|
|
|
| | | | | |
De rederijkerskamers en de doorbraak van de reformatie in de
Zuidelijke Nederlanden
door W. Waterschoot
Reeds in de oudste geschiedschrijving van de opstand worden de
rederijkers waarderend vermeld. Op het einde van zijn eerste boek omschrijft
Emanuel van Meteren de kamers als ‘Gilden oft
Broederschappen daer inne den geest ende sinnen geoeffent werden, in
geleertheyt, constighe ende manierlijcke welsprekentheyt ofte Rethorijcke, dat
is so veel te seggen, als Redenrijcke.’ Het rederijkersfeest van 1539 te
Gent trekt zijn volle aandacht: hij vermeldt twee solutiën en
concludeert ‘Ende sy [de rederijkers] hebben oorsaecke gheweest, dat vele
Menschen haere Salicheyt in Christo, ende niet in andere middelen, ende haren
troost teghen alle Wereltsche ellende in de verrijsenisse des vleeschs ghesocht
hebben’.
1
Ook
P.C. Hooft erkent in zijn
Neederlandsche histoorien hun rol in de
gebeurtenissen: ‘Een' ouwde oeffening in meest alle Nederlandsche
steeden, en veele dorpen was die van de rymkonst; waar toe de aardighste en
blygeestighste vernuften hunne vergaaderinge hielden, op plaatsen hun by de
wethouders verschaft, die Rethorykkamers genoemt werden. Deeze waaren gewoon
niet alleen verscheide gedichten uit te geeven, en van handt tot handt te
laaten loopen, maar zelfs in oopenbaare heele persoonaadje speelen
[=toneelspelen] te vertoonen, waar in zy, nu boertwys, dan met ernst yeder 't
geen zynen plicht betrof te gemoet voerden […] Ende niemandt waane met
strooyen van schriften oft gedrukte boexkens op te mooghen teeghens de
scharpheit van een gladde tong, die een groot getal teffens [=tegelijk] van
allerley menschen, op een' uure beleezen kan, en hun de hartstoghten des
woordtvoerders wel anders weet in te boezemen. De vryheit van monde dan deezer
luiden ontzagh zich niet, | | | | daar 't pas gaf, (en 't gaf dikwyls pas)
den paapen op hun zeer te tasten; en zoo wel de plompe misbruiken te
beschempen, als de bitterheit der vervolginge haatelyk voor te stellen.’
2 Hoofts getuigenis werd met instemming geciteerd door
Geraerdt Brandt in diens
Historie der Reformatie.
3 Ja, nog
Justus van Effen laat in de
Hollandsche spectator van 28 nov. 1732 een
landman uit Koudekerk aan de Rijn zich beroemen op de aloude
verdiensten van de rederijkerskamers: ‘de Rhetorika is nou te veracht,
als dat de Heerschoppen zich daar an zouwen laten gelegen leggen, de ouwe
weldaden worden vergeeten, want immers, dat zalje niet ontkennen, dat we een
groot deel an 't werk van de Riffermatie hebben gehad; zoje een man van stuidie
bent, hebje dat wel meer als eens geleezen.’
4
En inderdaad, zodra de eerste tekenen van de reformatie zichtbaar
werden, vond men de rederijkers of hun literaire productie daarbij vermeld.
Onder de toeschouwers bij de eerste boekenverbranding te Gent op
25 juli 1521, in aanwezigheid van keizer
Karel V en de pauselijke legaat Aleander, bevond zich
een bakker,
Lieven de Zomere, die niet bang was aan een
minderbroeder te verklaren dat hij nog lutherse geschriften bezat ‘'t
welcke waeren zo hy meende boucken van retorycken’.
5. In 1524 zong men te
Amsterdam ‘diffamatoire cantilenen’ voor de huizen van
de geestelijken, in 1526 hoorde men een inwoner van Hoorn een lied
zingen ‘tot illusie [= schimp] ende bespottinge van de ceremonyen ende
loeflijcken gewoenten van der H. Kercke’ en in 1528 werden in
verschillende steden van Holland en Friesland in het openbaar spelen vertoond
die het volk ‘schandaliseerden’.
6 Teksten of spelen
werden als ‘schandaleus’ betiteld, wat betekent dat zij beroering
hadden veroorzaakt, wat tot rechtsvervolging leidde. De moeilijkheden kwamen
voort uit passages waar al te loslippig over geestelijkheid of religie werd
gehandeld.
7
| | | |
Waarom waren de rederijkers zo frequent in deze materie
gemengd? Hun refreinen in 't vroede en hun spelen van zinne behandelden van
oudsher religieuze of ethische onderwerpen.
