E. OVER DE WERKWOORDEN.

1. Derzelver aard en rangschikking.

 

§. 246. Thans komen wij tot een der gewigtigste gedeelten der spraakkunst, de beschouwing, namelijk, van de werkwoorden. Door dezelve drukt men de beweging en rust, den tijd, het bestaan en worden, het werken en lijden der personen of zaken uit, welke door de zelfstandige naamwoorden aangeduid worden; bij voorbeeld: zijn, worden, beminnen, staan, loopen enz.

§. 247. Schoon tot een werkwoord niet alleen de eigenschap van werken, maar ook die van lijden behoort, zoo houdt, in het laatste geval echter het denkbeeld van werken niet op, naardien als dan de werkende personen slechts verwisselen;

[p. 122]

bij voorbeeld: ik sta. Hier heeft, buiten tegenspraak, eene werking plaats; en deze werking geschiedt door mij op iemand, of iets anders. Geeft men aan dit werkwoord nu de eigenschap van lijden, en zegt men ik word geslagen, dan blijft daarbij, echter, het denkbeeld van werken niet minder, dan in het vorige geval, stand houden, schoon de werking door iemand, of iets anders, op mij geschiedt.

§. 248. Men onderscheidt, in onze taal, voornamelijk, drie rangen van werkwoorden. Die, welke tot den eersten rang behooren, dragen den naam van ongelijkvloeijende; die van den tweeden rang worden gelijkvloeijende, en die van den derden rang onregelmatige werkwoorden genoemd.

§. 249. Ongelijkvloeijende werkwoorden zijn die, welke, in de vervoeging, den wortelklinker veranderen, en in het verledene deelwoord en, met een voorgevoegd ge, hebben, als: drijven, dreef, gedreven, spreken, sprak, gesproken enz.Gelijkvloeijende worden daarentegen zulke genoemd, welke, in al hunne vervoegingen, aan geene verwisseling van wortelklinker onderworpen zijn, en in den onvolmaakt verledenen tijd de, of te, en in het verledene deelwoord d, of t, insgelijks met een voorgevoegd ge, hebben, als: leven, leefde, geleefd, hopen, hoopte, gehooptenz.; terwijl zoo wel bij de ongelijk- als gelijkvloeijende werkwoorden, welke met onscheidbare voorzetselen zamen gesteld zijn, dit voorgevoegde ge in het verledene deelwoord wegvalt,

[p. 123]

als bedrijven, bedreef, bedreven, herinneren, herinnerde, herinnerd, ontvangen, ontving, ontvangen, verzenden, verzond, verzonden, volmaken, volmaakte, volmaakt enz.; niet begedreven, hergeinnerd enz.

§. 250. Wij plaatsen de ongelijkvloeijende werkwoorden vooraan, zoo omdat zij de oudste en de oorspronkelijke werkwoorden zijn, als omdat zij de aanleidende oorzaken van zoo vele gelijkvloeijende werkwoorden geweest zijn. De oudheid, of oorspronkelijkheid, der ongelijkvloeijende werkwoorden blijkt, zegt L. ten Kate  †  , voor eerst, daaruit, ‘dat de ongelijkvloeijende werkwoorden zich onder alle onze taalverwanten eenstemming vertoonen, en ten andere, daaruit, dat de ongelijkvloeijende werkwoorden genoegzaam alle bedrijf uitbeelden, het welk tot het oudvaderlijke leven vereischt werd, terwijl die zelfde woorden (schoon weinig in getal zijnde) heden nog, in ons spreken en schrijven, meer te pas komen, dan al de andere.’  *  

§. 251. Wanneer men tot den oorsprong der taal te rug gaat, en derzelver waren aard niet wil miskennen, dan is de grond dezer ongelijkvloeijendheid ligtelijk te ontdekken. In de kindschheid der

 †  Aanl. D. I., bl. 13 en verv.
 *  Men vindt eene lijst dier ongelijkvloeijende werkwoorden bij L. ten Kate, op de boven aangehaalde plaats.


