Ik heb altijd geglimlacht als iemand me weer eens vertelde hoe de goede Koning Willem de Derde met ‘één pennestreek’ een einde had gemaakt aan de slavernij in Suriname. Je kon praten als Brugman maar toch lukte het niet de mensen duidelijk te maken dat aan die ene pennestreek, nationaal en internationaal, heel wat vooraf was gegaan. Ten slotte zweeg ik over het onderwerp omdat ik begreep dat het Surinaamse volk, overtuigd van de bijna mystieke almacht van een Vorst of Vorstin ergens in Holland, monarchaal was ingesteld.
In de zonderlinge oorlogsdagen was onze Koningin naar Engeland verhuisd. Waarom naar Engeland? Waarom was de ‘moeder des lands’ niet zo verstandig geweest zich in Suriname te vestigen? Was Suriname niet goed genoeg? En waarom was zij toen ze in 1941 naar Amerika reisde om een belangrijke rede te houden in het ‘Congres’ niet even doorgereisd naar Suriname en de Antillen? De Koningin deed dit niet. Zij had in haar toespraak opvallend gesproken over de toekomstige dekolonisatie van het Nederlandse overzeese rijk. Zij zou op het Surinaamse volk een dieper indruk hebben gemaakt als ze zelf eens een kijkje was komen nemen in de gewesten waar haar trouwste, haar meest devote en loyale onderdanen woonden.
Toen hoorden wij dat Prinses Juliana naar Suriname zou komen. Al veel eerder hadden echte ministers, zoals Welter en Van Mook, het land bezocht maar die hadden natuurlijk alleen gepraat met de gouverneur en leden van de Staten. Prins Bernhard was een kijkje komen nemen en dat prinselijk bezoek had ‘het hart van het volk’ geraakt. Maar de komst van de Kroonprinses bracht een ware opschudding teweeg. Vooral ‘ten paleize’ want de gouverneur moest zijn hoge gast ontvangen en bezighouden en bovendien onderdak verlenen in dat Victoriaanse gebouw waar hij resideerde.
Geruchten. De Prinses zou niet alleen komen maar haar kinderen meenemen, vertelde de een aan de ander. De Prinses had genoeg van het leven in Canada en was van plan zich te vestigen in Suriname. Zij had ruzie met Prins Bernhard. Tenslotte werd duidelijk dat zij met een klein, uitgelezen gezelschap naar Suriname kwam
om een poosje te logeren bij de gouverneur.
Deze vroeg zich af hoe hij, de gouverneur, bijgestaan door zijn lieve vrouw, een toekomstige koningin moest ontvangen. Er werd in de donkere, royale werkkamer van de bewindsman veel beraadslaagd; de kamer werd een zenuwcentrum, een organisatiebureau van waaruit bevelen aan zenuwachtige ambtenaren en bestuurders van kerken, organisaties werden uitgevaardigd.
Suriname wilde zich van zijn beste kant laten zien. Maar de gouverneur zat met de gebakken peren. Hij moest beslissen welke kerken, instellingen, scholen, landsgebouwen, tuinen, parken, districten, districtskantoren en de hemel moge weten wat nog meer, moesten worden bezocht en welke mensen, districten, kerken of wat dan ook eventueel zouden kunnen worden overgeslagen tijdens de ‘zegetocht’ om het gebruikelijk cliché te gebruiken. Er werden oplossingen gevonden die wel goed bleken want na het vertrek van de Prinses was officieel Paramaribo tevreden.
Ik heb de reis van Juliana van begin tot einde meegemaakt. Ik ben in vele scholen en kerken en hele of halve overheidsinstellingen geweest die zij met persoonlijk bezoek ‘vereerde’ zoals dat toen werd genoemd. Ik heb van nabij de verlegen ambtenaren, districtscommissarissen, onderwijzers, kerkelijke voorgangers, zakenlieden kunnen gadeslaan. Ik heb geluisterd naar zangstukjes van kinderen op hun paasbest gekleed.