Franciscus Sonnius, op dat moment theoloog van
Filips II in het concilie van Trente, schreef op 29
maart 1551 aan raadsheer
Viglius te Brussel om een wedstrijd te
Naaldwijk te verbieden ‘omdat ze zich onder het mom van
retorica meestal onderling bezighouden met zaken van het geloof, die in deze
tijd betwistbaar zijn; en zodra zij geleerd hebben welsprekend te zijn, willen
zij dienaren worden van het woord Gods, terwijl zij dwalen en op een dwaalspoor
brengen en hiervan bestaan nogal wat voorbeelden uit onze tijd’.
8 De Vlaamse inquisiteur
Pieter Titelmans was dezelfde mening toegedaan:
‘immers’ zei hij ‘deze conventicula seu conventus, waarin ze
voortdurend disputeren en gewijde en profane zaken door elkaar mengen,
betekenen her verderf van de staat en de ondergang van de religie’.
9
Zodra de bijbel via de drukpers in de volkstaal verspreid werd, behoorden de
rederijkers dan ook tot de eerste gegadigden. Een vrouw verklaarde in 1557 aan
de Gentse onderzoeksrechter dat zij doopsgezind was geworden ‘ter occasie
dat haren man was van de rhetoriquen, handelende mits dien [cursivering
van mij, W.W.] de scrifture, ende also zou [= zij] neerstelich toehoorde zo es
zou hendelinghe daerby ghevallen’;
10 ‘handelende mits dien’ betekent
‘gebruikend precies daardoor’. Ten overvloede heeft Decavele nog
gewezen op het degelijke onderwijs dat men kon genieten in die gebieden van
Vlaanderen, die naderhand het ergst met ketterij besmet bleken te zijn.
11 Naast geletterdheid, bijbellectuur en zin voor
religieuze problematiek zou ik in dit verband nog een rol willen toebedelen aan
een psychologische ingesteldheid - ik denk daarbij aan de ‘scharpheit van
een gladde tong’ waarover
Hooft het had. Aangaande de troebelen te
Gent in de periode 1566-1568 beschikken wij over een uitstekend en
uitvoerig getuigenis in de vorm van een kroniek, geschreven door
Marcus van Vaernewijck.
12
Vaernewijck stamde uit de Gentse aristocratie, was overheidspersoon - schepen
en hoofdman van neringen - vroom | | | | katholiek, maar afkerig van
terechtstellingen om den gelove. Hij was een vruchtbaar auteur van historische
literatuur en een onderlegd rederijker als lid van de Gentse kamer Marien
Teeren. In zijn kroniek over de periode 1566-1568 treden herhaaldelijk
rederijkers op. Ik citeer een paar gevallen: allereerst was daar een van de
voornaamste hervormingsgezinden te Gent, meester
Jan Onghena : ‘Dese hadde de name meester
behauden, om dat hij een lettel tijts schole ghehauden hadde, maer gheneerde
hem [= hield zich bezig] meest met de rhetorijcke daer hij ooc redelic
verstandt af hadde, ende hadde een ghoede stemme om zijnghen, was ooc
ghenouchelic [= aangenaam] ende boerdelic [= grappig] van troengien [= grappen]
ende bootsen [= poetsen] uut te stuucken [= uit te vinden] ende aerdighe
refereijnkins, die hij zelve ghecomponeert hadde, waer duere hij wel bemint
was, met [= bij] hooghe ende met nedere, ende was alomme een waer eenighe
feeste of ijet te doen was’. Tijdens zijn gevangenschap maakt hij nog
grapjes: ‘hij zoude ghezeijt hebben, hij en was niet zieck, maer hij
duchte nochtans, dat hij van die ziecte steerven zoude, ghelijc hij een
boerdeerder [= grappenmaker] ende rhetorizien was’. Nog vlak voor hij
zijn aanstaand vonnis verneemt, neemt Onghena deel aan een feestje in de
gevangenis waarop hij ‘verblijdende met den wijn wart refereijnende ende
zijnghende’.
13 Na de komst van
Alva leest
Vaernewijck op een proscriptielijst de naam van
Guillame Boghaert, waarbij hij de volgende commentaar
levert: ‘een fijn verstandich jonck man, doende tsmalweven [= die handel
dreef in smalle weefsels] ende ghoede coopmanschepe, zoo dat hij treffelic
ghedoen [= in welstand leven] mochte, ende plach een uutnemende vertoogher van
rhetorijcken [= toneelspeler] te zijne, sonderlijnghe in deloquentie ende van
Senecas memorie deelachtich [= met een geheugen als van S.]’.
14 Wat in deze passages naar voren komt - of wat Vaernewijck het
meest heeft getroffen of wat hij het meest heeft verwacht - is een zorg om
eloquentie, een drang naar de scène, een streven naar openbaarheid,
gepaard gaande met aandacht voor het fraaie woord en bezorgdheid om de
retoricale vorm. Met één woord; Vaernewijck verwacht van een
rederijker een niet onopgemerkt optreden.
| | | |
Een mijlpaal in de betrekkingen tussen rederijkers en
overheid is het rederijkersfeest te Gent in 1539 geweest. Naar het
woord van Te Winkel had de landvoogdes
Maria van Hongarije niet begrepen waartoe zij op 3 feb.