[p. 124]

taal meende men, om de vervoeging der werkwoorden te vinden, of om het denkbeeld van het verledene uit te drukken, dat derzelver wortelklinkers alleen behoefden verbogen te worden, terwijl de medeklinkers onveranderd bleven. Van hier steken, stak, gestoken. Van tijd tot tijd vormde men minder ongelijkvloeijende werkwoorden, als: geven, gaf, gegeven; en eindelijk werden geene andere, dan gelijkvloeijende, gevormd; waarvan straks nader.

§. 252. De ongelijkvloeijende werkwoorden worden in eenige soorten verdeeld. De eerste soort bevat zulke, welke in den onvolmaakt verledenen tijd en in het lijdende deelwoord, denzelfden klinker aannemen. En deze maken bij ons het grootste getal uit. De verwisseling hunner klinkers geschiedt op de volgende wijs:

1. De ij gaat over in den zachten langklinker e, als: blijven, bleef, gebleven, strijden, streed, gestreden enz.

2. De ui, ie en de zachte lange e gaan over in de zachte lange o, als: sluiten, sloot, gesloten, schieten, schoot, geschoten, bewegen, bewoog, bewogen enz.

3. De korte i en de korte scherpe e gaan over in de zachte korte o, als: vinden, vond, gevonden, bersten, borst, geborsten, schenden, schond, geschonden.

§. 253. Tot de tweede soort van ongelijkvloeijende werkwoorden behooren die, welke alleen in den

[p. 125]

onvolmaakt verledenen tijd van wortelklinker veranderen, terwijl deze bij het lijdende deelwoord behouden blijft. Bij deze soort van werkwoorden geschiedt de verwisseling van den klinker, op de volgende wijs:

1. De zachte langklinker e gaat over in a, als: eten, at, geëten; doch, om de welluidendheid, thans (en misschien omdat men oulings ook geten voor etenzeide), gegeten.

2. De langklinker a, voor d, p, t, z staande, verandert in ie, als: raden, ried (ook raadde), geraden, slapen, sliep, geslapen, laten, liet, gelaten, blazen, blies, geblazen enz.

3. De langklinker a voor g, r, v, en i, verandert in oe, als: dragen, droeg, gedragen, varen, voer, gevaren, graven, groef, gegraven, waaijen, woei,(niet zelden ook waaide), gewaaid (oulings gewaaijen).

4. De korte a voor l en s gaat over in ie, als: vallen, viel, gevallen, waschen, wiesch, gewasschen. Zo ook wassen (groeijen), wies, gewassen.

5. De korte a voor n verandert in i, of o, als: hangen, hing, of hong, gehangen, vangen, ving, of vong, gevangen.

6. De korte o, de harde lange oo en oe gaan over in ie, als: houden (oulings holden), hield, gehouden (oulings geholden), worden, wierd en werd, geworden, loopen, liep, geloopen, roepen, riep, geroepen.



[p. 126]

§. 254. Tot de derde soort brengt men die werkwoorden, welke, zoo wel in den onvolmaakt verledenen tijd, als in het lijdende deelwoord, van wortelklinker veranderen; doch in elk van deze op eene bijzondere wijs, bij voorbeeld:

1. De zachte lange e gaat, in den onvolmaakt verledenen tijd, op a over, en, in het lijdende deelwoord, op de zachte lange o, als: bevelen, beval, bevolen, breken, brak, gebroken, steken, stak, gestoken.

2. Dezelfde e gaat, in den onvolmaakt verledenen tijd, toe oe en de zachte lange o, en, in het lijdende deelwoord, tot de laatste over, als: scheren, schoer, schoor, geschoren, zweren, zwoer, zwoor, gezworen.

3. De korte i verandert, bij den onvolmaakt verledenen tijd, in a, en bij het deelwoord, in de zachte lange e, als: bidden, bad, gebeden, zitten, zat, gezeten, liggen, lag, gelegen.

4. De scherpe korte e gaat, in den onvolmaakt verledenen tijd, op ie, of de korte o, en, in het deelwoord, op de laatste over, als: helpen, hielp, holp, geholpen, sterven, stierf, storf, gestorven, werven, wierf, worf, geworven.

