[p. XVIII]

Inhoud.

INLEIDING Bladz. 1.
EERSTE DEEL.
over de SPELLING.

 

EERSTE HOOFDSTUK, over de letteren van het Nederduitsche abé in het algemeen, en de vorming der woorden. 11.
A. Over de klinkers.
1. Over het getal der klinkers, en de wijs, waarop zij gevormd worden. 12.
2. Over de twee- en drieklanken. 15.
3. Over de spelling met enkele en dubbele klinkers. 18.
4. Over de zacht-lange en scherp-lange e en o. 21.
5. Over de spelling met ij en ei. 28.

 



[p. XIX]

B. Over de medeklinkers.
Bladz.
1. Over sommige te onregt onder de Nederduitsche medeklinkers gerangschikte letteren. 32.
2. Over de verdubbeling van de medeklinkers. 34.
C.Over de vorming der lettergrepen en woorden. 36.
D.Over de zamenstelling der woorden. $38.
TWEEDE HOOFDSTUK.Over de onderscheidene taaldeelen, of deelen der rede.
Algemeen overzigt 46.
Nadere ontwikkeling van de deelen der rede.
A.Over de naamwoorden.
1. Over de zelfstandige naamwoorden.

 

Derzelver aard. 50.
2. Over de getallen, of het enkel- en meervoud der zelfstandige naamwoorden.. 52

 



[p. XX]

Bladz.
3. Over de geslachten der zelfstandige naamwoorden. 57.
4. Over de naamvallen. 72.
B. Over de lidwoorden. 80.
C. Over de bijvoegelijke naamwoorden.
1. Derzelver aard. 82.
2. Het geslacht, getal, en de verbuiging van de bijvoegelijke naamwoorden. 87.
3. Trappen van vergelijking. 91.
4. Voorbeelden van verbuiging van zelfstandige naamwoorden met hunne lidwoorden en bijvoegelijke naamwoorden. 96.
D. Over de voornaamwoorden.
1. Derzelver aard. 101.
2. Persoonlijke voornaamwoorden. 102.
3. Wederkeerende voornaamwoorden. 106.
4. Bezittelijke voornaamwoorden. 108.
5. Vragende voornaamwoorden. 112.
6. Aanwijzende voornaamwoorden. 115.
7. Betrekkelijke voornaamwoorden. 119.

 



[p. XXI]

E. Over de werkwoorden.
Bladz.
1. Derzelver aard en rangschikking. 121.
Ongelijkvloeijende. 122.
Gelijkvloeijende. 127.
Onregelmatige. 129.
Hulpwoorden. 130.
2. Nadere verdeeling van de werkwoorden in bedrijvende, lijdende, onzijdige, wederkeerige, en onpersoonlijke. 132.
3. Over de wijzen der werkwoorden. 142.
4. Over de tijden der werkwoorden. 148.
5. Voorbeelden van vervoeging. 153.
6. Over de zamen gestelde werkwoorden. 174.
F. Kleinere rededeelen.
1. Over de telwoorden. 178.
2. Over de bijwoorden. 188.
3. Over de voorzetsels. 192.
4. Over de voegwoorden. 198.
5. Over de tusschenwerpsels. 201.

 



[p. XXII]

TWEEDE DEEL.
Over de WOORDVOEGING.
EERSTE HOOFDSTUK. Over de onderlinge betrekking en beheersching der onderscheidene woorden, of taaldeelen.
Bladz.
INLEIDING. 205.
A. Over de lidwoorden, en wel over het gebruik van dezelve bij zelfstandige naamwoorden. 206.
B. Over het gebruik van de zelfstandige naamwoorden.
1. Verbinding van twee of meer zelfstandige naamwoorden. 213.
2. Verbinding van twee of meer zelfstandige naamwoorden, in eene gelijke betrekking. 214.
3. Verbinding van twee of meer zelfstandige naamwoorden, in eene ongelijke betrekking. 216.

 



[p. XXIII]

Bladz.
C. Over het gebruik van de bijvoegelijke naamwoorden. 219.
D. Over het gebruik van de voornaamwoorden.
1. Bijvoegelijke voornaamwoorden. 228.
2. Persoonlijke voornaamwoorden. 229.
3. Bezittelijke voornaamwoorden. 234.
4. Vragende voornaamwoorden. 239.
5. Aanwijzende voornaamwoorden. 240.
6. Betrekkelijke voornaamwoorden. 243.
E. Over de werkwoorden.
1. Het gebruik der personen. 247.
2. Van het enkel- en meervoud der werkwoorden. 250.
3. Van de tijden der werkwoorden. 252.
4. Van de wijzen der werkwoorden. 253.
5. Over het gebruik der hulpwoorden. 258.
6. Over de verbinding van het eene werkwoord met het andere. 259.
7. Verbinding van een werkwoord met een zelfstandig naamwoord. 266.

 



[p. XXIV]

Bladz.
F. Over het gebruik van de telwoorden. 275.
G. Over het gebruik van de bijwoorden. 280.
H. ... van de voorzetselen. 284.
I. ... van de voegwoorden. 286.
K. ... van de tusschenwerpselen. 289.
TWEEDE HOOFDSTUK. Over de orde, waarin de woorden in eene rede op elkander volgen.
1. Over de schikking der woorden in het gemeen. 291.
2. Over de verhalende, vragende en verbindende woordschikking. 299.
3. Over de omzettingen, of afwijkingen van de gewone woordschikking. 306.
4. Over de verkeerde woordschikkingen. 310.
5. Over de volzinnen. 314.
6. Over de zamentrekking der volzinnen, door bijvoegelijke naamwoorden, of bijwoorden, en deelwoorden. 319.
7. Over de perioden. 324.