Wat voor offers hadden de ouders gebracht om de kinderen bij dat koninklijk bezoek netjes uit te dossen? Het was de gewoonte kinderen, als ze na de grote vakantie naar school gingen, in ‘het nieuw’ te steken. In heel wat gezinnen werd links en rechts geld geleend om dat te betalen. Geld lenen in Suriname, zoals in bijna alle andere onderontwikkelde landen, was niet moeilijk. Maar de rente was erg, erg hoog. In de stad waren veel woekeraars die een gemakkelijk leventje leidden. Je kon ook wel geld van officiële instellingen lenen. Zelfs tegen een redelijke rente maar voor zo'n ‘promesse’ moest je financieel van goeden huize zijn. Een ambtenaar kon nog wel eens aankloppen bij verenigingen als het politiebegrafenisfonds, dat tegen dertig procent per jaar kleine sommen leende, de gewone man was op de woekeraar aangewezen en dat kostte nog heel wat meer.
De nieuwe kleertjes waarin de kinderen werden gestoken moeten
voor Surinaamse verhoudingen erg veel geld hebben gekost. Het offer was niet vergeefs. Een wat rood aangelopen jonge vrouw bracht aan al die scholen en instellingen, onvermoeid, met ijzeren wilskracht, glimlachend en vriendelijk, bezoek na bezoek, steeds begeleid door de grijze gouverneur en hoge ambtenaren die op eerbiedige afstand achter haar aandrentelden.
Ik kreeg diep respect voor de gouverneur en zijn medewerkers. Een koninklijke rijtoer door Den Haag of Amsterdam zal de gemeentebesturen wel hoofdbrekens kosten. Maar tijdens de oorlog verwachtten de Surinamers heel wat meer dan de Hagenaars en Amsterdammers van nu.
De Prinses arriveerde samen met enkele hoge ambtenaren laat in de middag op het vliegveld Zanderij. Zij werd ‘opgewacht’ door de gouverneur en ‘ingehaald’ door de leden van de Staten. Na de nodige plichtplegingen vertrok de stoet naar de stad. Toen het gezelschap bij de stadsgrens, de Poelepantje-brug, arriveerde was heel Paramaribo op de been. De straat zag zwart van de mensen, en de politie kon, het was inmiddels erg donker geworden, met moeite orde houden. Door al die drukte was er weinig kans ook maar een glimp van de Prinses op te vangen. De langzaam voorbij rijdende auto werd toegejuicht door volwassenen en kindertjes die hartstochtelijk met zakdoeken en vlaggetjes zwaaiden.
Dat de Prinses een bezoek bracht aan Suriname werd ook het bosland bekend. Bosnegers en Indianen stuurden delegaties op wekenlange en moeilijke reizen naar de hoofdstad. De Bosnegers werden ondergebracht in oude schuren en keten in de nabijheid van de Saramaccastraat. Ellendige barakken, maar de mannen brachten overtuigend hulde aan een jonge vrouw die zij beter leerden kennen.
Uit die bewogen dagen zijn me enkele gebeurtenissen goed bij gebleven. Toen Juliana, die aan boord van het enige jacht waarover het land beschikte, de zelden gebruikte motorboot van de gouverneur, de districten bezocht, was er een artistieke bijeenkomst georganiseerd. Bosnegers zouden dansen. Wie zo'n dansfeest wel eens heeft bijgewoond weet hoe indrukwekkend het kan zijn. Inderdaad, de mannen hadden zich mooier dan ooit uitgedost, maar de vrouwen, die bij een dans zelden het bovenlichaam bedekken, hadden van de een of andere autoriteit strakke truitjes gekregen en daardoor
kreeg de dans, in wezen een magisch-religieuze gebeurtenis, een obsceen karakter. De mode van de sextruitjes is niet door Anna Magnani in de film Bittere rijst gelanceerd maar beslist van Surinaamsen huize, de vinding van een of andere bigotte zendeling of districtsambtenaar.
Zo trok de toekomstige Koningin door het grote land. Van het schooltje der bleek-blonde boerenkindertjes in het Hollandse poldergebied naar het schooltje van de kleine Hindoestaanse dreumesen die met hun donkere, tintelende oogjes naar haar keken. Zij had er geen bezwaar tegen als oudere meisjes haar zware bloemenkransen om de hals wonden en ze tenslotte onder het gewicht van al die geurige bloemen gebukt moest lopen.
