Nieuw handboek der Nederlandsche letterkundige geschiedenis


auteur: Jan L. Walch


bron: Jan L. Walch, Nieuw handboek der Nederlandsche letterkundige geschiedenis. Martinus Nijhoff, Den Haag 1943


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De XVIIIde eeuw tot 1760

De ‘Pruikentijd’, zooals men dit tijdvak noemt, waarin men de kunstmatige koestering liever om zijn hoofd voelde dan den frisschen zeewind, waarin men in verlangzaamd levensrhythme de behaaglijke rust verkoos - en kón verkiezen - boven het gretig en stout uitzwermen over de wereldzeeën, - de Pruikentijd begon dan in ongeveer 1670. De klacht die we gedramatizeerd vinden in Bernagie's ‘Belachelyke Jonker’ (1684), de klacht namelijk over het zedelijk en karakter-verval in verband met de verweekelijkende weelde, wordt in Langendijks stuk ‘Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden’, dat men bij 's dichters dood (1756) in zijn nalatenschap vond, nog wat sterker - en in meer moralizeerenden toon - herhaald; het is een nedergaande lijn die deze

[p. 462]

twee punten verbindt en het verval van onze volkskracht aangeeft. We zien trouwens in geheel West-Europa - behalve, voor zoover dat tot het Westen te rekenen valt, in Scandinavië, waar de bloeitijd begint, wanneer die in Frankrijk en Engeland en te onzent afgeloopen is - hetzelfde verschijnsel.

Het leven in dien tijd was geenszins ongenoeglijk. Integendeel, het was, zooals we reeds zeiden, behaaglijk.... en zelfbehaaglijk; die twee toestanden gaan trouwens véélal samen. Materieel had aanvankelijk ons heele volk, hadden allengs alleen de burgerij en de regenten, het goed. Materieel; met de ‘verfraaiïng’ die geestelijke genietingen aanbrachten. Men behoeft maar de Amsterdamsche grachthuizen, waarvan een groot deel uit dezen tijd dagteekent, te bezichtigen en vooral de afbeeldingen van de thans grootendeels vervallen, maar gedurende de eerste drie kwart der XIXde eeuw nog meest in volle pracht bewaarde lustoorden in het Gooi en vooral aan de Vecht1), om zich van de ‘omlijsting’ waarin het leven onzer XVIIIde eeuwsche regenten rustig voortging, een denkbeeld te vormen: hooge, weidsche vertrekken met in kunstige hoogsels en diepsels gestucadoorde plafonds, en met gobelins of, allengs meer, behang met meestal pastorale tafereeltjes beschilderd. De geheele inrichting van die buitens, waarvan we tal van beschrijvingen en afbeeldingen over hebben, is als van de parken van Versailles in 't klein; met sierlijke vergulde hekken, vijvers met zeldzame visschen en door fonteinen versierd en verfrischt; voorts ruime orangerieën, berceaux, priëelen en sierlijke koepels. De meubelen in stads- en buitenhuizen volgen steeds meer de Fransche Lodewijks-stijlen na. Navolgen is trouwens het kenmerk van onze heele beschaving geworden, en dat navolgen - dat we speciaal in de letteren nader zullen hebben aan te wijzen - heeft een ander karakter dan in onze krachtige XVIIde eeuw. Daar ook vinden we, vooral bij de aanzienlijken - die meestendeels dan nog ‘parvenu's’ zijn - een enten van vreemde loten in den Nederlandschen tuin; maar toen was de groeibodem nog sappig; er steeg een sterke stuwing uit op, die het geënte groeien en bloeien deed, zoo dan niet in geheel inheemschen vorm, dan toch met grootendeels inheemsen wezen. Nu de eigen krachten zijn verslapt, wordt de navolging slaafsch.

[p. 463]

Het verschijnsel is inderdaad meer gecompliceerd. Een jong, sterk volk, is een volk van daden; in slapper tijden winnen het beschouwelijkheid en ‘historische zin’. In de eerstgenoemde faze smeedt de ingeboren aard dat wat het elders vindt, om tot iets eigens; in de laatste bekijkt het dat geïnteresseerd, als een curiositeit. Zoo wordt de XVIIIde eeuw de eeuw der verzamelingen. Het spreekt vanzelf, dat dat verzamelen voor de enkele wetenschappelijk, d.i. synthetisch, aangelegde naturen, bouwstof wordt voor wijder begrijpen. Maar in het algemeen zien we hier in de geschiedenis van een volk, wat we in die van een individu veelvuldig kunnen waarnemen: in de jeugd een ‘poiêtês’, later een bezadigd beschouwer.

Het is opmerkelijk, hoe snel een dergelijk proces kan plaats vinden, en hoe het alle sferen des levens doordringt. Men voelt zich, na den Spaanschen successie-oorlog, achter de ‘Barrière’ veilig voor Frankrijk, den staat dien men onder de regeering van Lodewijk XIV, als de geconsolideerde groote macht in Europa had leeren vreezen. Men kan zijn krachten aan onderling geharrewar en aan eigen verrijking besteden. Die verrijking komt vooral den regentenstand ten goede, dien we reeds bij het derde geslacht der XVIIde eeuw als een afzonderlijke macht, steeds meer afgescheiden van ‘het volk’ zien. De republiek werd een wezenlijk aristocratisch, weldra oligarchisch bestuurde staat. Het is de tijd van de beruchte contracten van correspondentie; toen de families die ‘op 't kussen zaten’, afspraken elkander onderling de baantjes toe te deelen. Het zijn inderdaad formeele contracten, waarbij de betrokkenen zich ertoe verbonden dat ‘tot meerder rust, vreede, liefde en eenigheyd onder de Heren van deze classis altoos alle bedenckelycke middelen sullen worden aangewent, ten eynde een ygelyck by het vergeeven der ampten, commissien en douceurs, soo veel genoegen koomen te erlangen, als eenigszins in redelyckheid sal konnen bestaan’. ‘Bedenckelyck’ beteekent hier ‘wat men maar bedenken kan’; maar het heele contract - we citeeren uit een Utrechtsch stuk van 1714 - is ‘bedenkelijk’ genoeg! Dat gebruik ging zoo ver, dat men soms aan kinderen of andere totaal ongeschikte personen een ambt opdroeg, waarvan de benoemde de inkomsten inde, terwijl het werk eraan verbonden voor een schamele belooning aan een ander werd opgedragen. En hadden de contracteerenden heelemaal geen gegadigden voor

[p. 464]

een bepaald ambt beschikbaar, dan werd het dikwijls verkocht. De corruptie - want zoo mag dit zeker toch wel heeten - nam nog ‘bedenkelijker’ vormen aan: de stadsfinanciën kwamen niet zelden ten goede aan den kleinen kring der regenten, de rechterlijke macht was dikwijls veil, wie zich tegenover de geldende praktijken rebelsch toonde, werd ‘uitgezet’. En de provincies profiteeren van het ontbreken van een sterk centraal gezag door onderling te twisten, op oorlogvoeren af. Economische oorlog was er trouwens steeds; men weert bijvoorbeeld de Friesche boter van de Hollandsche markt, enzoovoort. Dit alles kon echter niet zoo zijn beloop hebben, zonder dat er een democratische partij ontstond, naast die der Prins- en Staatsgezinden. We zullen in de tweede helft der eeuw zien, hoe die haar macht doet gelden.

 

***

 

Als we nu de letterkundige productie van de hiervoor geschetste periode beschouwen, zien we in de eerste plaats een drietal figuren uitsteken, die, epigonen, evenwel hun - onderling zeer verschillende - beteekenis hebben. We bedoelen Poot, Langendijk en Van Effen. We noemen den laatst-geborene het eerst, omdat we in hem den naklank van den grooten tijd nog het sterkst vernemen.

Poot

Poot is niet - als Van Effen - door zijn heele werk representatief voor zijn tijd; men zou haast kunnen zeggen, dat alleen zijn fouten de fouten van zijn tijd zijn; zijn waarde ligt in zijn tijdeloos, zeer groot en fijn dichttalent. Dat talent heeft hem verzen doen schrijven, Vondel, Hooft en Luyken waardig; het maakte hem tot den verreweg grootsten dichter van de eerste helft der XVIIIde eeuw.

Hij is een boerenzoon, geboren te Abtswoud bij Delft, gaat te Schipluiden school, komt dan in 't akkerwerk, doet aan muziek en dra ook aan teekenen; tot de liefde voor de poëzie al zijn anderen artistieken neigingen te boven gaat; hij heeft daarvan getuigd in een berijmde autobiografie, den ‘Algemeenen Brief’, in 1728 uitgegeven; in den toon van niet zeer gelukte grappigheid waarop hij hier zijn leven vertelt, is opmerkelijk de innigheid waarmee hij

[p. 465]

van zijn liefde tot de dichtkunst gewaagt. Hij komt bij de rederijkers van Schipluiden en bij die te Ketel terecht - waar een der oudste ‘kamers’ van ons land was -, maar voelt zich door de wijze waarop daar de kunst beoefend wordt, niet bevredigd. Een kennis raadt hem aan, wat boeken te koopen; Antonides van der Goes, de hoogdravende, wordt nu Poots ideaal; hij volgt hem na in verzen waaraan de gebreken van zijn meester in nog ergere mate eigen zijn. Er waren ook wel eenvoudige boerenliedjes, die in die rederijkerskamers opgang maakten, maar die kwamen Poot te simpel voor; zoo ging hij juist datgene dat in de richting van zijn talent lag, achteloos voorbij. Doch ook Antonides bevredigt hem op den duur niet; hij komt tot Hooft en Vondel. En intusschen gaat hij bij de dichtgenootschappers - een verdieping hooger dan de rederijkers! - om leering; die hem bijbrengen, dat men vooral de Oudheid moet kennen, en in elk geval de mythologie der Ouden door zijn voorstellingswijze moet geven. Zij hebben Poots talent schade gedaan; hij is, in zijn eerbiedig geloof aan hen ‘die 't weten’, een zekere jacht op beelden en omschrijvingen gaan maken, al was zijn talent sterk genoeg om zich niet wezenlijk te laten verwoesten. Natuurlijk, zich rekenschap geven van het voortreflijke der classieken uit de Oudheid kan niemand kwaad doen; maar het navolgen was, zoowel waar het de Ouden als de Franschen betrof, in deze periode van bezadigder leeftempo en weinig spontane kunstkracht, meer een angstvallig nadoen geworden, met een zwaar accent van pedanterie: er moest vooral kennis van de godenwereld blijken, en men moest niet alleen bloemen liever ‘Flora's kinderen’ noemen, maar ook anderszins omschrijven, overal Louis XV-krullen aan maken; een koe is een benaming van te ordinaire directheid; een enkele maal is Poot zoo ver gegaan, dat hij daarvoor de beeldrijke(?) omschrijving verkoos van een ‘levend botervat’, terwijl de zee bij hem - en anderen - de ‘westerpekelbron’ heet. Doch zulke barbaarsche sierlijkheden zijn toch uitzonderingen; doorgaans bleef er, al volgde hij eerbiedig de aanwijzingen van ‘ceux qui savent’, genoeg spontane kracht in hem om in, en soms dwarsdoor, den vereischten trant poëzie te schrijven; het bekende gedicht ‘De Maan bij Endymion’ is er 't bewijs van; - Potgieter heeft in zijn voortreflijke litterairhistorische novelle ‘De Foliobijbel’ door de toejuiching en de afkeuringen, respectievelijk van één van 't oude

[p. 466]

en één van 't toen jonge geslacht, een verhelderend licht geworpen zoowel op de kunst van Poot als, in 't algemeen, op het wezen van diens tijd. Ja, Poot was een wezenlijk dichter, en het is teveel gezegd, dat hij was ‘een dichter, door de natuur gevormd, door de kunst bedorven’. (Willem de Clercq); ook in zijn latere gedichten is een schat van fijn gevoel, in dikwijls zeer origineele, in eigen rhythmen gevlijd. Maar toch hebben de ‘betuttelaars’, toch heeft de loome atmosfeer der Nederlandsche letterlievendheid hem kwaad gedaan, 't meest misschien nog wel hierdoor, doordat de kunstminnaren hem met hun schoolmeesterij drukten; hij heeft heel zijn leven gebrek gehad aan die fleurige, franke, geestdriftige aanmoediging, die een zoo wezenlijk stimuleerend element in een kunstenaarsleven kan zijn. Maar toch heeft hij in elk geval gedichten geschreven zooals ze, nadat Luyken zijn Duytse Lier had bespeeld, niet meer waren gehoord. ‘Herdenking’, ‘De Lente’ zijn - onder andere - meesterstukjes; ook. ‘Akkerleven’; al treffen we daarin ook, als in de landschapkunst der Utrechtsche school, italianiseerende elementen aan; in zijn omgeving zal hij althans wel niet de ‘gladde mellekkoeien’ in een bogtigh dal hebben hooren loeien; terwijl ook de druiventeelt en het ‘most persen’ toen nog in het Westland niet voorkwamen.

