Nadere ontwikkeling van de deelen der rede.A. OVER DE NAAMWOORDEN.1. Over de zelfstandige naamwoorden. Derzelver aard.
§. 84. Een zelfstandig naamwoord is het gewigtigste deel der rede, tot het welk al de overige rededeelen in betrekking staan, en om welks wil zij aanwezig zijn. Op zich zelf, en, zonder behulp van een ander woord, duidt het werkelijk eene zelfstandigheid, of het wezen eener zaak aan, als: man, mier, huis, stoel enz. Ook stelt het iets onzelfstandigs, en alleen in beschouwing bestaande, maar als zelfstandig aangemerkt wordende, voor, als: deugd, schoonheid, grootte, liefde, vriendschap enz. §. 85. De zelfstandige naamwoorden worden gevoegelijkst in twee
soorten verdeeld, in eigene en gemeene. Een eigen
zelfstandig naamwoord is zoodanig een, het welk zekeren persoon, of zekere
zelfstandige zaak alleen aanduidt, en daaraan, met uitsluiting van alle
anderen, als een eigennaam, gegeven wordt, bij voorbeeld: Nederland,
de Maas, Dordrecht, Berlijn, Willem, Maria enz. Een
gemeenzelfstandig naamwoord is zulk een, waardoor vele zelfstandige
dingen, tot eene en dezelfde soort behoorende, aangeduid worden, als:
mensch, vrouw, man, visch, land, stad, rivier, water, lucht, zand, volk enz. §. 86. De Nederduitsche taal heeft het voorregt, dat zij ieder denkbeeld als iets zelfstandigs beschouwen, en bij gevolg ieder deel der rede als zelfstandig gebruiken kan; bij voorbeeld: het lezen, het denken, onder het bidden, de wijzen, de geleerden, het schoone, het edele, het mijne, het uwe, mijn ja, uw neen, bij die zaak is een maar, het ach en wee, mijn ander ik, de vier, de zes, de tien, in het kaartspel, dat heeft zijn voor en tegen, het honderd, het duizend enz. §. 87. Een zelfstandig naamwoord, dat een voorwerp, in vergelijking met een ander, als verkleind aanduidt, wordt verkleinwoord genoemd; en deze verkleining geschiedt door den uitgang je, achter naamwoorden gevoegd, als: huisje, kindje, lampje enz. En hierbij moeten de volgende bijzonderheden opgemerkt worden: 1. Om de welluidendheid plaatst men voor dezen uitgang dikwerf eene t, of p, echter niet willekeurig, maar naar gelang van de letters, welke vooraf gaan. Zoo komt je achter d, t, f, g, k, p, s, en sch, als, draadje, krijtje, briefje, daagje, plekje, streepje, dasje, vischje enz.; tje achter l, n, r, w, en achter de tweeklanken, als: aaltje, wijntje, kamertje, zwaluwtje, koetje enz.; pje achter m, als: kraampje, zoompje enz. 2. Vele woorden van eene lettergreep, of waarvan de laatste lettergreep slechts eenen klinker heeft, uitgaande op b, l, m en n, en in het meervoud den laatsten medeklinker verdubbelende, als: krib, kribben, bel, bellen enz., worden verlengd, en nemen den verkleinenden uitgang tje aan, bij voorbeeld: schubbetje, schelletje, kommetje, japonnetje, vriendinnetje enz. 3. Voor je zegt men ook jen (oudtijds gen) en ken, als: draadjen, draadken, en in sommige woorden, om de welluidendheid, sken, als: jongsken, doeksken * . 2. Over de getallen, of het enkel- en meervoud der zelfstandige naamwoorden. §. 88. Een zelfstandig naamwoord duidt of eene enkele zaak, of verscheidene zaken te gelijk aan. Het eerste geval noemt men enkelvoud, of het enkelvoudige getal, en dit stelt de zaak als eene eenheid voor; het andere noemt men meervoud, of het meervoudige getal; en dit duidt de zaak als eene meerderheid aan. Zoo is, bij voorbeeld, man het enkelvoud, en mannen het meervoud. §. 89. Alle zelfstandige naamwoorden, van welken aard zij ook mogen wezen, hebben of beide getallen te gelijk, of ten minste een derzelven. Al |
* Zie verder mijn Nederd. taalk.
