3. Over de geslachten der zelfstandige naamwoorden.
§. 101. De waarneming van tweederlei geslacht bij alle levende wezens, namelijk het mannelijke en vrouwelijke, heeft de menschen, bij de eerste vorming van de taal, op het denkbeeld gebragt, om hetzelfde onderscheid ook in de uitdrukking van zelfstandige, of als zelfstandig beschouwde, zaken in te voeren. Doch, daar men van vele zaken zulke donkere begrippen had, dat men aan dezelve geen van beide geslachten konde toekennen, zoo ontstond eene derde soort van woorden, namelijk onzijdige. §. 102. Schoon men over het algemeen kan aanmerken, dat, bij de bepaling van het geslacht der woorden, alles, waarmede het denkbeeld van grootte, sterkte, werkzaamheid en verschrikkelijkheid verknocht was, mannelijk, - alles, wat men zich als zwak, zacht, vruchtbaar, schoon, aangenaam en lijdend voorstelde, vrouwelijk, - en alles, waaraan men geene dezer eigenschappen ontdekte, of waaromtrent de gewaarwording verdeeld was, onzijdig genoemd werd, blijft het echter zeer moeijelijk, ja volstrekt onmogelijk, in alle bijzondere woorden de reden aan te wijzen, waarom dezelve tot dit, en niet tot een ander geslacht gebragt zijn. §. 103. Gelijk wij deze onderscheiding mede in andere talen aantreffen, hoewel de meeste in de geslachten der woorden zelden overeenkomen, zoo vinden wij dezelve ook in onze taal, van de vroegste tijden af gevolgd, en, in de met de onze verwantschapte talen, vrij eenparig en bestendig waargenomen. §. 104. Sommige zelfstandige naamwoorden echter hebben, door
den tijd, eenige verandering van geslacht ondergaan, terwijl andere
onverschillig in twee, of ook in alle drie de geslachten gebezigd worden. Zoo
is, bij voorbeeld, in het woord tijd, zoo wel het vrouwelijke als
mannelijke geslacht in gebruik geweest, wordende hetzelve tegenwoordig,
doorgaans, alleen in het mannelijke geslacht gebezigd, uitgezonderd echter in
de spreekwijzen te dier tijd, in der tijd enz. Even zoo wordt het woord dood zoo wel in het vrouwelijke als mannelijke geslacht, en oorlog, bovendien nog, onzijdig gebruikt. §. 105. Behalve deze drieledige onderscheiding van de zelfstandige naamwoorden, zijn er nog twee andere soorten, welke wij gemeenslachtige en gelijk- of zelfslachtige woorden noemen. De eerste zijn die woorden, welke mannelijk of vrouwelijk zijn, naar mate zij van eenen mannelijken of vrouwelijken persoon gebezigd worden, als: bode, boel, gelijk ook gemaal, gids, gezel, erfgenaam, bedgenoot, dischgenoot, echtgenoot, lotgenoot, vondeling, vreemdeling, zuigeling enz.; waarvan eenige ook met eenen vrouwelijken uitgang gebezigd worden, als: bodin, gemalin enz. De laatste bevatten beide de seksen onder een en hetzelfde geslacht, het zij mannelijk, vrouwelijk, of onzijdig. Hiertoe behooren de mannelijke woorden arend, kemel, leeuwerik, olifant, reiger, struis, uil, valk, vink, vos, welke men nooit vrouwelijk zal vinden, schoon zij van de wijfjes gebruikt worden. Zoo ook de vrouwelijke woorden, muis, rot, haagdis, slang, duif, kraai, musch, snip, tortel, zwaluw enz., welke altoos vrouwelijk blijven, schoon ook voor mannetjes gebezigd wordende. Insgelijks het vrouwelijke woord kat, het welk ook van den kater gezegd, en het onzijdige woord paard, waardoor zoo wel de hengst als de merrie, gelijk ook kind, waardoor zoo wel een jongen als een meisje aangeduid wordt. §. 106. Ter bepaling van de geslachten der zelfstandige naamwoorden dienen de volgende algemeene regels * . 