Hij heeft eens een poging gedaan om ‘hoogerop’ te komen, meenend dat het vooral zijn landmansleven was, dat hem in den weg stond; het was (en bestaan dat in de kunst een motief voor arcadische verheerlijking was, maar dat men intusschen in 't dagelijksch leven van harten minachtte. Poot vestigt zich dan te Delft en begint daar een tabakswinkel, maar tegen de verleidingen van een zóó groote stad bleek hij niet bestand: hij werd te zeer van rederijker ‘kannekijker’, en verhuisde weer spoedig naar de Abtswoudsche dreven; waar men hem dan weer als een curiositeit kon komen bekijken om hem daarna in pathetische beschrijvingen met Romeinsche geschiedenis en mythologie te omhangen.

Hij trouwt eerst in 't laatst van zijn leven; in 1732. Hij was toen al zeven jaar ziekelijk; ruim een jaar na zijn huwelijk, in den herfst van 1733, begon zijn ‘sterfziekte’, op Oudejaarsdag van dat jaar blies hij den laatsten adem uit. Een kortstondige vreugde in 't laatst van zijn leven was zijn dochtertje, dat slechts dertien dagen oud werd, en toen ‘aen het eind geschreit’, weer henen ging. Het korte, maar hoe ontroerende gedichtje op haar was

[p. 467]

‘de leste snik zyner poëzye’, zegt zijn levensbeschrijver Spex; - die méér blijken geeft, Brandts ‘Leeven van Vondel’ te hebben gelezen.

Poots leven was een bestaan, waarover, ondanks de verrukkingen die de dichter ervaart, een waas van triestheid ligt. Het is of de goede fee die bij zijn wieg stond en hem de gave der poëzie schonk, vergezeld was van een booze fee, den Tijdgeest, die hem een benauwd ontzag bijbracht voor de deftige geleerdheid. Zeventig jaar later dan Poot wordt een andere, wereldberoemde landman-dichter geboren, Robert Burns, die het genre der landelijke poëzie tot volmaaktheid zal brengen. Poot staat tusschen de gemaniereerdheid der renaissancistische arcadische poëzie en Burns in; hij heeft een groot natuurlijk talent, en de democratische mogelijkheid is er, dat een landman, een zoon van 't veld, als dichter erkend kon worden; - men vergete niet, hoe ver zoo iemand in de achting der fraaie vernuften nog achterstond zelfs bij een eenvoudigen poorter. Doch het na-classicisme doet zich als een druk op hem voelen.

 

***

Litteratuur

Nicolaas Beets, Poot (in ‘Verpoozingen op letterkundig gebied’ 3de druk - 1883 - blz. 181).
C. Busken Huet, Hubert Korneliszoon Poot (Litt. Fantasieën I, blz. 68).
E.J. Potgieter, De Folio-Bijbel (in ‘Proza’, 4de druk - 1877 - blz. 376).
J.L. Walch, Achttiende-Eeuwers. II. Poot (Gr. Ned. 1925, I blz. 377).
P. Vermeiren, Hubert Korneliszoon Poot, een inleiding tot den dichter en zijne poëzie (D. Warande 1933, blz. 748).
P. van Valkenhoff, Hubert Korneliszoon Poot, Aanteekeningen over den dichter en zijn poëzie (Nieuwe Taalgids XXXII, blz. 20, 73 en 110).
Id., Bloemlezing uit de verzen van Poot (Zutphen, 1939).
J. Gielen, Vondel en Poot (Ts. Taal en Letteren XXVI, blz. 113).
Halbo C. Kool, Aantekeningen bij Hubert Kornelisz. Poot (Gulden Winckel, Febr. 1939, blz. 1).
Anton van Duinkerken, Hubert Kornelisz. Poot en de Paus (Gemeensch. 1939, blz. 120).
[p. 468]

Langendijk en andere blijspeldichters

Iets triestigs voelen we ook over het leven van Langendijk. Het leven van een stadsmensen dit, armoediger en alleszins mieseriger dan dat van Poot; uiterlijke omstandigheden die ieder leven kunnen drukken en schenden, zijn hier aanwezig. Maar zijn kunst, van een mindere allure dan die van Poot, is een gaver en zuiverder troost-en-reactie ten opzichte van het vele dat haar schepper bezwaart.

Pieter Langendijk (1685-1756) was een arme Haarlemsche jongen die teekentalent blijkt te hebben, en aan een damastweverij te Amsterdam patronen mag ontwerpen. Er was een korte tijd geweest, dat ze het thuis wat beter hadden; toen had hij ook nog wat Latijn geleerd, maar dat was voorbij; toen hij nog jong was, was zijn vader al gestorven, en moest hij weldra ook voor zijn moeder den kost verdienen. In 1722 vestigt hij zich weer met haar te Haarlem, en bedient vandaar uit zijn werkgevers. In Amsterdam was hij al met leden van dichtgenootschappen in aanraking gekomen, terug in Haarlem maakt hij kennis met de aloude Haarlemsche rederijkerskamer ‘Trou moet Blycken’, waaromtrent we al een menigte documentatie vinden in de XVIde eeuw, en die nog in onzen tijd, zij het als sociëteit, voortbestaat. Langendijk wordt factor van deze Kamer; hij blijft dat tot zijn dood. Intusschen heeft hij het thuis ellendig; zijn moeder heeft een ontzettend slecht humeur en raakt ook nog aan den drank; als zij dood is, trouwt hij, maar zijn vrouw is ziekelijk en verkwistend; hij wordt er niet veel beter op! In 1739 sterft zijn vrouw, maar onfortuinlijk blijft hij. In geldelijk opzicht wordt zijn leven zelfs steeds moeilijker; hij maakt wel veel bruiloftsdichten op bestelling, maar die brengen uiteraard geen sommen op van beteekenis. Die bruiloftsdichten, en de verhouding van den dichter tot den ‘werkgever’, zijn anders dan in de XVIIde eeuw. Toen waren die gedichten ook vaak eerbiedig; maar men voelt er een hartelijke verbondenheid in tusschen dichter en bezongenen; er kwamen ook toen de noodige mythologische figuren aan

[p. 469]

te pas, maar men voelt, in de kracht waarmee die ornamenten zijn gehouwen, dat ze althans iets waarachtigs beteekenden voor dengene wiens geest ze opriep; liever: in wiens geest deze beelden waren ontstaan. Nu is het alles valer van plastiek en nederiger van aanbiedingsgebaar; het is de tijd waarin de heeren er hun hongerige lijf- en buitenplaats-poëten op na houden. In 1747 moet Langendijk zijn boeken en prenten - hij had daarvan een mooie verzameling - verkoopen1). Twee jaar later komt de stedelijke regeering hem te hulp: men zal hem kosteloos in het Proveniershuis opnemen, hij zal daarvoor ‘sig als een Stads Historieschryver laten employeeren’. Hij begint dus een uitvoerig werk over de geschiedenis van Haarlem te schrijven, maar voleindigt het niet; in 1756 is zijn niet zeer vroolijk leven uit. Hij had er eenige fleur in gebracht door zijn kluchten en blijspelen; tusschen die twee genres bestaat voor hem het verschil nog voornamelijk hierin, dat de klucht één bedrijf groot is, het blijspel drie of vijf bedrijven, en dat de klucht uitsluitend in volkskringen speelt, het blijspel ook in aanzienlijker omgevingen. We kunnen hierbij meteen opmerken, dat zijn personnages uit het volk beter gelukt zijn, natuurlijker aandoen dan die uit hoogere standen, die met wel wat al te starre deftigheid spreken.

Het blijspel - in wezen dan eigenlijk een klucht - werd in Langendijks tijd op niet geheel onverdienstelijke wijze beoefend. Het is een van de weinige kunstgenres waar men nog echte, autochthone volkskunst in vindt. We noemden terloops Jan van Hoogstratens ‘Verliefde Kok’ en zijn ‘Geleerde advocaat2)’; van Hoogstraten heeft ook Fransche blijspelen vertaald. Mr. Abraham Alewijn (1664-1721) genoot zelfs de heele XVIIIde eeuw door een zekere vermaardheid, niet zoozeer door de zangspelen waarmee hij zijn letterkundige carrière begon, als wel door zijn blijspelen ‘De bedrooge Woekeraar’, ‘Latona, of de verandering der boeren in kikvorschen’, ‘Philippijn, Mr. Koppelaar’, en vooral door die welke hij in Indië schreef, waar hij van 1707 af tot zijn dood in 1721 achtereenvolgens advocaat, koopman, raad van justitie en advocaat-fiscaal was; namelijk ‘Be-

[p. 470]

slikte Swaantje en drooge Fobert, of de boere rechtbank’ en ‘De Puiterveense Helleveeg, of beslikte Swaantje aan den tap’; respectievelijk van 1714 en 1719. Deze twee spelen verschillen veel wat bouw en levendigheid van 't gebeuren betreft; het tweede is in dat opzicht belangrijk knapper dan het eerste, maar allebei zijn 't echte speelstukken; Alewijn blijkt - ook door zijn aanwijzingen omtrent stil spel - wel iemand met tooneelbloed. De inhoud van 't eerste stuk is een proces, waardoor een huilerige, onnoozele hals wordt verplicht, een meisje - beslikte Swaantje - te trouwen, van wier kind hij de vader heet. De waarde van dit werk zit in de plezierig-humoristische typeering van enkele figuren, en in het vermakelijk ten-tooneele-brengen van de boeren-rechtbank. Overigens zijn er wel ‘longueurs’, gebeurt er wel wat weinig. Toch is 't geheel wel genoeglijk, en dat geldt ook van het vervolgstuk, waarin we Swaantje en Fobert aantreffen als waardin en waard van de herberg waar de Swaan-met-de-broek-aan uithangt. Fobert krijgt meer slaag dan goede woorden van zijn vrouw; - tot een gecompliceerde oplichtershistorie haar dupeert en zij, mede door de bedreigingen van den schout, tam wordt. Het gevoel van Alewijn voor ‘tooneeltjes’ komt hier voortdurend tot uiting, bijvoorbeeld aan 't begin van het derde bedrijf, waar twee pseudo-heeren zitten te pimpelen en Swaantje met het krijt staat te werken; bij 't indiceeren van ‘raare figuuren’, als de heeren een combat de générosité houden inzake het betalen; bij 't stille spel van den ouden Justus Spaarpot die, achter den schout aan, zijn met de duiten weggeloopen stiefzoon komt overvallen; bij 't voorkomend aanbod van Fobert om de sporen der mishandelingen van zijn vrouw te laten zien.... Om alleen een paar voorbeelden uit de slotacte te geven.

Er waren meer kluchten - en blijspelen - die verdienen niet geheel vergeten te worden; zooals Emanuel van der Hoeven's ‘De drie Hamburgers’, één van die tallooze verwikkelde huwelijksgevallen, maar dit stuk onderscheidt zich van de vele van zijn soort door rappe handeling en vlotte natuurlijke taal. De geliefde naar Christina's hart, Constantijn, geeft zich uit voor den uit Hamburg te importeeren vrijer Groshart, den geliefde naar vaders zin, want naar vaders belang. Als de echte Groshart nu juist nog arriveert, wanneer het huwelijk staat gesloten te worden, zijn er twee Grosharten, waarvan niet is uit te vinden

[p. 471]

wie de echte is, daar ook uit den omgekochten knecht Crispijn niet is wijs te worden. (De Crispijn-scènes zijn bijzonder levendig en tooneelmatig, zelfs hier en daar geestig, behandeld). Dan verschijnt er nog een derde Groshart, namelijk een geweldig Hamburgsch manwijf, als man verkleed, aan wie de echte Groshart, uit vrees, een trouwbelofte heeft gedaan. Welke belofte hij nu, alweer uit vrees, maar zal houden. De oplossing ligt nu voor de hand: de notaris heeft twee huwelijkscontracten op te maken.

