2. Het geslacht, getal, en de verbuiging van de bijvoegelijke naamwoorden.
§. 184. De bijvoegelijke naamwoorden zijn mannelijk, vrouwelijk en onzijdig, hebben een meervoudig getal, en worden in de gewone naamvallen verbogen, zich in dit alles schikkende naar de zelfstandige naamwoorden, tot welke zij behooren, of die er onder verstaan worden; welk alles uit de voorbeelden van verbuiging genoegzaam zal blijken. §. 185. Intusschen is het van belang te weten, welke regels men in de plaatsing van eachter bijvoegelijke naamwoorden, met zelfstandige vereenigd, te volgen hebbe; zij zijn hoofdzakelijk deze: 1. bij die van het vrouwelijke geslacht, het zij er een lid- of voornaamwoord vooraf ga, of niet: eene groote tafel, die dankbare dochter, o lieve Moeder! enz. 2. bij die van het mannelijke geslacht vindt de e mede plaats in den eersten naamval, als: groote dienst; ook wanneer ons bepalend lidwoord de, of de voornaamwoorden die, mijn vooraf gaan, als: de wijze man, die sterke jongen enz. * ; 3. insgelijks bij de onzijdige bijvoegelijke naamwoorden, wanneer ons het, |
* En derhalve ook, wanneer iemand aangesproken
wordt: wat begeert gij, brave Man? Groote Jongen! speelt gij nog? Of aan
het hoofd van eenen brief: waarde Broeder! Zeer geachte vriend! niet
waard Broeder! enz.
|
|
dit, of dat, tot voorlooper dient, als: het en dit lieve kind, dit of dat sterke paard. Sommigen brengen hiertoe ook de bezittelijke voornaamwoorden mijn, ons, zijn, hunenz., en willen, dus, dat men, bij voorbeeld: mijn lieve kind schrijve; doch verkeerdelijk, dewijl men nimmer zal zeggen zijn wreede geweld, mijn scherpe zwaard enz., maar wel zijn wreed geweld enz. §. 186. Het spreekt van zelf, dat deze regels alleenlijk in zoo verre gelden, als de vloeibaarheid en welluidendheid zich daartegen niet verzetten. Immers, men zegt en schrijft, overeenkomstig hiermede, eene hoogere verordening, maar integendeel, zonder e, eene verhevener verordening, omdat verhevenere moeijelijk uit te spreken is en een wangeluid veroorzaakt. Zoo zegt men ook, onverschillig, de nagelaten en nagelatene gedichten, het onbezonnen en onbezonnene gedrag, waarvan, in het laatste voorbeeld, het eerste het verkieslijkste is. §. 187. De onzijdige bijvoegelijke naamwoorden verwerpen, daarentegen, de e, wanneer zij zonder lid- of voornaamwoord voorkomen, of het niet bepalende lidwoord een voorop hebben; bij voorbeeld: wit zand, een hoog huis. Hetzelfde heeft plaats, wanneer eenig, zeker, menig, sommig, of ook mijn, zijn, hun, ons, haar, vooraf gaan, als: eenig wenschelijk ding, zeker zoet kind, mijn, ons groot huis enz. §. 188. Wanneer onze mannelijke bijvoegelijke naamwoorden
achter het lidwoord een, of ook achter eenig, zeker, menig, of sommig, komen, behouden of verwerpen zij de e; naar eisch van het zelfstandige naamwoord, waartoe zij behooren. Ter nadere verklaring van dezen regel, dient het volgende: zoodanige persoonlijke naamwoorden van het mannelijke geslacht, welke eenen ambtenaar, bedrijver, bestierder, of dienaar aanduiden, op er, aar, ier, of ling uitgaan, als: arbeider, leeraar, hovenier, hoveling, als mede onze woorden koning, vorst, admiraal, prins, overste, heer, meester, knecht, onderdaan, vriend, vijand, huisvader, gelijk ook man en mensch, alle deze vereischen, dat hunne bijvoegelijke