Het was in het tweede oorlogsjaar niet makkelijk om een huis te vinden in Paramaribo. Nadat we aan de Saramaccastraat hadden gelogeerd en in het Palace-hotel, kregen we eindelijk een echte woning, bezit van de zaagmolen-eigenaar Moll. Moll was de vader van een revolutionaire jongere die in de roerige jaren zestig in Nederland dikwijls van zich liet spreken. Hij zelf was allesbehalve een revolutionair, integendeel, een bizonder deftige en voorkomende Surinamer, die tijdens de oorlog zijn bedrijfje aan de Leonsberg als kool zag groeien. Door een gelukkig toeval kwamen we met hem in contact, en hij stelde ons een gerieflijk huis ter beschikking aan de ‘kleine Dwarsstraat’, vlak achter de Rooseveltkade in de ‘kleine Combé’, zoals de wijk heette.
Onze naaste buren waren, aan de linkerkant, een seniele onderwijzer, die zo nu en dan last had van aanvallen van razernij. Aan de rechterkant een vriendelijke Surinaamse vrouw die voor haar vele kindertjes als wasvrouw de kost verdiende. Iets verder was, een beetje terzijde van een Chinees winkeltje, een erf met kleine krotachtige huizen waarin bijna uitsluitend Javanen woonden. Schuin tegenover ons huis was de bakkerij van Polak. Daar kocht je 's morgens witte en weke puntbroodjes. In dat straatje zijn we de laatste oorlogsjaren gebleven. Paramaribo kende toen, in tegenstelling tot nu, geen elitewijken. Mensen van alle rang en stand woonden door elkaar.
Ons huis stond aan een ongeplaveid landelijk weggetje dat in de regentijd (en voor mijn gevoel regende het bizonder veel in Suriname) veranderde in een moeilijk begaanbare modderpoel. Er waren geen lantaarns zodat je 's avonds als het echt donker was op de tast je weg moest zoeken. In dat knusse, intieme buurtje was het overigens best veilig. Geweldpleging kwam heel, heel zelden voor. De benden die het huidige Suriname onveilig maken, moesten zich nog vormen. Paramaribo was een rustig, lieflijk, groen stadje.
Een van de allerrustigste plekjes was zonder twijfel de landsboekerij. Deze werd tijdens de openingsuren bewaakt door een juffrouw die stom verbaasd opkeek als iemand binnenkwam. De boe-
kerij, samengesteld uit verzamelingen uit de vorige eeuw en tot in de eerste twintig jaren van deze eeuw goed verzorgd, bleek echt een schatkamer. Maar ik kreeg de indruk dat anderen dat eerder hadden ontdekt en er als Ali Baba en de veertig rovers in te keer waren gegaan.
Eerlijk gezegd, ik kwam ook in de verleiding om zo nu en dan een oud boek mee te nemen of een paar van de prachtige kopergravures, naar de tekeningen van Sibylle Meriam, die verstoft in een lade lagen. Ik heb mijn criminele neigingen met grote moeite onderdrukt. Later werd ik daarvoor uitgelachen door een beroemd bibliofiel in Nederland, die, vermoedelijk terecht, opmerkte dat je in zo'n geval beter zulke kostbaarheden in je zak kan steken dan te wachten tot de werkvrouw ze weggooit.
In die bibliotheek maakte ik kennis met het werk van de overleden journalist, wiens naam ik al een paar keer heb genoemd, Harry Johan van Ommeren. Hij werd in 1879 geboren en is in 1923 overleden. Hij ging me, na het lezen van kranteknipsels en enkele brochures, interesseren. Ik zag dat hij, althans op een foto die ik in handen kreeg, een beetje leek op Herman Gorter. Al vrij gauw constateerde ik dat hij in Suriname bij velen in dankbare herinnering voortleefde.
Hij was, vertelde Wijngaarde, de eerste sociaal democraat in Suriname geweest. Niet zo maar iemand die zich sociaal democraat noemde maar een man die zich reeds in het begin van de eeuw bij de sdap had aangesloten.
Omstreeks negentienhonderd bezocht de vooraanstaande socialist H.A. van Kol, mede-oprichter van de sdap, Suriname, de Antillen en Venezuela. Over het noodlijdend Suriname is hij in zijn reisbeschrijving niet uitvoerig. Ik weet niet of Van Ommeren het socialistische kamerlid ooit heeft ontmoet en eveneens hoe hij tot zijn socialistische levensovertuiging is gekomen. Maar uit zijn geschriften blijkt duidelijk genoeg dat hij het particulier bezit van produktiemiddelen afwees al was hij zelf dan eigenaar van het piep-klein drukkerijtje waar zijn koloniaal Nieuws- en Advertentieblad Suriname werd vervaardigd.