Er is meer van dien aard; ook stukken die zoo al niet van veel waarde als tooneelkunst, dan toch als ‘zedenspiegel’ van belang zijn, zooals ‘De Hedendaagse Bankroetier achterhaalt’, een vermakelijk spelletje van een bedrogen bedrieger, ‘De gehorende Schout’, dat in een uitermate bedenkelijk milieu speelt, wat voor wederopvoering in onzen tijd een bezwaar zou wezen, maar het is intusschen een werk, waarin de draad van de handeling goed is vastgehouden en toch het bijwerk op zichzelf zeer de aandacht verdient. Ook Van der Gon's ‘Scheepsleven’ (1714) en Mauritius' - in de XVIIIde eeuw veel gespeelde - ‘Leidsch Studentenleven’1) (1717) zijn - onder andere! - interessant als zedenschilderingen.

Maar wij zouden het over Langendijks blijspelen hebben. We noemen hier de voornaamste: ‘Don Quichot op de Bruiloft van Kamacho’ - dat hij op zijn zestiende jaar schreef - ‘Het Wederzijds Huwelyks Bedrog’, ‘Krelis Louwen’, ‘De Wiskunstenaars of 't Gevluchte Juffertje’ en de ‘Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden’. De stof van zijn stukken is meestal geen eigen vinding, maar de wijze waarop hij ze bewerkt, toont aandachtige techniek; in dat opzicht is hij zeker Breeroo's meerdere, ja, in de zorgvuldigheid waarmee hij zijn intrigue afwerkt, blijkt hij zelfs de meerdere van Molière, wiens leerling hij was, en aan wien hij een en ander-speciaal een paar tooneelen in ‘Het Wederzijds Huwelyks Bedrog’2) ontleende. Maar wat pittigheid en natuurlijkheid van taal en natuurlijkheid van rhythme aangaat, blijft hij ver bij Breeroo, wat psychologische diepte betreft, oneindig ver bij Molière achter. Wat zijn verzen aangaat, het zijn

[p. 472]

bij hem, wat 't aantal lettergrepen betreft, nauwkeurig ‘uitkomende’, maar veelal weinig gespierde alexandrijnen. Ja, zijn ‘verzen’ zijn eigenlijk nogal naar, maar wel heeft hij telkens vondsten die op een echt komisch talent wijzen, én hij is een van onze eerste tooneeldichters die een evenwichtige doseering van 't spreek- en het handelings-element vertoont. Bovendien is hij voor een begin-XVIIIde eeuwsch tooneeldichter bijzonder kiesch. Allemaal redenen waarom zijn stukken, meer dan die van eenig ander blijspeldichter, tot in het heden op 't répertoire zijn gebleven; die welke hierboven genoemd zijn, werden alle in deze eeuw nog herhaaldelijk met succes opgevoerd. Zijn jeugdwerk, de Don Quichot, waarvan hij 't gegeven aan het negende boek van Cervantes' beroemde werk ontleende, is vol dolle fantaizie; het heeft reeds tijdens zijn leven veel succes gehad, eenigszins tot ergernis van den schrijver, die zijn latere, meer kunstvaardigheid en oorspronkelijke karakterteekening vertoonende stukken er ver boven stelde. Trucs genoeg hierin, van de kluchtspelsoort: een koeterwalende kok die Vetlasoepe heet, Don Quichot vechtende tegen een troep met pollepels gewapende koks, een bruilofsvoordracht, het spel met Sancho en de deken, een paar balletten.... wat wil men meer! Men zal Langendijk misschien euvel kunnen duiden, dat hij het Don Quijote-type, waarvan hij de diepere beteekenis toch (blijkens zijn opdracht van 't spel aan de heeren Haak en Kraaivanger) zoo goed inzag, hier een uitsluitend bespottelijke rol laat spelen, maar dit is wellicht wat te zwaar-op-de-hands geredeneerd, en ‘Sanche Pance’ althans vlijt zich in dit geheel uitstekend.

Het ‘Wederzijds Huwelijks Bedrog’ - de historie van een berooiden legerkapitein en een arme adellijke jongedame, die ‘wederzijds’ in elkaar een goede partij wanen te vinden -, is aan een roman ontleend (‘De vermakelijke Vrijage van den kaaien Utrechtsen Edelman en de niet hebbende Gelderse juffer’, enz.); het geval is met geestige en boeiende levendigheid behandeld, eenige individueele psychologie echter moet men er niet in zoeken, en het toeval speelt bij de ontknooping een groote rol, gelijk meer bij Langendijk het geval is, trouwens ook bij zijn grooten leermeester Molière, maar bij dezen laatsten wordt de ontknooping veelal als iets zeer bijkomstigs behandeld (‘L'Ecole des Femmes’, ‘L'Avare’); Molière was, althans in zijn latere

[p. 473]

stukken, tevreden, als hij het wezen van zijn hoofdpersoon door de aangevoerde situaties volkomen had belicht, en bekommerde zich niet om de rest. Hij had dan zooveel van groote waarde gegeven, dat ‘de afloop’ ons ook waarlijk onverschillig kan laten, - maar dat is bij Langendijk niet het geval, ‘Het Wederzijds Huwelijks Bedrog’ dan is een vermakelijk speelstuk. De ‘hij’ van 't huwelijksgeval, de fatsoenlijke zwendelaar Lodewijk, de prenterige, statige en ‘kale’ moeder van de ‘zij’, en het malle mirakel Jan geven tot aardige typeering aanleiding. De verzen zijn niet fraai, en er komen enkele al te goedkoope aardigheden in' t stuk voor-zooals de ‘Kraaf van Kabeltomven’1) en dergelijke woordverdraaiïngen, - en een enkele te gemaniereerde uiting van het levenslustige dienstmeisje Klaar, bijvoorbeeld over manchetten van haar meesteres die zij, wellicht mede onder invloed van rijmdwang, ‘minnenetten’ acht, - maar die bezwaren vallen weg onder den overvloed van vermakelijke situaties en fantaizie anderszins, waarmee dit spel van alzijdsch bedrog en alzijdsche ‘kaalheid’ is opgesierd. De superieure verdwazing in de taal van den knecht Jan is opmerkelijk; zoo iets komt in onze Noordnederlandsche litteratuur hoogst zelden voor; het doet denken aan den strakken ernst van de ‘cérémonie turque’ in Molière's ‘Bourgeois Gentilhomme’ en aan de keltische wankelheden die men in komische nuance nog bij Shaw vindt. Knap en aardig is bijvoorbeeld ook het dialoog-parallelisme in het derde tooneel van het vierde bedrijf, en het gesprek van Charlotte met de schuldeischers, Molière nagedaan2). Er zouden moreele bedenkingen te maken zijn - dat is niet zonder beteekenis voor den indruk van het stuk! -, namelijk over het ontbreken van alle eerlijkheid bij alle dramatis personae, een verschijnsel dat we trouwens in de Fransche en Engelsche litteratuur van dit tijdvak ook voortdurend kunnen constateeren; men denke aan allerlei beroemde en representatieve werken als ‘Le Paysan Parvenu’ en ‘Marianne’ van Marivaux, en vooral aan de, latere, ‘Liaisons dangereuses’ van Choderlos de Laclos en b.v. aan Defoe's ‘Moll Flanders’. Wat ‘Het Wederzijds Huwelijks Bedrog’ aangaat, mogen we echter wel zeggen, dat de schrijver zoo onderhoudend is, dat we aan dit bezwaar bijna niet toekomen.

[p. 474]

‘Krelis Louwen of Alexander op het ‘Poëetemaal’, een stuk dat nog steeds met groot succes - vooral als Jan Musch als protagonist optreedt - wordt opgevoerd, is de bewerking van een vele malen in de litteratuur gebruikt gegeven, dat van den armen man dien men, als hij slaapt, in een rijke omgeving brengt, en wien men dan wijsmaakt, dat hij een voornaam heer is; al in de ‘Duizend-en-één-nacht’ komt een geschiedenis van zoodanigen inhoud voor, en in het voorspel van Shakespeare's ‘The taming of the Shrew’; na Langendijk zal de Deensche blijspeldichter Ludvig Holberg - die wellicht tijdens een verblijf in ons land met Langendijk's stuk heeft kennis gemaakt - zijn ‘Jeppe paa Bjerget’ schrijven, van dergelijken inhoud, ook de opera ‘Si j'étais roi....’, zal dit gegeven dramatizeeren. De avonturen die Langendijk zijn slachtoffer, den melkboer Krelis Louwen, in den ‘heerlijken staat’ laat ondervinden, zijn uiterst fantastisch. Er is een gezelschap tooneelspelers aanwezig, die aan de vertooning meedoen; men maakt hem wijs, dat hij Alexander de Groote is, en juist Babel veroverd heeft. Een legertje van ‘zwarten’ (Voorindiërs!) brengt Kees dan danig in 't nauw; hij beseft, dat het in de grootheid ook niet alles is, en is maar blij, als men de nachtmerrie van het koningschap van hem wegneemt. Meteen is hij dan van karakter verbeterd, want Langendijk stuurt graag in de richting van zedelijke beterschap.

‘De Wiskunstenaars’ is een slecht gecomponeerde maar ‘tooneeltjes’-rijke schakingshistorie met een parodistische voorstelling van pedante ‘wiskunstenaars’ (die meer speciaal sterrenkundigen zijn); Troost heeft ook dit stuk, als Asselyn's ‘Jan Klaaz’, vereeuwigd.

Dit zijn bij elkaar dan wel Langendijks voornaamste stukken. Ook een paar zedencomedies heeft hij geschreven o.a. ‘Quincampoix of de Windhandelaars’, een levendige charge op de voor speculatiën van dien tijd, doorvlochten met - ‘une pièce de théâtre c'est une histoire d'amour! - een onbeduidend vrijerijtje. Hij noemt het blijspel, niet klucht, waarschijnlijk omdat het meer dan één bedrijf telt, misschien ook omdat het een soort zedenschildering geeft; al is die schildering meer kleurig en effectvol dan diep peilend. Er komt alweer een krom-Hollandsch pratende sinjeur in voor, voorts een wel heel weinig gemotiveerde danserij; enfin, we zijn nu zelfs wel gewend aan opera-balletten! De taal is

[p. 475]

nu en dan bedenkelijk stijf, speciaal in 't gesprek (I, 8) tusschen het trouwens weinig persoonlijk geteekende vrijerspaar Hendrik en Hildegond. Een zedencomedie is ook zijn ‘Spiegel der vaderlandsche kooplieden’, dien we reeds terloops noemden, een zeer fijn en zuiver weerkaatsende spiegel, een uitstekend-zorgvuldig geschreven stuk, dat het leven van den rijken koopmansstand in het midden der XVIIIde eeuw weergeeft. We zien het oude en het jonge geslacht tegenover elkaar gesteld als degelijkheid en verkwisting; de verkwisting voert ten ondergang, maar de ouderwetsch-degelijken zijn gelukkig ook goedhartig - en tevens buitengewoon fortuinlijk! - en zoo willen, en kunnen, ze de kinderen die beterschap beloven, nog redden. De zedenschildering beslaat in dit stuk een zeer groote plaats, grooter dan uit dramatisch oogpunt wenschelijk is; wel vernemen we daardoor ook veel dat ons belang inboezemt. Al is die belangstelling meer van cultuurhistorischen1) dan van artistieken aard. Maar 't stuk heeft toch ook redelijk wat actie; de angst van den feest-gevenden Lichthart, wanneer de dienders op de stoep zitten, gereed om hem te gijzelen, die angst door al de vreugde heen, is al een boeiend element.

Ten slotte heeft Langendijk een paar kluchten geschreven op gegevens ontleend aan de klassieke wereld, ‘Xantippe of het booze wijf des filisoofs Socrates beteugeld’ en ‘Papirius of het oproer der vrouwen binnen Romen’. De eerste, wellicht te danken aan het feit dat Langendijk in Socrates een lotgenoot begroette, is een weinig bekoorlijke operette-zonder-muziek, hier en daar nogal plat, en met veel scheld- en vechtpartijen. ‘Papirius’ is wel een geschikt nastukje. Wat Langendijk verder schreef, laten we daar.

***

Litteratuur

J.A. Worp, Mr. A. Alewijn (Ts. v. Ned. T.- en Letterk. IV, blz. 246).
P. Langendijk, Gedichten (4 dln., Amsterdam, 1721).
C.H. Th. Meyer, Pieter Langendijk (Den Haag, 1891).
F.Z. Mehler, Pieter Langendijk (Culemborg, 1892).
P. Langendijk, De Wiskunstenaars of 't gevluchte juffertje, uitg. door G.W. Wolthuis (Amsterdam, 1938) (met belangrijke inleiding).
J. van Ham, De Spotkoning (over Krelis Louwen en derg.) (Nieuwe Taalgids XXIX, blz. 229).
[p. 476]

Justus van Effen

We komen tot de laatste der drie representatieve figuren uit de eerste helft der XVIIIe eeuw: Justus van Effen (1684-1735). Hij brengt ons in deze eeuw, waarin het verhalend proza over 't algemeen sterk toeneemt, een te onzent, zoo niet geheel nieuw, dan toch nog weinig beoefend genre: het spectatoriale vertoog.

