2. Over de twee- en drieklanken.

 

§. 10. Iedere enkele opening van den mond maakt, gelijk boven reeds aangemerkt is, zoo dra zij hoorbaar wordt, eenen klinker uit, die altijd eenvoudig en van eenen ongemengden klank is. Wanneer derhalve de mond van de eene opening tot de andere overgaat, dan worden eigenlijk twee, of drie klinkers voortgebragt, die, schoon in eene lettergreep bij elkander gevoegd, en, onder

[p. 16]

het uitspreken, als zamen gesmolten, echter noodzakelijk eenen gemengden klank hebben. De eerste noemt men tweeklanken, de laatste drieklanken.

§. 11. Een tweeklank ontstaat, door zamenvoeging van de enkele A, E, I, O, U, met E, I, of U, als:

A met U, in dauw, Paus,

E met I, in hei, wei,

E met U, in beuk, reuk,

I met E, in dienst, vriend,

O met E, in bloed, goed,

O met U, in bout, hout,

U met I, in bruid, kruid.

En, schoon de eerste klinkers verdubbeld, of AA, EE en OO, met I of U, zamen gevoegd, en de woorden dus in gedaante en uitspraak verlengd worden, zijn zij echter niet meer dan tweeklanken, als: maai, zaai, flaauw, laauw, leeuw, sneeuw, hooi, mooi  *  .

Een drieklank heeft plaats, wanneer IE, of OE met U, of I, zamen gevoegd wordt, als: hieuw, nieuw, boei, foei.

§. 12. In opzigt tot de verlenging van de twee- en drieklanken, welke op i eindigen, is niet altoos eenparig gedacht, daar sommigen maaien of maajen, boeien of boejen enz., en anderen maaijen, boeijen, enz. schrijven. Doch daar het verdubbelen van de i, of het plaatsen van de j achter de i, aan de uitspraak best schijnt te beantwoorden, is de

 *  Zie als boven, bl. 140 env.


[p. 17]

schijfwijs van maaijen, vleijen, groeijen, gooijen, bruijen, buijen enz. de verkieslijkste.  †  

§. 13. Ten aanzien van den tweeklank au moeten wij nog aanmerken, dat dezelve dikwerf, schoon verkeerdelijk, als ou uitgesproken wordt; terwijl het onderscheid nogtans genoeg kan gekend worden, als blijkt uit het dauwt, van dauwen, en hij douwt, van douwen.

§. 14. Eindelijk verdient het verschil der oude en nieuwe schrijfwijs in sommige tweeklanken, als mede derzelver onderlinge verwisseling, nog kortelijk gemeld te worden.

Voor eu bezigden de ouden dikwerf ue, en schreven duegde, vruegde; waarvoor wij deugde, of liever deugd, vreugd bezigen. Ook schreven zij ue en ou, voor oe, als gued voor goed, bouk voor boek. In opzigt tot de verwisseling van de tweeklanken komt ons die van ei met ai, het eerste voor, welke sommigen voorgestaan hebben, schrijvende hailig, klai, vailig; doch ook deze schrijfwijs is reeds verouderd, en thans zeggen en schrijven wij alleenlijk heilig, klei, veilig  *  . Eu en oeworden nog somwijlen met elkander verwisseld, en onverschillig gebezigd, in genoegte, geneugte, proeven, preuven. Zoo ook eu en de zachte e en o, inleunen, lenen, steuren, storen. Wijders ui en

 †  Zie als boven bl. 187.
 *  Zie als boven bl. 140.


[p. 18]

ie, in kuiken, kieken, ruiken, rieken; ook somwijlen ie en u, als bestier, bestuur, vier, vuur.