1. Tot het mannelijke geslacht behooren alle eigennamen van mannen, als: Willem, Andries, Pieter, Jakob enz. §. 107. Wijders alle namen van mannelijke eigenschappen, waardigheden en bedieningen, als: heer, koning, vorst, koopman, bode enz., waartegen de vrouwelijke uitgangen ing, st, en de, in koning, vorst, bode, en meer dergelijke woorden, niets afdoen. §. 108. Verder alle zelfstandige naamwoorden, welke, van werkwoorden afkomstig, op aar en er uitgaan, wanneer zij de werking op eenen mannelijken persoon overbrengen, als: makelaar, drager, kuiper enz.; of die van een ander zelfstandig naamwoord afgeleid, eenen werkenden mannelijken persoon aanduiden, als: zondaar, logenaar, schuldenaar enz.; ook met den uitgang ier, als: tuinier, herbergier, wijngaardenier enz. En hierbij |
* Deze regels zijn (dit zij voor altijd gezegd),
grootendeels ontleend uit de Voorrede van den Hoogleeraar A. Kluit, voor
den zesden druk van delijst der gebruikelijkste zelfstandige naamwoorden,
beteekend door hunne geslachten, door D. van Hoogstraten; in welke Voorrede
zeer breedvoerig, en niet minder grondig, over de geslachten gehandeld wordt.
Men vergelijke hiermede L. ten Kate, D.I, bl. 80 en verv., en D.II. bl.
396-468; Moonen, Nederd. spraakk. bl. 100 en verv.; L. van Bolhuis, in
zijne aanteekeningen op de beknopte aanleiding tot de kennisse der
spelling enz. van K. Styl, bl. 62. en verv.
|
|
houde men wel in het oog, dat niet de uitgang, maar de bedoelde persoon het geslacht bepaalt, dewijl baker, kamenier enz. vrouwelijk zijn. §. 109. Ook de namen van zoodanige werktuigen, gereedschappen, of zaken, die, van een werkwoord afgeleid, het werk eens mans vervangen of verrigten, en die dus overdragtig tot eene zaak, of een werktuig overgegaan zijn, vooral zulke, die in er eindigen; bij voorbeeld, een snuiter is iemand, die snuit, een waaijer een, die waait, een looper een, die loopt, een wijzer een, die wijst enz. Op deze wijs zijn dan mannelijk: stamper, lichter, schepper (watervat), klopper, houwer, passer enz. Men verwarre echter met deze woorden geene andere mannelijke en onzijdige woorden, welke zoodanige eigenschap niet aanduiden, als: slinger, polder, donder, sluijer, lommer, leger, leder, voeder, en diergelijke, welke, schoon op er uitgaande, echter niet op dezelfde wijs van werkwoorden afgeleid worden, noch de werking daarvan aanduiden. Slinger, bij voorbeeld, is eigenlijk het wortelwoord van slingeren; en schoon het een werktuig zij om te slingeren, volgt daaruit echter niet, dat slinger mannelijk is, dewijl, wanneer dit doorging, alle andere werktuigen, als spade, houweel enz. mannelijk zouden moeten zijn. §. 110. Mannelijk zijn insgelijks die zelfstandige naamwoorden,
welke, schoon op zich zelven een ander geslacht hebbende, echter wel eens als
eigene benamingen van mannen aangemerkt worden, of eenige mannelijke eigenschap aanduiden. Zoodanige zijn bloed, ondeugd, booswicht, voorspraak, lidmaat enz. Het bloed is, bij voorbeeld, onzijdig; maar men noemt iemand eenen bloed; en dan is het mannelijk. De deugd is vrouwelijk; maar in gij zijt een ondeugd is het mannelijk; en zoo in de overige woorden. Om dezelfde reden zijn blaaskaak, breekspel, borst, albedrijf, albeschik, albedil, deugniet, schoft, klapspaan, toeverlaat, voorzaat, roervink, brekebeen, domoor enz. mannelijk, schoon op zich zelven van een ander geslacht zijnde. §. 