§. 255. De vierde soort bevat die werkwoorden, welker onvolmaakt verledene tijd, door verloop, reeds gelijkvloeijend geworden is, als: bakken, bakte (oulings biek), gebakken, braden, braadde (oulings bried), gebraden, lagchen, lachte (oulings loech),

[p. 127]

gelagchen, malen, maalde (oulings moel, of mol), gemalen, heeten (noemen), heette (oulings hiet). geheeten, spouwen, spouwde (oulings spieuw), gespouwen, wreken, wreekte (oulings wrak, wrok), gewroken enz.

§. 256. Gelijkvloeijende werkwoorden zijn zulke, welke, in alle hunne vervoegingen, geene verandering van wortelklinker ondergaan. Wij hebben dezelve boven (§. 249.) breeder omschreven. Tot deze werkwoorden behooren, blaken, blaakte, geblaakt, blaffen, blafte, geblaft, eeren, eerde, geëerd, leeren, leerde, geleerd, wiegen, wiegde, gewiegd, likken, likte, gelikt, hopen, hoopte, gehoopt, stoppen, stopte, gestopt, spouwen, spouwde, gespouwd, turen, tuurde, getuurd, drukken, drukte, gedrukt enz. Gelijk ook steigeren, steigerde, gesteigerd, weigeren, weigerde, geweigerd; en verder alle dubbelstaartige werkwoorden, als: bevlijtigen, bevlijtigde, bevlijtigd, vernietigen, vernietigde, vernietigd, daveren, daverde, gedaverd, glinsteren, glinsterde, geglinsterd, herinneren, herinnerde, herinnerd, leveren, leverde, geleverd, slingeren, slingerde, geslingerd, krabbelen, krabbelde, gekrabbeld, verzamelen, verzamelde, verzameld enz. Ten aanzien van de werkwoorden jagenen vragen, dient hier nog aangemerkt te worden, dat zij, schoon zij oulings ongelijkvloeijend waren, en joeg, vroeg, gejagen, gevragen hadden, thans reeds gelijkvloeijend gebezigd worden. Immers, men zegt, zonder uitzondering,

[p. 128]

gejaagd en gevraagd; en men gebruikt meestal, in den onvolmaakt verledenen tijd, jaagde, vraagde; zoo dat deze werkwoorden insgelijks kunnen gerekend worden, reeds met den grooten stroom der gelijkvloeijende werkwoorden medegesleept te zijn.

§. 257. Uit de onvolmaakt, of volmaakt verledene tijden der ongelijkvloeijende werkwoorden, spruiten naamwoorden voort, waarvan wederom werkwoorden gevormd worden, welke altijd gelijkvloeijend zijn, en, in hunne beteekenis, met het naamwoord overeen komen, waarvan zij afgeleid zijn. Zoo komt, bij voorbeeld, van gaf, zijnde de onvolmaakt verledene tijd van geven, het naamwoord gaaf, gave, en hiervan het gelijkvloeijende werkwoord begaven. Zoo ook komt van mat, de onvolmaakt verledene tijd vanmeten, het zelfstandige naamwoord maat, mate, waarvan het bijvoegelijke naamwoord matig, en hiervan wederom het gelijkvloeijende werkwoord matigen, matigde, gematigd. Op gelijke wijs is van voer, de onvolmaakt verledene tijd vanvaren, het zelfstandige voer (een voer hooi) afkomstig; en van daar het gelijkvloeijende werkwoord voeren, dat is doen varen. Even zoo komt van zoog, de onvolmaakt verledene tijd van zuigen, het zelfstandige zog, waarvan het gelijkvloeijende zogen, dat is laten zuigen.

§. 258. Somwijlen worden ook van den tegenwoordigen tijd der ongelijkvloeijende werkwoorden zelfstandige

[p. 129]

naamwoorden afgeleid, waarvan wederom gelijkvloeijende werkwoorden gevormd worden. Zoo komt, bij voorbeeld, ons woord krijgen (krijg voeren), krijgde, gekrijgd, van het zelfstandige naamwoord krijg, en dit van het ongelijkvloeijende krijgen, kreeg, gekregen. Even zoo komt ons slagen, slaagde, geslaagd, van slag, en dit van slaan (oulings slagen), sloeg, geslagen  *  .