De Prinses heeft zeker een wat verwarrende en bonte indruk gekregen van het ‘Suriname der bevolkingsgroepen’. Het zou me niet verbazen wanneer ze zich het meest thuis heeft gevoeld in de Chinese Sociëteit.
Even iets over het ‘oorlogs-noodfonds’. Het was kort na de tiende mei 1940 in Paramaribo opgericht en het stond onder leiding van de President van het Hof van Justitie, de latere gouverneur Brons.
Dat fonds zamelde geld in voor mensen die, als gevolg van de oorlog, in nood verkeerden. In de eerste plaats mensen die uit Nederland pensioen hadden ontvangen en onverwacht van hun inkomsten waren beroofd. Dan jonge Nederlanders die in Paramaribo lessen volgden aan de medische school of voor tandarts studeerden. Tenslotte de Nederlandse vluchtelingen die, na jaren pas, via Portugal en Jamaica naar Suriname konden uitwijken. Zij werden in de ‘Chinese Sociëteit’ onder dak gebracht. Daar was ruimte genoeg voor tweehonderdvijftig mannen, vrouwen en kinderen. Maar er zijn slechts honderdvijfentwintig vluchtelingen in Paramaribo gekomen.
Op een zondagmorgen bracht de Prinses bezoek aan dit vluchtelingentehuis, een onvergetelijke bijeenkomst. Zij verloor in deze kring iets van haar schuwheid die me, tijdens het bezoek, telkens had getroffen. Het leek of zij, bij het oversteken van de straat of als ze door de grote zaal in het gouvernementshuis liep, iets van remmingen had te overwinnen. Tijdens het bezoek aan het vluchtelingenhuis had zij niet de minste last van remmingen, die ook wel door vermoeidheid zullen zijn veroorzaakt. Zij voerde informele gesprek-
ken alsof zij zich ervan bewust was onder lotgenoten te verkeren. Tot slot zongen alle aanwezigen, een beetje schor van aandoening, het Wilhelmus.
De Nederlandse vluchtelingen maakten kennis met Creoolse families. Tussen sommige vluchtelingen en sommige Surinamers ontstonden relaties die in enkele gevallen, zelfs nu nog niet verbroken zijn. Anderen konden in deze tropische wereld moeilijk de weg vinden. Ik herinner me een paar zwaarmoedige Amsterdammers die iedere morgen in het kleine café van Kersten koffie dronken en uren lang babbelden over familieleden en verwanten in het moederland. Met spanning volgden ze de summiere Aneta-berichten in de kranten, met spanning en inspanning luisterden ze naar de uitzendingen van Radio Oranje, via de zenders van de bbc.
Het is niet nodig aan het gebouw van die Chinezen-sociëteit een bordje te schroeven ter herinnering aan het bezoek van de Prinses. Evenmin is het nodig hier te herinneren aan het verblijf van Nederlandse vluchtelingen, waaronder ook een aantal joden, die dank zij de gulheid en gastvrijheid van Surinamers, tenminste niet in een gaskamer hun einde vonden. Wellicht is het wel goed in dit kleine boekje even te herinneren aan die tijd en aan die gastvrijheid.