111. Tot dezen regel behooren niet zoodanige woorden, welke van het vrouwelijke of onzijdige geslacht zijnde, alleen overdragtig, of ook bij overnaming, op mannelijke personen toegepast worden. Zoo noemt men, bij vergelijking, of bij overdragt, den dichter wel eens eene zwaan, den keizer de zon van Oostenrijk. Ook zegt men van een meisje, dat zij een lief ding - van eene vrouw, dat zij een oud vel - van eenen man, dat hij eene goede kennis is. Bij overnaming heeft gemeenlijk hetzelfde plaats. Zoo is, bij voorbeeld, het woord wacht vrouwelijk. Wanneer men nu, bij overnaming, de schildwacht, de nachtwacht, de torenwacht enz. zegt, dan blijven deze woorden vrouwelijk, schoon daardoor mannen aangeduid worden. §. 112. Tot het mannelijke geslacht behooren tevens de namen
van steenen, wanneer zij eenen bijzonderen steen aanduiden, als: agaat, diamant, saffier enz.; bij voorbeeld: zie hier eenen fraaijen agaat; terwijl zij, voor de erts, of stof, genomen, onzijdig zijn: eene doos van helder agaat. §. 113. Mannelijk zijn insgelijks de woorden, in dom uitgaande, wanneer zij den staat, de magt, of gesteldheid eener zaak aanduiden, als: de adeldom, eigendom, ouderdom, rijkdom, wasdom enz. * . §. 114. Vrij algemeen zijn de woorden, in em en sem uitgaande, van het mannelijke geslacht, als: adem, bodem, balsem, bezem, bliksem, boezem enz. En hiertoe kunnen ook de woorden, in lm en rm, bij intrekking voor lem en rem, uitgaande, gebragt worden, als: arm, galm, halm, helm, schalm, schelm, scherm, storm, worm enz. §. 115. 2. Tot het vrouwelijke geslacht behooren de eigennamen van vrouwen, als: Maria, Joanna, Elizabet, Jozina enz. §. 116. Wijders de namen van vrouwelijke eigenschappen, waardigheden en bedieningen, als: dienstmaagd, baker, kamenier. Ook die, welke den uitgang ster hebben, als: voedster, loopster, snoepster enz. Insgelijks zulke, welke van mannelijke zelfstandige naamwoorden ontleend zijn, en in in, es, of ster uitgaan, als: koningin, vorstin, prinses, zondares, herbergierster, zangster, ook zangeres en zangerinenz. Van dezen regel heeft het gebruik |
* Zie verder, over de woorden in dom
uitgaande, bij het onzijdige geslacht.
|
|
alleen het woord wijf uitgezonderd, dat onzijdig is. §. 117. Vrouwelijk worden genomen de stoffelijke namen der letteren van het abé, als: dat woord wordt met eene zacht-lange e gespeld - de regel begint met eene groote benz. §. 118. Zoo ook zijn de cijfergetallen, wanneer zij op zich zelven stoffelijk uitgedrukt worden, van het vrouwelijke geslacht, als: de zes, de negen, de honderd enz. Doch bij verzameling worden zij onzijdig gebezigd, als: het honderd, het vijf en twintig kost zoo veel. Hier moet men ook niet verwarren zulke gezegden, waarin eene uitlating van het zelfstandige naamwoord plaats heeft, als: ik koop de zes (bij voorbeeld visschen) voor zoo veel. §. 119. Vrouwelijk zijn de zelfstandige naamwoorden, die, op schap eindigende, van bijvoegelijke naamwoorden afstammen, en eene hoedanigheid beteekenen, als: de gramschap, dronkenschap, blijdschap enz. Ook zulke, welke, van zelfstandige naamwoorden afkomstig, eene algemeenheid van personen in een vergaderd ligchaam te kennen geven, als: de broederschap, burgerschap, priesterschap enz., terwijl deze laatste soort van woorden, wanneer zij eene gesteldheid, waardigheid, of bediening uitdrukken, onzijdig is, als: het burgerschap, meesterschap, stadhouderschapenz. * .
