4. Over de naamvallen.
§. 144. Dewijl door de naamvallen (casus) eigenlijk de toevallige veranderingen aangeduid worden, waarvoor de naamwoorden, in hunne bijzondere betrekkingen, vatbaar zijn, zoo is het duidelijk, dat eene taal slechts zoo vele naamvallen kan hebben, als derzelver naamwoorden verandering ondergaan kunnen. §. 145. Gemeenlijk echter stelt men, ook bij ons, in navolging van de Latijnen, zes naamvallen; even als of onze naamwoorden zesderlei veranderingen, of verbuigingen hadden, daar zij intusschen, behalve de verandering van het enkelvoudige in het meervoudige getal, slechts eene verbuiging ondergaan, door het ontvangen van s, of en, in den tweeden naamval, als: mans, heeren enz. §. 146. Schoon de zelfstandige naamwoorden op zich zelven dus slechts eene geringe verandering ondergaan, kunnen zij echter in meer betrekkingen en omstandigheden geplaatst worden, en zijn derhalve voor meer naamvallen vatbaar, welke door de lidwoorden de, het, een, eene, aangeduid worden; terwijl de voorzetsels van, aan, door, tot, met, in, uit, naar enz., tevens de betrekkingen aanwijzen, waarin de zelfstandige naamwoorden voorkomen. §. 147. Daar de naamvallen voornamelijk door de lidwoorden aangeduid worden, is het niet moeijelijk, het getal der Nederduitsche naamvallen te bepalen * . De en een hebben alleenlijk deze verbuiging: Des, eenes, Der, eener, Des, eenes, Den, eenen, De, der, eene, eener, Den, het, enen, een, Den, eenen, e, eene, Het een (De, in het meerv., der en den.) En deze lidwoorden, in de zamenstelling eener |
* Ten naauwste genomen, zegt L. ten Kate, D. I.
bl. 327, zou men kunnen zeggen, dat onze voorouders niet meer, dan vier
naamvallen onderscheidenlijk gebruikt hebben; want de nominativus en
vocativus, gelijk ook de dativus en ablativus, waren bij
hen dezelfde. Zie verder de Inleiding voor mijn Nederduitsch taalkundig
woordenboek, bl. 85 en verv.
|
|
rede, voor zelfstandige naamwoorden gevoegd, wijzen derzelver naamvallen aan, schoon ook de naamwoorden zelve geene verbuiging ondergaan. §. 148. Wij hebben derhalve, eigenlijk, niet meer, dan vier naamvallen, namelijk den nominativus, genitivus, dativus en accusativus, of, gelijk wij de naamvallen liefst noemen willen, den eersten, tweeden, derden en vierden naamval; naardien de vocativus, in alle opzigten, aan den eersten naamval gelijk is, kunnende de persoon, of zaak, welke als werkende, lijdende, wordende en zijnde aangemerkt wordt, ook als aangesproken voorkomen; terwijl die naamval, welke bij de Latijnen de ablativus is, bij ons altoos door een voorzetsel aangeduid wordt. §. 149. De eerste naamval wordt de regte genoemd, omdat dezelve het naamwoord in zijne eerste en regte beteekenis voorstelt, zonder door verandering van letteren of lidwoorden verbogen te zijn. De drie overige naamvallen worden van dezen regten, als het grond- en wortelwoord, door verandering van letteren en lidwoorden, gevormd en afgeleid, en dragen daarom, in tegenstelling, den naam van onregte, of verbogene naamvallen. §. 150. De eerste naamval heeft dan plaats, wanneer een
persoon, of eene zaak, als werkende, lijdende, wordende, zijnde, of
aangesproken voorkomt. Hij drukt den persoon, of de zaak, onmiddelbaar en
