6. Aanwijzende voornaamwoorden.

 

§. 237. De aanwijzende voornaamwoorden zijn zulke, waardoor personen of zaken, als met den vinger, aangewezen worden. Men brengt daartoe gemeenlijk deze, die, gene, degene, diegene, dezelve, dezelfde, zulke, zekere, desgelijke, dergelijke, dusdanige, zoodanige. Eer wij de verbuiging dezer voornaamwoorden opgeven, moeten wij iets ten aanzien van eenige derzelven aanmerken.

§. 238. Deze beteekent iets nabij en tegenwoordig zijnde, gene iets meer afgelegen, zoo wel in opzigt tot den tijd, als de plaats: aan deze zijde des grafs, aan gene zijde des bergs, gene gelukkige dagen zijn voorbij. Ook zonder zelfstandig naamwoord, of in betrekking tot hetzelve: leg u

[p. 116]

op lijdzaamheid en onschuld toe; want gene (de lijdzaamheid) leert u de wederwaardigheden verdragen, deze (de onschuld) dezelve overwinnen.

§. 239. Dat degene, hetgene, het welk de beteekenis van ons die, dat heeft, tot de aanwijzende, en niet tot de betrekkelijke voornaamwoorden behoort, blijkt uit de wijs, waarop hetzelve gebruikt wordt; want men zegt wel degene, die mij eert, maar nimmer bij ons, die, de gene mij eert; het welk echter bij de Vlamingen, in de gewone taal, nog gehoord wordt; schoon met den aard onzer taal strijdig. Op dezen grond zegt men ook hetgene, dat ik wil, maar niet dat, hetgene ik wil.

§. 240. Zie hier eenige verbuigingen.

 

Deze.
Enkelvoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. Deze, Deze, Dit,
2. Dezes, Dezer, Dezes,
3. Dezen, Deze, dezer, Dezen,dit,
4. Dezen. Deze. Dit.
 
Meervoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. Deze, Deze, Zoo als in het
2. Dezer, Dezer, mannelijke
3. Dezen, Deze, dezer, geslacht.
4. Deze. Deze.

 



[p. 117]

Het voornaamwoord die, die, dat wordt gebogen, als wie, wie, wat.

 

Gene.
Enkelvoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. Gene, Gene, Gene,
2. Genes, Gener, Genes,
3. Genen, Gene, Genen, gene,
4. Genen. Gene. Gene.
 
Meervoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. Gene, Gene, Zoo als in het
2. Gener, Gener, mannelijke
3. Genen, Gene, gener, geslacht.
4. Gene. Gene.

 

Degene en diegene worden verbogen als gene, terwijl de voorgeplaatste de en die aan gene gehecht blijven, en echter hunne buiging behouden; en dus worden zij, gelijk ook dezelve, dezelfde, tegen den aard van zamen gestelde woorden, zoo verbogen, als of zij niet zamen gesteld waren; bij voorbeeld: 1. degene, degene, hetgene, of hetgeen, 2. desgenen, van dengenen, dergene, van degene, enz. 1. Diegene, diegene, datgene, 2. Diensgenen, van diengenen, diergene, van diegene enz.



[p. 118]

§. 241. Dezelve en dezelfde staan in eenig verband met de betrekkelijke voornaamwoorden, in zoo verre zij zien op iets, waarvan gesproken is, bij voorbeeld: dat boek behaagde mij, daarom kocht ik hetzelve. Dezelfde bepaalt datgeen, waarvan gesproken is, nader. Men vraagt, bij voorbeeld: was het niet N.N., die gisteren met u sprak? En het antwoord is dezelfde. De onderscheidene beteekenis van dezelve en dezelfde blijkt dus: het was dezelfde man; ik vraagde denzelven enz.

 

Enkelvoudig.

Mannelijk.

1. Dezelve, - dezelfde,

2. Deszelfs, deszelven, - deszelfden,

3. Denzelven, - denzelfden,

4. Denzelven, - denzelfden.

 

Vrouwelijk.

1. Dezelve, - dezelfde,

2. Derzelver, - derzelfder,

3. Dezelve, dezelfde, derzelver, derzelfder,

4. Dezelve, dezelfde.

 

Onzijdig.

1. Hetzelve, - hetzelfde,

2. Deszelfs, deszelven, - deszelfden,

3. Hetzelve, - hetzelfde,

4. Hetzelve, - hetzelfde.



[p. 119]

Meervoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. Dezelve, dezelfde, Dezelve, dezelfde, Zoo als in het
2. Derzelver, derzelfder, Derzelver, derzelfder, mannelij-
3. Denzelven, denzelfden, Dezelve, dezelfde, derzelver,derzelfder, ke geslacht.
4. Dezelve, dezelfde. Dezelve, dezelfde.

 

Dusdanige, zoodanige wordt verbogen als hoedanige; als mede dergelijke, desgelijke, welke uit den tweeden naamval van het aanwijzende voornaamwoord deze en het bijvoegelijke naamwoord gelijk zamen gesteld zijn; zoo dat der voor dezer, en des voor dezes gesteld wordt. Van zulk een, dergelijk een, desgelijk een, dusdanig een, zoodanig een, wordt alleen het laatste verbogen, als het lidwoord een; en dus ook zonder meervoud. Zulks wordt ook als zelfstandig gebezigd: zulks had ik niet gedacht.