|
* Zie bij de woorden van het onzijdige
gslacht.
|
|
§. 120. Ook zijn de woorden, op ing uitgaande, van het vrouwelijke geslacht, namelijk die, welke van het worteldeel van eenig werkwoord afgeleid, de dadelijke werking beteekenen, als: aandrijving, belooning, vermaning, betering enz.; zonder dat hieromtrent eenige uitzondering plaats heeft. Doch hiermede moet men niet verwarren eenige oorspronkelijke woorden, of zulke, die niet van werkwoorden afkomen, als: ring, kring, penning; noch andere, in ling eindigende, als: vreemdeling, zuigeling enz., welke mannelijk zijn. §. 121. Tot het vrouwelijke geslacht behooren ook de woorden, welke, van naamwoorden afgeleid, op ij uitgaan, en eenen staat, eene bediening, of werking aanduiden, als: abdij, burgerij, dieverij, hoovaardij, maatschappij, artsenij, schilderij enz.; ten aanzien van welk laatste woord echter dikwijls gehoord wordt het schilderij. Doch hiervan zijn geheel onderscheiden de woorden, welke met het voorzetsel ge van werkwoorden gemaakt worden, als: gerij, getij, gevrij; van welke bij de onzijdige naamwoorden zal gehandeld worden. §. 122. Ook wordt de uitgang nis, achter werkwoorden gevoegd, en eene daad of gesteldheid beteekenende, vrouwelijk geacht, als: ergernis, behoudenis, belijdenis, geheugenis enz. Echter heeft hier ook weder eenige afwijking plaats, als blijkt uit vonnis en getuigenis, waarvan het eerste onzijdig, en het laatste vrouwelijk en onzijdig gebezigd wordt. §. 123. Vrouwelijk zijn ook alle woorden, welke in heid uitgaan. Zij zijn van bijvoegelijke naamwoorden of deelwoorden afkomstig, en beteekenen de hoedanigheid van dat woord, als: regtvaardigheid, grootheid, goedheid, wellevendheid, belezenheid enz. §. 124. Zoo ook de woorden, op te uitgaande, welke van bijvoegelijke naamwoorden afgeleid zijn, als: hoogte van hoog, duurte van duur, flaauwte van flaauw enz. §. 125. Behalve deze, zijn er nog verscheidene andere zelfstandige naamwoorden, van werkwoorden afgeleid, welke, mede in te eindigende, vrouwelijk zijn, als: moeite, schaamte, sterfte, teelte (thans meest teelt), van moeijen, schamen, sterven, telen. En met weglating van e, dragt, klagt, slagt enz., van dragen, klagen, slagen, (nu slaan). In deze wijs van afleiding is ook de reden van het vrouwelijke geslacht te zoeken in de woorden, met be en ge beginnende, als: begeerte, behoefte, gelofte, van begeeren, behoeven, loven (beloven). §. 126. Ook heeft het vrouwelijke geslacht plaats in de woorden geboorte, gedaante, gedachte enz., van de lijdende deelwoorden geboren, gedaan, gedacht, afkomstig. §. 127. Wij zouden nog andere regels omtrent het vrouwelijke geslacht der zelfstandige naamwoorden, als uit derzelver uitgangen kenbaar, kunnen opgeven; doch deze zijn aan te veel uitzonderingen onderhevig, waarom wij liever tot andere beschouwingen overgaan. §. 128. 3.) Tot de algemeene regelen ten aanzien van de onzijdige zelfstandige naamwoorden behooren de volgende. Onzijdig zijn de eigennamen van landen, steden, dorpen en plaatsen, welke, wanneer zij alleen genoemd, en niet nader beschreven worden, in het Nederduitsche, zonder lidwoorden voorkomen, als: Engeland, Amsterdam; over Bleiswijk en Moerkapel naar Waddingsveen rijden; terwijl men, dezelfde woorden met een lidwoord bezigende, zegt: het kooprijke Amsterdam enz. Alle namen van landen en steden, daarentegen, welke in het Nederduitsch een lidwoord voorop hebben, schikken zich naar derzelver inwendigen aard, of bijzonderen uitgang, als: de Betuw, de Veluw, de Lemmer, het Gooi enz. §. 