2. Persoonlijke voornaamwoorden.
§. 213. Alle zelfstandige dingen, levende of levenlooze, komen,
in de taal, als werkende wezens voor: de winter nadert, het vuur brandt
enz.; en daarom kunnen ook levenlooze dingen als personen voorkomen.
Deze personen zijn, eigenlijk, driederlei; 1. de persoon, die spreekt; 2. de
persoon, tot welken gesproken wordt; en eindelijk, de persoon (of zaak), van
welken men spreekt. Zij zijn of enkelvoudig, of meervoudig; waarom ook voor beide getallen voornaamwoorden plaats vinden. §. 214. De eerste, of sprekende persoon wordt, in het Nederduitsch, uitgedrukt door ik (in het meervoud wij); de tweede, of aangesprokene persoon (in het enkel- en meervoud), door gij; de derde persoon, of die, van welken gesproken wordt, door hij, zij, het (in het meervoud zij), men, iemand, niemand. Derzelver verbuiging is deze:
§. 215. Omtrent den boven staanden tweeden persoon
gij, en in de verbogene naamvallen uws, u, moeten wij nog
aanmerken, dat dezelve thans zoo wel in het enkelvoud, als in het meervoud
gebezigd wordt, schoon gij oudtijds alleen diende, om het meervoud uit
te drukken, en men in het enkelvoud du, en in de verbogene naamvallen
dijns, dij, zeide. Waarschijnlijk is eene soort van wellevendheid
oorzaak geweest, dat men zich naderhand, ook in het enkelvoud, van het
meervoudige gij bediend heeft. Om het meervoudige gij en u
van het enkelvoudige te onderscheiden, voegt men somwijlen het woord
lieden achter het zelve, als: gijlieden, ulieden. Doch men heeft
te regt aangemerkt, dat deze onderscheiding niet noodzakelijk is, en een goed schrijver, zonder dezelve, duidelijk kan en moet wezen. §. 216. Hier dient ook iets gezegd te worden aangaande de schrijfwijs van hen en hun, het meervoud van hij. De onderscheiding van hen in den vierden, en hun in den derden naamval te schrijven, is, hoe weinig gegrond anders ook, echter reeds zoo zeer door het gebruik gewettigd, dat men zich thans daaraan dient te houden, en zij, hunner (van hen), hun (aan hen), en hen te bezigen; terwijl het den dichteren vrij blijft, hen en hun (gelijk ook haar en heur) onverschillig te gebruiken, naar mate hun het een of ander gevoegelijkst voorkomt * . §. 217. Om den derden persoon onbepaald aan te duiden, dienen men, iemand, niemand. Men, dat van gelijken oorsprong met man en mensch is, wordt alleen in den eerste naamval gebezigd, en lijdt geene verbuiging: men zegt. Iemand en niemand ontvangen in den tweeden naamval eene s: niemands vriend enz., en hebben geen meervoudig getal; gelijk ook men, het welk waarschijnlijk het oude meervoud van man is. §. 218. De persoonlijke voornaamwoorden nemen somwijlen de woordjes alleen en zelf bij zich; het eerste, om de tegenwoordigheid van iederen anderen persoon uit te sluiten, als: ik alleen heb het gezien - |
* Zie Verhandeling over de Nederd. Spell.
van den Hoogleeraar Siegenbeek, bl. 72, en verv.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
gij alleen zijt onschuldig; het tweede, om de medewerking van iederen anderen persoon uit te sluiten, of om de persoonlijkheid nog nader te bepalen, als: ik zelf heb het gedaan - zij zelve sprak daarvan - hij is het zelf enz. §. 219. Hierbij moet aangemerkt worden, dat dit zelf nooit eene s achteraan ontvangt, dan alleen in den tweeden naamval: mijns zelfs, uws zelfs enz. Zelfs is anders eigenlijk een bijwoord, zoo veel als ook beteekenende. In de volgende uitdrukking worden zelf en zelfs kennelijk onderscheiden: ik zelf heb hem gezien, ja ik heb zelfs met hem gesproken. |