[p. 132]

2. Nadere verdeeling van de werkwoorden, in bedrijvende, lijdende, onzijdige, wederkeerige en onpersoonlijke.

 

§. 264. 1. Een bedrijvend werkwoord is zulk een, dat eene werking aanduidt, welke van het werkende wezen op een ander voorwerp overgaat, als: beminnen, haten, slaan, dragen enz. Het vordert derhalve twee zelfstandige dingen, waarvan het eene als werkend, het andere als lijdend of bewerkt wordend voorkomt. Wanneer men, bij voorbeeld, zegt: de vader onderwijst zijnen zoon, dan is onderwijzen, ongetwijfeld, een bedrijvend werkwoord, dewijl het eene werkelijke handeling aanduidt, welke een voorwerp buiten zich behoeft, waarop zij overgaat; want wij hebben geen denkbeeld van onderwijzen, zonder ons tevens iemand voor te stellen, die onderwezen wordt.

§. 265. Men kent alle volstrekt bedrijvende en tot andere voorwerpen overgaande werkwoorden, inzonderheid, daaraan, dat zij altoos in den lijdenden vorm kunnen overgebragt worden. Zoo is, bij voorbeeld, onderwijzen een bedrijvend werkwoord, ook daarom, dewijl men het gezegde de vader onderwijst den zoon in den lijdenden vorm kan brengen: de zoon wordt onderwezen door den vader. Zoo zegt men ook: ik gaf hem het geld, en omgekeerd: het geld werd hem gegeven door mij. En al die werkwoorden, bij welke dit plaats vindt, worden bedrijvende werkwoorden genoemd.



[p. 133]

§. 266. 2. Wanneer wij niet zelve handelen, maar de handeling van een ander werkend wezen lijden, dan wordt het werkwoord, dat deze handeling aanduidt, een lijdendwerkwoord genoemd, als: bemind, gehaat, geslagen, gedragen worden. Het boven reeds gegeven voorbeeld kan ook hier gelden. De vader onderwijst den zoon. Hier wordt gezegd, wat de vader doet; en de zoon is het voorwerp der handeling van den vader. Wanneer men nu de handeling zoo voorstelt, dat zij door den zoon geleden wordt, dan heet het: de zoon wordt onderwezen van den vader; en het werkwoord is lijdend.

§. 267. De Nederduitsche werkwoorden hebben door eigene vervoeging geenen lijdenden vorm, maar moeten dien van het verledene deelwoord en de hulpwoorden zijn en worden ontleenen, gelijk uit de boven aangehaalde voorbeelden blijkt; terwijl dit verleden deelwoord, zoo wel in eenen bedrijvenden als lijdenden zin, gebezigd wordt, naar mate het hulpwoord, het welk hetzelve voorgaat, zulks vordert; want men zegt zoo wel ik heb bemind, als ik ben bemind.

§. 268. 3. Er zijn ook werkwoorden, welke noch als bedrijvend, noch als lijdend kunnen beschouwd worden, en daarom den naam van onzijdige werkwoorden dragen, als: staan, zitten, liggen, vallen, blijven enz. Zij duiden wel iets aan, dat aan eene handeling gelijk is, doch deze handeling gaat niet werkelijk tot een ander voorwerp over, maar blijft

[p. 134]

veel meer in het onderwerp, of den persoon zelven bepaald; bij voorbeeld: het kind slaapt, sterft enz.

§. 269. De onzijdige werkwoorden, welke allen zich tot het onderwerp der rede, of den persoon zelven, bepalen, beteekenen, of eene eigenschap, als: glimmen, glinsteren, verbleeken, schijnen, bloeijen enz.; of eenen toestand, als: zitten, staan, liggen, rusten, leven, sterven enz.; of een bedrijf, als: gaan, reizen, wandelen, lagchen, blaffenenz.; of zulk een bedrijf, waarvan het lijdende voorwerp in het werkwoord zelf opgesloten ligt, als: muizen, dat is muizen vangen, visschen, dat is visschen vangen.

