten gedaagd en op de Voorpoort - de ‘Gevangenpoort’ - in Den Haag gezet. Met verbreking van zijn woord vlucht hij in 1568, zooals Van Hout één jaar later zal doen; van 1568-'72 is hij in West-Duitschland, waar hij blijft etsen en o.a. Van der Noot ontmoet; hij graveert platen voor diens Olympias. Als van Den Briel de victorie begonnen is, komt hij terug; de Prins heeft veel met hem op en waarschijnlijk weet die hem tot secretaris van de Staten van Holland te doen benoemen. Maar dat hij dan - wat waarlijk niet een daad van partijdigheid genoemd kan worden - een onderzoek instelt naar de wandaden van Lumey en diens rauwe kornuiten, haalt hem de woede van dezen Geuzenadmiraal op den hals; hij vlucht weer naar Xanten, waar hij tot 1577 blijft. Dan wordt hij weer notaris te Haarlem.

Zijn gemoedelijke aard liet zich door al die wisselvalligheden niet van de wijs brengen; in de gevangenis dicht hij rustig voort, al wacht hem de Bloedraad. ‘Rustig’ inderdaad; het zijn geen hartstochtelijke zangen in den trant van de geuzenliederen, die ons in hun kunstelooze waarachtigheid nog na drie-en-een-halve eeuw ontroeren, maar het is kunstig, al te kunstig rederijkersgeknutsel, die ‘Comedie van Liefd'ende leef’, en die ‘Lof der Ghevangenisse’, Erasmus na-geloft; en dan is er nog allerlei stichtelijks uit dien tijd; we kunnen het niet alles nauwkeurig dateeren, maar het stamt blijkbaar uit zijn beide perioden van vervolgd-wórden en ballingschap.

Al dat werk is voor den man en zijn tijd, de periode van overgang, wel zeer karakteristiek, maar in een kunstgeschiedenis verdient het slechts even genoemd te worden om den tijd te kenschetsen.

In 1584 overlijdt zijn vrouw; het is een triomf zijner wijze en

[p. 250]

vrome berusting, dat hij dit zeer zware verlies dragen kan; 't volgend jaar vindt hij troost in de vertaling van Boëthius' ‘De Consolatione Philosophiae’. Aan zijn ‘konst van wel leven’ dankt hij het - zoo zegt hij in een brief aan zijn vriend Spiegel - dat hij ‘sonder werckelycke droefheyt.... een lief wijf kan opofferen den Heere’. En nog een jaar later vat hij dan in zijn ‘Wellevenskunste’ samen wat lectuur en leven hem hebben geleerd. Hij zou nog eens voor zijn dood het nadeel van een ‘middenman’ te zijn ervaren: in 1588 ging hij bij een vriend te Delft inwonen, maar de burgemeesters verbieden hem, 3 October van dat jaar, het verblijf; - men ziet wat allerzijds in die tijden van strijd en dwang den machtigen mogelijk was. Hij vestigt zich dan te Gouda, waar hij in 1590 sterft. In de St. Janskerk wijst een zerk met een krachtig, kortregelig grafschrift van zijn vriend Spiegel zijn laatste rustplaats aan.

Zeker is deze man - het weinige dat wij hier over hem schreven, is voldoende om dat te bewijzen - een plaats waardig in de cultuurgeschiedenis; maar in hoeverre in die der letterkunde? Al zijn strijdschriften van heel niet letterkundigen aard laten wij daar. En het oorspronkelijke werk van hoofdzakelijk letterkundig karakter dat hij heeft gemaakt, zijn zinnespelen, zijn Lof der Gevangenisse en nog een en ander van dat slag, levert hier geen argument; wij achtten ons bij het geven van dit overzicht onzer letterkundige geschiedenis gerechtigd over vele schrijvers heen te zien, die werk van dezelfde, minder dan middelmatige waarde hebben geleverd1). Alleen in zijn Liedtboek komen - enkele - vrij goede gedeelten voor. Maar geven zijn rijmen hem dan al geen recht op een plaats onder onze dichters, waar hij vertaalt, en vooral waar hij proza in proza vertaalt, schrijft hij een soepele en gespierde taal. Ziehier wellicht een waarachtig schoon exempel van klassieken invloed. Zijn Cicero- en Seneca-vertalingen zijn door den kloeken en zwierigen maatval, door de welgetroffen woordkeus, door de bezielde waarachtigheid de lectuur, hij die dit schreef, is een plaats in onze litteratuurgeschiedenis waardig.