Hij was de zoon van een luitenant bij de cavallerie, werd te Utrecht geboren, studeerde daar eenigen tijd, maar moest al spoedig den kost verdienen; hij wordt gouverneur, later speciaal mentor van te Leiden studeerende aanzienlijke jongelieden. Deze gouverneur- en mentorschappen worden afgewisseld met reizen, als secretaris, naar Engeland en Zweden. Hij komt in de aanzienlijkste omgevingen en hoopt menigmaal door zijn relaties eens een behoorlijk ambt te verwerven, maar dat gebeurt nooit. In 1727 promoveert hij ten slotte ook zelf tot doctor in de rechten, ongeveer gelijk met zijn laatsten pupil. Aan een vroegeren leerling, den graaf van Welderen, heeft hij 't dan te danken, dat hij eindelijk, op zijn acht- en veertigste jaar, de betrekking krijgt van kommies bij 's Lands magazijnen van oorlog te 's-Hertogenbosch. Hij trouwt dan; - tot dien hadden de middelen daartoe hem ontbroken -, maar reeds drie jaar later sterft hij. Hij heeft van zijn jonge jaren af geschreven, in 't Fransch, waarschijnlijk doordat hij in een aristocratisch milieu verkeerde; de aristocratie sprak veel Fransch, hield zich wel met Fransche litteratuur bezig, maar wist van de Nederlandsche ternauwernood, dat ze bestond. Zoo bleef hij ook buiten de dichtgenootschappen. Er waren ook tal van Fransche émigrés onder zijn vrienden; na zelfstandig eenige andere Fransche blaadjes met litteraire- en zedenkundige beschouwingen te hebben uitgegeven, publiceert hij met eenige van die vrienden twintig jaar lang het ‘Journal litéraire de la Haye’, een blad van een sterk internationaal karakter; speciaal komt de invloed dien Engeland in dien tijd had op 't gebied der letteren er sterk in naar voren. De kennisneming van wat er in Engeland omging, had van Effen ook in aanraking gebracht met

[p. 477]

de toen aldaar zeer grooten opgang makende weekbladen ‘The Tatler’ van Richard Steele, waaraan ook Joseph Addison meewerkte, ‘The Spectator’, die de ‘Tatler’ na zijn kortstondig bestaan opvolgde, ‘The Guardian’ en andere. In zijn Fransche tijdschriften heeft van Effen - die ook een groot bewonderaar was van La Bruyère's ‘Caractères’ - een en ander van deze soort ‘vertoogen’, die meestal een geestig en gemoedelijk praatje waren over de zeden van den tijd, nagevolgd. Er zijn meer bewijzen van zijn belangstelling in de Engelsche letteren, bijvoorbeeld de - Fransche - vertaling die hij maakte van Swift's vermaarde ‘Tale of a tub’, maar de invloed van die Engelsche weekblaadjes is wel verreweg de grootste geweest, welken vreemde letteren op zijn ondanks alle internationalisme Nederlandsch, dus moralizeerend, gebleven geest hebben uitgeoefend. Dat bewijst zijn ‘Hollandsche Spectator’, ook een weekblad, dat hij in 1731 begon en tot zijn dood volhield. Het is 't eenige Nederlandsch dat hij, dus aan 't eind van zijn leven, schreef, maar het is zeer goed Nederlandsch, al vindt men er, uiteraard, niet alleen wat de woordkeus, maar ook wat de zinswendingen betreft, nogal eens een gallicisme in, - zooals men in zijn Fransche geschriften menig Hollandisme kan aantreffen. Men is gewoon, de beteekenis van deze ‘Hollandsche Spectator’ wat te overschatten. Het is begrijpelijk. In den tijd van zijn ontstaan zelf was er niet veel proza met letterkundige waarde, en wat zedenkundige vertoogen betreft, op dat gebied was men allerminst verwend. Er bestond een en ander dat er op leek, maar dat waren meer speciaal chantagegeschriften, die onder het mom van zedengisping verschenen: de ‘Haegse Mercurius’ van Mr. Hendrik Doedijns (1699; herdrukt in 1736) en diverse weekbladen van den avonturier-met-talent Jacob Campo Weyerman: ‘De Rotterdamsche Hermes’ (1720-'21), ‘De Amsterdamsche Hermes’ (1724-'25), en nog een aantal van die blaadjes meer; - tot hij in 1737 ‘De Naakte Waarheyt’ zou uitgeven, waarom hij op de Gevangenpoort in Den Haag gezet werd; daar bleef hij tien jaar lang, tot zijn dood, opgesloten. Bij dergelijke litteratuur stak de Hollandsche Spectator wel zeer gunstig af. En wat de overschatting van later geslachten betreft, de lezer van de XIXde en de XXste eeuw is den auteur dankbaar voor de belangwekkende kijkjes die deze hem, door die schetsen van 't dagelijksch leven, geeft op de

[p. 478]

XVIIIde eeuwsche beschaving, maar het is onjuist, die dankbaarheid op het artistiek credit van Justus van Effen te boeken. Bovendien is er nog een reden, die dezen auteur ‘belangrijk’ maakt: in zijn tijd is de invloed van zijn werk zeer groot geweest; het paste dan ook wel zeer in de tot redeneeren geneigde mentaliteit der eeuw. Die invloed blijkt uit een menigte navolgingen, die tot in de XXste eeuw op te merken zijn. Welnu, dat is dan althans wèl een aanleiding om aan deze geschriften, wanneer men de geschiedenis van de letteren te-boek stelt, aandacht te wijden1)!

Van Effen was wèl de man om van het Nederlandsche leven iets te kunnen zeggen, dat de moeite waard was. Hij stond er, door zijn verkeer in 't eigenaardig onhollandsch aristocratisch milieu en door zijn verschillende verblijven in 't buitenland en in de maatschappij-apart van het studentenleven, net genoeg buiten om de eigenaardigheden ervan op te merken; zooals iemand die na lang verblijf buitenslands een vaderlandsch landschap weerziet, gemeenlijk juister het karakteristieke ervan opmerkt dan iemand die er zijn heele leven in doorbrengt. Aan den anderen kant was van Effen toch Nederlander, wel zoozeer Nederlander gebleven, dat zijn wijze van beschouwen zijn landgenooten moest aanspreken. Die wijze van beschouwen toch was wel echt-Nederlandsch: nuchter, nogal verstandelijk, en getint door een oprechte, rustig-ruime religiositeit.

Hij merkte de fouten, maar ook wel degelijk de deugden van zijn landslieden op. Dit laatste was zeker niet onbevorderlijk aan het debiet. De verkoop van het wekelijksche blaadje ging eerst vrij traag; maar toen hij in het zesde vertoog de mildheid van onzen landaard - terecht - geprezen had, begon het publiek wat meer belangstelling te toonen. In het achtste vertoog werd de rustige moed van de bewoners dezer landen in den Tachtigjarigen oorlog geloofd.... De Hollandsche Spectator begon opgang te maken!

[p. 479]

Hij heeft de Nederlanders ook nadien nog nu en dan geprezen, maar een doorloopende lofrede op ons volk is zijn weekblad toch geenszins geworden! Dat was ook zijn bedoeling niet, zoomin als het de bedoeling was geweest van Addison en Steele met hun ‘Tatler’ en ‘Spectator’, - die hij in zijn eerste ‘Vertoog’ ten hoogste prijst, en waarvan hij zich een nederig navolger verklaart. Zoo'n doorloopende lofrede zou ook kwalijk mogelijk zijn geweest; de tijden waren alles behalve glorieus, en dan, een moralist is van aanleg reeds iemand die niet een overdreven neiging tot bewonderen heeft.

Wat hij dan alles prees en laakte, we kunnen daarvan hier kwalijk ook maar een overzicht geven. Hij verdedigt de bewoners der landprovinciën, die men geneigd was als ver bij Holland achterstaande te beschouwen; - van Effen was een Utrechtenaar van geboorte en woonde te 's-Hertogenbosch! Hij pleit voor den militairen stand; er was in ons land van kooplieden en boeren eenige reden toe, en de zoon van een officier was voor een dergelijk pleidooi wel de aangewezen persoon. Hij verheft de deugd der godsdienstige verdraagzaamheid, kan Roomsch-Katholieke geestelijken waardeeren, en ook de Joden, met wie men in dien tijd zeer weinig opheeft. Schijnvroomheid stelt hij aan de kaak. Menigen anderen wenk nog geeft hij, die onze landgenooten ter harten mochten nemen - en niet alleen in zijn tijd-; bijvoorbeeld waar hij hun aan 't verstand tracht te brengen, dat een ‘lieflijke en ongebondene vrijheid’ niet verward moet worden met een ‘vlegelachtige boersheid’. Hij geeft in navolging hier vooral van La Bruyère, eenige typen: Canoculus, den vleierigen vriend der aanzienlijken en rijken, Krokinus, die erg op zich zelf gesteld is, en andere, maar over 't algemeen zijn die typeeringen wat te sterk aangezet om een geoefenden smaak behaaglijk te wezen. Zoo ook waar hij bijvoorbeeld de ‘malle moedertjes’ beschrijft, die iedereen vervelen met de voortreffelijkheden van haar kroost. Soms nemen zijn zedenschetsen het karakter van novellen aan, die dan gewoonlijk in den kleinen burgerstand en den werkmansstand spelen, en een enkelen keer over eenige nummers van den ‘Spectator’ doorloopen, soms met nummers aan geheel andere onderwerpen gewijd daartusschen in; zoo de geschiedenis van de vrijage van Kobus en Agnietje, een bloem, in vele bloemlezingen overgeplant en die een heel rake schets

[p. 480]

geeft van het dóód-fatsoendelijke leven der XVIIIde eeuwsche kleine burgerij - in welk een nare benepenheid vermeit zich hier de ‘heer advocaat’ - en het verhaal van Thysbuurs os, waaruit men ziet dat er schoenlappers waren, die meer dan enkel den schoenlappertjes-Máándag wisten te vieren; ook, dat het drankmisbruik bedenkelijke afmetingen had aangenomen.

Van Effen schreef zijn Spectator niet alleen; er waren soms inzendingen van anderen, die hij plaatste, maar vaker komt het voor, dat hij een ander als schrijver fingeert. Zijn beteekenis is, dat hij in een tijd van holle rhetoriek en zelfgenoegzaamheid op niet onbeminnelijke wijze tal van misbruiken en zwakheden in 't licht heeft gesteld, en dat in een voor dien tijd tamelijk losse taal, waaraan ook eenige beeldende kracht niet ontbreekt.

We noemden de drie epigonen van onzen grooten tijd representatief voor den geest in Nederland in de periode waarin ze leefden. Wat dan vertegenwoordigen ze? Laten we dat even nagaan, en meteen een paar mindere goden van dien tijd noemen.

Wat Poot betreft, we hebben zijn beteekenis al aangeduid. We zagen, hoe de geest waarin het classicisme in zijn tijd wordt opgevat, waarbij meer uitdrukkingsvormen worden nagedaan,dan innerlijke beweging nagevoeld, de fleurige speelschheid van wat in den dichter opwelt, belemmert. Poots oudere tijdgenoot Jan Baptista Wellekens (1658-1726), Vlaming van geboorte, aanvankelijk goudsmidsleerling te Amsterdam, clan elf jaren lang schilder in Italië, ten slotte, als bijziendheid hem de beoefening van deze kunst bezwaarlijk heeft gemaakt, vóor alles dichter, is een wel zwakker talent dan Poot, maar geeft in zijn voorkeuren en werktrant, die zich te williger voegen naar ‘de eischen des tijds’, een nog duidelijker beeld van die eischen. De dan in Italië opnieuw oplevende arcadische poëzie - er werd in 1690 te Rome zelfs een ‘Accademia degli Arcadi’ voor de beoefening van het herdersdicht opgericht - vindt in hem een geestdriftig volger; kenschetsend is dat dit arcadisme zich onder andere uit in de verheerlijking van eenige buitenplaatsen: ‘Voortwyk’ aan de Vecht, en ‘Endenhout’, aan het ‘end’ van den Haarlemmerhout gelegen. Hij heeft ook ‘Amintas’ van Tasso vertaald. Hij had wel een echt artistieke natuur en heeft, ernstig maar ruimvoelend geloovige (Jansenist) als hij was, behalve landelijke ook ‘Zedelijke en ernstige Gedichten’ geschreven. En dan is nog in

[p. 481]

deze rubriek van arcadiseerende natuurdichters Dirk Smits (1702-1752) te noemen. Vooral is deze Rotterdammer bekend door zijn uitvoerigste gedicht ‘De Rottestroom’, een navolging van Vondel's Rijnstroom en Antonides' Ystroom, overigens zeer eigen van inhoud en versmaat; de verzen ‘stroomen’ ook, vlot en, ja, soms ook wel wat flodderig, wat slap, maar over 't algemeen geeft het gedicht wel, in den tammeren XVIIIde eeuwschen trant, een reeks bevallige beeldjes. Hoezeer men recht heeft hem onder de Arcadiërs te plaatsen, moge blijken uit het volgende ‘herderlijke schrijven’, ‘Kloris’ (herderszang).