§. 270. De onzijdige werkwoorden worden dan met zijn, dan met hebbenvervoegd. Zij bekomen het hulpwoord hebben, wanneer zij meer een bedrijf, dan lijden beteekenen. Tot deze behooren arbeiden, beven, bijstaan, blaffen, bloeijen, brommen, brullen, draven, duren, etteren, feilen, gapen, gillen, gonzen, grazen, heerschen, hoesten, huichelen, janken, jongen, ijveren, juichen, kalven, kampen, kegelen, kiemen, kijken, kijven, kirren, klagen, knielen, knikkeren, kolven, koten, lagchen, luisteren, maauwen, muizen, murmelen, niezen, overwinteren, piepen, pogchen, pralen, razen, rieken, rogchelen, ronken, schateren, schertsen, schreijen, smachten, snorken, snuiven, spotten, stormen, stotteren, streven, toornen, trachten, treuren, twijfelen, vasten, vechten, volharden, vuren, waken, woeden, zondigen enz.; bij voorbeeld:

[p. 135]

wij hebben gearbeid, de boom heeft gebloeid enz. Zoo ook de onpersoonlijke bliksemen, donderen, dooijen, regenen, vriezen enz. als: het heeft gebliksemd, het heeft gedonderd enz.

§. 271. Zoodanige onzijdige werkwoorden, waarbij het onderwerp, of de persoon, meer lijdend dan bedrijvend gedacht wordt, hebben het hulpwoord zijn bij zich. Hiertoe behooren aanbranden, aanbreken, bersten, beschimmelen, blijven, gelukken, geraken, geschieden, ontaarden, ontwapenen, overlijden, sterven, verarmen, verbleeken, verdorren, verdrinken, verwelken, zinken enz.; bij voorbeeld: het vleesch is aangebrand, de dag was aangebroken, het glas is geborsten, het brood was beschimmeld enz.

§. 272. Intusschen hebben hier verscheidene uitzonderingen plaats; want er zijn onzijdige werkwoorden, welke, in de vervoeging, zijn vorderen, en echter meer een bedrijf, dan lijden aanduiden, bij voorbeeld: komen, dalen, verschijnen, verdwijnen, landen, stranden, opstaan enz., als: ik ben gekomen, zij zijn gedaald, hij is verschenen enz. Ook zijn er zulke, die met hebben vervoegd worden, en nogtans meer in eene lijdende, dan bedrijvende beteekenis voorkomen, bij voorbeeld: lijden, rusten, liggen, zitten, slapen, sluimeren, grenzen, toebehooren, verwijlen enz., als: ik heb geleden, gerust, geslapen enz.

§. 273. Ook is er een aantal van onzijdige werkwoorden,

[p. 136]

welke eene beweging, en dus meer een bedrijf, dan lijden aanduidende, met zijn en hebben beide vervoegd worden. Doch, het verdient opmerking, dat, wanneer daarbij tevens de plaats wordt aangewezen, waar de beweging geschiedt, die woorden, dan, genoegzaam altoos, met zijn voorkomen, bij voorbeeld: hij heeft lang gegaan, en: hij is tot aan de poort gegaan. Ik heb den ganschen dag op- en afgeloopen en gesprongen, en: ik ben de trappen op- en afgeloopen en uit de venster gesprongen; ook: het bloed is uit zijne aderen gesprongen, hij is in dat huis geloopen enz. Hij heeft, van zijne jeugd af, gestruikeld, en: hij is over dezen steen gestruikeld. Zij hadden dit jaar niet veel gezwommen, en: zij zijn over de rivier gezwommen. Wij hadden lang geklauterd, en: wij zijn eindelijk nog over het dak geklauterd. De duiven hebben veel te lang gevlogen, en: zij zijn van het eene huis op het andere gevlogen. Wij hadden al dien tijd gevaren, en: wij zijn van Haarlem naar Amsterdam gevaren enz.  *  

§. 274. Niet minder aanmerkelijk is het, dat zulke onzijdige werkwoorden in eenen overdragtigen, of oneigenlijken zin gebezigd, altoos met het hulpwoord hebbenvervoegd worden. Zoo zegt men, bij voorbeeld: hij is in het bed gekropen, en overdragtig:

 *  Zie de Inleiding van mijn Nederduitsch Taalkundig Woordenboek, bl. 144, 145.