woordenboek, bij Je.
|
|
dat geen heeft derhalve ook een meervoudig getal, het welk in zijne soort meervoudig voorhanden is, als: mensch, menschen, tafel, tafels, boek, boeken enz. §. 90. In zoo verre een eigennaam niet slechts aan een, maar ook aan meer voorwerpen gegeven wordt, hebben de eigennamen ook een meervoud; bij voorbeeld: ik heb onder mijne kinderen twee Pieters. Ook wanneer een eigennaam ter aanduiding van zekere eigenschap dient, als: de Newtons van onzen tijd - de Alexanders van het Noorden, dat is, de mannen, die in kennis en moed dat geen zijn, wat Newton en Alexander waren. §. 91. Eenige zelfstandige naamwoorden worden alleen in het
enkelvoudige getal gebruikt, als: raad, (raadgeving), roof, (prooi) stof,
vee enz.; zoo ook die zelfstandige naamwoorden, welke eene stoffelijkheid
beteekenen, als: aarde, spek, vet, smeer, vleesch, goud, drek, bloed, draf,
gerst, gras, hooi, kaf, klei, leder, leem, molm, mest, pek, pekel, stroo,
slijk, slijm, teer, zweet, adem, speeksel, schimmel, most, talk, dauw, was,
asch, sneeuw, ijs, ijzer, koper, lood, tin, blik, zilver, boter, melk, vlas,
hout, steen, been, water, koorn, tarw, zand, ooft, meel enz., in zoo verre,
namelijk, daardoor, alleen de stof, in het onbepaalde denkbeeld, aangeduid
wordt. Vindt men intusschen sommige dezer woorden in het meervoud gebezigd, dan
is dit een meervoud, afgeleid van het enkelvoud in eene geheel andere beteekenis. Zoo maakt, bij voorbeeld, het woord ijzer, in den zin van een stuk ijzer, of een van ijzer gemaakt werktuig, in het meervoud ijzers; zoo ook aarde, in het meervoud aarden, voor soorten van aarde; hout, in het meervoud houten, voor soorten van hout, of stukken hout; water, in het meervoud wateren, voor soorten van water - gebrande wateren, voor sterke dranken enz. §. 92. Ook lijden die woorden geen meervoud, welke van de onbepaalde wijs der werkwoorden afgeleid worden, met wegwerping van den uitgang en en voorvoeging van ge; en welke zelfstandige naamwoorden de werking dier werkwoorden uitdrukken; als: gehuil, gezucht, geroep, gekraak, gefluister, gevraag, gerij, gevrij, gebulder, gejammer, gedonder, gebabbel, gedobbel, gekakel enz. §. 93. De zelfstandige naamwoorden, welke iets onzelfstandigs,
maar als zelfstandig aangemerkt wordende voorstellen, worden mede alleen in het
enkelvoudig getal gebruikt. Daartoe behooren de namen der deugden, ondeugden en
hartstogten, als: argwaan, achterdocht, hulde, gierigheid, overspel,
hoogmoed, liefde, min, trouw, wil, lof, dronkenschap, toorn, troost, schaamte,
haat, nijd, rouw, berouw, vrees, hoop, bedrog, eerlijkheid; gelijk ook die,
welke eenen toestand uitdrukken, als: dood, leven, slaap, eer, echt,
schande, honger, dorst, vreugd, verdriet, blijdschap, vrede, opkomst,