 

***

 

In belangrijk meerdere mate geldt dit van zijn jongeren vriend en geestverwant, Henrick Laurenszoon Spiegel (1549-1612)

[p. 251]

Geestverwant, want ook wel zeer afkeerig van de vernielzuchtige en hard-dogmatische hervormers; ook: onder den invloed van de ‘zedenverzachtende’ studie der klassieken gekomen tot dat eigenaardige Stoïsch-genuanceerde Christendom. Maar, voor zoover we weten, steeds zich zorgvuldig houdende buiten den strijd der partijen. Wat zelfs in dien tijd voor den ietwat individualistischen Schöngeist mogelijk was, gelijk het dien in alle tijden mogelijk moet wezen. Ja, de accapareerende vertegenwoordigers van de machtige staatsidee, die over het geweld beschikken, kunnen die afzijdigheid euvel opnemen, en ze hebben dat ten opzichte van Spiegel gedaan, die de eer, tot een plaats in de admiraliteit van Hoorn te zijn verkoren, afwees1) - beatus ille qui procul negotiis! -; hij betaalde liever de boete dan uit zijn ‘ivoren toren’, zijn buitenverblijf Meerhuizen aan den Amstel, uit den blijden en wijzen kring zijner humanistische vrienden vandaan te treden in de sferen van het hem al te practische landsbestuur. Zijn maatschappelijke bemoeiingen beperkten zich tot het in zijn familie erfelijke koopmanschap.

Wat was zijn verhouding tot de Kerk? Het is een informatie die den Hollander, en zeer zeker dien van de XVIde en XVIIde eeuw, het eerst naar de lippen stijgt. Spiegel is, nog wel wezenlijker dan Coornhert, Katholiek gebleven. ‘Erasmiaansch-Katholiek’ - ja, maar dat zijn er in alle tijden zoo velen geweest.

 
't Vervormen van de kerk schijnt wel een ghoede zaak,
 
Maar ik vervorm gheen ding, als ik het ding ontmaak.

Zoo dacht hij over de Hervorming, die tot schisma en tot verwerping van het ‘oude geloof’ leidde. En:

 
Ons ouders waaren slecht2) en recht:
 
Zoo was ook haar3) ghelove.
 
Weetzuchtigheid broedt dit ghevecht,
 
Hout slecht en recht verschoven.
 
Zij bruyckten Gods woort, tot Gods min;
 
Dat duid nu elck een na zyn zin;
[p. 252]
 
Dit doet ons dus partyen1).
 
Begheeft2) alzulcke twist beghin,
 
Haalt slecht en recht gheloof weer in,
 
Zoo mogen w'al verblyen.
 
 
 
Ons kindsheids kerke-kinder-leer
 
Die hield alleen van node
 
Het Vader-ons, 't Geloof, niet meer,
 
Beendijst en Tien gheboden.
 
Och laat ons noch hier blijven by,
 
Dees woord-twist stellen aan d'een zy
 
En 's duyvels list verfoeyen.
 
God is de liefd. Dit is het slot:
 
Wie in de Liefd blyft, blyft in God;
 
Laat ons in liefde bloeyen.

Zoo verstond dit bestuurslid van De Eglantier de zinspreuk van deze oude camer, blijkens een paar strofen uit het Jubel-jaarliedt van 1600. Men hoort in deze strofen ook reeds, met hoe gemakkelijk-eleganten rijmval Spiegel verstond te dichten. En men ziet ook nog even - in 't slotwoord van den eersten regel van de tweede der aangehaalde strofen - de liefhebberij in 't maken van woordkoppelingen, die hem in gevaarlijke mate eigen was.

