3. Trappen van vergelijking.

 

§. 192. De bijvoegelijke naamwoorden hebben twee trappen van vergelijking, den vergrootenden

[p. 92]

en overtreffenden trap, wordende de eerste door bijvoeging van er, de laatste door bijvoeging van est, zamen getrokken st, gevormd, als: hoog, hooger hoogst, oulings hoogest, enz.

§. 193. Ook hebben de deelwoorden, even als alle andere bijvoegelijke naamwoorden, hunne trappen van vergrooting, in zoo verre, namelijk, als hunne beteekenis en het gebruik die veroorloven. Zoo zegt en schrijft men, bij voorbeeld: een sprekender, en het sprekendste bewijs - een dringender en de dringendste nood - drukkender en de drukkendste zorgen enz. Beminnen, haten enz. lijden deze vergrooting bij hunne bedrijvende deelwoorden niet. Bemind, gehaat, daarentegen, hebben beminder, gehater, bemindste, gehaatste.

§. 194, De vergrootende trap bepaalt de grootheid der hoedanigheid, welke een bijvoegelijk naamwoord aan iets toekent. Men vergelijkt eene zaak met eene andere, schrijft aan dezelve eene hoedanigheid boven de andere toe, en zegt, bij voorbeeld: de roos is schooner, dan vele andere bloemen. Wie was welsprekender, dan Cicero?

§. 195. De overtreffende trap verheft de hoedanigheid eener zaak boven al de overige van hare soort, of van eene zekere soort: de grootste stad, het sterkste paard.

§. 196. Men heeft wel eens beweerd, dat de vergrootende trap der bijvoegelijke naamwoorden, door al de geslachten, in het enkel- en meervoudige getal,

[p. 93]

onverbogen moet blijven; doch de aard der bijvoegelijke naamwoorden pleit ten sterkste voor de verbuiging zoo wel van den vergrootenden als van den overtreffenden trap, welke altoos behoort plaats te hebben, wanneer de welluidendheid dezelve niet verbiedt. Men zegge derhalve: ik klom eerst op eenen hoogen, daarna op eenen hoogeren, en eindelijk op den hoogsten berg; maar niet: ik heb nooit eenen ondragelijkeren, of hatelijkeren man gezien; het welk men liefst bij verkorting uitdrukt: ik heb nooit een' ondragelijker', of hatelijker' man gezien.

§. 197. In sommige gevallen wordt de vergrootende en overtreffende trap niet door verandering van de uitgangen, maar door middel van de woorden meer en meestgevormd, als: meer doordrongen, meest doordrongen, meer gedachtig, meest gedachtig, meer waar, meest waar.

§. 198. Voor den overtreffenden trap wordt dikwerf nog de tweede naamval allergevoegd, als: allergrootst, allerschoonst, allerslechts enz.; en dit geschiedt, om de hoedanigheid, welke door het bijvoegelijke naamwoord aangeduid wordt, tot den hoogsten trap van grootheid te verheffen, dewijl, bij voorbeeld, van tien geleerden wel vier de geleerdste van de overigen kunnen wezen; maar altoos slechts een de allergeleerdste, dat is de geleerdste onder allen, is.

§. 199. Bij zamen gestelde bijvoegelijke naamwoorden, geschiedt de vergrooting alleen aan het laatste,

[p. 94]

en niet aan het eerste woord, als: volkomen, volkomener, volkomenst, welluidend, welluidender, welluidendst, goedhartig, goedhartiger, goedhartigst, enz. niet volderkomen, beterluidend.

§. 200. Dezelfde regelmaat pleit voor goedkooper, goedkoopst, als de vergrootende en overtreffende trap van goedkoop, schoon velen daarvoor beterkoop en bestkoop hebben willen invoeren. Immers, goed is in de zamenstelling onverbuigelijk, en men zegt in het meervoud niet goedekoop waren, maar goedkoope waren; waaruit blijkt, dat koop en niet goed verbogen wordt; derhalve ook goedkooper, goedkoopst.

§. 201. Sommige bijvoegelijke naamwoorden lijden, uit hoofde van hunne beteekenis, geene vergrooting, als: de eerste, de tweede, de andere, schriftelijk, mondelijk, vierkant, zesjarig, achthoekig enz.; ook die, welke geene verbuiging in het geheel hebben, als: allerlei, velerhande, gouden, zilveren enz.; en eindelijk zulke zamen gestelde bijvoegelijke naamwoorden, welker eerste gedeelte reeds zoo naauwkeurig bepaald is, dat geene vergrooting daarbij meer gedacht kan worden, als: beendroog, koolzwart, sneeuwwit, ijskoud, bloedlaauw, ijzersterk enz.; want hoe zou men sneeuwwitter, ijskouder, ijzersterkst enz. kunnen zeggen, daar men zich onder de beeldelijke uitdrukking sneeuw, ijs en ijzer, reeds eenigzins, den hoogsten trap van witheid, koude en sterkte voorstelt?

§. 202. Eenige bijvoegelijke naamwoorden hebben

[p. 95]

eene onregelmatige vergrooting, als: goed, beter, best, veel, meer, meest, weinig, minder, minst. En deze onregelmatige vergrooting ontstaat daaruit, dat het eene of andere gedeelte dier woorden in onbruik geraakt is. Zoo is van goed, goeder, goedest, of goedst, van veel, veelder, veelst, alleen de stellende - van bet, beter, betest, of best, zoo ook van min, minder, mindest, of minst, van mee, meer, meest, alleen de vergelijkende en overtreffende trap overig, terwijl weiniger, weinigst nog in gebruik is. Bij andere bijvoegelijke naamwoorden is slechts de overtreffende trap gebruikelijk, als: uiterst, achterst, benedenst, bovenst, onderst: aan de uiterste grenzen, in de achterste kamer enz.

§. 203. Schoon de beteekenis van vele bijvoegelijke naamwoorden door derzelver vergrooting schijnt verminderd te worden, als: klein, kleiner, kleinst, jong, jonger, jongst enz., zoo ontstaat zulks uit de beteekenis zelve, en niet uit de verbuiging, welke eene ware vergrooting blijft; want kleiner vergroot het denkbeeld van klein enz. Moet de beteekenis merkelijk verminderd worden, dan bedient men zich van eene omschrijving, met het bijwoord minder, als: Cajus is minder geleerd, dan Titius.