 
Bij eenen inham, daer de Maes, door scheutig riet
 
Met zachte golfjes in een krongklend beekje schiet1),
 
Dat onder de elzen ruischt, die Landryks hoef omringen,
 
Koos Damon de eenzaemheit, om onbeschroomt te zingen,
 
Hoe fel hem 't scheiden van zyn lieve Kloris smart,
 
Zyn vreugdt, zyn levenszon, den wellust van zyn hart',
 
Wiens2) deugdt en schoonheit hem met zachte boeijen prangen;
 
En hoe hy, uur op uur, vast reikhalst met verlangen
 
Naer heure wederkomst, die hy veel heils voorspelt.
 
Dus klonk zyn veldzang door het klaverryke veldt:
 
O Frissche beemt! o bosch! o ryzige eikeboomen!
 
o Bloemwaranden! o bekorelyke stroomen!
 
Die flus3) mijn bly geluidt met vreugd' hebt aengehoort,
 
Toen ik voor Kloris zong, die myne ziel' bekoort,
 
Hoort nu myn klagten, die zich door de lucht verspreijen,
 
Nu ik my van myn vreugd', myn Kloris, zie gescheijen!
 
Zwijgt, schelle vogeltjes! hier voegt geen vrolyk liedt.
 
Nu Kloris dit gewest en myn gezicht ontvlied,
 
Heeft ook de vreugdt dit veldt en myne ziel begeven.
 
Nu kwynen beek en beemdt, nu zuchten bosch en dreven,
 
Want roep ik: ‘Kloris, keer! ei sla mijn klagten gaê!’
 
Dan baeuwt my de Echo fluks den naem van Kloris na;
 
En roep ik: ‘Keer, myn Bruid! myn Bruid! waer moogt gy/dwalen!’
 
Dan hoor ik haer terstont: ‘Myn Bruid! myn Bruid!’ herhalen.
 
Mijn schaepjes treuren meê, zij laeten 't voedsel staen,
 
Als waren zij in 't hart met Damons leet belaên;....
[p. 482]

En, iets verderop:

 
‘Kom, Kloris! kom u weêr in dit gewest verlusten!
 
Wij zullen zachtjes op een bedt van bloemen rusten,
 
Of onder 't somber groen van dezen beukeboom,
 
Daer ik U meenigmael een napje schaepenroom,
 
Die versch gemolken was, beleeft heb aengeboden,
 
 

Dit is wel de ‘rusticité parfumée’, zooals we ze ook in zoo vele fijne, en dan ook nog wel liefst een beetje zwoele pastels van de XVIIIde eeuw zien afgebeeld. Dirk Smits heeft meer zoo in de rose suiker gewerkt, .... die, zeker, wel ‘zoet’ smaakt. Op verschillend gebied heeft hij zijn kunst getoond, er is b.v. een keurig gevlochten ‘Lijkkrans voor mijn Dochtertje’ waarin met haar naam (Margareetje = pareltje) gespeeld wordt. Het geeft alles de behaaglijkheid van de XVIIIde eeuw aan, met haar tot bevallig deinen verlangzaamd levensrhythme. Soms is hij wel wat erg huiselijk; in ‘Verjaerzang voor mijne Kornelia’ vinden we bijvoorbeeld deze onbedoeld-vermakelijke strofe:

 
De blijdschap maelt op Lysjes koontjes
 
Nu kussenswaerde rozekroontjes;
 
Ons Keesje slaekt verheugde toontjes,
 
't Piepjong Michieltje schijnt verrukt
 
Met blozende en gezwollen wangen
 
Aan uwe volle borst te hangen.

Smits was stoerder begonnen; met een bijbelsch epos: ‘Israëls Baalfegorsdienst of Gestrafte Wellust’, waarna hij ook een aantal kortere bijbeldichten schreef (opgenomen in zijn ‘Gedichten’ van 1740). Hij was lid van het Rotterdamsche dichtgenootschap ‘Natura et Arte’, waar, naar zijn levensbeschrijver Versteeg meedeelt, elke fout, die de leden in het werk van een medelid aanwezen, met boete werd bestraft. In 1746 maakt hij - tot dien was hij belastingambtenaar te Rotterdam geweest - een kleine promotie; wordt ‘contrarolleur van de equipage’ te Hellevoetsluis. ‘Als een andere Orfeus’, vertelt Versteeg, wist hij ‘de woestheid der bewoonderen van dat Fort door zijn verrukkende gezangen te breidelen ..... en ten deugdespoor op te leiden’. Maar helaas, terwijl hij de equipage van een vaartuig contrarolleerde, beet de scheepshond hem in zijn been, en hij stierf aan de

[p. 483]

gevolgen. Versteeg heeft nog menigmaal ‘niet zonder veel aendoeninghe’ dien hond aan boord van dat schip gezien, naar hij vermeldt.

Wat Langendijk aangaat, in hem is ongetwijfeld veel - meer dan in het werk van de beide andere representanten -, dat we volkomen kunnen waardeeren, en wat in hem karakteristiek is voor zijn tijd, is ook volstrekt niet alles gering te schatten. Toch, de weinig gespannen kracht in de taal zijner blijspelen - men vergelijke daarmee eens de blijspeltaal van Bredero! - is ook wel symptomatisch. Eenige hem soortverwante tooneeldichters noemden we reeds. Over van Effen zou meer te zeggen zijn. Is hij naar onze meening al geen belangrijk kunstenaar, hij is wèl een merkwaardige figuur als doorgever van cultuurwaarden. We zagen, hoe internationaal hij georiënteerd was. Internationaal, dat was in dien tijd, vooral wat de litteratuur betreft, Fransch; maar als hij als gezantschapssecretaris naar Engeland gaat, maakt hij daar ook kennis met de toen zeer belangrijke Engelsche letteren en wetenschap, hij leert zelfs persoonlijk Newton, Pope en Swift kennen. Als hij, enkele jaren later, in 1719, met den prins van Hessen-Philipsthal een reis naar Zweden heeft gemaakt, geeft hij daarvan een beschrijving, weer in 't Fransch; Goldsmith heeft daar later een en ander aan ontleend. Wij vermeldden reeds, dat hij - lang voordien, in 1711-'12 - een Fransch weekblad had uitgegeven (‘Le Misanthrope); later werkt hij mee aan het reeds genoemde ‘Journal litéraire de la Haye’, dat tot na zijn dood heeft voortbestaan, geeft, voor hij aan 't Nederlandsch schrijven toe is, nog twee Fransche tijdschriften uit ‘La Bagatelle’ en ‘Le nouveau Spectateur français’. In al die geschriften brengt hij, een middelmatig, verstandelijk Nederlander, die - het zal ook in zijn ‘Hollandsche Spectator’ blijken - meer van Boileau houdt dan van Corneille, Racine en Molière, meer van Cats dan van Vondel, denkbeelden naar voren,die toen in het internationale rationalistische denkleven waren opgekomen. Die beschouwingswijze is bestemd fortuin te maken. We teekenden reeds aan, dat zijn ‘Hollandsche Spectator’ de stamvader werd van een door vele generaties bloeiende familie; wanneer we later in de XVIIIde eeuw de verlichting, het burgerlijk rationalisme veld zien winnen tot het ten slotte de kern van het nieuwe leven wordt, mogen we nog eens aan de eigenaardige, cultuurhistorisch dus wel belang-

[p. 484]

rijke figuur van van Effen terugdenken. Dan ook zullen we gereedelijker begrijpen, dat hij meer waardeerbaar toescheen aan wie tot hem kwamen uit de XIXde eeuw, dan aan wie hem zien komen na die periode vol levensgloed die onze XVIIde eeuw was.

 

***

Litteratuur

P. Verwer, Leven van Justus van Effen (voorin de 2de uitg. van den Hollandschen Spectator, 1756).
W. Bisschop, Justus van Effen geschetst in zijn leven en werken (Utrecht, 1859).
E.J. Potgieter schrijft over van Effen en zijn modellen in Het leven van Bakhuizen van den Brink (dl. II van zijn Studiën en Schetsen, 2e stuk, blz. XXXIV).
A.H. Garrer, Een medewerker van Justus van Effen (Onze Eeuw 1910, IV, blz. 267).
A.J. Barnouw, Olivier Goldsmith en Justus van Effen (Meded. v.d. Mij der Ned. Lett. 1912-13, blz. 81).
J.E. Brown, Goldsmith indebtedness to Voltaire and Justus van Effen (Modern Philology 1926, Feb.).
J. Koopmans, Wat J. van Effen zijn Spectator deed schrijven (Nieuwe Taalgids I, blz. 61).
R. Oomkens, Les ouvrages français de J. van Effen (Revue de Hollande 1916-'17, blz. 339).
P. Valkhoff, Justus van Effen en de Franse letterkunde (De Gids 1917, IV, blz. 323).
W. Zuydam, Justus van Effen (Gouda, 1922).
L. Brummel, Van Effens spectatoriale geschriften in hun verband met de Duitsche (Nieuwe Taalgids XXII, blz. 242).
Chr. J.H. Maatje, Jr., Justus van Effen, 1684-1735, een Nederl. rationalistisch essayist, moralist en paedagoog (Vragen v.d. Dag, 1928, blz. 928).
E. Hörnström, Justus van Effen en Zweden. (De Gids 1935, III, blz. 202).
M. Boldingh, Justus van Effen en de Hollandsche Spectator (Op de Hoogte 1935, blz. 87).
M. Bekkers-Zürcher, Justus van Effen en zijn ‘Malle Moedertjes’ (Eigen Haard 1940, blz. 98).
C.J. Wijnaendts Francken, Justus van Effen (Morks 1940, blz. 273).
A.J. Jansen, De Verhouding tussen Regenten en Volk in de eerste helft der 18de eeuw. (De Gids 1942, II, blz. 131).
J.B. Wellekens, Amintas, herderspel van Torquatus Tasso (Amsterdam, 1715) Hierin ook een Verhandeling van het Herdersdicht.
Pieter Vlaming, Arcadia van Sannazarius (Amsterdam, 1730), met een Leven van Sannazaer.
J.B. Wellekens, Zedelijke en ernstige gedichten uitg. met een Leven van J.B. Wellekens door Pieter Vlaming (Utrecht, 1737).
Zie over Wellekens ook J. Wagenaar, Amsterdam III, blz. 255.
Nikolaas Versteeg, Leven van Dirk Smits in het derde deel van Smits' Nagelaten Gedichten (Rotterdam, 1764).
A. de Jager, Dirk Smits eene eeuw na zijn verscheiden in zijne geboortestad herdacht (Rotterdam, 1852).
A. Schillings, Dirk Smits (Rotterd. Jaarboekje voor 1920, blz. 27).
W. Kloos, Een daad van eenvoudige rechtvaardigheid (Amsterdam, 1909).
[p. 485]

Geloof en politiek

Het eerste kwart van de XVIIIde eeuw kenmerkt zich door een zondvloed van strijdschriften tusschen de ‘dichters’; - het is, bij de schaarschte van groot werk, een oordeel over dien tijd en dat geslacht. De twisten die wij achter dezen strijd, in zijn latere faze de ‘Poëtenoorlog’ genoemd, voelen, zijn ongetwijfeld in aanleg meest van kleinzielig- persoonlijken aard, maar, zooals door alle eeuwen het geval is, men trekt ten strijde met een vaandel van ideëele bedoelingen, met leuzen van de edelste soort. En er is, natuurlijk, ook hier en daar wel een goede bedoeling, een wezenlijke overtuiging in de strijders. Van Effen zelf en zijn ‘Journal litéraire’ hadden er hun aandeel in; deze bijdragen strekken zeker weinig om ons oordeel over zijn letterkundigen smaak te verhoogen. Wij achten ons niet geroepen, hier als geschiedschrijver dezer oorlogen op te treden1), en bepalen ons tot zeer enkele werken, die om haar letterkundige waarde althans een vermelding, zij het niet geheel een ‘eervolle’ verdienen.