1539 consent had gegeven, toen zij de Gentse kamer De Fonteine
vrij liet een refreinfeest en een toneelwedstrijd te beroepen, zonder er zich
vooraf van te vergewissen, wat daar te zien en te horen zou gegeven worden.
15
Negentien kamers namen aan de wedstrijd deel: uit Vlaanderen kwamen de
rederijkers van Brugge, Leffinge, Ieper,
Mesen, Nieuwpoort, Nieuwkerke,
Tielt, Axel, Menen,
Oudenaarde, Kaprijke, Kortrijk,
Lo, St.-Winoksbergen en Deinze. Uit
Brabant waren aanwezig: Antwerpen, Brussel en
Tienen; uit Henegouwen: Edingen. Het refreinfeest had
plaats op 20 april, de toneelwedstrijd tussen 12 en 23 juni. Elke kamer moest
antwoord geven op de vraag ‘Welc den mensche stervende meesten troost
es’. In de meest recente uitgave van deze spelen wijst Erné vijf
ervan als manifest reformatorisch-gezind aan: de teksten van
Nieuwkerke en Deinze uit Vlaanderen, die van
Antwerpen en Brussel uit Brabant, en de bijdrage van
Edingen uit Henegouwen.
16 Het stuk van Nieuwkerke was
sterk beïnvloed door
Gnapheus'
Een Troost ende Spiegel der Siecken, een
reformatorisch werk dat op de index terechtkwam, Antwerpen en
Deinze volgden Luthers rechtvaardigingsleer, Brussel
viel weloverwogen de Roomse kerk aan, terwijl Edingen het scherpst
en doordringendst het standpunt vertolkte dat alleen het evangelie redding
biedt op voorwaarde van geloof. In andere spelen ging men niet zover, maar er
heerste wel een vrijmoedige toon. Mesen achtte biecht en boete kerkelijke
voorschriften, waaraan men wel moest gehoorzamen, echter zonder erop te
vertrouwen. Tielt keerde zich tegen wettische priesters en wees
eigen verdiensten af. Orthodox-katholieke standpunten waren aan te treffen bij
Leffinge, Nieuwpoort, Axel,
Kaprijke en Oudenaarde. De hoofdprijs van de
toneelwedstrijd ging naar Antwerpen, vóór
St.-Winoksbergen en Tielt. De Gentse drukker
Joos Lambrecht bezorgde binnen korte tijd een uitgave,
zowel van de refreinen als van de spelen. Deze laatste was gedateerd op 31
augustus 1539, d.i. ongeveer twee maand na de wedstrijd.
17 Eigenlijk was het niet zozeer de opvoering
van de | | | | stukken (de censurerende dominicanen gaven hun fiat) als wel
de druk van
Lambrecht die de Gentse wedstijd in de ogen van de
Brusselse regering zulke kwalijke reputatie bezorgde. De kanselier van Brabant,
Adolf van der Noot, schreef op 6 okt. 1539 aan de
landvoogdes: ‘Madame, je suis cejourd'huy esté averty que,
à la dernière assemblée des réthorisiens tenue
à Gand, y ont de pluseurs villes et plaches, tant de Brabant que
Flandres, esté joué juyz plain de malvaises et abusives doctrines
et séductions, de tout tendant à l'opinion lutheriaine, et que
tous lesdicts juyz sont esté imprimez, pour les vendre publicquement et
par tout, qui causera beaucoup des maulx’.
18 De
spelen werden dan ook verboden bij ordonnantie van 10 juli 1540.
19 Korte tijd na het feest, nog in
augustus, brak in Gent een opstand uit tegen de keizer, die hem
dwong naar zijn erflanden te komen. De stad werd streng gestraft en kreeg de
nieuwe of Carolijnse concessie opgelegd, een ordonnantie die bestuur en
rechtspraak ordende voor de verdere duur van het Ancien Régime. Van 1540
af waren rederijkersfeest en revolutionaire woelingen in de geest van de
centrale regering onlosmakelijk met elkaar verbonden. In 1551 laat de
landvoogdes aan het Hof van Holland weten dat een wedstrijd te
Naaldwijk niet toegestaan wordt ‘aenmerckende die perykelen
die tanderen tijden overmits zulcke spelen gebeurt zijn, alsoe eenige hem
poogen huer venijn ende quade leringe daer onder te mingelen’.
20
Tien jaar later wordt door de Gentse magistraat een soortgelijk verbod
verantwoord door te stellen dat ‘daer door groote confluentie van alle
soorten van volck soude ghebueren binnen der selver stadt, ende byden zelven
ghestroyt worden eroneuse ende schandelycke proposten, dichten, refereynen,
liedekens’.