[p. 137]

hij heeft voor mij gekropen. Ook wanneer onzijdige werkwoorden bij oneigenlijk gebezigde zelfstandige naamwoorden gebruikt worden, als: het water is door de goot geloopen, en: de goot heeft geloopen. Het water is zeer hoog uit de fontein gesprongen, en: de fontein heeft weder gesprongen. Al de wijn is uit het vat gelekt, en: het vat heeft gelekt enz.  *  

§. 275. Sommige werkwoorden zijn, volgens hunne natuur, onzijdig, en kunnen nimmer bedrijvend gebruikt worden, als: beven, bersten, bezwijmen, gelden, ontluiken, spruiten, zwellen enz. Andere, daarentegen, komen in eenen onzijdigen en bedrijvenden zin tevens voor, als: slaan: de klok slaat (onzijdig), en: ik sloeg den hond (bedrijvend); klemmen: de deur klemt (onzijdig), en: ik klem mijne hand (bedrijvend); bederven: de spijs bederft (onzijdig), en: hij bederft zijne kleederen(bedrijvend); smelten: het was smelt (onzijdig), en: ik smelt was (bedrijvend); genezen: de wond zal wel genezen (onzijdig), en: hiermede geneest men zulke wonden (bedrijvend) enz.

§. 276. Eigenlijk gezegde onzijdige werkwoorden kunnen nimmer den lijdenden vorm aannemen, noch eenen vierden naamval beheerschen. Onaangezien dit, kunnen zij echter met den vierden naamval verbonden worden, gelijk blijkt uit de spreekwijzen:

 *  Zie als boven, bl. 145.


[p. 138]

eenen goeden tred gaan, zich moede loopen, zich ziek lagchen enz.; welk alles in de woordvoeging breeder zal getoond worden. Ook nemen de onzijdige werkwoorden, in zekeren zin, den lijdenden vorm aan; doch alleen dan, wanneer het onderwerp der rede onbepaald kan uitgedrukt worden, als: daar wordt gewandeld, gereden, geloopen, gestreden, gelagchenenz. Hierbij komt nog in aanmerking, dat de onzijdige werkwoorden, het voorvoegsel be aannemende, bedrijvend worden, als: lagchen: iemand belagchen (ook uitlagchen); spotten: iemand bespotten; weenen, iemand beweenen enz.  *  

§. 277. 4. Wederkeerige werkwoorden zijn zulke, die de werking, of daad, welke zij uitdrukken, tot den persoon te rug voeren, van wien zij uitging. Daar nu deze persoon hier, in eene dubbele betrekking, voorkomt, eerst als werkend, en dan als lijdend, zoo moet hij tweemaal genoemd worden; en dit geschiedt eerst op de gewone wijs, en dan door de wederkeerende en persoonlijke voornaamwoorden, als: zich schamen: ik schaam mij, gij schaamt u, wij schamen ons enz. Zoo ook zich verblijden, zich verwonderen, zich beroemen, zich behelpen, zich begeven, zich aanmatigen, zich bevinden, zich bedenken, zich beroepen, zich verantwoorden, zich wachten enz.

 *  B. Huydec. Proeve van Taal- en Dichtkunde, D. II., bl. 385, 386.


[p. 139]

Zegt men nu: de vader vergenoegt zich, dan werkt hij hier op zijnen eigenen persoon; hij is handelend, in zoo verre het vergenoegen van hem uitgaat; en hij is lijdend, in zoo ver het weder tot hem te rug keert.

§. 278. Alle wederkeerige werkwoorden zijn derhalve bedrijvende werkwoorden; doch alleen in zoo verre dat zij een lijdend voorwerp bij zich hebben, waarop hunne werking overgaat, en worden daarom ook, zonder uitzondering, in de vervoeging, met het hulpwoord hebbenverbonden: ik heb mij geschaamd, gij hebt u verwonderd, zij hadden zich verblijd enz.

§. 279. Naardien alle werking, door middel van een wederkeerig en persoonlijk voornaamwoord tot het werkende wezen te rug gevoerd kan worden, zoo laten zich ook de meeste werkwoorden als wederkeerige gebruiken, bij voorbeeld: zich wasschen: ik wasch mij; zich bedriegen: gij bedriegt u; zich vereenigen: wij vereenigen ons; zich snijden: ik sneed mij; zich branden: gij brandt u; zich slaan: hij slaat zich, zij slaan zich enz. Volstrekte, of eigenlijke wederkeerige werkwoorden zijn intusschen die, welke niet anders gebezigd kunnen worden, als: zich aanmatigen, zich behelpen, zich beroemen, zich bezinnen, zich schamen, zich vergissen, enz.