De lezing waard is in elk geval een gedicht van Jacob Zeeus (1686-1718), ‘De Wolf in 't Schaepsvel’ (1711)2). Zeeus was een zoon van den burgemeester van 't kleine Zevenbergen. Eerst heeft hij, als leerling van Houbraken, zich in de graveerkunst willen bekwamen, maar later,mede onder den invloed van Ysbrand Vincent, een van de stichters van ‘Nil volentibus arduum’, gaat hij meer voor de poëzie voelen en zich op dit gebied duchtig weren. Hij was na zijn leertijd als landmeter te Zevenbergen teruggekeerd, waar hij zijn leven - dat trouwens niet lang zou duren - bleef, eerst werkende op een procureurskantoor, later zelf procureur, notaris en landmeter; hij noemt dat afgelegen oord zijn Tomos, bedoelende Tomi, het ballingsoord van Ovidius. Hij heeft meer fouten in de klassieke talen gemaakt, en is erom be-

[p. 486]

spot ook, namelijk toen hij ‘mures’ met ‘muren’ vertaald had, maar hij kende toch wel behoorlijk wat Latijn, heeft b.v. in navolging van zijn ouderen vriend Pieter Nuyts een gedicht van Juvenalis vertaald. In dat genre der ‘berispdichten’ voelt hij zich thuis; hij heeft vóór en na deze vertaling het noodige van deze soort tot stand gebracht, waaronder dan ‘De Wolf in 't Schaepsvel’ zeker het meest belangrijke is. Het is zeer ‘anticlericaal’, geeft een opsomming van al 't kwaad dat de priesters al in den loop der eeuwen hebben gedaan, waarbij men ook vele hervormde predikanten ziet beschuldigen. Hij noemt verschillende voorbeelden, wat men hem geducht kwalijk genomen heeft, al zegt hij ook, dat 't in 't heden beter is. In dit gedicht is hij ook Balthazar Bekker bijgevallen in diens strijd tegen het bijgeloof. Goede verzen schrijft hij hier; gelijk er ook wel hier en daar in zijn - vele! - andere werken voorkomen.

De zeer jong gestorven Lucas Schermer (1688-1711), een zoo niet beroemde, dan toch wel zeer gunstig bekende naam uit het begin van de XVIIIde eeuw, is een van de XVIIIde eeuwers aan wie Kloos zijn ‘Daad van eenvoudige rechtvaardigheid’ heeft gedaan; de tijdgenooten deden meer dan rechtvaardigheid aan hem, ze hebben hem uitbundig verheven, waarschijnlijk ook wel doordat zij getroffen waren door het feit, dat een zoo geduldig en begaafd lijder zoo jong - in zijn 23ste jaar - heenging. Hij had wegens een uiterst pijnlijk graveellijden de studie der theologie moeten opgeven, en hield zich nadien met die der rechten, maar vooral met de dichtkunst bezig; begon met herderszangen, maar ging daarna den lof der krijgshelden trompetten, namelijk van die van den Spaanschen Successie-oorlog. Antonides was voor hem, als voor meer dichters zijner generatie, het stralende voorbeeld; dat bedenkende begrijpen we beter de mythologische overlading in zijn werk, en begrijpen ook dat die zijn tijdgenooten ternauwernood berispelijk voorkwam; het was de dichterlijke, immers de ‘Parnas’-taal! Wat zou deze jonge man, die wezenlijk begaafd blijkt en bovenal Vergilius vereerde, bij langer leven hebben kunnen worden? Maar laten we niet in den stijl zijner talrijke1) lijk- dichters vervallen!

Een langer roem nog was Arnold Hoogvliet (1687-1735) be-

[p. 487]

schoren, die zelfs een school heeft gesticht. Hij was achtereenvolgens notarisklerk en boekhouder in verschillende zaken en instellingen, het laatst in de Bank van Leening (te Vlaardingen). In zekeren zin dus een collega van Vondel. Hij wilde ook in de dichtkunst zijn genoot worden, en, mocht men de XVIIIde-eeuwers gelooven, dan zou hij het in dit opzicht een heel eind hebben gebracht, en wel speciaal door zijn bijbelsch epos ‘Abraham de Aartsvader’, dat het meest vermaarde werk van deze soort is geworden, na Vondels ‘Johannes de Boetgezant’.

Het eerste bijbelsch epos na dat van Vondel was het geenszins; er waren twee ‘Levens’ van den apostel Paulus verschenen, een ‘Leven van den Koning en propheet David’, ‘Het leven van den Heiland Jesus Christus’, een ‘Judas de Verrader’, een ‘Jonas de Boetgezant’ en een dichtwerk ‘De Kruisgezant of het Leeven van den Apostel Petrus’.... Hoogvliets ‘Abraham’ overtrof die alle; - ce n'est pas jurer gros. Het boek verscheen in 1727, de vierde druk, van 1744, was verlucht met twaalf door den kopersnijder - en acteur - Jan Punt gegraveerde platen; in 1780 verscheen nog een tiende druk.

Hoogvliet heeft het heldendicht niet geheel uit eigen aandrift geschreven. Zijn vader, die overleed terwijl Arnolds eerste werk, ‘P. Ovidius Nasoos Feestdagen in Hollandsch dicht vertaelt’, werd gedrukt, had gezegd, dat hij zijn zoon liever een gewijd onderwerp had zien kiezen dan een van heidenschen oorsprong.... Twaalf boeken heeft hij toen over den aartsvader weten vol te rijmen, soms gestadig doorwerkende, soms slechts na een lange tusschenpoos, zooals na het tiende boek; vermoedelijk wilde hij met alle geweld twaalf boeken schrijven1) en geen elf, en zag niet, hoe zijn gegevens hem dat mogelijk zouden maken; het elfde boek is dan ook zeer onbeduidend geworden. Aan het slot echter kon hij na veel moeizamen arbeid verklaren:

 
Nu is mijn taak volwrocht, mijn dichtwebbe afgeweven:
 
Ik heb twalef boekjes van Helt Abraham geschreven.

Moeizame arbeid; gelijk uit menigen twijfel, uit menige verzuchting, in het gedicht zelf uitgedrukt, blijkt. Hij is begonnen met de schaarsche gegevens geweldig uit te breiden - eerste en tweede boek -, maar zag waarschijnlijk in, dat hij zóó niet kon

[p. 488]

voortgaan, en heeft dan ook de geschiedenis van Helt Abraham zeer ongelijkmatig bewerkt. Het epos is ongetwijfeld in zijn geheel niet geslaagd, maar men vindt wel - als in Hoogvliets ‘Mengeldichten’ - bewijzen van rhythmisch gevoel en enkele mooie beschrijvingen, zooals van verschillende landschappen, en de karakterizeering van Abraham levensmoeheid. Vermoedelijk hebben des dichters vrienden en zijn verdere lezers, die gelegenheid hadden inderdaad naklanken van Vondels breeden zwier op te vangen - terwijl overigens de dien tijd zoo dierbare gladheid der verzen niets te wenschen overliet, en de inhoud ook zoo ‘gewijd’ was als men maar wenschen kon - dit alles samen voldoende geacht om het werk als een uitermate ‘fraay digtstuk’ te beschouwen. Als wij, XXste eeuwers, er nog eens een paar avonden aan besteden, zal waarschijnlijk bij alle lezers de indruk zijn, dat de XVIIIde eeuw zich wel op zeer rustige wijze wist te vermaken en te stichten.

***

Litteratuur

Het leven van J. Zeeus vóór zijn Overgeblevene gedichten (Rotterdam, 1726). Zie ook over Zeeus C. Busken Huet in Hubert Korneliszoon Poot (Litt. Fantasieën I blz. 88).
P. van Valkenhoff, Jacob Zeeus (Ts. Taal en Letteren XXVI, blz. 227).
P. Vlaming, Het leven van Schermer, voor de uitgave van zijn werk van 1712. Het Leven van Arnold Hoogvliet is beschreven door Jan de Keuyff in ‘Levens der Nederl. dichteren en dichteressen’, uitg. door ‘Kunst wordt door arbeid verkreegen’, Leyden 1782.
W. Kloos, Een daad van eenvoudige rechtvaardigheid (Amsterdam, 1909).
[p. 489]

Het Fransch classicisme

We hebben reeds gezien dat de mannen van ‘Nil’, en vooral Pels als hun woordvoerder, de navolging van de Franschen als het middel om echte kunst te scheppen aanprezen; Fransch-classiek had in de periode 1660-1760 als maatstaf Grieksch-classiek vervangen, wat wil zeggen, dat de eigenaardige omkleeding van de gegevens der Oudheid met de vormen der precieuse Fransche hofkunst, die na Corneille in Racine haar eigenlijk wel zeer zonderlinge gedaante krijgt, nu onzen vaderlandschen burgerlijken kunstenaars als voorbeeld gaat dienen. Men wil dus nu die zonderling verwrongen navolgingen navolgen; navolgen dus in 't kwadraat.

Zonderling verwrongen; - men kan het zeggen met den grootsten eerbied voor de kunst van Racine, die door het projecteeren van de helden en verhoudingen der Oudheid in de Fransche hofsfeer juist blijk heeft gegeven van de kracht van een tot zoodanige transpositie in staat zijnden geest, een geest die het verstond - (we denken speciaal aan zijn ‘Phèdre’, dat, zoo misschien niet zijn schoonste, althans zijn meest representatieve meesterstuk is) - een ongedwongen in één dag zich voltooiende tragedie te schrijven, een stuk dat zuiver, naar Goethe's woord, een ‘crisis’ vertoont, dat wil zeggen, dat het geen samengeperste voorgeschiedenissen geeft, maar een handeling, die de ontknooping nabij is, als ze begint en waarin uiterlijk zeer weinig verrassends gebeurt, een dus in wezen klassieke handeling, die van het dadelijk mee te voelen begin natuurlijk voortgaat, zonder krampige haast en zonder vervelende ‘longueurs’, onverbiddelijk bestuurd door het onbewogen noodlot. We behoeven over de grootheid van Racine niet verder uit te weiden; we herhalen met allen eerbied daarvoor, dat zijn helden een zonderling verwrongen beeld geven van de helden der Oudheid. Als ‘courtisans français’ heeft Voltaire ze gequalificeerd; een beetje gemeen-geestig. Maar ja, in hun omgangsvormen, in hun omgangstaal met hun vele ‘madame's’, in de wijze ook waarop ze hun fijn-getourneerde

[p. 490]

complimenten en liefdesbetuigingen afsteken - ze speelden dan toch ook in toilette de ville of toilette de cour - zijn ze wel zeer ‘Louis XIV’, en al zijn ze vol van oer-passies, die blaken het vernis van de keurige omgangsvormen niet kapot, dat vernis, dat allen met een uiterlijk-gelijktonigen glans overdekt. Een tragedie is een conversatie onder een lampkroon, een conversatie in een salon, kon een andere, een láát-XVIIIde eeuwer zeggen... Zeker uiterlijk. Maar dat uiterlijke dringt toch nog wel eens in wat dieper lagen door. Een figuur als Achilles, - zooals we hem uit de Ilias kennen, is hij een ontembare, een geweldige vol wrok, een trouw vriend-en-wapenbroeder, een geducht, woest aansneller - podas ookus - op den vijand. Bij Racine blijft hij ‘bouillant’, maar welk een teeder, troubadourlijk minnaar is hij voor Iphigénie, en als hij tegenover den koning staat, wel, hij gaat niet verder met zijn bedreigingen, dan voor het hofpubliek aanvaardbaar was: hij blijft een ‘prince’ tegenover een ‘roy’.

Genoeg reeds om voelbaar te maken door welk intermédiair - als men het nog zoo noemen mag? - de eind XVIIde en begin XVIIIde eeuwsche Nederlandsche classicisten tot de oudheid komen; of liever door welke tusschen-komst ze daaromtrent het pad bijster raken. Racine nu - die veel zuiverder het Franschclassicisme vertegenwoordigt dan Corneille, van wien de veelszins romantische, want epische en lyrische, ‘Cid’ het representatieve werk was1) - is in de XVIIde eeuw veel in het Nederlandsch vertaald; Mej. S. Geleerd gaf van die vertalingen een, zij het m.i. te ongunstige, waardeering. Maar Corneille was te onzent toch ook wel bijzonder in eere, mede omdat hij zooveel over de classieke tragedie heeft getheoretiseerd; - en hij heeft er zooveel over getheoretizeerd omdat hij, althans aanvankelijk, véél moeite heeft gehad om zijn tooneelschrijverspraktijk in overeenstemming te brengen met de eischen welke, naar hij dat inzag, de Oudheid voor de tragedie stelde. En die moeiten werden in ons land ongetwijfeld ook wel zéér meegevoeld.