21
Amper één maand na de Gentse wedstrijd voerden de
rederijkers te Middelburg ‘Den Boom der
Schriftueren’ op; nog in hetzelfde jaar werd dit stuk te
Antwerpen gedrukt en verboden. De overeenkomst met het lot van de
Gentse spelen is frappant: eerst de druk leidt tot vervolging. In 1542 werd dit
stuk nogmaals opgevoerd te | | | |
Antwerpen. Vervolging werd
ingespannen; de voornaamste, nog zeer jonge acteur diende de proceskosten te
betalen maar werd van vervolging ontslagen als ‘jong, onbevoegd,
overigens een goed katholiek’; het stuk zelf werd bestempeld als
‘smakende heresie’.
22 Plakkaten verschenen
die duidelijke taal spraken. Op 20 juni 1542 verbood Gent
‘dat niement van nu voorts an en vervoordere [= zich zou beijveren] vut
te stellene [= bekend te maken], vertooghene [= spelen] ofte vut te ghevene
eeneghe spelen, refreynen, liedekins, loven of andere dichten van rethoricquen,
of andersins in eeneghe maniere, anders dan de ghone van heere ende wet weghe
ghevisiteert ende gheconsenteert’.
23 Op
25 september 1550 luidde het van 's koningswege: ‘Dat niemant van wat
qualiteyt, state, natie, oft conditie hy zy, en sal moghen printen, oft doen
printen in onsen voirszeiden erffnederlanden eenighe boucken, refereynen,
baladen, liedekens, epistelen, prognosticatien, almanacken, noch eenighe andere
saken, oudt ofte nieuwe vander heyligher Schrifturen, oft eenighe andere
materie, ende in wat sprake dat het zy: Ten ware dat hy eerst ende alvoiren
gheadmitteert ware van onsen wegen, om te mogen printen ende daer op onsen
oirloff ende permissie verworven hadde’.
24 Het is wel geen
toeval dat naast zeer populaire en verspreide producten van de drukpers als
prognosticaties en almanakken typische rederijkersvormen als refrein, ballade
en lied opgesomd werden: het bewijst zowel hun populariteit bij het volk als
hun doeltreffendheid onder de propagandaliteratuur. Bij zijn vertrek uit de
Nederlanden had koning
Filips in een instructie van 8 aug. 1559 dan ook speciaal
gewaarschuwd: ‘Een bijzondere waakzaamheid is geboden over de druksels en
de opvoering van verdachte toneelstukken’.
25 Op 26 jan. 1560 ten slotte verscheen een plakkaat,
dat het speciaal op de rederijkers gemunt had, waarbij men verbood
‘eenighsins te divulgeren, zynghen ofte spelen, doen divulgeren, synghen
ofte spelen int openbare: in gheselschap, oft in heymelicke, eenighe
Camerspelen, Baladen, Liedekens, Commedien, Batementen, Refereynen oft ander
dierghelijcke schriften van wat materien ende in wat tale die zouden wesen, soo
wel oude als nieuwe, daerinne gheminghelt zijn eenighe questien, propositien
ofte materien beroerende onse religie ofte | | | | gheestelicke luyden, tsy
aengaende huere persoonen ofte staten […] en belangende de speelen van
sinne die gespeelt wierden ter eeren Godts, of van sijne Heiligen, of tot
vermaekinge van den volke, die moesten niet gespeelt werden, ten sij dat die
eerst gevisiteert waeren, bij den principalen Pastoor, Officier, oft Wet van
der plaetsen’.
26
Over het succes van al deze verbodsbepalingen mag men zich terecht
vragen stellen. Ik bekijk even de werkzaamheid van inquisiteur
Titelmans, die sinds 1545 bevoegd was voor het
graafschap Vlaanderen, Rijsel en het Doornikse.
