7. Betrekkelijke Voornaamwoorden.
§. 242. De betrekkelijke voornaamwoorden zijn zulke,
welke betrekking hebben op personen of zaken, van welke te voren gesproken is. Hiertoe behooren welke, dewelke, die, wie. Hunne betrekking blijkt uit de volgende voorbeelden: gij zijt de eerste, die mij dit zegt. Hij is de man, wiens vriendschap mij dierbaar is. Zoude ik hem niet lief hebben, van wien ik zoo vele weldaden ontvangen, aan wien ik zoo veel goeds te danken heb? Zij is gestorven, welke ik hoogachtte. Dit is de vrouw, over wier schoonheid wij ons verwonderen. Ik heb het boek gekocht, dat mij door u is aangeprezen, een boek, welks inhoud zeer belangrijk is. §. 243. Dikwerf worden wiens en welks onverschillig in het onzijdige geslacht gebruikt, schoon wiens alleen de tweede enkelvoudige naamval van het mannelijke, en welks die van het onzijdige geslacht is. Men zegge derhalve: de man, wiens geleerdheid enz.; het land, welke uitgestrektheid enz. §. 244. Het betrekkelijke voornaamwoord wie wordt
dikwerf zoo gebruikt, dat het betrekking heeft op iets, dat volgt; doch daar
dit volgende zich gevoegelijk vooraan laat plaatsen, zoo blijft wie een
waar betrekkelijk voornaamwoord, en slaat eigenlijk op het voorgaande. Zoo zegt
men, bij voorbeeld: wien ik mijn woord geef, dien zal ik niet misleiden;
het welk men ook dus kan omkeeren: dien zal ik niet misleiden, wien ik mijn
woord geef. Hetzelfde heeft plaats ten aanzien van het onzijdige wat:
wat mij gebeurd is, dat zal ik u verhalen; waarvoor men ook kan zeggen:
dat zal ik u verhalen, of: ik zal u verhalen, wat mij gebeurd is. §. 245. De verbuiging van welke is als die van het vragende voornaamwoord welke. Dewelke, dat minder in gebruik is, wordt verbogen als dezelve; met dit onderscheid, dat de tweede naamval niet deswelks, maar deswelken is. Het onzijdige wat wordt, als betrekkelijk, niet verbogen, en alleen in den eerste en vierden naamval gebezigd: alles, wat van hem gezegd wordt, is waar. Alles, wat ik daarvan weet, zal ik u verhalen. |