naamwoorden, wanneer zij op hunne werking, en niet op den persoon zien, zonder e, met hun lidwoord, onverbuigelijk, even als bijwoorden, komen. Zoo zegt men, bij voorbeeld: een groot krijgsman, voor iemand, die als krijgsman groot is; een goed koning, voor iemand, die als koning wel regeert; een sterk looper, voor iemand, die sterk loopt. Zoo ook: niet een eenig vlug schrijver, zeker kundig schilder enz. Het tegendeel hiervan heeft plaats, wanneer het bijvoegelijke naamwoord niet op de werking maar op zekere hoedanigheid, of eigenschap des persoons zijn opzigt heeft, als: een groot krijgsman, dat is een krijgsman, die groot van gestalte is; zekere sterke looper, dat is zekere looper, die sterk van ligchaam is; in welk geval het bijvoegelijke naamwoord met zijn lidwoord in alle naamvallen verbogen wordt, bij voorbeeld: ik zag eenen grooten krijgsman vooruit treden; hij is de onderdaan van eenen goeden koning enz. † §. 189. Sommige bijvoegelijke naamwoorden worden niet verbogen, maar blijven, in alle naamvallen, onveranderd. Daartoe behooren, 1. allerlei, velerlei, allerhande, velerhande; bij voorbeeld: geschriften van allerlei aard; velerlei soorten van appelen; allerhande menschen enz.; 2. zulke, welke de stof der dingen aanduiden, en daarom stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden genoemd worden, als: gouden, zilveren, tinnen, koperen, ijzeren, houten marmeren enz.; bij voorbeeld: een zilveren lepel, zilveren lepels; eene marmeren tafel, marmeren tafels; een zijden, wollen kleed, zijden, wollen kleeden enz.; 3. die, welke van een land, of eene stad, ontleend zijn, en op eruitgaan, als: Straatsburger snuif, Hamburger rib, Amsterdammer schippers enz. §. 190. Wanneer telwoorden, tot bijvoegelijke naamwoorden gevormd, ter vermeerdering van het getal, met andere telwoorden verbonden worden, wordt het laatste alleen verbogen, terwijl de overige onveranderd blijven, als: de een en dertigste - de drie honderd zes en veertigste - de zeven duizend acht honderd negen en zestigste - den honderd drie en veertigsten psalm, enz.
|
† Zie ook L. ten Kate, D. I., bl. 368 en
verv.
|
|
§. 191. De bijvoegelijke naamwoorden, achter hunne zelfstandige naamwoorden geplaatst, of, door het werkwoord zijn, of worden, van dezelve afgescheiden zijnde, lijden geene verbuiging, en worden als bijwoorden gebezigd; zoo zegt men, bij voorbeeld: die man, die vrouw is schoon - die mannen, die vrouwen zijn schoon, niet schoone; Pieter wordt groot, niet groote. Zoo ook, wanneer het werkwoordzijn verzwegen wordt: menschen, afgerigt op schelmstukken, niet afgerigte, naardien afgerigt voor een bijwoord komt, en zijnde daaronder verstaan wordt. Het is intusschen kennelijk genoeg, wanneer de bijvoegelijke naamwoorden als ware bijwoorden voorkomen, indien zij namelijk tot het werkwoord, en niet zoo zeer tot den persoon, of de zaak, of tot het zelfstandige naamwoord, in betrekking staan, bij voorbeeld: deze paarden zijn sterk; hier behoort sterk eigenlijk tot paarden, en is dus een onverbogen, of als bijwoord gebezigd, bijvoegelijk naamwoord; maar: deze paarden loopen sterk; hier behoort sterk tot loopen, en beteekent zoo veel als op eene sterke wijs; waarom het hier ook een waar bijwoord is. Zie verder bij de bijwoorden * . |
* Zie ook L. ten Kate, D. I., bl. 348 en
379.
|