§. 259. Eindelijk moet hierbij nog, als een algemeene regel, aangemerkt worden, dat de werkwoorden, welke van naamwoorden afgeleid worden, gelijkvloeijend zijn, als: tafelen, tafelde, getafeld, van tafel; - pennen, pende, gepend, van pen; - herbergen, herbergde, geherbergd, van herberg; - bevlijtigen, bevlijtigde, bevlijtigd, vanvlijtig; - verwelkomen, verwelkomde, verwelkomd, van welkom enz.

§. 260. Onregelmatige werkwoorden zijn die, welke van de genoemde soorten, in een of ander opzigt, afwijken, en wel, die, in de onbepaalde wijs, niet op en, maar opn, uitgaan, als: slaan (oudtijds slagen), sloeg, geslagen; of die noch in de onbepaalde wijs, noch in het verledene deelwoord, en, maar in beide n hebben, als: gaan (oudtijds gangen), ging, gegaan (oudtijds gegangen), staan, (oudtijds standen), stond, gestaan (oudtijds gestanden),

 *  L. ten Kate, D. II., bl. 16 en verv.


[p. 130]

doen(oudtijds daden), deed, gedaan (oudtijds gedaden), zien, zag, gezien.

§. 261. Eene andere soort van onregelmatige werkwoorden is die, welke, in de vervoeging, van den gewonen regel afwijkt. Zoo missen, bij voorbeeld, kunnen, willen, mogen, moeten, volgens den aard hunner beteekenis, de gebiedende wijs; terwijl de drie eersten eene uitzondering op dien regel maken, volgens welken de derde persoon van den tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs, in het enkelvoudige getal, altijd met eene tbesloten wordt, daar dezen, intusschen, hij kan, wil en mag hebben. Zoo ook wijken plegen, brengen, denken, dunken, koopen, en zoeken, even alsmogen, van dien regel af, welke zegt, dat de werkwoorden, die, in het zakelijke deel der onbepaalde wijs, geene t hebben, in den eersten en derden persoon van den onvolmaakt verledenen tijd der aantoonende wijs, in het enkelvoudige getal, zonder t gebezigd worden, terwijl plegen, ik plagt, hij plagt, brengen, ik bragt, hij bragt, denken, ik dacht, hij dacht, dunken, mij dacht, koopen, ik kocht, hij kocht, zoeken, ik zocht, hij zocht, heeft.

§. 262. Tot de onregelmatige werkwoorden worden inzonderheid de hulpwoorden gebragt, strekkende, om den Nederduitschen werkwoorden, in hetgene aan derzelver vorm en tijden ontbreekt, te hulp te komen. Zij zijn de volgende vier: hebben, zijn, zullen, worden; en zij worden hulpwoorden genoemd,

[p. 131]

alleen in zoo verre, als zij tot boven gemelde einde dienen, bij voorbeeld: ik heb geschreven, zal komen, word geslagen en ben gevangen; terwijl hebben, zijn en worden, ook op zich zelven, en zonder andere werkwoorden, gebezigd worden, als: ik heb geld, gij zijt rijk, hij wordt arm.

§. 263. Het hulpwoord hebben (oulings heven, waarvan hevet, nu heeft; oulings ook haven, waarvan havede, hafde, nu hadde, had)helpt de ontbrekende tijden der bedrijvende en veler onzijdige werkwoorden vormen, en maakt zijne eigene ontbrekende tijden, deels met zich zelf, deels met het hulpwoord zullen. Het hulpwoord zijn, of wezen, oulings ook weren, waarvan was, waart en geweest (oulings gewezen, dat als bijvoegelijk nog in gebruik is) vormt zijne ontbrekende tijden, gedeeltelijk met zich zelf, gedeeltelijk met zullen. Het hulpwoord worden, dat de lijdende werkwoorden helpt vormen, maakt zijne eigene ontbrekende tijden met zijn en zullen; en dit laatste hulpwoord, waardoor de toekomende tijden aller werkwoorden gevormd worden, is, behalve de onbepaalde wijs en het deelwoord, alleen in den tegenwoordigen tijd van de aantoonende en aanvoegende wijs gebruikelijk; welk alles uit de vervoeging verder zal blijken.