D. OVER DE VOORNAAMWOORDEN.1. Derzelver aard en getal.
§. 210. Om de namen der personen of zaken, welke voorwerpen der onderhandeling zijn, niet zoo dikwerf te herhalen, als de voorwerpen des gespreks genoemd moeten worden, zijn er woorden, welke de plaats der zelfstandige naamwoorden, die eenen persoon, of eene zaak aanduiden, vervangen, en den naam van voornaamwoorden dragen. Zij worden gemeenlijk in deze zes soorten verdeeld 1. persoonlijke: ik, gij, hij enz.; 2. wederkeerende: zich, zijn enz.; 3. bezittelijke: mijn, uw, enz.; 4. vragende: wie, wat enz.; 5. aanwijzende: deze, die enz.; 6. betrekkelijke: die, welkeenz. Over iedere dezer soorten zullen wij straks afzonderlijk handelen. §. 211. De voornaamwoorden duiden geene eigenschappen eener
zaak aan, dewijl zij dan bijvoegelijke naamwoorden zouden wezen, maar zekere
toevallige en veranderlijke betrekkingen, waarin dezelve zich op het tijdstip
der handeling bevindt. De gene, die thans spreekt, en derhalve ik is,
kan, in het volgende oogenblik, de aangesprokene persoon, en derhalve
gij, en, het daarop volgende oogenblik, de afwezende persoon, ofhij, zij, het zijn. Het geen tegenwoordig mijn is, kan straks uw, of zijn wezen. Dezelfde zaak, welke thans door deze aangeduid wordt, kan, een oogenblik daarna, gene zijn. §. 212. In zeker opzigt echter zijn de voornaamwoorden of zelfstandige, of bijvoegelijke naamwoorden. Als zelfstandige naamwoorden staan zij op zich zelven, en komen in de plaats van de namen der dingen, ten aanzien van hunne persoonlijke betrekking, als: ik, gij, hij, het mijne, het uwe, de mijnen, de uwen. Als bijvoegelijke naamwoorden, komen zij, in tweederlei opzigt, voor, of bij een zelfstandig naamwoord geplaatst, of als in betrekking staande tot een zelfstandig naamwoord; bij voorbeeld: uwe kinderen leeren gemakkelijk, mijne niet. |