dwang, aanvang, einde, heil, geluk, ongeluk, noodlot, overlast, kommer, armoede, adel, duurte, jeugd, verderf; verder die gene, welke eene eigenschap aan iets toekennen, als: roest, zwaarte, hitte, koude, warmte, rust, gehoorzaamheid, geweld, vernuft, moeite, dank, handel enz. Eindelijk de onbepaalde wijs der werkwoorden, em het onzijdige geslacht der bijvoegelijke naamwoorden, als zelfstandig beschouwd, als: het zitten, het staan, het weten, het schoone, het groote, het edele enz. §. 94. Nog moet men ten aanzien van de getallen der zelfstandige naamwoorden aanmerken, dat sommige naamwoorden alleen in het meervoudige getal gebezigd worden, als: inkomsten, onkosten, kosten, ouderen, voorouderen, Alpen, hersens, lieden, gezusters, gebroeders enz. §. 95. Het meervoudige getal onzer zelfstandige naamwoorden wordt door het aannemen van s, n, en en gemaakt. Door s, als: akker, akkers, herder, herders, nagel, nagels, bliksem, bliksems, haven, havens, kok, koks, maat, maats. Door n en en, als: hoogte, hoogten, bede, beden, hoofd, hoofden, kracht, krachten, kraai, kraaijen, klaauw, klaauwen enz. Lid heeft in het meervoud leden, schip, schepen, stad, steden, smid, smeden, spit, speten enz., van het oude led, schep, sted, smed, spet, enz. §. 96. Sommige zelfstandige naamwoorden verdubbelen, bij het
vormen van het meervoud, den medeklinker, als: bron, bronnen, klip,
klippen, schim, schimmen, minnares, minnaressen, getuigenis, getuigenissen, vriendin, vriendinnen, man, mannen, bal, ballen, rijkdom, rijkdommen, genootschap, genootschappen enz. §. 97. Alle zelfstandige naamwoorden, welke, van bijvoegelijke afgeleid, in heiduitgaan, hebben, in het meervoud, heden, als: waarheid, waarheden enz. Deze zachtstaartige uitgang, dienende, om het hoedanige tot eene hoedanigheid over te brengen, was oudtijds niet heid, maar hede; en van hier het meervoud heden. §. 98. Sommige zelfstandige naamwoorden hebben, in het meervoud, ers en eren, als: kind, kinders, kinderen, kalf, kalvers, kalveren (ook kalven), rund, runders, runderen, blad, bladers, bladeren (ook bladen), been, beenders, beenderen(ook beenen, schoon beenen en beenderen onderscheiden gebruikt worden), gemoed, gemoederen (ook gemoeden), volk, volkeren (ook volken), rad, raders, raderen (ook raden), lied, liederen enz.; welke woorden oulings, in het enkelvoud, op er uitgingen, als: kinder, kalver, volker enz. * . §. 99. Uit het boven (§. 95.) aangevoerde blijkt de misslag van sommigen, die, in eenige zelfstandige naamwoorden, twee kenmerken van het meervoud bijeen voegen, schrijvende begeerte, begeertens, behoefte, behoeftens enz., alwaar de s geheel overtollig is, als wordende het meervoud reeds door de achter |
* Zie L. ten Kate, Aanleid. enz. D. I. bl.
383.
|
|
gevoegde n aangewezen; terwijl de s dan te pas komt, wanneer het enkelvoud op en eindigt: als: genoegen, genoegens, verlangen, verlangens. §. 100. Eindelijk dient aangemerkt te worden, dat het onderscheid, het welk sommigen in het meervoud willen gemaakt hebben tusschen de uitgangen s en en, als: kinders, kinderen, vogels, vogelen enz., meenende, dat de eerste uitgang tot den eersten, vierden en vijfden naamval, de laatste tot de drie andere naamvallen behoort, geheel willekeurig, en noch op den aard der taal, noch op den voorgang der achtbaarste schrijveren gegrond is; terwijl het gevoelen van hen, die den uitgang s tot den gemeenen, den uitgang en tot den deftigen stijl gebragt willen hebben, door menigvuldige voorbeelden onzer beste schrijveren krachteloos gemaakt wordt. |