3. Over de wijzen der werkwoorden.

 

§. 287. De verscheidene wijzen, waarop eene zaak voorgesteld, of van dezelve gesproken kan worden, noemt men de wijzen der werkwoorden. De Nederduitsche taal heeft vier zoodanige wijzen: de onbepaalde, de aantonende, de gebiedende en aanvoegende wijs.



[p. 143]

§. 288. 1. De onbepaalde wijs is die, welke de handeling van het werkwoord, in eenen algemeenen zin, zonder bepaling van persoon of getal, maar alleenlijk met aanwijzing van tijd, voorstelt, als: hooren, gehoord te hebben, te zullen hooren enz.; bij voorbeeld:ik moet zorgen, dat enz., tegenwoordige tijd; - ik meen, gehoord te hebben, verledene tijd; - hij beloofde mij, te zullen komen, toekomende tijd. Ook neemt de tegenwoordige tijd der onbepaalde wijs te voorop, als: ik verzocht hem te blijven - ik zal zien te komen enz.; doch hierover wordt in de woordvoeging gehandeld. Ook dient hier aangemerkt te worden, dat de onbepaalde wijs dikwerf met de voorzetsels door, met, van en om vervoegd wordt, als: ik deed het maar, om te zien enz.; hij heeft de slechte gewoonte van met alles te spotten - door, of met de zaken wel te bedenken kan men enz. Ook zonder te: met vragen komt men te Rome - dat is trant van zingen enz.

§. 289. De deelwoorden, zijnde, eigenlijk, van de werkwoorden afgeleide bijvoegelijke naamwoorden, drukken eene hoedanigheid van werken, lijden of bestaan uit, toegepast op eene zelfstandige zaak, met aanwijzing van tijd. Zij worden deelwoorden genoemd, omdat zij iets zoo wel van de werkwoorden als van de bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden in zich bevatten, en dus aan beide deel hebben. Zij zijn tweederlei, als:hoorende, in den

[p. 144]

tegenwoordigen tijd, en gehoord, in den verledenen tijd, waarvan het eerste bedrijvende, en het andere lijdende genoemd wordt, schoon dit zoo wel eenen bedrijvenden als lijdenden zin heeft, naar mate het hulpwoord, dat hetzelve voorgaat, zulks vordert, als: ik heb gehoord en ik ben gehoord, - gehoord hebbende en gehoord zijnde.

§. 290. De bedrijvende deelwoorden hebben den uitgang de achter de onbepaalde wijs, als: hoorende, dreigende, drukkende, hopende enz.; de lijdende hebben d, oft, met voorvoeging van ge, als: gehoord, gedreigd, gedrukt, gehoopt enz.; omdat hooren en dreigen, in den onvolmaakt verledenen tijd hoorde, dreigde, en drukken en hopen drukte en hoopte hebben. Sommige verledene, of lijdende deelwoorden gaan uit op en, met voorvoeging van ge, als:geslagen, gebannen, gelagchen. Doch dit voorgevoegd ge valt weg, wanneer de werkwoorden, waarvan de deelwoorden afkomen, met een der onscheidbare voorvoegselenben ge, her, ont, ver enz., zamen gesteld zijn, als: beleven, beleefd, geleiden, geleid, hernemen, hernomen, ontslaan, ontslagen, vervloeken, vervloekt enz.

§. 291. Dat de bedrijvende en lijdende deelwoorden als van de werkwoorden afgeleide bijwoorden gebezigd worden, blijkt daaruit, dat men zegt: ik ben wachtende, en: zij zijn wachtende; ik word bemind, en: zij worden bemind; het boek is gelezen, en:de boeken waren gelezen; de vrouw is versierd, en: de mannen zijn versierd.



[p. 145]

§. 292. Nog in een ander opzigt komen de bedrijvende deelwoorden als bijwoorden voor; bij voorbeeld, in de uitdrukking de wakend droomende man; waarvoor men niet kan zeggen de wakende droomende man, dewijl het deelwoord wakend, dat hier als bijwoord gebezigd wordt, slechts zekere omstandigheid van het deelwoorddroomende bepaalt, en daarop alleen, eigenlijk, zijne betrekking heeft.

§. 293. 2. De aantoonende wijs is die, waardoor men de daad, welke een werkwoord uitdrukt, naar de verscheidenheid der tijden regtstreeks aantoont, als: ik hoor, heb gehoord, word gehoord, ben gehoord enz. Hiertoe behooren dan ook alle stellige vragen, bij voorbeeld: zal hij ons hooren? Weet gij zeker, dat hij ons gehoord heeft?