Het hoogtepunt van het bezoek was de militaire parade die, onder de manmoedige leiding van kolonel Meyer, alle vroegere parades in de schaduw stelde. Vlak voor het beeld van Koningin Wilhelmina was een grote ‘tent’ gebouwd, en toch niet groot genoeg om alle officiële gasten plaats te bieden. Een deel van hen kreeg een plaatsje op het bordes van het gouverneurshuis waar de paraderende troepen zelfs nog beter te zien waren. Het was heet en zonnig zoals altijd. Het gras een paar dagen tevoren keurig door Hindoestaanse arbeiders gemaaid. Van landsgebouwen en woonhuizen hingen vlaggen. In de Gravenstraat, de Maagdenstraat en op het Kerkplein, ja bijna overal was het rood, wit en blauw uitgestoken. Een feestelijke dag. Maar het viel de gouverneur, gekleed in zijn dikke Hollandse kolonelsuniform, niet makkelijk, urenlang, stram in de houding staande, naar die voorbij trekkende Hollandse, Surinaamse en Amerikaanse troepen te kijken. Pantserwagens, tanks, kanonnen, lichte wapens en wat al niet meer rolden langzaam en plechtig voorbij. Jonge kerels marcheerden stoer langs de tribune. Dan volgden de meisjes van het vrijwilligerskorps in leuke uniformen. Vervolgens in einde-
loze rijen Amerikaanse soldaten. Donkere mannen uit Portorico en blonde boerenzonen uit Wyoming of Nebraska. Boven de stad zweefde de kleine blimp, dat oog boven Paramaribo. Al die mannen, Hollandse officieren, Creoolse officieren en soldaten, Amerikanen en Portoriceños keken met strakke gezichten naar de jonge vrouw op het podium. Het leek wel alsof ze wilden zeggen, op heel ouderwetse manier: wij zijn bereid om morgen voor u te sterven.
Velen zijn gestorven. Nederlanders in Frankrijk en België. Amerikanen in Italië en in de Pacific. Surinaamse vrijwilligers lieten het leven in Nederlands-Indië en, later, in Korea.
Een hete, hete dag in 1944. De mensen van Paramaribo keken zich de ogen uit. Hier en daar waren schilders aan het werk geweest om de witte huizen nog eens een kwastje te geven.
Er was minder werkloosheid dan voor de oorlog want de meeste jongemannen zaten in het leger. Niemand nam dat leger ernstig. Niemand realiseerde zich dat het wel eens naar een echt front had kunnen vertrekken, waar echte kogels door de lucht suisden, waar echte granaten echte mensen uit elkaar rukten. Een door en door koloniaal schouwspel. De tijd had stil gestaan. Of beter... de tijden veranderden niet.
Toen volgde de grote receptie in de tuin van het ‘Paleis’. Heel deftig Paramaribo was aanwezig. Adjudant Os van Delden stond voor de bijna onmogelijke opgave steeds nieuwe groepjes burgers en burgeressen naar de Prinses te brengen, die naast een lantaarn, op het grintpad stond.
Er hing in die prachtige tuin de zware geur van bloeiende heesters en bomen. Mensen wandelden af en aan en vroegen zich af, wanneer hij of zij aan de Prinses zou worden voorgesteld. Zij stapte van het grintpad en ging op een grasperk staan. Ik vreesde dat haar waarschijnlijk doodmoede voeten haar in de steek zouden laten. Zij stond daar wat eenzaam op het grasveld, ook al was zij dan het middelpunt van de bijeenkomst. Zij schudde honderden handen, voerde met tientallen mensen korte gesprekjes, en zal wel honderd maal gefluisterd hebben dat ze Suriname erg mooi vond. Keer op keer drentelden kleine groepjes naar haar toe. Niemand waagde het haar te waarschuwen voor de venijnige grasluizen die, onbeschaamd als ze zijn, ook in de perken van gouverneurs nesten bouwen en, nog onbeschaamder, ook vorstelijke benen niet sparen. Eindelijk
bracht een vlotte Hollandse vrouw, ze had het uiterlijk van een ouderwetse filmster en droeg een hoed met reusachtige veren, de moed op om haar te waarschuwen. De Prinses stapte wat geschrokken en verward, weer op het grintpad dat dwars door de grote tuin slingerde.
Bedienden brachten borden met verfrissingen rond. Iedereen dronk, voorzichtig en keurig, een glas sherry of een whisky-soda.
Toen het feest voorbij was heeft de gouverneur vermoedelijk de bekende zucht van verlichting geslaakt. De rust leek volkomen. Het koloniale tijdvak leek niet beëindigd. Nergens had ook maar iemand een wanklank opgevangen. Iedereen had zijn best gedaan, zoals men ook later zijn best zou doen bij koninklijke bezoeken aan Suriname. Maar de strijd tegen de bewindsman bleef bovengronds en ondergronds voortwoeden. Kort na het bezoek van de Kroonprinses kwam het tot een pijnlijke uitbarsting.