alleen voor zich zelven uit, zonder eenige verbindtenis met, of betrekking op iets anders aan te duiden, bij voorbeeld: het kind leert, de klok slaat, de hond wordt geslagen, de deugd bezit enz.; de waarheid is kenbaar, man! o heldenmoed! enz. Ook in het meervoud: de kinderen lezen, de klokken slaan enz. §. 151. De tweede naamval is die, welke de betrekkingen der zelfstandige naamwoorden op elkander aanwijst, en de zelfstandige naamwoorden zamen voegt. Zoo menigvuldig nu de gesteldheden der dingen en derzelver betrekkingen op elkander zijn, zoo menigvuldig zijn ook de gevallen, waarin een zelfstandig naamwoord den tweedennaamval moet aannemen. §. 152. Ingevolge hiervan, komt de tweede naamval voor,
1. als werkende oorzaak: Gods geboden, Davids psalmen, het werk mijner
handen enz.; 2. als het eigendom en de bezitting: de heer des huizes, de
bezitter eens grooten vermogens enz.; 3. als de tijd en plaats van het
aanwezen eens dings: de zeden onzer eeuw, de aangenaamheid dezer
landhoeve enz.; 4. als het geheel, waarvan deelen genomen zijn: een glas
wijns, eene menigte volks, weinig zoets enz., 5. als maat en tijd
aanduidende: een duim gronds, twee uren gaans enz.; 6. in plaats van de
voorzetselen uit, of onder: niemand onzer, de beste der menschen
enz.; 7. voor sommige bijvoegelijke naamwoorden: des doods schuldig, der
moeite waardig enz. Eindelijk bij eenige werkwoorden, als: zich eener zaak schamen, voornemens zijn enz. §. 153. In plaats van den tweeden naamval, bedient men zich dikwerf van het voorzetsel van, en zegt: eene teekening van Rubbens, een lierzang van Klopstock, de keizerin van Rusland, de psalmen van David enz., terwijl een lierzang Klopstocks, de keizerin Ruslands enz.; in den gewonen schrijfstijl, buiten gebruik, doch in poezij, misschien, te dulden is. In den verheven stijl, zegt men Davids psalmen enz. §. 154. In sommige gevallen wordt het voorzetsel van altijd gebruikt, bij voorbeeld, 1. wanneer geslacht, afkomst en Vaderland aangewezen worden: een mensch van geringe afkomst, een Amsterdammer van geboorte enz.; 2. wanneer de stof genoemd wordt, waaruit iets gemaakt is: eene doos van zilver, een ring van goud enz.; 3. wanneer ouderdom, grootte, gewigt en waarde bepaald worden: een kind van twee jaren, een ton van twintig emmeren, een man van groote verdiensten enz. §. 155. De mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden ontvangen en, ofs, als: mensch, des menschen, heer, des heeren, graaf, des graven, hart des harten enz.; man, des mans, kind, des kinds, zoon, des zoons, broeder, des broeders, vader, des vaders, Hendrik, Hendriks, Jakob, Jakobs; terwijl van het woord huis, des huizes, van geest, des geestes komt. §. 156. De s schijnt, over het algemeen, oorspronkelijk,
het hoofdteeken des tweeden naamvals geweest te zijn, zoo wel in vrouwelijke als mannelijke en onzijdige naamwoorden, waarvan ook duidelijke sporen in oude aanverwante talen te vinden zijn. Van hier, dat wij nog zeggen en schrijven Charlottes, Marias beeldtenis, Moeders zuster, zusters dochter, dochters kind; en in zamenstelling stadspoort, zonsondergang enz. §. 157. Het taalgebruik veroorlooft ook, achter vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, in den tweeden naamval, de zachte e te voegen, als: de schoonheid dier vrouwe, de grond dezer stellinge; en zoo in vele andere woorden, wanneer namelijk die achtervoeging strekken kan, om de vloeibaarheid en welluidendheid te bevorderen, terwijl dit echter altoos met zekere spaarzaamheid, en niet dan in den deftigen stijl, behoort te geschieden. §. 158. Om den aard en de noodzakelijkheid des tweeden
naamvals nader te doen blijken, dient het volgende. Hadden wij dezen naamval