[p. 491]

Men volgt dus Corneille en Racine na, en de mindere goden, die door hen, wel te zeer, in de schaduw zijn gesteld; te meer naarmate de staag dalende zon van het classicisme de schaduwen grooter maakte. Maar dat navolgen was in de vaderlandsche wereld, al bootste die ook, naar krachten, in 't dagelijksch leven de Fransche wereld na, heel moeilijk. Hier ontwikkelden de dichters zich niet in een geconsolideerd, stevig centraal beheerscht rijk, als daarginds; hier heerschte niet die almacht van het Staatsgeheel, die iedere burger daar voelde - en voelt -, en nog minder was die staatsmacht te onzent geconcentreerd in de stralende majesteit van een Roy Soleil, door de glorieuze glansen van zijn hofedelen omringd, die onaanvechtbare macht van boven af, die orde eischte, zoodat men in alles het evenwicht zocht; een gevoel voor proportie en gradatie, dat ook in de dichters zich voortplantte en in hen, en in hun uitingen, hun kunst, een element was. We zagen reeds hóé 't bij ons geschapen stond; en men begrijpt licht, dat in die omstandigheden het navolgen in de praktijk nadóén werd.

Met Voltaire (1694-1778), die tegenover de genoemde grooten eenigszins staat als Euripides tegenover zijn voorgangers, Voltaire die zooveel rationalisme en modern wereldburgerschap in zijn classicisme heeft opgenomen, dat dat oorspronkelijke element er aanmerkelijk door wordt vervalscht, staat het anders. Hem kon men volkomen begrijpen en zijn classicisme kon men navolgen op een manier die wat leek. Maar de groote invloed van Voltaire is eerst waarlijk mogelijk op den geestestoestand zooals die in het tweede gedeelte van de XVIIIde eeuw, na 1760, bij ons bestond. Dan is men zich bewust, dat de belangstelling wezenlijk van ‘filosoofschen’ aard is en dat men die litteratuur het best kan genieten, die in kunstvorm de ‘nieuwe’ of nieuw schijnende denkbeelden propageert. Dan ervaren we tevens de uit Engeland afkomstige burgerlijke verlichting, die, door de Fransche encyclopaedisten bezegeld, Europa, voor zoover het er vatbaar voor is, verovert. Van Effen is in zake Engelschen invloed een alsnog eenzame voorlooper geweest.

Als we dan vertegenwoordigers van het classicisme in de eerste helft van de XVIIIde eeuw moeten noemen - het ‘grimmelt’ dan van mindere goden op dit gebied - meenen we met twee namen te kunnen volstaan: Balthazar Huydecoper (1695-1778)

[p. 492]

en Sybrand Feitama (1694-1758). Ze waren ook door hun maatschappelijke omstandigheden representatieve XVIIIde eeuwsche kunstbeoefenaars; ze waren rijk - Huydecoper behoorde zelfs tot een aanzienlijke Amsterdamsche regentenfamilie -, de kunst was hun een tijdverdrijf en een levensvulling. Wat nog niet beduidt, dat ze zonder toewijding den tijd verdreven en hun leven vulden.

Geenszins. Balthazar Huydecoper is een ijverig en geleerd taal- en historievorscher geweest, die ook nog zeer goed Horatius heeft vertaald. Hij heeft een uitstekende uitgave van Melis Stoke bezorgd (1772), uitstekend zoowel in historisch als in taalkundig opzicht; de uitgave geldt zelfs als de grondslag voor de beoefening van het Middelnederlandsch. Deze uitgave was de vrucht van de studie van een groot deel van zijn leven; maar reeds in 1730 had hij in een ‘Proeve van Taal- en Dichtkunde’ uitvoerige aanteekeningen en critiek op Vondels Metamorphosen-vertaling geleverd, een werk dat, uitgaande van door Huydecoper als vaststaand beschouwde normen van taal en dichtkunst, bij de tegenwoordige taal- en litteratuurhistorici weinig genade vindt, ja, een naar ons inzien funesten invloed heeft gehad, doch voor zijn tijd als superieur-critisch kan gelden.

Verder vertaalde hij dan - zeer goed - Horatius, schreef Latijnsche gedichten, en een viertal treurspelen, waarvan drie min of meer bewerkingen zijn, en één oorspronkelijk van vinding. De ‘bewerkte’ stukken waren ‘De triompheerende standvastigheid of verijdelde wraakzucht’, naar den roman ‘Cléopatra’ van Gauthier de la Calprenède, in zijn soort wezenlijk verdienstelijk, maar overtroffen door zijn tweede proeve, ‘Achilles’, dat de Ilias volgt; alleen geeft hij hier ook Brizeïs een rol, zij het een bijrol, daar hij van oordeel was, dat een tooneelstuk zonder vrouw ‘eveneens zoude zijn als een schoon aangezigt zonder oogen of een paleis zonder vensters’. Hij moest nu ook Brizeïs in Achilles' tent laten komen, maar op die wijze werd eenheid van tijd en plaats mogelijk, en daar moet men wat voor over hebben. Dit Achilles-stuk, waarbij beleedigde hoogmoed de inzet is, die den held alles liever laat offeren dan ‘de eer’, was, blijkbaar mede door dit gegeven, een werk dat als afwisseling van de tallooze liefdes-tragedies zeer in den smaak viel; men heeft het tot in het midden van de XIXde eeuw veel gespeeld, en de vijf ‘stances

[p. 493]

lyriques’ in het begin van het vierde bedrijf - een navolging van die in Corneille's ‘Cid’ die ook, zij het niet geheel terecht, als een tragedie der eer werd beschouwd1) - werden een geliefd rederijkers-reciet. De held betuigt hier dat hij alles kan missen, maar, luidt de viermaal herhaalde refereinregel:

 
Maar zonder eer leeft Held Achilles niet.

Men kan zich indenken, hoe de ruiten der vaderlandsche rederijkers-lokalen onder deze pathetische uitroepen hebben gedaverd. Voorts heeft Huydecoper dan nog een treurspel van eigen vinding uitgegeven; een groote zeldzaamheid in dien tijd. Dat was ‘Azales of edelmoedig verraad’. Die drie spelen zijn dan alle nog, min of meer, oorspronkelijk te noemen; hij heeft verder Corneille's ‘Oedipe’ vertaald, een stuk dat door Voltaire's aanval - den aanval van een concurrent - toen een object van litterairen twist was, en dat hij in zijn lange voorrede tot de vertaling verdedigt.

Sybrand Feitama, uit een rijmende familie, was, wegens lichamelijke zwakte voor het predikambt ongeschikt geacht, handelsman geworden, maar de neiging tot de letteren won het bij hem en daar hij rijk was, kon hij zich geheel aan het werk zijner voorkeur wijden. Hij had den genialen germanist Lambert ten Kate als leermeester, een zeer veelzijdig geleerde, die - o.a. - ook over de poëtica heeft nagedacht en geschreven. Ten Kate had daar zeer juiste denkbeelden over, die Feitama deelde. Echter, voor een dichter is nog wat anders noodig dan denkbeelden, namelijk ‘feu sacré’. En aan vuur en gloed was Feitama niet rijk. Smaak bezat hij wèl, en smaak hadden velen in zijn kring, smaak en ‘kieschheid’, d.w.z. keurigheid. Zoo heeft hij voortreffelijk juiste en zeer glad vloeiende vertalingen gemaakt; hij heeft daar dan ook jaren en jaren aan besteed, negentien jaar likte en vijlde hij aan een bewerking in verzen van Fénelons roman Télémaque; ook zijn vertaling van de Henriade - één van de drie die in het Nederlandsch zijn verschenen - is zeer goed. Verder heeft hij o.a. een twaalftal Fransche tragedies vertaald, terwijl we van zijn twee oorspronkelijke treurspelen er één over hebben: ‘Fabricius’; en drie zinnespelen.

[p. 494]

Laten we ons te dezen bepalen tot de opmerking, dat hij die laatste werken liever achterwege had moeten laten. Hij was beter als vertaler, kunstbeschouwer en criticus dan als scheppend kunstenaar. Maar in die eerste functies heeft hij voortreffelijke dingen gedaan; zijn eerste werk in deze richting, dat ook überhaupt het eerste dichtwerk is, dat we van hem kennen, was al als critiek van waarde. Het was een zeer goede vertaling van Boileau's tweede, aan Molière opgedragen satire. De namen der Fransche dichters die door Boileau verpletterend waren veroordeeld, heeft hij door Nederlandsche namen vervangen, en toont een goed inzicht door bijvoorbeeld Cats en Jan Vos als rijmelaars te kenschetsen, terwijl hij ook verschillenden van zijn tijdgenooten met juist bestuurden degen rake prikken toedient, o.a. den koning der XVIIIde eeuwsche bombast Willem van Swaanenburg1), dien hij zelfs, wat minder smaakvol mag heeten, dadelijk na zijn overlijden nog een hoonend gedicht nazond. Ook over tooneelspel had Feitama o.a. blijkens opmerkingen van den grooten XVIIIde-eeuwschen tooneelhervormer Marten Corver, een zeer goed oordeel. Maar over het tooneel komen we te spreken, wanneer we de XVIIIde eeuw na 1760 behandelen. We hebben nu eerst nog stil te staan bij een paar merkwaardige apart staande, als overgangsfiguren te qualificeeren dichters: de gebroeders Willem en Onno Zwier van Haren.

Men heeft veel aandacht aan deze beide schrijvers gewijd, naar het mij voorkomt meer dan althans de letterkundige waarde van hun werk verdient. Figuren die onze belangstelling trekken, zijn ze echter zeker. Door hun afkomst: ze stammen af van Daem van Haren, die meestreed als Watergeus. Dan: Friesche edelen, die in het Nederlandsch schrijven; van Friezen zou men eer verwachten dat ze het Friesch, dat in dien tijd reeds een vrij belangrijke litteratuur had, als voertuig zouden hebben gebruikt; en waar ze edelen waren - een tijdlang zelfs tot den hofkring van stadhouder Willem IV behoorden - lag het anderszins voor de hand dat ze in 't Fransch hadden geschreven; de schaarsche adel in onze gewesten wist toen ternauwernood dat men in het Nederlandsch litteraire werken schrijven kon. Maar de gebroeders

[p. 495]

van Haren, die zeer weinig aan conventie deden, die nog veel ‘Geusch’ in zich hadden, waren juist wel heeren om daar tegenin te gaan; er ligt een soort demonstratie in dat Nederlandsch schrijven van hen, want het kostte hun, dat is zeer blijkbaar, moeite! Voorts is hun leven een bron van studie geweest; men kon zich daarin verdiepen eenigszins zooals men zich met de chronique scandaleuse bezighoudt. Verder hebben ze vooral hun beteekenis tot in de XIXde eeuw - Bilderdijk brengt Onno Zwiers ‘Geuzen’ naar voren - als strijdvaardige Oranjeklanten, terwijl ze ook anderszins een aantal attakeerende leuzen te berde hebben gebracht .... Men voelt wel: dat is al bijna genoeg om te vergeten, dat hun werk in litterair opzicht toch niet zoo heel belangrijk is! Door hun denkbeelden luiden zij in vele opzichten den nieuwen tijd in.

Willem (1710-1768) was al op zijn achttiende jaar grietman en zetelde als zoodanig op het kasteel te Sint-Anna-Parochie. Op 27-jarigen leeftijd trouwde hij met Marianne Charles, een staatsiejoffer van de Friesche prinses Anna; deze vrouw was elf jaar ouder dan hij. Hij vertegenwoordigt Friesland in de Staten-Generaal, en woont als zoodanig in Den Haag. In 1741 publiceert hij zijn epos ‘Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten’. Hij ergert zich geducht aan de trouweloosheid van Holland ten opzichte van Maria Theresia, en dicht in verband daarmede zijn lierzang ‘Leonidas’. Als gedeputeerde te velde en in andere functies vertoeft hij na 1740 nu eens te Brussel, dan op zijn buiten te Sint-Oedenrode, dan weer in Friesland. Hij is over 't algemeen zeer onfortuinlijk; wordt door zijn bedienden bestolen, heeft van chantage te lijden, wordt van oneerlijkheid beschuldigd in zijn functie van ontvanger-generaal van Friesland. Door een tweede huwelijk, met een Luiksche dame van slechte reputatie, verbeurt hij de gunst van het hof geheel, hij raakt door allerlei schuldeischers erg in de benauwenis; in 1768 pleegt hij zelfmoord. In zijn epos verheerlijkt hij Friso, die als een van afkomst Indische prins wordt voorgesteld; een ‘hêroos eponymos’ van de Friezen, zooals Baeto van de Bataven. Dit werk is een soort vorstenschool; Friso, die op zijn omzwervingen veel ervaren en zich veel vrijheid eigen gemaakt heeft, is vooral tot de conclusie gekomen dat men niet aan koppige dwepers, ook niet aan luiaards

[p. 496]
 
die met plompe en woeste zeden
 
Hun tijd in Jagt-vermaak of Visserij besteden,

de macht moet geven, vooral dus niet aan priesters en aan weinig beschaafde edelen, maar

 
Aan mannen, die 't geluk der menschen regt bevatten.