We stelden intusschen, als bij Coornhert, ook hier het zedelijk wezen, het karakter van den schrijver voorop. Bespiegelingen en overtuigingen van zedelijken aard waren ook de aanleiding tot het schrijven van zijn hoofdwerk ‘Hart-spieghel’, een uitvoerige beschouwing over de deugd; hoe men die moet betrachten, en waarvoor men daarbij op zijn hoede moet zijn. ‘Deugd verheugt’, de zonde baart smart; wanneer men den schijn voor 't wezen der dingen aanziet, vervalt men tot kwaad en ongeluk. Juist begrip, waarachtige kennis is noodig, en 't meest van al zelfkennis, die ons doet begrijpen dat de waarde die wij den dingen toekennen, geheel van onzen persoonlijken smaak en van onze persoonlijke begeerten afhangt; ons verstand geve, daarboven, een andere waardebepaling en een andere keuze. In de daarop volgende boeken, het zesde en zevende, beschouwt hij dan de verschillende graden van geluk en ongeluk, in navolging van Cebes. En daarmee is het uit; de twee laatste der geprojecteerde negen

[p. 253]

boeken - elk, in navolging van Herodotus, naar een der muzen genoemd - heeft hij niet kunnen schrijven; hij overleed onverwacht in 1612, te Alkmaar, waarheen hij, toen hij in 1602 zijn tweede huwelijk sloot, was verhuisd. In 1615 kwamen deze zeven boeken uit. We zullen over den inhoud van dit werk evenmin uitvoerig zijn als over de Wellevenskunst, tot het schrijven waarvan hij zijn vriend Coornhert had aangespoord. ‘Deugd verheugt’ was zijn zinspreuk en, schrijft hij in een brief aan zijn neef, den Leidschen hoogleeraar Pieter Pauw, ‘de heele toeleg van myn Hertspigel is zulx te bewysen.’1) Vergelijkt men de beide werken, dan is een kenmerkend verschil, dat de Wellevenskunst een meer humanistisch levensgevoel ademt; de Hartspieghel is vol van Middeleeuwsche geringschatting van den mensch en vol twijfel aan de beteekenis van ons menschelijk weten; dat ‘stukwerk is, vol ongestadicheden’. Middeleeuwsch is ook het beginnen van eenige boeken met natuurbeschrijvingen, maar is dit in de Middeleeuwen meestal louter conventie, bij Spiegel treffen nu en dan die beschrijvingen, daar en elders, door zuiver gevoel. Mythologischen opschik versmaadt hij, maar een leerling der Ouden wil hij zich wel weten, en meer dan de met fabelleer pralende rederijkers heeft hij van hun geest begrepen, al is hij dan meer - zooals Kalff het even beknopt en geestig als juist gequalificeerd heeft - een Stoïcijnsch Christen, terwijl Coornhert een Christelijk Stoïcijn zou mogen heeten.

Overigens kan ik den Hartspieghel meer om zijn volmaakt goede bedoelingen waardeeren dan hem genieten. Spiegel, die in zijn luchtiger en losser oogenblikken zulke alleraardigste, vlotte verzen schrijven kan - zie die achter Roemer Visschers ‘Brabbeling’ - is hier vaak hortend-en-stootend en duister; en duister beduidt, dunkt mij, dat een schrijver zelf zijn gevoelens en gedachten niet volkomen helder zijn. Natuurlijk - hoe zou het anders kunnen bij een dichter met de talenten, die hij elders gaver

[p. 254]

toont! - zijn er ook, behalve de reeds aangeduide natuurbeschrijvingen, nog wel meer vlot-leesbare uiteenzettingen in dit werk.

Een volledig overzicht van zijn oeuvre hebben we hier niet te geven; we noemden en roemden al een en ander: de ‘Nieuwjaarslieden’ (= liederen), ‘Lieden op 't Vader-ons’; enz. Ook aan de liefhebberij der emblemata heeft hij meegedaan - hieroglifica noemt hij ze. En dan is hij een groot voorstander van het recht gebruik der Nederlandsche taal; die men in dien tijd van bewustwording der volkskracht wel zeer beseft te moeten zuiveren en op den hechten bodem van klare spraakkunst te moeten vesten.