27 Omstreeks 1545 werd te Wormhoudt aan de
IJzer een spel van zinne opgevoerd, dat door het hof te
Brussel als uitgesproken ketters bestempeld werd. De auteur was
Jan van Mussem, leraar aan de Latijnse school, bekend
grammaticus en retoricus, en factor van de rederijkerskamer De
Communicanten. Dank zij het mild getuigenis van zijn pastoor kon hij op
bepaalde beloften naar huis. In 1549 werd te Petegem bij
Deinze een zinnespel vertoond, dat door Titelmans als verdacht
beschouwd werd. In juni 1550 moest hij een spel te Leupegem bij
Oudenaarde als verderfelijk kwalificeren. Op Hemelvaartsdag 1554
verraste hij te Deinze een aantal rederijkers ‘quy illec estoyent
assamblez pour jouer quelque mauvais joeu’. In 1556 werd te
Dendermonde eveneens een ketters spel opgevoerd en in hetzelfde
jaar te Dranouter in de Westhoek een soortgelijk spel in beslag
genomen, dat daar in juli vertoond was. In 1564 organiseerde de kamer De
Kersouwe te Oudenaarde een feest. Aanwezig waren daar:
Kortrijk, Tielt, Poperinge,
Roeselare, Deinze, Brussel,
Leupegem en Ronse. Het geheel werd als schandaleus
ervaren door de inquisiteur: de tekst van Kortrijk was al van te
voren suspect bevonden en het spel uit Ronse was ook verdacht,
zodat de rollen naderhand opgevraagd werden. Vooral de laatste vermelding is
pikant:
Titelmans was deken van St.-Hermes te
Ronse. In zijn eigen stad bleek het rederijkersmilieu een
broeinest van ketterij te zijn: in 1548 stelde de inquisiteur een onderzoek in
naar ‘Het spel van de bruyt’, vermoedelijk bestemd
voor een wedstrijd te Geraardsbergen. In 1552 werd op het kerkhof
te Ronse alweer een ketters stuk opgevoerd en op 15 mei 1562
keerde
Titelmans in grote haast uit Kortrijk naar
Ronse terug, omdat hij gehoord had dat de rederijkers een verdacht
spel zouden op- | | | | voeren. Hij inspecteerde de teksten ‘ende
waren quaet bevonden ende verbooden te speelen’. Na deze antecedenten
verbaast het niet dat de landvoogdes het verzoek van de kamer te
Ronse, een wedstrijd te mogen houden in 1564, categorisch afsloeg,
hoewel de uitnodigingskaart eigenaardig genoeg door
Titelmans zelf goedgekeurd was.
In al deze gevallen is het niet steeds duidelijk of men een gehele
kamer mag associëren met de opvoering van ketterse spelen. Binnen sommige
kamers moeten de tegenstellingen hevig geweest zijn. Hoe moet men zich het
rederijkersleven te Oudenaarde voorstellen met aan de ene zijde de
schoolmeester
Pieter Scuddematte, die herhaaldelijk met het gerecht in
aanvaring kwam om het schrijven en opvoeren van ketterse stukken en dan ook
uiteindelijk onthoofd werd te Antwerpen in 1547, en aan de andere
kant in hetzelfde Oudenaardse literaire milieu zijn tijdgenoot, de priester
Matthijs de Castelein? De rederijkers van
Middelburg, die ‘Den Boom der
Schriftueren’ opvoerden, hadden nooit enig ernstig conflict met
de stadsmagistraat en behielden de leiding van de jaarlijkse grootse
Sacramentsprocessie tot Middelburg in 1574 naar Staatse zijde overging.
28
Tijdens de beeldenstorm te Gent in 1566 verhaalt
Vaernewijck van een rederijker uit de kamer De
Bodemloze Mande, die een collega uitnodigt om mee te gaan breken, maar
deze laatse weigert, waarop eerstgenoemde dan maar met een compagnon uit de
kamer Marien Teeren optrekt.
29 Tekenend voor de verwarring in de geesten is ook wat
Vaernewijck als fait divers meedeelt: tijdens een ruzie met Spaanse soldaten in
1568 wordt een man toevallig neergestoken. ‘De ghene, die daer bleef [=
dood bleef], was een aerm slurf [= sukkel], maer een hoolichaert [=
grappenmaker], zoo men zecht, die ooc van keercbreken berucht was, ende hadde
tanderen tijden in de ommeghanghen ghespeelt Ons Heere metten cruuse
gheladen’.
30
De verspreiding van deze schandaleuze literatuur vond plaats via de
geëigende rederijkerskanalen. Allereerst was daar de persoonlijke
voordracht, zoals
Vaernewijck dat betuigt voor
Onghena. Ook
Loy de Velare was zelf de auteur van het lied dat hij
zong in de kamer van Kortrijk in 1528, ‘fameus ende
diffamatoire op den gheestelicken | | | | state’.
31
Een rederijker zoals
Gerard van Bijlande, van wie
Vaernewijck zegt ‘al was hij een rhetorizien,
nochtans niet wel ter tale’,
32 liet zijn teksten wel door een ander voordragen. Men kon ook
iemands anders populair werk, al of niet in opdracht, verspreiden. Vaernewijck
kende
Liefkin van der Venne, knaap en factor van Marien
Teeren als ‘berucht van zechwoorden [= spreekwoorden] ende
cluchten [= grappen], en bijsonder van eenen rhetorijckelicken droom, die hij
plach onder tvolck te zegghen in taveerne, welcken droom meester
Jan Onghena ghemaect hadde, ludende schimpich oft
spottich jeghen die gheestelicheijt’.
33 Meer spectaculair was het rondtrekken met een
wagenspel, zoals
Willem van der Blommen, gezegd Poelgier deed: ‘Hij
hadde ghemaect een spel van drij sotten, den advocaet, den medecijn ende
tgheestelicke, ende dedet up eenen waghen ten diveersche plaetsen
vertooghen’.