Is het van nut om in een boek over in Suriname doorgebrachte oorlogsjaren te herinneren aan een man die toen allang dood was. Ik geloof dat hij én de denkbeelden die hij verkondigde tot op de huidi-
ge dag van betekenis zijn als men iets wil begrijpen van de Creoolse Surinamers. Hij kwam uit de Creoolse middenstand maar hoorde zeker niet tot de maatschappelijke elite. Hij stelde zich open voor de noden en zorgen van het verpauperde deel van het Creoolse volk. Dat volk beschouwde hij als een deel van het Nederlandse. Zoals hij ook zich zelf nadrukkelijk als Nederlander zag. Wel was hij een francofiel, wel stelde hij zich ten aanzien van het Nederlands Bestuur in Suriname en de in Suriname wonende Nederlanders kritisch op, maar hoe dan ook, zijn Nederlanderschap stond voor hem als een paal boven water. Hij noemde zich Surinamer en was Nederlander, juist door Surinamer te zijn.
‘De kinderen van het land voelden,’ schreef hij eens, ‘en wij durven het zeggen, voelen zich nóg Nederlanders in merg en bloed. En inderdaad zijn er ook weinigen onder hen wien geen droppel Nederlands bloed door de aderen vloeit, zij het niet van vreemde smetten vrij.’
In de stille bibliotheek, grasduinend tussen boeken en krantenleggers, zoekend in oude papieren, probeerde ik een Suriname te doen herleven zoals het betrekkelijk kort geleden nog moest zijn geweest. Ik trachtte de bronnen te vinden van de eigenaardige, roerende, Nederlandse gezindheid, die Suriname de hele oorlog door zo onwankelbaar trouw deed zijn. Dat volk, meende ik, voorgelicht door bekwame mensen, snakte naar beschaving, ontwikkeling, naar onderwijs. De grote idealen van de achttiende eeuw, in Europa geformuleerd, politiek geworden in de socialistische beweging, hadden Suriname niet onberoerd gelaten.
R.D. Simons, ondanks zijn Nederlandse opvoeding in hart en nieren een Surinamer, liet me, tijdens min of meer terloopse gesprekken, een Suriname zien met oudere beschavingslagen dan ik kende. Nu is het bizonder aantrekkelijk en nuttig studie te maken van Indiaanse gemeenschappen of Bosnegergroepen die zich in het binnenland staande hielden. Maar de stadsgemeenschap is eveneens boeiend. En in die gemeenschap waren steeds merkwaardig knappe mensen werkzaam, onder wie Van Ommeren, dr. Benjamins, de zendeling-theoloog Blijd en de onderwijsspecialist Simons.
Neem een Surinamer als dr. Herman Daniel Benjamins. Hij liet, behalve andere geschriften, zijn land de West Indische Encyclopaedie na, een standaardwerk, tot op de huidige dag onmisbaar, waarin
een schat aan kennis is samengebracht. Benjamins heeft daarbij de hulp van vele medewerkers ingeroepen, maar al die medewerkers moest hij, vanuit Suriname inspireren, aan het werk zetten om het grote boek te kunnen samenstellen.
Hij is in 1850 geboren en in 1933 gestorven. De herinnering aan hem was in de jaren veertig nog levend. Velen zijn hem vermoedelijk nu nog dankbaar voor de felle strijd die hij gestreden heeft tegen het Neger-Engels, de Creoolse taal van Suriname, die hij natuurlijk ook zelf kende.
‘Men moet hier geboren zijn,’ schreef hij in 1890, ‘en het twijfelachtig voorrecht hebben die taal in al haar eigenaardigheden te kennen om goed te beseffen, dat een taal zulk een slechten invloed kan hebben.’
De kinderen mochten op het schoolplein geen woord Neger-Engels spreken. Als ze betrapt werden, moesten ze thuis, op last van dr. Benjamins, die inspecteur van het onderwijs was, honderd strafregels schrijven, luidende: ‘Ik mag op school (of, voor de school) geen Neger-Engels spreken!’
De strijd tegen de Creoolse taal, op Curaçao veel gemoedelijker gevoerd, was dezelfde als de strijd tegen de Creoolse talen in Jamaica, Trinidad en andere Westindische landen, waar soms nog opmerkelijker resultaten werden bereikt dan in Suriname.
Op het moment dat men aan de zin van deze strijd ging twijfelen (en voor wat Suriname betreft kwam dat pas na de Tweede Wereldoorlog) was men op een tweesprong gekomen. Toen begon, nog aarzelend, het zoeken naar eigen ‘identiteit’.