Hij werkte te dezen aan een reeds begonnen arbeid; begonnen waarschijnlijk op 't voorbeeld van de Pléiade. Nadat reeds vroeger verschillende rederijkers zich voor bezinning en zuivering op het gebied van de taal hadden uitgesproken, gaf in 1550 Joas Lambrecht zijn ‘Nederlandsche Spellinghe’ uit. Jan van der Werve, een Antwerpenaar, levert in 1553 in zijn ‘Schat der Duytscher Talen’ zijn pleidooi te dezen; Coornhert heeft - o.a. in de voorrede tot de vertaling van Cicero's ‘De Officiis’ - ook krachtig het Nederlandsch verdedigd, en in 1548 verschijnt dan vanwege de rederijkerskamer ‘De Eglantier’, de Amsterdamsche kamer van de geboren Noordnederlanders, de ‘Twe-spraack van de Nederduitsche letterkunst ofte vant spellen ende eyghenschap des Nederduytschen taals’. Coornhert schrijft een krachtige voorrede; de Twee-spraak zelf - tusschen Roemer en Gedeon; d.i. Roemer Visscher en Gedeon Fallet - is van Spiegel; intusschen, met zijn beide hier sprekend ingevoerde vrienden had hij ongetwijfeld de quaesties waarover hij hier handelt, vaak besproken. Spiegel en zijn medestanders trekken dan vooral te velde tegen de talrijke bastaardwoorden, onder het Bourgondisch bestuur zeer toegenomen, terwijl juist in de laatste jaren, toen de eene Zuidnederlandsche stad na de andere Alva in handen viel, de toevloed van geestverwante, soms zeer beschaafde ‘Brabanders’1) in de noordelijke provinciën zeer groot was geworden, en de taal van die ‘Brabanders’ was uiteraard ook weer aanmerkelijk minder van vreemde smetten vrij dan die der Hollanders; dat bleek wel zeer

[p. 255]

duidelijk in de Brabantsche Kamers, welke in verschillende steden naast die der daar geborenen waren gesticht, en waar men een taal voerde, die zoo lang die kamers hebben bestaan, spot heeft uitgelokt; Spiegel doet daar ook reeds aan in een in zijn Twespraak ingelascht ‘revierein’; tal van Noordnederlandsche ‘concurrenten’ der ingekomenen zetten dien spot voort, bij Langendijk vinden we hem ook nog. De Twe-spraack bevat echter niet alleen een betoog voor, maar ook een handleiding tot het recht gebruik ‘des’ Nederduytschen taals, namelijk een grammatica, (vormleer en syntaxis) en ook een - nog zeer rederijkerachtige - versleer. Daarop volgde het volgend jaar, 1585, een ‘Ruygh-bewerp van de Redenkaveling’, ook een samenspraak, naar de Fransche ‘Dialectique’ van Pierre la Ramée (Petrus Ramus); een stelsel van logica en dialectiek, waarin de woordvoerders zich ook tot de bestuurders der Leidsche Hooge School richten, met een pleit voor het Nederlandsch als voertaal ook bij het hooger onderwijs; welk een tijd voor studie zou men winnen, wanneer men niet eerst, alvorens men zich in eenig vak ging bekwamen, zooveel Latijn behoefde te leeren! Men weet dat dit denkbeeld pas twee eeuwen later is verwezenlijkt, al zal Dr. Samuel Coster reeds in 1617 een poging doen om te Amsterdam een ‘Duytsche’ - d.i. Nederlandsche - Academie te stichten.

Deze Liefde tot de taal van Spiegel uitte zich ook door studie van de oudere voortbrengselen onzer letterkunde; in 1591 gaf hij de Rijmkroniek van Melis Stoke uit, met een voorrede van Janus Douza. Het was zeker niet een van de belangrijkste Middelnederlandsche stukken litteratuur, dat hij aldus voor het nageslacht hielp bewaren, maar het was Noordnederlandsch, Hollandsch.

 

***

 

We komen nu tot nummer drie van de in den aanhef van dit hoofdstuk genoemde overgangsfiguren; wel zeer nummer laatst van hen, waar het geldt den geestelijken gang dier dagen te schetsen; chronologisch als laatste van de drie ook op zijn plaats; terwijl we zijn leefwijze, zijn geest en zijn huiselijk verkeer door wat er na hem volgt als een verbinding met onzen bloeitijd hebben leeren zien.

