2. Over de verdeeling van de medeklinkers.
§. 44. Zonder genoegzamen grond heeft men voorheen de
medeklinkers verdeeld in halve klinkers en stomme letters,
noemende die, bij de uitspraak van welke een klinker voorafgaat, als: ef,
el, em, en, er, es halve klinkers, en die, waarin een klinker volgt, als:
be, che, de, ge, ka, pe, te, ve, we, ze, of zed, stomme letters.
Immers, alle medeklinkers zijn, buiten zamenstelling met de klinkers, van
natuur klankeloos; doch derzelver geluid wordt terstond gehoord, zoo dra een
klinker daar bij komt; en dit geluid heeft altoos iets van den bijgevoegden klinker, en is derhalve een gemengd geluid, het zij de klinker vooraf ga, of volge. §. 45. Doch van waar komt het, vraagt men, natuurlijk, dat de klinker, bij de uitspraak van den eenen medeklinker, vooraf gaat, en, bij de uitspraak van den anderen, volgt? Schoon men dit doorgaans aan de willekeur der genen toeschrijft, die den letteren namen gegeven hebben, rust het echter, waarschijnlijk, op zeer goede gronden, en is derhalve niet zoo geheel willekeurig te noemen. §. 46. De medeklinkers zijn, als ware het, tusschen de lippen, tegen de tanden, en het voorste en achterste gedeelte van het gehemelte geklemd, en sommige derzelven moeten, bij de uitspraak, door behulp van klinkers, uitgeleid, andere uitgestooten worden, om derzelver waren klank klaar en krachtig te kunnen onderscheiden. Tot de eersten behooren ef, el, em, en, er, es, en tot de laatsten be, che, de, ge, ka, pe, te, ve, we, ze, of zed. En schoon men de eersten, sedert eenigen tijd, fe, le, me, ne, re, en se genoemd heeft, is het echter zeker, dat daardoor de klank der f, l, m, n, r, en s verre na zoo klaar en krachtig niet uitgedrukt wordt, als door ef, el, em, en enz.; gelijk in eb, ech, of ich, ed, eg enz. het geluid der b, ch, d, g enz. veel minder zou doorsteken, dan in be, che, of chi, de, ge enz.; waarom wij genoegzame reden meenen te hebben, om de hier en daar ingevoerde nieuwigheid van fe, le, me, ne, reenz. te verwerpen, en de gewone benaming der medeklinkeren te behouden. §. 47. Daar de mensch, behalve de opening des monds en het gehemelte, geene andere werktuigen bezit, om oorspronkelijke klanken te vormen, dan de keel, de tong, de lippen en de tanden, zoo verdeelt men de medeklinkers gevoeglijk in keel - tong - lip - en tandletters, terwijl de ch, g en k tot de keelletters, de d, t, l, n en r tot de tongletters, de b, p, f, v, w en m tot de lipletters, en de s en z tot de tandletters behooren * . |
* Andere, tot de spraakkunst behoorende,
bijzonderheden, als: de aard en het in geschil staande gebruik van sommige
medeklinkeren; de verwantschapte medeklinkeren, derzelver zachtheid en
scherpte, derzelver verwisseling en verdubbeling; als mede de invloed
van het gebruik, de uitspraak, welluidendheid en afleiding op de spelling;
zoo ook de inlassching van d, t en e in eenige zelfstandige naamwoorden en
andere woorden; de onderscheidene spelling van gelijkluidende, doch in
beteekenis verschillende woorden; en eindelijk de spelling van woorden,
welke uit andere talen ontleend zijn, - alle deze bijzonderheden ga ik met
stilzwijgen voorbij, en wijs den lezer naar de meer genoemde Verhandeling
over de Nederduitsche spelling, van den Hoogleeraar M. Siegenbeek, alwaar
hij dezelve in het breede en grondig behandeld kan vinden.
|