§. 280. De naamvallen der wederkeerige en persoonlijke voornaamwoorden, waarmede het werkwoord

[p. 140]

verbonden wordt, zijn geene andere, dan de derde en vierde, bij voorbeeld: zich uiten, zich ontfermen, zich bezinnen, zich bepalen, zich schamen, zich verzetten, de vierde naamval; zich inbeelden, zich aanmatigen, zich herinneren, de derde naamval.

§. 281. 5. Onpersoonlijke werkwoorden worden zoodanige genoemd, welke de persoonlijke voornaamwoorden ik, gij, hij enz. niet voor zich dulden, maar dezelve, in de verbogene naamvallen, als mij, u, hem enz. achter zich nemen, en over het algemeen, door de voorzetting van het woordje het, gekend worden, als: het dondert, het regent, het sneeuwt enz.; het berouwt mij, het spijt u, het verdriet hemenz.

§. 282. De onpersoonlijkheid van deze werkwoorden sluit derhalve niet in, dat zij geenen persoon in het geheel bij zich, maar alleen, dat zij geen persoonlijk voornaamwoord voor zich gedoogen. Wij hebben geen denkbeeld van een werkwoord zonder eenen werkenden persoon, te meer, daar taalkundig niet alleen de mensch, maar alles in de natuur, ieder levenloos ding zelfs, werkt en handelt. Konde men nu, in de kindschheid der taal, sommige natuurverschijnsels niet oplossen, en de vraag: wie doet, of wie werkt dat? niet beantwoorden; dan liet men den werkenden persoon ongenoemd, en stelde het algemeene en niets bepalende het in deszelfs plaats: het hagelt, het vriest,

[p. 141]

het waait, het dondert, het bliksemt enz.; het welk, eigenlijk, zoo veel zegt, als: daar is hagel, daar is vorst, daar is wind, daar is donder, bliksem enz.; wordende de werking en het daar zijn van den hagel, donder enz., kunstig uitgedrukt door de zelfstandige naamwoorden te veranderen en te verbuigen tot werkwoorden  *  .

§. 283. Het smart, berouwt, lust, behaagt, gelukt, jammert mij enz.; het gebeurt, is geoorloofd enz.; - deze allen worden, met even weinig gronds, onder de onpersoonlijke werkwoorden geteld. Immers, behalve dat men ook zegt: dit behaagt, of mishaagt mij - die onderneming is mij niet gelukt enz.; zoo zijn de spreekwijzen het smart mij te moeten ondervinden, dat ik gedwaald heb - het lust mij aan u te schrijven enz., in der daad persoonlijk, naardien de onbepaalde wijs der volgende werkwoorden de plaats van den derden persoon bekleedt; want het smart mij te moeten ondervinden, dat ik gedwaald heb zegt niet anders, dan: te moeten ondervinden, dat ik gedwaald heb smart mij. Zoo is het lust mij, aan u te schrijven hetzelfde, als: aan u te schrijven lust mij,

§. 284. Even zoo is het gelegen met de spreekwoorden daar wordt gezongen, daar wordt gedronken, daar wordt geslapen enz.; terwijl hier wederom een derde persoon zeer natuurlijk moet verstaan worden. Wanneer men, bij voorbeeld, vraagt: wat

 *  Zie Huijdec. Proeve, D. I., bl. 31 en verv.


[p. 142]

wordt daar gedaan? en men antwoordt: daar wordt gezongen, gedronken, ofgeslapen; dan is dit hetzelfde als: hetgeen daar gedaan wordt is zingen, drinkenenz.

§. 285. Dat wijders de spreekwijzen met men, als: men zegt, men schijnt, men wil enz., niet tot de onpersoonlijke behooren, behoeft genoegzaam niet herinnerd te worden; daar men, schoon noch getal noch geslacht aanduidende, echter altijd eenen persoon beteekent, en volgens zijne eigenlijke kracht, als zijnde het wortelwoord vanmensch, menschelijke personen te kennen geeft.

§. 286. De vier boven genoemde soorten van werkwoorden hebben de vervoeging, dat is eene verandering en verschikking der werkwoorden, naar vereisch van zekere tijden, wijzen en personen, met elkander gemeen. De onpersoonlijke alleen zijn van het laatste uitgesloten, dewijl zij de persoonlijke voornaamwoorden ik, gij, hij enz. niet voor zich dulden, en alleen in den derden persoon gebezigd worden; gelijk uit het voorgedragene gebleken is.