Hoe leefde hij?

[p. 256]
 
Den tegenwoordigen tijdt wil ick slaen ga,
 
Den verleden kan ick niet weder locken,
 
Wachtende wat de toekomende sal brengen na,
 
En hier-en-tusschen lacchen, boerten en jocken.

Dit is volkswijsheid, alleen maar ietwat beschouwelijker uitgedrukt, dan het volk pleegt te doen. Zoo is de levenshouding van den welgestelden Amsterdamschen koopman Roemer Visscher.

Niet bepaald een verheven geest, tamelijk laag-bij-den-grond zelfs; meer een veel-lezend, luchtig rijmer dan een ‘bel esprit’. Een veellezer, die - het is de kracht van heel de XVIIde eeuw - als vanzelf verhollandscht wat hij opneemt. Hij heeft inderdaad veel gelezen:

 
Ick heb gelezen die gulden Legenden,
 
Het Boeck van Marcus Aurelius, niet om verhoogen1);
 
Van Amadis heb ick gelesen de heerlijcke logen.
 
Noch2) Ovidius de Poëet vol amoreuse sinnen,
 
Daer toe Kolijn van Rijssel, de Spieghel van minnen.
 
Metten kortsten, ick heb veel gelesen in mijn tijdt.

Zijn vrienden weten hem ook een ‘grand liseur’; als ze zijn ‘Lof vande Mutse ende van een Blaeuwe Scheen met noch andere Boerten en Quicken’ buiten hem om uitgeven, sommen ze een heele reeks op van ‘oude en nieuwe Poëeten, wiens schriften en ghedichten in desen ten deele vertaelt zijn ende naeghevolcht.’ Het zijn er 'n twintigtal, en de lijst is, blijkens Roemers werk zelf, niet volledig. Het is vooral Martialis, dien hij navolgt: ‘desen alleen volght d'Aucteur meer als d' andere te samen’, zeggen de vrienden, en dat is begrijpelijk, want met hem heeft hij opmerkelijke verwantschap. Hij houdt van rustig genoeglijk grappen vertellen, liefst met een zekere puntigheid van uitdrukking. Hij ook is vaak alles behalve kiesch in zijn aardigheden. En - in dat opzicht mogen we een specimen in hem zien van den Amsterdamschen rijken koopman-regent der nog jonge XVIIde eeuw - merkwaardig onverschillig omtrent den geloofsstrijd die voor duizenden van zijn medeburgers hartstochtelijke ernst is. Van-huis-uit Katholiek, laat hij zich gelijkelijk ironisch uit over de oud- en de nieuw-geloovigen, sterker: hij heeft een soort van spot, waarvan

[p. 257]

de rustige genoeglijkheid beter dan alle denkbare betoog ons doet gevoelen hoe volkomen onverschillig en geringschattend hij neerziet op allen geloofsijver. De ‘Hervormers’ toonen meer hun geloof in 't plunderen van kerken dan in werken der liefde, hoont hij, - maar zijn verontwaardiging daarover is niet zoo groot, of hij kan wel een plezierig grapje over de beeldstormerij maken: zijn lief durft niet meer in de kerk te komen, omdat beelden er niet veilig zijn!

Men pleegt hem te qualificeeren als ‘een echten Hollander’ en dat is hij ook veelszins, en hij wil het graag weten. Een Hollander, en: een Hollandsche koopman. Daar is hij trotsch op, want in den koophandel steken de Hollanders allen anderen volkeren de loef af. En hij wil - maar 't is niet heelemaal gemeend - gaarne dien anderen volkeren de eer geven, in andere opzichten ons de baas te zijn. ‘De grove plompe lieden - en niet de groote geleerde mannen - hebben de wetenschap, de havens in ende uyt te zeylen ende hun schepen van de gronden te wachten, daer de welvaert van den landen aan ghelegen is. Dus zeghent de goede Godt de zyne met zoo veel verstandts, als elck noodigh is tot zyne neeringhe, zoodat de gheleerde wyse mannen de plompe boeren ende zeelieden zoo wel behoeven als de botte Hollanders de spitssinnighe Atheniensers ofte Italianen.’