129. Onzijdig zijn zoodanige woorden, welke de onbepaalde wijs der werkwoorden, of het onzijdige geslacht der bijvoegelijke naamwoorden uitmaken, en als zelfstandige naamwoorden gebezigd worden, als: het eten, het zingen, het diep, het ruim enz.; tot welke laatste soort van woorden ook het woord mensch behoort, het welk, bij inkorting, van het bijvoegelijke naamwoord mennisch ontleend, en van het oude men, voor man, afkomstig is. Wanneer men echter van menschen in het algemeen spreekt, zegt men de mensch, in het mannelijke geslacht. §. 130. Die zelfstandige naamwoorden, welke eene algemeenheid van stof of erts aanduiden, zijn insgelijks onzijdig, als: het graan, hout, steen, diamant, koper enz. §. 131. Ook die woorden, welke van de onbepaalde wijs der werkwoorden, met wegwerping van en en voortzetting van ge, afkomen, en derzelver werking aanduiden, als: geraas, geroep, gesnap, getier, van razen, roepen, snappen, tierenenz. Zoo ook gerij, getij, gevrij, gevloek, geschrijf, gebaf, gebak, gebouw, gebraadenz., van rijen, tijen, vrijen, vloeken, schrijven, baffen, bakken, bouwen, braden enz.; van welke sommigen van zin veranderen, zoo dat zij van de werkende daad overgaan, om de bewerkte, of voortgebragte aan te duiden, als: het gebak, gebouw, gebraad enz., welke niet meer het bakken, bouwen, braden enz. beteekenen, maar dat geen, wat uit het bakken, brouwen, braden enz., voorkomt. Intusschen is het natuurlijk, dat het voorgevoegde ge weggelaten wordt in woorden, afgeleid van werkwoorden, welke reeds een der onscheidbare voorzetsels hebben, als: het beleg, ontwerp, verblijf enz., van beleggen, ontwerpen, verblijven enz. §. 132. Tot dezen regel behooren ook alle woorden, welke, met voorzetting van ge, van de voortdurende werkwoorden op el en er af komen, en niets anders, dan derzelver werking aanduiden, als: gebulder, gedaver, gedonder, gejammer, gebabbel, gehakkel, getokkel enz., van bulderen, daveren, donderen, jammeren, babbelen, hakkelen, tokkelen enz. §. 133. Uit het aangevoerde blijkt de reden van het
geslachtsverschil in de woorden rouw en roep, berouw en geroep, welke laatste onzijdig zijn, terwijl het gebruik de eerste mannelijk stelt. Immers, berouw en geroep zijn niet van rouw en roep, met voorvoeging van be en ge, maar, volgens den boven voorgedragen regel, van berouwen en roepen, afkomstig. §. 134. Hetzelfde geldt ook in opzigt tot het verschil van geslacht tusschen de woorden val en geval, waarvan het eerste mannelijk en het laatste onzijdig is, als afkomstig van het werkwoord vallen. Zoo zijn, daarentegen, afval, inval, uitvalenz., mannelijk, als van het mannelijke woord val en de voorzetsels af, in, uitzamen gesteld; terwijl toeval, verval, voorval, of met voorzetting van toe, ver, voor, uit geval, of, even als dit, uit vallen, van de werkwoorden toevallen, vervallen, voorvallen, gesproten, onzijdig zijn. §. 135. Even eens is het gelegen met de woorden aanslag, inslag, misslag, opslag, overslag, voorslag, alle van slag afkomstig, en, gelijk dit, mannelijk, terwijl beslag, ontslag, verslag onzijdig zijn, als, even gelijk geval van vallen, van de werkwoorden bestaan, ontslaan, verslaan, afkomstig. * . §. 136. Onzijdig zijn, wijders, de woorden, welke, met ge beginnende en in teeindigende, noch van een werkwoord, noch van een bijvoegelijk naamwoord, |
* Zie ook L. v. Bolhuis, bl. 72.
