B. OVER DE MEDEKLINKERS.

1. Over sommige te onregt onder de Nederduitsche medeklinkers gerangschikte letteren.

 

§. 39. Wij hebben boven (§. 2.) reeds gezien, dat de c, q, en x als vreemde letters mogen beschouwd worden, en derhalve tot de echt Nederduitsche medeklinkers, eigenlijk, niet behooren, kunnende dezelve in woorden van uitheemschen oorsprong gebezigd worden, als: Cicero, Cyprus, Quintilianus, Xerxes, Xanthippe enz.



[p. 33]

§. 40. Verkeerdelijk derhalve werd de c oudtijds voor genoegzaam al onze klinkers geplaatst, als mede ter sluiting van eene lettergreep, in stede van de kgebezigd; terwijl dezelve naderhand, aan het einde eener lettergreep, voor de kgeplaatst werd; doch ook dit werd, in lateren tijd, als overtollig afgeschaft, en men schrijft thans naar den aard onzer taal, en in navolging van de achtbaarste schrijveren: kamer, kelder, koopen, kunnen, dik, stuk, sieren enz.  *  .

§. 41. Voor de q en x hebben wij de gelijkluidende klanken kw en ks, en wij schrijven derhalve kwaad, kwellen, kwijten enz. - dagelijks, desgelijks, des volks enz.

§. 42. De h is, eigenlijk, noch klinker noch medeklinker, schoon zij doorgaans echter onder de medeklinkers gerangschikt wordt; zij is niet meer, dan een schielijke ophef en eene scherpe uitblazing van adem voor het begin van eenen klinker  †  , gelijk ontwijfelbaar daaruit blijkt, dat zij in geen onzer woorden als wortelletter voorkomt, en bij dezelfde woorden, in verschillende gewesten van Nederland, bijgevoegd of weggelaten wordt. Zoo zeggen, bij voorbeeld, de Zeeuwen, Vlamingen en die van Goudaaan, ond, uis, terwijl de overige Nederlanders dit haan, hond, huis uitspreken. Zoo zeggen wij

 *  Zie de boven genoemde Verhandel. over de Nederd. spell. bl. 80, 81.
 †  L. ten Kate, D. I. bl. 122.


[p. 34]

hooren, met de h, terwijl wij dezelve bij het grondwoord oor weglaten. En uit dit alles is gemakkelijk op te maken, dat de schrijfwijs van gh, welke oudtijds plagt plaats te grijpen, met regt, als ongegrond en geheel nutteloos, verworpen wordt.

§. 43. Ten aanzien van de j dient nog aangemerkt te worden, dat men dezelve doorgaans verkeerdelijk als eenen medeklinker beschouwt, daar zij intusschen niets anders dan de klinker i is, welke, aan het begin der woorden voor eenen anderen klinker staande, door de schielijkheid der uitspraak, als een medeklinker luidt, en als dan, door eenen lang onderuit gehaalden staart, van de gewone i onderscheiden wordt: zoo dat jagen, jakob, eigenlijk niet anders is, dan iägen, iäkob, schielijk uitgesproken. De ouden schreven zoo wel iaer en yaer, als jaar.