Onvergetelijk zijn mijn herinneringen aan de kleine boekerij, die aan dr. Benjamins zoveel te danken heeft gehad. Over Suriname is in de loop van de eeuwen veel geschreven. Dat vele was, het blijkt uit de prachtige catalogus die in 1913 werd samengesteld, nauwkeurig, gewetensvol samengebracht. Zo kwam ik in aanraking met Nederlands georiënteerd beschavingsleven, uniek in heel Zuid-Amerika, zo leerde ik de oorsprong kennen van de ‘Nederlandse volksplanting’. Met die term werd het land door de in de stad wonende mensen aangeduid, hoezeer zij in uiterlijk verschilden van in Europa geboren Nederlanders.
Dank zij de bibliotheek begon ik iets meer te begrijpen van het leven in het kleine, houten Paramaribo. Het was, oude kaarten of gra-
vures bekijkend, alsof de stad in het verleden ging bestaan. Misschien deed ik er niet goed aan om me zó intens in dat vroegere leven van de ‘kolonie’ te verdiepen. Van tijd tot tijd begon ik een beetje aan hallucinaties te lijden. Soms was het wanneer ik 's avonds over het Kerkplein liep alsof de schimmen uit het verleden terugkeerden. Mijn God, dacht ik, hierop hebben Peerke Donders en Johannes King ook gelopen.
Hoe verrassend zijn de overeenkomsten en tegenstellingen tussen deze twee mannen. Donders, het bijna achterlijke neefje van de grote oogspecialist uit Utrecht, wiens beeld nog steeds in die stad staat, was een weverskind uit het armoedige Tilburg van de vorige eeuw. Een verschoppelingetje dat, tien jaar oud, achter het weefgetouw zat. Zijn jeugd was waarschijnlijk niet veel anders dan die van de Surinaamse slavenkinderen of van de kinderen die geboortig waren uit de verbintenis van een paar vrije negers. Toen die jongen, onontwikkeld, werkend als knechtje in een seminarie, uitgelachen door de scholieren, tegen alle verdrukking in toch priester werd, en bij toeval, naar Suriname trok, stelde hij zich ter beschikking van de meest onttakelde, de meest verachte en ongelukkige mensen, de melaatse slaven.
Heel anders dan deze mysticus was Johannes King. Hij liet zich, uit eigen beweging, dopen door de Moraviërs. Toen opende hij het bosland voor het christendom zonder daarbij ooit dat bosland, waar hij was geboren, ontrouw te worden. Bij King is van verwestersing geen sprake. Zijn geloof baseerde hij, zoals uit zijn nagelaten geschriften duidelijk wordt (wie leerde deze man in hemelsnaam schrijven en dan nog in het door Benjamins verfoeide Neger-Engels?), op visioenen. Christus zelf sprak tot hem, en, volmaakt onbevangen, schreef hij die gesprekken neer.
Ik kwam ze natuurlijk niet tegen op het Kerkplein als ik daar 's avonds wandelde. Het was er doorgaans stil. De bladeren van de koningspalmen rond het witte, protestantse kerkje ritselden in de wind die vanaf de rivier door de nauwe straatjes, langs de houten huizen woei. Het had daar iets geheimzinnigs. Een stille figuur sloop voorbij. Iemand groette je. Een woord bleef hangen boven het warme zand. Je wist dat je, al wandelend, gade werd geslagen door mensen die achter bloembakken verscholen op hun balkons van de avondkoelte genoten, en dat ze zich afvroegen wat die vreemdeling,
die ‘bakra’ daar op het plein eigenlijk deed. Maar niemand zal vermoed hebben dat ik daar rondliep met een hoofd vol gedachten aan mystici zoals ze alleen voorkomen in zeer arme landen en onder zeer moeilijke omstandigheden. Zij zijn het die het leven glans en waarde geven. In Suriname bloeide het geloof van de verdrukten, het mystieke geloof dat iedereen buitensluit wiens buik gevuld en wiens dorst gelest is.
In de avonden, vooral als de maan helder aan de hemel stond, leek Paramaribo betoverd. In dat maanlicht kreeg zelfs het meest verveloze huisje een eigen, zachte glans. Je merkte het verval niet. Je zag de verrotting niet die de huizen aanvrat en niet de verpaupering in de buurt rond het Kerkplein, in de Gravenstraat en in de wirwar van steegjes achter Gravenstraat en Waterkant.
Zo was Paramaribo op haar mooist. Een vervallen stad, die in de avonden zich nog eenmaal liet zien, vriendelijk en betoverend, als een oude vrouw wier geschonden gelaat verjongd werd in dat grote milde, verhullende licht van de maan. Er langs gleed de schaduw van een klein luchtschip, een ‘blimp’, dat wakend boven de stad hing. Dag en nacht.