|
|
maar van een oorspronkelijk zelfstandig naamwoord afgeleid worden, als: het gebergte van berg, gebloemte van bloem, gestoelte van stoel, gevogelte van vogel, gebeente van been, gedierte van dier enz. §. 137. Tot het onzijdig geslacht behooren insgelijks de verkleinwoorden, welke je, tje, ken, kijn, of lijn hebben, als: schaapje, lammetje, jongsken, windekijn, maagdelijn enz., waarvan de uitgang je, of tje, thans meest in gebruik is. §. 138. Zoo ook de woorden, welke op sel eindigen, en, van werkwoorden afgeleid, eene voortgebragte zaak, of een werktuig aanduiden, als: het schepsel, baksel, deksel, treksel, bindsel enz. §. 139. Wijders de woorden, in schap uitgaande, en van zelfstandige naamwoorden afkomstig, wanneer zij eene bediening, of waardigheid beteekenen, als: het burgerschap, priesterschap, apostelschap enz.; welke alle echter vrouwelijk zijn, wanneer zij eene verzameling van personen tot een ligchaam te kennen geven * . De woorden graafschap, landschap hebben, schoon oulings vrouwelijk gebezigd zijnde, door het gebruik reeds het onzijdige geslacht verkregen. §. 140. Insgelijks de woorden, op dom uitgaande, wanneer zij een algemeen ligchaam, of gezelschap |
* Zie §. 119.
|
|
van personen aanduiden, als: hertogdom, christendom, pausdom, priesterdom enz. * . §. 141. Deze zijn de zekerste en algemeenste regelen ten aanzien van de onderscheidene geslachten der zelfstandige naamwoorden. Doch, eer wij tot de behandeling van andere onderwerpen overgaan, moeten wij nog eenige oogenblikken onze aandacht vestigen op sommige zegswijzen, waarin eene schijnbare verwaarloozing van het geslacht plaats heeft, daar het lidwoord de voor onzijdige naamwoorden, en voor de verbogene naamvallen van mannelijke naamwoorden komt, als: het volk kwam op de been, een leger in de wapen brengen, iemand onder de voet werpen, de visch koken. §. 142. In den eersten opslag schijnen deze gezegden met de taalregels te strijden, en zijn ook door sommigen als zoodanig berispt, meenende, dat men op de beenen komen, in het wapen brengen, onder den voet werpen, den visch koken, moet zeggen en schrijven; doch te onregt, daar in al deze spreekwijzen, welke blijkbaar eenen verzamelenden zin hebben, eene verkorting van het meervoud plaats vindt; zoo dat op de been, in de wapen, onder de voet, de visch, gezegd wordt, voor op de beenen, in de wapenen, onder de voeten, de visschen † .
|
* Van de mannelijke woorden, in dom
eindigende, is §. 113. gesproken.
† Zie L. v. Bolhuis, bl. 71, 72; A. Kluit,
voorrede voor de geslachtlijst, bl. 101. en verv., en de
aanteekeningen op het woord been
|
|
§. 143. Anders is het gelegen met de spreekwijs de beest spelen, waarin het lidwoord de het vrouwelijke geslacht van het woord beest aanduidt, welk geslacht oulings aan hetzelve doorgaans is toegekend geworden, schoon het, tegenwoordig, buiten de genoemde spreekwijs, altoos onzijdig gebezigd wordt. * . |
* Zie L. v. Bolhuis, bl. 72. en A. Kluit,
Voorrede voor de geslacht-lijst, bl. 106.
|