34 Dit
privé-initiatief kende zijn hoogtepunt in de opvoering van spelen van
zinne, niet door een officiële rederijkerskamer, maar op instigatie van
een particulier. Meest bekend in dit verband is het spel van
Roborst, ‘De Evangelische Leeraer’,
opgevoerd in dat dorp op 2 juli 1543.
35 Organisator was
Jan Utenhove, de later bekende kerkelijke organisator en
psalmvertaler. Hij stamde uit de Gentse aristocratie met bezittingen o.a. te
Roborst; hij verbleef trouwens op het kasteel aldaar in de tijd van de
opvoering. Bij het schrijven van het spel werd hij geholpen door
Gillis Joyeulx, een rederijker uit
Oudenaarde. Utenhove zelf schreef de rollen uit en engageerde de
spelers; bijna allen kwamen uit Oudenaarde en waren niet zelden aanzienlijke
burgers; toch hadden sommige aangezochten hun deelneming geweigerd. De publieke
belangstelling uit de omliggende dorpen was zeer groot. Vervolging kwam er pas
een jaar later: de machtige familie en de plaatselijke gerechtelijke instanties
moeten elke juridische ingreep belet hebben. Op uitdrukkelijk bevel van de
landvoogdes werd toch vervolging ingespannen, waarna Utenhove naar Duitsland | | | | vertrok. Hoewel niet zo spectaculair, was een soortgelijk evenement in
1554 te Deinze gepland: daar patroneerde een aantal vooraanstaande
hervormingsgezinde inwoners de opvoering van een spel door rederijkers van de
kamer De Nazarenen; het stuk zelf was geschreven door
Jan Haelbrecht uit Veurne.
36
Organisatoren en spelers werden echter nog tijdens de voorbereidselen door
inquisiteur
Titelmans verrast.
Naast mondelinge voordracht circuleerde er natuurlijk een geschreven
clandestiene literatuur. Een spel van twee zotten, dat schandaal verwekte te
Brussel in september 1559, was door een speler, de schoenmaker
Hans Leers, verworven in een herberg te Brussel. Naar
hij verklaarde, was hij er refreinen aan het voordragen, toen een hem uiteraard
onbekend jongmens uit Mechelen of Lier hem voorstelde
de refreinen te ruilen voor een spel met twee personages.
37 Hoe een mens in moeilijkheden komt!
Ook in 1561 werden te Waasten in de Westhoek onder de deelnemers
aan conventikels zinnespelen uitgewisseld.
38 Subtieler ging een schoolmeester te
Ieper te werk: een van zijn leerlingen bleek te bezitten
‘eenen pampieren geschreven bouck […] vul spelen van syne,
refereinen ende balladen, inde welcke diversche passagen stonden vul
dwaelynghen ende heresien, merckelick een spel van synne by den selven
placcaete by expressen verboden’. Dit soort literatuur deed blijkbaar
dienst als lees- en schrijfmodel. Een andere Ieperse rederijker speelde het
spel minder bedekt: die hing gewoon publiekelijk een refrein uit op de stok
‘Schamen moeten zij hen die beilden dienen’.
39 Ten slotte was er de bijdrage van de nieuwe
technologie, de drukpers. Hierin waren de rederijkers doorgaans enkel gemoeid
als leveranciers van teksten. Toch werd de Antwerpse rederijker
Frans Fraet op 4 jan. 1558 terechtgesteld als drukker
van ‘diverssche seditieuse boecken’. Zeer recent heeft Valkema
Blouw de aanzienlijke boekenproductie van Fraet geïdentificeerd. Hij
kwalificeert diens activiteit als volgt: ‘At this early stage he
contributed more than anyone else to the diffusion of the new doctrine in the
vernacular. His publications excelled both in quantity and in intrinsic merits
those of the few other publishers | | | | in this field’.
40 Productie was in handen van drukkers, distributie ressorteerde
onder een uitgebreid clandestien netwerk, waartegen de overheid grotendeels
machteloos stond. De productie moet enorm geweest zijn.
Vaernewijck klaagt in het begin van zijn kroniek :
‘Dees nieuwe gheesten zaeijen haer boucxkins achter straten, daer zij
gheen ghelt voren en hebben [= mee verdienen], scrijven ende drucken, met
perijckel haers levens, dach ende nacht, ende wij [katholieken] ofte de onse es
te vele dat wij daer jeghen een cleen boucxkin laten uutghaen, daer wij
somtijts af vergholden [=betaald] zijn, ende vander overheijt grooten prijs
ende danck behalen’.
41
Deze schimpige refreinen werden te koop gesteld tijdens hagepreken; ook een
predikant had bij zijn arrestatie verscheidene schandaleuze liedekens bij zich.