Kortom, deze prins uit oerouden tijd is een nieuwlichter! Kreeg hij daarom dan ook niet van den dichter denzelfden naam als die welken de Oranjevorst Johan Willem als bij-naam voerde, de dappere en alleszins veelbelovende vorst die, dertig jaar voor 't verschijnen van dit gedicht, aan den Moerdijk verdronken was?

Willem van Haren, die dweepte met Voltaire, volgde hem - en zijn tijdgenooten en landslieden - ook na wat het vijlen aan een eenmaal voltooid werk aangaat; hij heeft ontzaglijk gewerkt aan den tweeden druk, die in 1758, met platen van Houbraken, verscheen, en in een exemplaar van dien tweeden druk heeft hij ook nog tal van veranderingen aangeteekend. Dat heeft het werk voor ons gevoel niet minder vervelend gemaakt. We laten nog daar al de aanmerkingen op de taal - niet zoetvloeiend genoeg! - die zijn tijdgenooten maakten.

Wat zijn ‘Leonidas’ betreft, het verhaal van den Spartaanschen held, die, trouw aan zijn gelofte, den heldendood verkoos boven de schande, dit maakte een geweldigen indruk; vooral, in het tweede deel, een redevoering van Leonidas voor den Spartaanschen raad, die inderdaad een stuk meesleepende oratorie is, en waarbij de lezers ongetwijfeld hebben gedacht aan de ver toogen van den dichter in de Staten-Generaal.

Van zijn vele verdere gedichten is vooral zijn pessimistische ode ‘Het menschelijk leven’, die hij, volkomen gedésillusionneerd, op zijn vijftigste jaar schreef, bekend gebleven.

Zijn broeder, Onno Zwier (1715-1779), evenals Willem grietman, hij in Weststellingwerf, is eerst na zijn vijftigste jaar gaan schrijven. Hij ook was een vurig aanhanger van het huis van Oranje, en wilde vooral - al was dit heel wat bezwaarlijker in dezen tijd dan in dien van Prins Willem I, Maurits en Frederik Hendrik - dat Holland zich krachtig in de wereldpolitiek zou handhaven. Zijn politieke carrière is echter gebroken doordat een hem afgedwongen schriftelijke verklaring, dat hij oneerbare handelingen met twee van zijn dochters had gepleegd,

[p. 497]

bekend was geworden. Later heeft hij die bekentenis weer teruggenomen, maar dat baatte hem uiteraard niet veel. Hij trok zich terug; verbleef 's-zomers op zijn buiten te Wolvega, 's-winters te Leeuwarden. En daar wijdt hij zich aan de letteren. Zijn geschriften hebben evenzeer een polemischen Tendenz als die van Willem. Kan men de ‘Friso’ - eenigszins! - met Multatuli's ‘Vorstenschool’ vergelijken, Onno Zwiers eerste werk, het treurspel ‘Agon, Sultan van Bantam’, bevat aanklachten van hetzelfde karakter als de ‘Max Havelaar’.

Het was niet voor den eersten keer, dat onze Oost in de letterkunde verscheen. Over de zeventiende-eeuwsche reisverhalen handelden we reeds; voorts had Jacob Steendam, een van de bezoekers van Jan Zoets herberg ‘De zoete Rust’ - en een héél goede klant moet hij er zijn geweest - die naar West en Oost gezworven heeft, in 1670 een lofdicht ‘Op de stad Batavia’ geschreven; - van zeer weinig waarde. Jan de Marre, een koopvaardijkapitein, publiceerde voorts in 1740 een uitvoerig poëem over ons Oost-Indië onder den titel ‘Batavia’; hij was een bewonderaar van Hoogvliet en Feitama. Maar dit alles ademt een gansch anderen geest dan van Harens ‘Agon’, dat een van de bedenkelijke praktijken dramatizeert, door de Nederlanders bij hun vestiging in Indië toegepast; Onno Zwier had de geschiedenis van onzen overzeeschen handel grondig bestudeerd. Hij geeft dan hier weer, hoe de sultan van Bantam - hij heette eigenlijk Ageng - die zijn rijk dertig jaar onafhankelijk van de Compagnie had weten te houden, ten slotte, doordat zijn oudste zoon zich met deze verbond, het moest afleggen. In het stuk wordt hij door dien zoon gedood; inderdaad heeft deze dit wel geprobeerd, maar deze poging is mislukt, Ageng is in gevangenschap gestorven. De haat van de inlandsche bevolking tegenover de ‘vreemde heerschers’ is belichaamd in de Macassaarsche prinses Fathema, die aan Agons hof is opgevoed, en den slechten broeder die haar uit eigenbaat het hof maakt, versmaadt, terwijl zij den braven jongeren broeder liefheeft. Een van de personen die de Compagnie vertegenwoordigen, de schobbejak Lucas van Steenwijk, poogt haar ook nog geweld aan te doen, maar wordt door haar gekrist.

Onno Zwier heeft in dit stuk veel leed dat hij van zijn kinderen had ervaren, gedramatizeerd, heeft zich ook anderszins een Agon gevoeld; in zijn ‘Deductiën’ spreekt hij ook meermalen over

[p. 498]

zijn dertig jaren dienst, - en misschien heeft hij bij de vreemde heerschers die Agon bedreigden, ook wel aan zijn politieken vijand, den hertog van Brunswijk (den dikken hertog) gedacht. Dit alles is tot op zekere hoogte interessant; wie zich daarin verdiepen, gaan echter een zijweg in die zich van de kunstgeschiedenis verwijdert! De beteekenis nu van dit stuk uit een kunstoogpunt is gering; al heeft de dichter belangrijke Fransch-classieke voorbeelden voor oogen gehad, hij heeft ze geenszins evenaard, schijnt zelfs hun waarde kwalijk te hebben begrepen1). En ook uit dramaturgisch oogpunt is het stuk allesbehalve gelukt. Daar het Fransch hem als litteratuurtaal gemeenzamer was dan het Nederlandsch, was zijn verstechniek zeer matig; zijn tijdgenooten die ook nog de kracht welke er ongetwijfeld hier en daar in voelbaar is, kwalijk waardeerden, hadden er bitter weinig mee op. Ook de beoefening der letteren verschafte hem dus maar matige voldoening; de stuwing die hem tot die beoefening had gedreven, 't verlangen zichzelf en meteen verschillende geestesstroomingen te verdedigen, bleek daartoe niet sterk genoeg! Zoo is hij ook, naar der tijdgenooten oordeel en naar dat van onzen tijd, maar matig geslaagd met een volgend groot werk, dat in 1769 verscheen onder den titel: ‘Aan het Vaderland’, maar meer bekend is onder den naam, dien het bij de latere drukken droeg, ‘De Geuzen’. Met de Geuzen voelde hij zich verwant; hun hopman Daem was een voorvader van hem, en het stout erop afgaan van dezen was een trek, dien hij ook in eigen gemoed voelde, of dien hij althans vereerde. Hij overpeinst het gedicht op eenzame wandelingen in de buurt van Wolvega, en stelt een twintigtal zangen te boek; dan wordt er een aanslag op zijn leven gedaan - zijn vijanden hebben hem, ook in zijn afzondering, verschillende lagen gelegd - en hij staakt zijn wandelingen en dan ook dit werk, dat speciaal op die wandelingen in hem groeide. Het voltooide gedeelte wordt dan uitgegeven. Hij heeft ‘De Geuzen’ daarna viermaal gewijzigd en uitgebreid; in 1776 had het gedicht den definitie ven vorm. Het is meer lyrisch dan episch van toon, lyrisch ook in zooverre, dat de dichter verschillende momenten van zijn eigen omgeving en eigen tijd erin aanroert: zijn vrouw, zijn zoon, die zeeman is, den aanslag op

[p. 499]

zijn leven; - het Zeeuwsch Genootschap, dat hem altijd vriendelijk gezind is geweest, wordt er ook in verheerlijkt. In elk geval, hij heeft met dit werk - gelijk zijn broeder 't bedoelde met ‘Friso’ - in een tijd die arm aan kracht was, zij 't dan heel rijk aan zelfgenoegzame ‘keurigheid’, den Nederlanders hun groot verleden voorgehouden en getracht de verbondenheid met Oranje, die eenmaal ons behoud was geweest, nauwer aan te halen. Zij ‘hadden iets te zeggen’ en bezaten ook ongetwijfeld dichterlijken aanleg, Willem meer in 't verhevene, Onno, of wel Oene, meer in 't boertige, maar een rijke fantaizie was hun zoomin eigen als een fijn taalgevoel; dit laatste dan waarschijnlijk door den invloed van het Fransch, de hun het meest gemeenzame litteraire taal.

Hun werken zijn talrijk; we noemden er hier maar het meest markante deel van, het deel bovendien, dat in de volgende halve eeuw in den politieken strijd de meeste beteekenis zou krijgen.

Wat den comischen zin van Onno Zwier betreft, - hij heeft hiervan o.a. blijk gegeven in een gelegenheidsstukje bij de herdenking van het feit, dat de Unie van Utrecht 't twee eeuwen had uitgehouden: ‘Pietje en Agnietje of de Doos van Pandora’, een bewerking - en wel zéér een uitbreiding - van een Fransche arlequinade, die ons matig aardig voorkomt; de voornaamste bekoring schijnt ons - wat geen artistieke verdienste is - het typisch XVIIIde-eeuwsch gepastelleerde van de reeks landelijke tafereeltjes, die tóch niet onnatuurlijk herderachtig zijn. Overigens meenen we niet, dat het stukje de moeite van een nadere critiek verdient1).

***

Litteratuur

Voor Huydecoper - die nog steeds wacht op een moderne biografie, welke alleszins zijn beteekenis moge weergeven - zie men N.G. van Kampen, Geschiedenis der letteren en wetenschappen II 's-Gravenhage 1822) blz. 161 en 196 en G.D.J. Schotel, Commentatio de meritis B. Huydecoperi in linguam literasque Belgicas (Lugdunum Bat. 1833-'34).

Voor Feitama:

Jan de Kruyff's levensbeschrijving in ‘Leven der Nederl. dichteren en dichteressen’, uitg. d. ‘Kunst wordt door Arbeid verkregen’ I, Leyden, 1782.
M.J. Minderhood, La Henriade dans la littérature hollandaise (Paris, 1927).
J. van Vloten, Leven en Werken van W. en O.Z. van Haren (Deventer, 1874).
[p. 500]
J.H. Halbertsma, Het geslacht der Van Harens (Deventer, 1829).
Id., Letterkundige Naoogst, II (Deventer, 1840).
C. Busken Huët, De Van Harens (Lett. Fant. VI, blz. 1).
H.E. Moltzer, Hareniana (Groningen, 1876).
N. Beets, Willem van Haren's Friso (in ‘Verpoozingen op Letterk. gebied’ - Arnhem, 3de druk 1883 - blz. 41.),
H.J. Polak, De gebroeders Van Haren (Studiën, - Zutphen, 1888 - blz. 1).
J.A.F.L. van Heeckeren, Een voorganger van Multatuli (Taal en Letteren IV, blz. 329).
Id., De Geuzen van O.Z. van Haren (ibid. blz. 347).
J. Koopmans, Willem van Haren's Friso (De Beweging III, III blz. 166 en 304).
D.C. Nijhoff, De staatsman-dichter Willem van Haren (Nederland 1901, III, blz. 183).
H.J.L. van Haselen, Willem van Harens Gevallen van Friso (Alphen, 1922).
W.H.F. Mansfeldt, Agon Sultan van Bantam; geen voorlooper van Multatuli (De Gids 1920, IV, blz. 307).
W. van Riesen, Een opzienbarend huwelijk in de 18e eeuw (W. van Haren en Marianne Charles) (Haagsch Maandblad 1937, II, blz. 77).
E. du Perron, Schandaal in Holland. (Onno Zwier van Haren) ('s-Gravenhage, 1939).