niet, dan zouden wij, om het gebrek daarvan te vergoeden, eene onaangename
omschrijving moeten te hulp roepen; bij voorbeeld: de zoon, dien de
veldoverste geteeld heeft, gaf den burgeren, welke in de stad wonen, bewijzen,
dat hij welgevallen aan hen had. Om deze langwijligheid te vermijden,
verkiest de taal eenen veel korteren weg, door middel van den tweeden
naamval, en zegt, in plaats van de zoon, dien de veldoverste geteeld heeft:
de zoon des veldoversten; in plaats van den burgeren, welke in de stad wonen: den burgeren der stad; in plaats van bewijzen, dat hij welgevallen aan hen had: bewijzen zijns welgevallens. En dus krijgen wij de volgende korte en volledige bewoording: de zoon des veldoversten gaf den burgeren der stad bewijzen zijns welgevallens. §. 159. De handelingen eens redelijken wezens hebben niet alleen een voorwerp, waartoe zij overgaan, maar ook een einde, waartoe zij geschieden. Zoo zegt men, bij voorbeeld, ik snijd mij vleesch; terwijl ik het handelende wezen, snijd de handeling, vleesch het voorwerp, en mij het doel der handeling is. En dit doel der handeling is de derde naamval. §. 160. Deze naamval wordt derhalve vereischt, wanneer aan eenen persoon, of eene zaak, iets gegeven, aangeboden, toegeschikt, of ontnomen wordt; of wanneer ten gevalle, ten voordeele, of nadeele van dezelven iets geschiedt; of wanneer iets gezegd wordt, aan dezelven gelijk of ongelijk te zijn, als: geef hem zijn geld, ontneem hem zijn mes, deze is hem gelijk, iemand iets beloven, iemand iets misgunnen, - deze spijs is zwakken menschen schadelijk enz. In plaats van dezen derden naamval wordt dikwerf het voorzetsel aan of voor gebezigd: aan iemand iets beloven, misgunnen enz.; deze spijs is voor zwakke menschen schadelijk enz. §. 161. De derde naamval ontvangt wel eens, in alle
geslachten, doch mede niet dan in den deftigen stijl, de zachte e achter aan, als: Gode, den manne, zijner zorge toevertrouwd; terwijl de onzijdige woorden, even als de mannelijke, den, of eenen, voorop nemen, als: den volgenden geslachte enz. §. 162. Sommige handelingen gaan niet tot iets anders over, maar zijn veeleer eene beweging in zich zelve, als: ik ga, ik kom enz. Andere handelingen kunnen niet zonder een voorwerp gedacht worden, waartoe zij zich bepalen. En dit voorwerp eener handeling is juist dat geen, wat wij den vierden naamval noemen. Wanneer men, bij voorbeeld, zegt: de vreugd overwint de droefheid, en omgekeerd: de droefheid overwint de vreugd, dan staat droefheid eerst, als het voorwerp der handeling, in den vierden, en vervolgens, als de handelende persoon of zaak, in den eerstennaamval; schoon in beide gevallen de woorden vreugd en droefheid onveranderd blijven. §. 163. Doch, om den aard des vierden naamvals nog duidelijker te leeren kennen, moeten wij ons denzelven in vergelijking met den derden naamval voorstellen. Wanneer men zegt: de man snijdt zich; dan is zich het voorwerp der handeling, of de vierde naamval. Wanneer men daarentegen zegt: de man snijdt zich brood; dan is brood het voorwerp der handeling, of de vierde, en zich het doel der handeling, of de derde naamval. §. 164. De vierde naamval wordt ook door de voorzetsels
beheerscht, als: aan huis, in de stad komen, aan den wand kleven, naar den
tuin gaan, in de kamer wandelen, op eenen boom zitten, de hand over iets uitstrekken, over de tafel liggen, langs het strand rijden, tegen den muur gooijen, van iemand afhangen, iets met aandoening gewaarworden enz. Zie verder bij de voorzetsels. |