42
Zeer mobiel waren daarnaast talrijke straatzangers en liedjeskramers. Het
resultaat van dit alles wordt door Vaernewijck als volgt omschreven:
‘Welcke schimpijnghe ende onstichtijnghe een groote quaetwillicheijt
onder tvolc maecte, een verachtijnghe vande gheestelicheijt, een cleen
reverencie [= weinig eerbied] tot justicie, ende een oorzake van veel
blasphemien, ende ooc een voetsel tot uproer, hertneckicheijt, rebellie, twist
ende tweedracht, die alsdoe maer al te vele up de bane ghecommen en was’.
43
Tegenover de onvatbaarheid van deze verboden boekenproductie staat
nochtans een literair-historisch feit, waarop, naar ik meen, nog niet voldoende
de aandacht gevestigd is: ondanks de verwoede pogingen tot repressie door de
overheid stelt men vast dat in 1561 hervormde auteurs in de officiële,
getolereerde, quasi-orthodoxe of levensbeschouwelijk-neutrale literatuur het
heft in handen nemen. Op het Antwerps landjuweel van 1561 liet
Jacob Jacobszoon Cassiere als bijdrage van
's-Hertogenbosch een spel van zinne opvoeren, dat Mak omschrijft
als ‘een reformatorische kunstbeschouwing […] een calvinistische
schoonheidsleer in nuce’.
44 Eveneens in 1561 hield de
Brusselse kamer De Corenbloem een refreinfeest. De gedichten
werden gedrukt een jaar later. Zij waren eerst gevisiteerd door de pastoor | | | | van
de plaats van herkomst en daarna nog eens door de officiële boekencensor
Laurens de Mets, waarbij vijf teksten ontmaskerd werden
als subversief.
De eerste prijs werd behaald door
Ambrosius van Molle uit Lier, de tweede
door
Willem van Haecht uit Antwerpen, de derde
prijs door
Cassiere uit Den Bosch. Al deze
prijswinnaars ‘bleken later hervormingsgezind te zijn’.
45 In 1565 publiceerde de Gentse
schilder-dichter
Lucas d'Heere
Den Hof en Boomgaerd der Poësien, waarin hij
elk gedicht voorzag van een opdracht aan vrienden, literatoren of leden van de
Gentse aristocratie. Na hagepreken en beeldenstorm in 1566 bleek een niet
gering deel van D'Heeres bekenden, net zoals de schrijver zelf, deel uitgemaakt
te hebben van het Gentse consistorie.
46 De feiten vanaf 1561 bewijzen: ook al
bleef de hervormde literatuur verboden, dan waren de hervormingsgezinde auteurs
volwaardige leden van het literaire circuit.
Tot slot een toegift. Sinds de komst van
Alva was de werking van de kamers gesuspendeerd. Jaren
later, toen de toestand in Vlaanderen gestabiliseerd was, probeerden enige
overlevenden opnieuw enige schaarse activiteit te ontplooien. Daarop liet de
Raad van Vlaanderen in augustus 1593 weten dat het verbod van kracht bleef,
gezien ‘de groote abuusen, desordren, inconvenienten ende schandalen, die
hier voormaels daer duere zijn gheschiet’.
47 De vorstelijke wrok jegens de rederijkerskamers zat
diep.
|
1E. van Meteren,
Historie der Neder-landscher ende haerder Na-buren
Oorlogen ende geschiedenissen, 's-Gravenhage, 1614, f.29r-v.
2P.C. Hooft,
Neederlandsche histoorien, Amsterdam, 1642,
p.37-38.
3G. Brandt,
Historie der Reformatie, Amsterdam, 1677, I,
p.229.
4J. van Effen,
Hollandsche spectator, Amsterdam, 1756, II,
p.549.
5J. Decavele,
De dageraad van de reformatie in Vlaanderen
(1520-1565), Brussel, 1975, p.237.
6J. te Winkel,
De Ontwikkelingsgang der Nederlandsche
Letterkunde, Haarlem, 1922, II, p.452-453.
7A. de Maeyer, ‘Van ketterse en
andere schandaleuse spelen’ in Handelingen van de Koninklijke
Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 13
(1959), p.53.
8E.C. van Boheemen en Th.C.J. van der
Heijden,
De Westlandse rederijkerskamers in de 16e en 17e
eeuw, Amsterdam, 1985, p.53.
9Decavele,
De dageraad van de reformatie, p.230.
10Decavele, De dageraad van de
reformatie, p.195.
11Decavele, De dageraad van de
reformatie, p.107.
12Zie over hem Nationaal Biografisch
Woordenboek, Brussel, 1979, VIII, kol.795-809 (art. H. van Nuffel).
13M. van Vaernewijck,
Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden en
voornamelijk in Ghendt 1566-1568. Naar het oorspronkelijk
handschrift uitgegeven door F. Vanderhaeghen, Gent, 1872-1881, I, p.30; II,
p.254; IV, p.196.
