[p. 96]

4. Voorbeelden van verbuiging van zelfstandige naamwoorden met hunne lidwoorden en bijvoegelijke naamwoorden.

 

§. 204. Met een lidwoord.

 

Enkelvoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. De leeuw, De daad, Het veld,
2. Des leeuws, Der daad, Des velds,
3. Den leeuw, De, der daad, Den velde, het veld,
4. Den leeuw. 4. De daad. 4. Het veld.
 
Meervoudig
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. De leeuwen, De daden, De velden,
2. Der leeuwen, Der daden, Der velden,
3. Den leeuwen, De, der daden. Den velden,
4. De leeuwen. De daden. De velden.

 

§. 205. Met een lidwoord en een bijvoegelijk naamwoord.

 

Enkelvoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. De schoone inktkoker, De breede deur, Het dikke boek,
2. Des schoonen inktkokers, Der breede deur, Des dikken boeks,
3. Den schoonen inktkoker, De, der breede deur, Den dikken boeke, het dikke boek,
4. Den schoonen inktkoker. De breede deur. Het dikke boek.

 



[p. 97]

Meervoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. De schoone inktkokers, De breede deuren, De dikke boeken,
2. Der schoone inktkokers, Der breede deuren, Der dikke boeken,
3. Den schoonen inktkokers, De, der breede deuren, Den dikken boeken,
4. De schoone inktkokers, De breede deuren, De dikke boeken,
 
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. Een hooge berg, Eene klare waarheid, Een helder licht, ,
2. Eens hoogen bergs; Eener klare waarheid, Eens helderen lichts,
3. Eenen hoogen berg, Eener, eene klare waarheid, Eenen helderen lichte, een helder licht
4. Eenen hoogen berg, Eene klare waarheid, Een helder licht,

 

§. 206. Met een onveranderlijk bijvoegelijk naamwoord en het niet bepalende lidwoord.

 

Enkelvoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. Een koperen ketel, Eene zijden kous, Een houten deksel,
2. Eens koperen ketels, Eener zijden kous, Eens houten deksels,

 



[p. 98]

3. Eenen koperen ketel, Eener, eene zijden kous, Eenen, een houten deksel,
4. Eenen koperen ketel. Eene zijden kous. Een houten deksel.
 
Meervoudig met de.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. De koperen ketels, De zijden kousen, De houten deksels,
2. Der koperen ketels, De, der zijden kousen, Der houten deksels,
3. Den koperen ketels, Der zijden kousen, Den houten deksels,
4. De koperen ketels. De zijden kousen. De houten deksels.

 

§. 207. Met twee of meer bijvoegelijke naamwoorden voor een zelfstandig naamwoord.

 

Enkelvoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. De oude, goede man, De zieke, zwakke vrouw, Het lieve, gehoorzame kind,
2. Des ouden, goeden mans, Der zieke, zwakke vrouw, des lieven, gehoorzamen kinds,
3. Den ouden, goeden man, De, der zieke, zwakke vrouw, Den lieven, gehoorzamen kinde, het lieve, gehoorzame kind,
4. Den ouden, goeden man. De zieke, zwakke vrouw. Het lieve, gehoorzame kind.

 



[p. 99]

Meervoud.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. De oude, goede mannen, De zieke, zwakke vrouwen, De lieve, gehoorzame kinderen,
2. Der oude, goede mannen, Der zieke, zwakke vrouwen, Der lieve, gehoorzame kinderen,
3. Den ouden, goeden mannen, De, der zieke, zwakke,vrouwen, Den lieven, gehoorzamen kinderen,
4. De oude, goede mannen. De zieke, zwakke vrouwen. De lieve, gehoorzame kinderen.

 

§. 208. Wij hebben boven (§. 183) gezegd, dat de bijvoegelijke naamwoorden somwijlen de plaats der zelfstandige naamwoorden bekleeden. Thans voegen wij hier bij, dat zij, in dat geval, even als de zelfstandige naamwoorden, verbogen worden. Het gebruik heeft hieromtrent, ten aanzien van het meervoud van alle bijvoegelijke naamwoorden en voornaamwoorden, welke op geen voorafgaand zelfstandig naamwoord betrekking hebben, volkomen beslist, en men zegt, genoegzaam zonder uitzondering, de vromen, de geleerden, de armen, de rijken, de zieken, de gezonden, de dooden, de levenden, de magtigen dezer aarde, de schoonen (schoone vrouwen) enz.; als mede sommigen, anderen enz.; doch in opzigt tot het mannelijke geslacht

[p. 100]

in het enkelvoud, wil het gebruik geheel anders, in geval namelijk, een mannelijke persoon onder het bijvoegelijke naamwoord verstaan wordt, bij voorbeeld: de vrome (namelijk man), des vromen (mans), den vromen (man) enz.; - de groote en magtige dezer aarde, des grooten en magtigen dezer aarde, den grooten en magtigen dezer aarde enz. Zoo ook: de Almagtige (namelijk God), des Almagtigen, den Almagtigen enz. Wijders: hij sprak vrijmoedig, zoo wel met den vorst, als met den geringsten van deszelfs onderdanen, dat is, zoo wel met den vorst, als met deszelfs geringsten onderdaan. Ik heb het van Pieter en Willem gehoord, maar ik geloof zoo min den eenen als den anderen  *  .

§. 209. Wanneer bijvoegelijke naamwoorden en voornaamwoorden op een vooraf gaand zelfstandig naamwoord betrekking hebben, het welk daaronder verstaan, en alleenlijk om eene lastige en onaangename herhaling te vermijden, weggelaten wordt, dan vereischen zij, ook in het meervoud, de gewone verbuiging der bijvoegelijke naamwoorden, welke een zelfstandig naamwoord achter zich hebben. Overeenkomstig hiermede zegt men: alle menschen moeten sterven, rijke zoo wel als arme (namelijk menschen); en derhalve niet rijken zoo wel als armen. Sommige wijsgeeren zijn van dit, andere (namelijk

 *  Vergelijk Bolhuis op Klaas Stijl, bl. 95.


[p. 101]

wijsgeeren), van een tegengesteld gevoelen; derhalve niet anderen.