§. 294. 3. De gebiedende wijs wordt gebruikt, wanneer men iemand iets gebiedt, of verzoekt; of wanneer men iemand tot iets opwekt, of vermaant; bij voorbeeld: hoor, hoort enz. Men kan hierbij aanmerken, dat de gebiedende wijs geene tijden, en eigenlijk alleen den tweeden persoon, in het enkel- en meervoudige getal, heeft. Immers, iemand iets gebieden onderstelt den persoon, tot welken gesproken wordt; en deze is alleen de tweede persoon. Ook onderscheidt de gebiedende wijs zich daardoor, dat zij het persoonlijke voornaamwoord, het welk zij, boven dien, in den tweeden persoon missen kan, achter zich heeft, als: hoor, of hoort gij, enz. Hoor hij

[p. 146]

is in geen gebruik; enhij hoore is niets anders, dan de derde persoon van de aanvoegende wijs.

§. 295. Sedert men het enkelvoudige persoonlijke voornaamwoord du verworpen, en met het meervoudige gij vervangen heeft, hebben wij het onderscheid in den tweeden persoon van het enkel- en meervoud verloren, en wij zeggen, zoo wel van eenen, als van meer personen: gij leest, gij hebt gelezen, gij zult lezen enz. Wanneer wij dit nu op degebiedende wijs der werkwoorden toepassen, dan is het regelmatig, zoo wel tot eenen, als meer personen te zeggen: leest, loopt, spreekt gij enz. Doch zoo algemeen als mendu, en daarmede den tweeden persoon van het enkelvoud der werkwoorden, verworpen, en met dien van het meervoud verwisseld heeft, bijna even zoo algemeen is het aangenomen, het enkelvoud der gebiedende wijs zonder, en het meervoud met eenet uit te drukken, als: hoor gij, hoort gij; onaangezien in hoor gij, een meervoudige persoon bij een werkwoord in het enkelvoud gevoegd wordt.

§. 296. Hierbij moeten wij nog aanmerken, dat, daar geene letter, welke tot het zakelijke deel des woords, en niet tot den uitgang behoort, mag verworpen, maar door alle tijden en wijzen heen moet behouden worden, men zich geene verkorting van het enkelvoud der gebiedende wijs van sommige werkwoorden, als: branden, treden, zenden, houden enz., mag veroorloven, en bran, tree, zen, hou

[p. 147]

enz. schrijven, dewijl de d tot het zakelijke deel dier woorden behoort, en brand, treed, zend, houd enz. derhalve alleen de regelmatige spelling is. Die werkwoorden, welke, in het zakelijke deel, eene thebben, dulden, om deze reden, ook geen onderscheid tusschen het enkel- en meervoud, als:haat, weet, giet, sluit, stoot, smijt enz.; doch dit zelfde gebrek heerscht niet slechts in de gebiedende wijs, maar ook in alle overige wijzen en tijden dezer werkwoorden.

§. 297. 4. De aanvoegende wijs is die, waardoor iets twijfelachtig of onzeker gezegd, waardoor een wensch, of eene voorwaarde, of toegeving, of aandrijving uitgedrukt wordt; als, 1. een wensch: hij leve! ach, hij verhoore mij! 2. eene voorwaarde: leefde hij nog, ik zou mij verblijden; vinde ik hem, ik zal mij voldoening weten te bezorgen; 3. eene toegeving: hij ga waar hij wil, nogtans ontvlugt hij het niet; wie hij ook zij enz.; of eindelijk, 4. eene aandrijving, doch alleen in den eersten persoon van het meervoud, als:gaan wij, zingen wij enz.

§. 298. Ook bezigt men daartoe eenige voorvoegsels, of voegwoorden, terwijl 1. het oogmerk uitgedrukt wordt, door dat, opdat, ten einde, als: zorg, dat dit geschiede, - ik spreek, opdat ik gehoord worde enz.; 2. een wensch, door och dat, als: och dat ik hem nog gezien hadde! 3. eene toegeving, door dat, als: dat hij, zoo het hem lust,

[p. 148]

zijne gezondheid wage; 4 eene aandrijving, insgelijks door dat, als:dat hij zich haaste.

§. 299. Nog wordt de aanvoegende wijs met eenige andere voorvoegsels gebezigd, als:of, alsof, ten zij, schoon enz.; bij voorbeeld: ik twijfel, of hij mijn vriend wel zij - of hij het ware, of een ander, is niet gebleken - het scheen, alsof hij op nieuw jong geworden ware - ik zal niet rusten, ten zij men mij voldoening geve - hij zoude niet genoeg hebben, schoon hij een miljoen bezate, enz.

§. 300. Hierbij moet, eindelijk, nog aangemerkt worden, dat, in de boven bijgebragte gezegden, de aanvoegende wijs niet van de voorvoegsels afhangt, maar in den aard der uitdrukking zelve gelegen is, dewijl in al de genoemde voorstellen iets twijfelachtigs, iets onzekers plaats heeft, geen derzelven iets stelligs, of volstrekts zegt; het welk de eigenschap der aanvoegende wijs is.