Jawel! Hij wil in elk geval graag van die spitssinnighe lieden wat leeren, vooral iets dat bij zijn eigen geest past. Hij heeft gevoel voor den ‘spitsen’, den beknopten en scherpen vorm waarin de ouden hun gevoelens - meer: hun gedachten - uitten; hij volgt ze na, naar we al zagen, 't veelvuldigst waar ze geestig of grappig zijn; eigen grappen geeft hij ook graag ten beste, van de soort veelal die men nog op het land de lieden zoo vaak met zelfvoldoening hoort debiteeren; als men Roemers portret ziet - Frans Hans heeft hem geschilderd, Stolker heeft naar die schilderij een teekening gemaakt - dan treft ons de rustige bedachtzaamheid in de oogen, bij de uitgesproken zinnelijkheid in den dikken, breedvleugeligen neus en de smakelijk proevende lippen. Wel een echte Hollander, met véél zin om aardigheden te vertellen, waarbij de hoorders zich luidruchtig verheugen en de verhaler met opgetrokken wenkbrauwen onverschillig schijnt voor zijn succes. Toch ook al met eenig gevoel voor de vaderlandsche neiging tot fatsoen en fatsoenlijkheid, want bij zijn bewerkingen naar Martialis en de

[p. 258]

Priapeia toont hij door zijn keuze en door zijn wijzigingen althans een zekere mate van kieschheid, al is hij elders, b.v. waar hij 't heeft over de Waterlandsche vrouwen, objecten van eigen nabije waarneming, alles behalve ingetogen in zijn beschrijving.

Hij heeft meer en betere Hollandsche eigenschappen dan die grof-boertige ongegeneerdheid - die ook naar voren treedt in de benamingen van zijn dichtbundels1) - en belezenheid, en fatsoenlijkheid. Hij heeft ook - het komt minder vaak aan den dag in zijn werk, maar sóms vertoont het zich toch - een sterk gevoel voor recht en rechtvaardigheid; als hij bijvoorbeeld in de Jammertjens (8) regenten, volksmenners, baatzuchtigen, die geen onrecht schuwen wanneer zij daardoor zich kunnen verrijken, striemend de les leest. Hij ziet dus ook wel de gevaren van die Hollandsche uitgeslapenheid, welke we hem zoozeer zagen roemen. En wij zien, hoe reeds toen, in de nog zoo jonge maatschappij van de republiek der Geuniëerde Provinciën reeds baatzucht en machtsmisbruik mee op het kussen zaten; zooals Vondel het ons trouwens ook weldra2) in zijn Roskam verkondigen zou. Mede blijkt telkens nu en dan, dat zijn goedrondheid niet alleen grove scherts, maar ook eenvoudige goedheid van karakter kan waardeeren. Het treffendst blijkt dat wel uit het bekende grafschrift op ‘een jonge meyt’:

 
Hier onder leydt
 
Een jonge meyt,
 
Die plach te zijn
 
Vroolyck van praet,
 
Eerlyck van daedt,
 
Schoon van aenschijn.
[p. 259]
 
Met hare vreught
 
Heeft zij verheught
 
Groot ende kleyn;
 
Maer haer verdriet
 
Klaeghde sy niet
 
Dan Godt alleyn.
 
 
 
Den weg ter doodt
 
Deur lyden groot
 
Is sy getreden;
 
Met Lazaro bloot
 
In Abrahams schoot
 
Rust sy in vreden.
 
Amen.

Maar van ‘meisjes van de courtoise’ die ‘op Brabantsch’ haar phantasie stellen, en zich schamen voor ‘de Hollantsche bottigheyt’ moet hij niets hebben; gemaniereerdheid is hem een gruwel. Overigens zien we hier in dien spot met de Brabantsche elegantie een uiting, parallel met Breeroo's spot in zijn Spaansche Brabander. Inderdaad, men spaarde den zuidelijken ‘incomelinghen’, hoeveel wezenlijke verfijning en beschaving ze ons ook brachten, zijn ironie niet. ‘Kaal en grootsch’ heetten ze, en dat is een combinatie die altijd te onzent vinnigen hoon heeft gaande gemaakt.

