A. OVER DE KLINKERS.

1. Over het getal der klinkers, en de wijs, waarop zij gevormd worden.

 

§. 4. Daar iedere enkele opening van den mond, zoo dra zij hoorbaar wordt, eenen klinker uitmaakt, zoo volgt, dat er zoo vele klinkers kunnen wezen, als er geluid gevende openingen van den mond mogelijk zijn. Wij hebben echter niet meer, dan deze vijf, A, E, I, O, U, en wij behoeven er ook niet meer, om de door ons bedoelde zaken uit te drukken en aan te duiden, of onze gedachten aan anderen verstaanbaar mede te deelen.

§. 5. Men heeft bij dezen nog de IJ gevoegd, en dezelve als eenen zesden klinker onder het getal der letteren aangenomen; doch deze bijvoeging is niet op den aard der taal, maar op een ingeslopen gebruik

[p. 13]

gegrond; daar de IJ eigenlijk niets anders, dan eene dubbele of verlengde I is, welke verdubbeling, of verlenging, bij al de overige klinkletteren plaats heeft, als AA, EE, IJ (of II, gelijk de ouden schreven.) OO, UU. Zoo dat, wanneer de IJ, of verlengde I, een nieuwe klinker wierd, al de overige, verlengd zijnde, nieuwe klinkers zouden moeten worden, en men derhalve tien klinkletters in onze taal zoude krijgen.

§. 6. De ouden gebruikten de enkele I in lettergrepen, niet op eenen medeklinker stuitende, als hi, zi, schriven, enz. In lettergrepen, daarentegen, op eenen medeklinker stuitende, en eene verlenging van den klinker vereischende, verdubbelden zij de I, en schreven miin, ziin, enz., waarvoor wij thans mijn, zijn, enz. bezigen. Doch wel dra begon men, het zij om de verwarring van II met U voor te komen, het zij sieraadshalve, de tweede I met eenen langen staart (IJ) te schrijven. En deze schrijfwijs, welke reeds zeer oud is, wordt thans met regt behouden, schoon dezelve slechts in eenige gedeelten van ons Vaderland, en wel aan de Maas, maar bijzonderlijk in Zeeland, Vriesland, en Overijssel, in de uitspraak gehoord wordt, terwijl zij elders, en inzonderheid tusschen Noordholland en den Rijn, het geluid van den tweeklank EI heeft, hetwelk eene wezenlijke verbastering van de uitspraak mag genoemd worden.  *  

 *  Zie verder Verhandeling over de Nederduitsche Spelling, van den Hoogleeraar M. Siegenbeek bl. 64. env.


[p. 14]

§. 7. De Y is reeds vroeg voor de enkele I, en naderhand, door velen voor de lange IJ, zelfs met geheele verbanning van deze, gebezigd geworden. Thans stelt men vrij algemeen, dat de Y van dezelfde kracht gerekend wordt, als de grieksche υ, en men oordeelt, dat dezelve ook alleenlijk in woorden van grieksche afkomst mag gebruikt worden, als cyprus, cyrenius, cylinder, enz.  *  

§. 8. De A, waarmede ons abé begint, is de enkelvoudigste en ligtste klinker, die, door de ongedwongenste opening van den mond, zonder moeite voortgebragt wordt. Zoo dra de tong een weinig nader aan het gehemelte komt, ontstaat de nog helderder B; en uit deze wordt, wanneer de tong digt aan het gehemelte nadert, de I gevormd, als de hoogste klank, dien de menschelijke spraakwerktuigen kunnen voortbrengen. Om de o uit te spreken, zinkt de stem weder tot A, en geeft aan dezen klinker, door de ronding der lippen, eene andere gedaante, waardoor de O ontstaat. De laagste klinker, welke, door de sterkste ronding, of sluiting der lippen, gevormd wordt, is de U. Er heeft derhalve, bij het uitspreken van de klinkletteren, van A tot U, eene genoegzaam evenredige vernaauwing van den mond, of ronding der lippen, plaats; zoo dat, bij de A, de mond het meest, bij de E minder, bij de I weder minder, bij de O nog minder, en bij de U het minst geopend is;

 *  Zie als boven, bl. 66. env.


[p. 15]

met dit onderscheid echter, dat, bij het uitspreken van A, E en I, de tong telkens meer aan het gehemelte nadert, terwijl bij het uitspreken van de O, de tong weder tot denzelfden afstand van het gehemelte terug keert, waarop zy zich, by het uitspreken van de A, bevond; hetwelk ook ten aanzien van de U plaats heeft; schoon de stem, bij het uitspreken van iedere dezer letteren, gelijke krachten te werk stelt.

§. 9. De klinkers brengen leven en hoorbaarheid in de woorden. De letters M en N, bij voorbeeld, maken, op zich zelven staande, geen woord uit; doch plaatst men eene A, E, of I, tusschen beide, dan ontstaat terstond het woord MAN, MEN, of MIN. De klinker brengt hier, gelijk in alle andere gevallen, het wezen van den eenen medeklinker tot den anderen over, en plaatst dezelve in een voortdurend verband met elkander, terwijl de eerste medeklinker nog in het oor klinkt, wanneer de andere reeds uitgesproken wordt.