14Vaernewijck,
Van die beroerlicke tijden, III,
p.273.
15Te Winkel,
De Ontwikkelingsgang, II, p.456.
16De Gentse Spelen van
1539. Uitgegeven door B.H. Erné en L.M. van Dis,
's-Gravenhage, 1982, p. 29.
17W. Waterschoot, ‘De Gentse
drukkers Joos Lambrecht en Jan Cauweel’ in De zeventiende
eeuw 8 (1992), p.27-29.
18P. Brachin, ‘La “Fête de
Rhétorique” de Gand (1539)’ in Fêtes et
cérémonies au temps de Charles Quint. Etudes réunies
et présentées par Jean Jacquot, Paris, 1975, II, p.276.
19B. de Groote, ‘De overheid en
het Gentse rederijkersfeest van 1539’ in Jaarboek De
Fonteine 25 (1975), I, p.107.
20Van Boheemen en Van der Heijden,
De Westlandse rederijkerskamers, p.53.
21P. van Duyse,
De rederijkkamers in Nederland, Gent, 1900,
I, p.78; Decavele,
De dageraad van de reformatie,
p.202.
22De Mayer, ‘Van ketterse en
andere schandaleuse spelen’, p.28.
23Decavele,
De dageraad van de reformatie, p.201.
24P. Bor,
Nederlantsche oorloghen, beroerten, ende Borgerlijcke
oneenicheyden, Leiden-Amsterdam, 1621, f.7v.
25Decavele, De dageraad van de
reformatie, p.35.
26A. de Vlaminck, ‘Jaarboeken der
Thieltsche Rhetorijkkamer’ in Vaderlandsch Museum 5
(1863), p. 111; Decavele,
De dageraad van de reformatie,
p.202.
27Decavele, De dageraad van de
reformatie, p.206-220.
28P.J. Meertens,
Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste
helft der zeventiende eeuw, Amsterdam, 1943, p.76, 79.
29Vaernewijck,
Van die beroerlicke tijden, III,
p.283-284.
30Vaernewijck, Van die beroerlicke
tijden, IV, p.193.
31Decavele,
De dageraad van de reformatie, p. 221.
32Vaernewijck,
Van die beroerlicke tijden, III,
p.282.
33Vaernewijck, Van die beroerlicke
tijden, III, p.281.
34L.M. van Dis,
Reformatorische rederijkersspelen uit de eerste helft van
de zestiende eeuw, Haarlem, 1937, p.29.
35Men zie thans de uitgave met begeleidende
studies in Jaarboek De Fonteine 39-40 (1989-1990), p.21-145, nl.:
Een seer schoon Spel van zinnen ghemaeckt by mijn Heer
Johan Wtenhove, ed. C.C. de Bruin, verantwoording J. Trapman
(p.21-99); J. Decavele, ‘Jan Utenhove en de opvoering van het
zinnespel te Roborst in 1543’ (p.101-116); D. Coigneau,
‘De Evangelische Leeraer: “een spel vul
heresien”’ (p.117-145).
36Decavele,
De dageraad van de reformatie, p.215.
37Drie schandaleuse spelen (Brussel
1559). Ingeleid en met de verhooren uitgegeven door Willem van
Eeghem, Antwerpen, 1937, p.XXIII.
38Decavele, De dageraad van de
reformatie, p.220.
39Decavele, De dageraad van de
reformatie, p.217, 222.
40P. Valkema Blouw, ‘The Van
Oldenborch and Vanden Merberghe pseudonyms or Why Frans Fraet had to
die. Part two’ in Quaerendo 22 (1992),
p.262.
41Vaernewijck,
Van die beroerlicke tijden, I, p.52.
42Vaernewijck, Van die beroerlicke
tijden, II, p.98; Decavele,
De dageraad van de reformatie, 405.
43Vaernewijck, Van die beroerlicke
tijden, I, p.280.
44J.J. Mak, ‘Vroeg-calvinistisch
toneel in Nederland’ in Uyt ionsten versaemt. Retoricale
studiën 1946-1956, Zwolle, 1957, p.158.
45A. van Elslander,
Het refrein in de Nederlanden tot 1600, Gent,
1953, p.216; J.J. Mak, ‘Eerherstel voor Cassyere’ in
Uyt ionsten versaemt, p.137.
46L. d'Heere,
Den Hof en Boomgaerd der Poësien. Met
inleiding en aantekeningen door W. Waterschoot, Zwolle, 1969; W. Waterschoot,
‘Leven en betekenis van Lucas d'Heere’ in
Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal-
en Letterkunde 1974, p.49.
47D.J. vander Meersch, ‘Kronyk
der rederykkamers van Audenaerde’ in Belgisch Museum 7
(1843), p.71.
|
|