Roemer had van zijn vrouw Aefgen Jansdr. Onderwater, een brouwersdochter uit Delft, met wie hij láát - na het malheur van een ‘blauwe scheen’, waarschijnlijk bij Lijsbeth Pauw opgeloopen - was getrouwd, drie dochters en een zoon, die een voortreffelijke opvoeding genoten; de meisjes leerden, zonder ‘courtoisie’ veel meer dan in dien tijd, zelfs voor jongedames van voornamen stand, gebruikelijk was, en zouden weldra een attractie te meer zijn voor het ‘saligh Roemershuys’, waarvan Vondel drie jaar na den dood van Roemer getuigt:

 
Wiens vloer1) betreden word, wiens drempel is gesleten
 
Van schilders, kunstenaers, van Sangers en Poëten2).

‘Betreden word’ - dat is in dit stadium der taal reeds de vorm van den tegenwoordigen tijd, want al is Roemer dood, zijn dochters zetten de traditie van gastvrijheid voort, dat is te zeggen

[p. 260]

de twee die het langst ongetrouwd het ouderlijk huis bleven bewonen: Anna en Maria Tesselschade. De bijzondere plaats die dezen, vooral Maria Tesselschade, met haar ‘littérairen salon’, in het letterkundig leven van de XVIIde eeuw innamen, zal in een der volgende hoofdstukken ter sprake komen.

Roemer Visscher is zeker geen groote figuur, maar hij completeert toch het beeld van onze vaderlandsche renaissance; hij de vaderlandsche Boccaccio - de Decamerone kende hij, wellicht ook uit de gedeeltelijke vertaling van Coornhert -; hij is het noordelijker, ruwer, gemoedelijker, burgerlijker element van plezierigen levenslust.

Litteratuur

Dirck Volckertsz. Coornhert, Wercken waer van eenige noyt voor desen gedruet zijn. Als inleiding een levensbericht, dat men aan Bogaert toeschrijft. 3 dln. (Amsterdam 1629-1632).
Id. De Dolinge van Ulysse. Homerys' Odysseia I-XVIII; uitg. d. Th. Weevers (Amsterdam, 1939).
XX Lustighe Historien Joannis Boccatii overgheset deur Dirick Coornhert, uitgeg. door G.A. Nauta (Groningen, 1903).
J. ten Brink, Dirck Volckertsen Coornhert en zijne wellevenskunst (Amsterdam, 1860).
F.D.J. Moorrees, Dirck Volckertszoon Coornhert, de Libertijn (Schoonhoven, 1887).
A. Borgeld, Lustighe Historien van Coornhert (Taal en Letteren XIV, blz. 57).
J.W. Muller, Fragmenten eener zestiende-eeuwsche Ned. Spraakkunst (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. XXXVIII, blz. 1).
J. Koopmans, Opmerkingen bij Coornherts ‘Beatus ille’ (Nieuwe Taalgids IV, blz. 113 en 179).
B. Becker, ‘Het leven van D.V. Coornhert’ und seine Verfasser (Bijdr. Vad. Gesch. 1925, blz. 1).
Id., Coornhert, de 16de eeuwsche apostel der volmaakbaarheid (Het Boek XIX. blz. 59).
Id., Thierry Coornhert et Christophe Plantin (Le Compas d'or, 1923).
Id., Bronnen tot de kennis van het leven en de werken van D.V. Coornhert ('s-Gravenhage, 1928).
A. Zijderveld, Verwaarloosde ‘Renaissance’-litteratuur (Nw. Theolog. Ts. 1927, blz. 125).
M. Boas, C.A. Boomgaart, een vriend van Coornhert en Spieghel (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. XLIII, blz. 40).
A. Hallema, Het oudste ontwerp van Coornherts Boeventucht teruggevonden (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. XLV, blz. 1).
Id. D.V. Coornhert en zijn ‘Boeventucht’ (Gr. Nederl. 1928, II, blz. 89, 207, 302, 421, 518 en 646).
J.F.M. Sterck, Een Rijmbrief van Coornhert (Nieuwe Taalgids XVI, blz. 292).
M. Boas, Een Cato-doublet bij Coornhert (Het Boek 1929, blz. 49).
Olga Rinck Wagner, Dirck Volkertszoon Coornhert 1522-1572 mit bes. Berüchsichtigung seiner politischen Tatigkeit (Berlin, 1919).
W.van Hooff-Gualthérie van Weezel, Coornhert's Notariswerk (Het Boek VI, blz. 121).
Id., Een onbekend gedicht van D.V. Coornhert (Het Boek XXIV, blz. 257).
[p. 261]
P.L. van Eck, Over en uit Coornhert's Zede-kunst (Gr. Nederl. 1924, II, blz. 88).
A. Zijderveld, De Humanist Montaigne (Neophilol. XII, blz. 257).
S.v.d. Meer, Bijdrage tot het onderzoek naar klassieke elementen in Coornhert's Wellevenskunste (Amsterdam, 1934).
B. Becker, Coornhert en zijn ‘verduytsching’ van de Vlaamsche vertaling van Boethius (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. LVII, blz. 241).
H. van Alfen, Coornhert's voetval voor den koning (Philips II) in 1576 (Bijdr. Vad. Gesch. 7e R. I, blz. 1).

