C. OVER DE BIJVOEGELIJKE NAAMWOORDEN.

I. Derzelver aard.

 

§. 170. Bijvoegelijke naamwoorden zijn zulke woorden, welke de eigenschap, of hoedanigheid der personen of zaken aanduiden, die door het zelfstandige naamwoord beteekend worden; zij zijn of oorspronkelijk, als: groot, klein, breed, smal, hoog, laag, rond, wit, zwart, ligt, zwaar, schoon, goed, kwaad enz; of afgeleide en zamen gestelde, als: eerlijk, weldadig, goedhartig enz.



[p. 83]

§. 171. De van werkwoorden afgeleide deelwoorden, zoo bedrijvende als lijdende, behooren mede tot de bijvoegelijke naamwoorden, en worden op dezelfde wijs als die gebezigd, bij voorbeeld: loopend, loopende, zingend, zingende enz., bemind, geleerd, geliefd enz.; een loopend paard, het spelende kind, de zingende vogel, een beminnend en bemind man, eens beminnenden en beminden mans - eene beminnende en beminde vrouw, eener beminnende en beminde vrouw - een beminnend en bemind kind, eens beminnenden en beminden kinds enz. Zoo ook in zamenstelling menschlievend enz.

§. 172. Zij dragen den naam van bijvoegelijke naamwoorden, omdat zij bij de naamwoorden gevoegd worden, en tot dezelve behooren. Wanneer men, bij voorbeeld, zegt: de dappere krijgsman, dan is dapper een bijvoegelijk naamwoord, als de hoedanigheid des krijgsmans aanduidende.

§. 173. De afgeleide, of zamen gestelde, bijvoegelijke naamwoorden hebben verschillende uitgangen. De voornaamste zijn: baar, ig, lijk, loos, zaam, achtig, haftig.

§. 174. De uitgang baar, afkomstig van het werkwoord baren, beren, dat is dragen, voortbrengen, is zeer gemeen in bijvoegelijke naamwoorden. Bij zelfstandige naamwoorden gevoegd, heeft dezelve eenen werkenden zin, als: vruchtbaar, wonderbaar, blijkbaar enz. Doch achter het zakelijke deel eens werkwoords komende, heeft dezelve eenen lijdenden

[p. 84]

zin, en beteekent zoo veel als dat kan worden, gelijk blijkt uit eetbaar, leverbaar, leesbaar, kenbaar enz.

§. 175. De uitgang ig, welke mede dikwerf in bijvoegelijke naamwoorden voorkomt, geeft den aard van, of eene geneigdheid tot iets te kennen, als blijkt in levendig, haastig, willig enz., onderscheiden van de deelwoorden levende, haastende, willende enz., welke de dadelijke werking aanduiden. Even blijkbaar is de opgegevene kracht van den uitgang ig, in hoofdig, handig, lijvig, moedig enz.

§. 176. De uitgang lijk, afkomstig van lijken, gelijken, duidt, bij zelfstandige of bijvoegelijke naamwoorden geplaatst, het wezen, of den aard der zake aan, als: goddelijk, vorstelijk, eerlijk, ziekelijk, armelijk, goelijk enz. Bij het zakelijke deel van werkwoorden gevoegd, drukt het de daad eens werkwoords uit, als: behagelijk, bedriegelijk enz.; of de mogelijkheid van dezelve, als: sterfelijk enz. Andere bijvoegelijke naamwoorden, in lijk uitgaande, hebben nog andere beteekenissen.

§. 177. De uitgang loos, ontleend van den onvolmaaktverleden tijd, loor, loos, verloor, verloos, van het oude lieren, liezen, nu verliezen, geeft eene berooving of ontbering te kennen, en komt of achter zelfstandige naamwoorden, als: geldeloos, moedeloos, zorgeloos, kinderloos, hulpeloos, vruchteloos enz., of achter het zakelijke deel eens werkwoords, als: reddeloos, storeloos enz.



[p. 85]

§. 178. De uitgang zaam, achter een zelfstandig naamwoord gevoegd, heeft de beteekenis van gelijkheid, ook van geneigdheid tot iets, als: achtzaam, deugdzaam, grouwzaam (van het oude grouw, voor grouwel) enz.; achter het zakelijke deel eens werkwoords geplaatst, duidt deze uitgang de geschiktheid, of het vermogen van iets te doen aan, als: leerzaam, groeizaam, verdraagzaam enz.

§. 179. De uitgang achtig drukt eenige gelijkheid, of overeenkomst uit, en dient, om aan te duiden, dat de zaak als zoodanig geacht, of daarvoor moet gehouden worden, als: aardachtig, witachtig, zwartachtig enz., welke den klemtoon op het naamwoord, of de eerste lettergreep, ontvangen. Deelachtig, waarachtig, woonachtig, daarentegen, zijn voor deelhaftig, waarhaftig, woonhaftig, beteekenen, eigenlijk, deel hebbende, het ware hebbende, woon hebbende, en ontvangen den klemtoon op den uitgang.

§. 180. De uitgang haftig duidt aan, dat iets waarlijk de eigenschap eener zaak heeft; van het oude haven, nu hebben, nog overig in handhaven. De daardoor gevormde bijvoegelijke naamwoorden zijn bij ons: ernsthaftig, heldhaftig, krijgshaftig, manhaftig, naamhaftig enz.; in alle welke woorden de nadruk der uitspraak op den uitgang valt, even als in die, welke achtig, voor haftig, hebben.

§. 181. Nog dient hier iets van den uitgang sch, bij verkorting voor isch, gezegd te worden, als

[p. 86]

zijnde een zeer gemeenzame uitgang van bijvoegelijke naamwoorden, het zij van andere bijvoegelijke, het zij van zelfstandige naamwoorden afkomstig, als: grootsch van groot, regtsch van regt, trotsch van trots, aardsch van aarde, daagsch van dag, Rotterdamsch van Rotterdam, en vele anderen. De dagelijksche uitspraak laat hier wel, veelal, de enkele s hooren, waarom men, hiermede overeenkomstig, ook wel aardse, Rotterdamse schreef, doch deze schikking naar de spreektaal is, in den schrijfstijl, voorlang reeds afgekeurd, en men schrijft aardsch enz.  *  .

§. 182. Ook worden bijvoegelijke naamwoorden, door middel van den uitgang de en ste, van de hoofdgetallen afgeleid, als: de eerste, tweede, derde, tiende, twintigste, honderdste, duizendste enz. Zoo ook worden, door middel van lei en hande, van de bepaalde en onbepaalde telwoorden afgeleid eenerlei, tweederlei, tienderlei, honderderlei, zesderhande, tienderhande, allerlei, menigerlei, velerhande enz.; insgelijks de met voudig zamen gestelde eenvoudig, viervoudig, veelvoudig, meervoudigenz.

§. 183. Eindelijk behoort tot de beschouwing van den aard der bijvoegelijke naamwoorden, dat zij somwijlen de plaats van zelfstandige bekleeden, als: de wijze, de geleerde, de schoone (eene vrouw), het schoone, het goede, het kwade, of een goed,

 *  Zie Verhandeling over de Nederd. spelling, door den Hoogleeraar M. Siegenbeek, bl. 229.


[p. 87]

een kwaad enz. Zoo zegt men ook: het beminnelijke dezer deugd - het aandoenlijkste dier gebeurtenis enz.