Coornherts sterven werd in 1940 (na 350 jaar) herdacht in tal van tijdschriften en in een vergadering van de Mij. der Ned. Letterk., om deze reden dat jaar te Gouda gehouden. Over het aldaar door Prof. Becker gesprokene zie het Jaarboek v.d. Mij. d. Ned. Lett. 1939-1940, blz. 84. Belangrijk is ook het art. van Zijderveld in ‘Critisch Bulletin’. In het artikel Coornhert (van Becker) in het Nieuw Nederlandsch Biogr. Woordenboek (X, 207) vindt men vele aanvullingen en verbeteringen van gangbare, van den een op den ander overgegane fouten.

H.L. Spieghel's Hertspieghel en andere zede-schriften. Met levensbericht van De Vlaming (Amsterdam, 1723).
A.C. de Jong, H.L. Spiegel's Hertspiegel I (Amsterdam, 1930).
H.J. Allard, H.L. Spieghel (Jaarb. Alb. Thijm, 1901, blz. 64).
Eenige 16de-eeuwsche onuitgegeven gedichten van Coornhert, Spieghel en anderen, uitg. door G. Kalff (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. VI. blz. 309).
Twee onbekende werken van Spieghel, uitg. door J.W. Muller (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. XX, blz. 200).
H.L. Spieghels Zinspel Numa ofte Amptsweygheringe, uitg. door F.A. Stoett (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. XXI, blz. 156).
K. Kooiman, Twe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst (Groningen, 1913).
D.C. Tinbergen, De Twe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst (Nieuwe Taalgids, VIII, blz. 113).
J.L.C.A. Meyer, H.L. Spieghel (Noord en Zuid XV, blz. 250).
A. Drost, Meerhuizen (Schetsen en Verhalen, Amsterdam 1835, blz. 203).
A. Verwey, Hendrik Laurensz. Spieghel (Groningen, 1919).
A. Zijderveld, Een en ander over Spieghel's Hertspieghel (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. XLIV, blz. 220).
J.F. Buisman, De ethische denkbeelden van Hendrik Laurensz. Spiegel (Wageningen, 1935).
Roemer Visscher, Brabbelingh (Amsterdam, 1669).
Roemer Visschers Zinne-poppen (Amsterdam, 1678).
N. van der Laan, Uit Roemer Visscher's Brabbeling I (Utrecht, 1918) en II (Utr. 1923).
J.F.M. Sterck, Aanvullingen tot het ‘leven’ van Roemer Visscher (Oud-Holland XXXIII, blz. 208.)
J. Koopmans, Roemer Visscher (Nieuwe Taalgids, IV, blz. 15).
A. Hallema, Roemer Visscher en zijn ‘Sinnepoppen’ en het kinderspel der 16de eeuw (Paed. Stud. XXI, blz. 348).
G. Kalff, Wouter Verhee (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. V, blz. 137).