6. Over de zamen gestelde werkwoorden.

 

§. 319. Eindelijk moeten wij nog, met een enkel woord, van de zamen gesteldewerkwoorden gewagen. Sommige werkwoorden zijn zamen gesteld met zelfstandige naamwoorden, sommige met bijwoorden, andere met voorzetsels. Tot de eerste behooren handhaven, pluimstrijken, kielhalen, raadplegen; tot de andere liefkozen, weerlichten, (wederlichten) enz.; en tot de laatste aanspreken, bijblijven, doorzetten, insluiten, misvatten, navragen, omloopen, tegenspreken, uitstrekken, voorlichten, en vele anderen; gelijk ook bedekken, geleiden, herinneren, ontvangen, verliezen enz.

§. 320. Bij de eerste dezer, met voorzetselen zamen gestelde, werkwoorden, valt de klemtoon, in de onbepaalde wijs, op het voorzetsel, als: aanspreken, bijblijven, enz.; en bij de laatste, op het zakelijke deel des werkwoords, als: bedekken, geleiden, enz. De voorzetsels, welke den nadruk der uitspraak ontvangen, worden scheidbaar genoemd, omdat zij, in de vervoeging, van de werkwoorden afgescheiden worden; bij voorbeeld:aanspreken, ik spreek aan, sprak aan, aan te spreken, enz.; die, welke den klemtoon niet hebben, dragen den naam van onscheidbaar, omdat zij, in de vervoeging, onafscheidelijk aan het

[p. 175]

werkwoord gehecht blijven, als: bedekken, ik bedek, bedekte, bedekt, te bedekken, enz.

§. 321. De werkwoorden, welke met scheidbare voorzetselen zamen gesteld zijn, onderscheiden zich van die, welke onscheidbare voorzetsels hebben, niet alleen door den nadruk der uitspraak, maar ook daardoor, dat zij hun verleden deelwoord vormen met inlassching van ge, als: aanbidden, aangebeden; en bij de onbepaalde wijs, somtijds tusschen het voorzetsel en het werkwoord te ontvangen, als: aanbidden, aan te bidden enz.; terwijl de, met onscheidbare voorzetselen zamen gestelde werkwoorden dit ingelaschte ge bij hunne verledene deelwoorden missen, en in de onbepaalde wijs te voorop ontvangen, als: beminnen, bemind, te beminnen.

§. 322. Sommige werkwoorden, met zelfstandige naamwoorden en bijwoorden zamen gesteld, blijven met hunne voorvoegselen, schoon die den klemtoon ontvangen, vereenigd, als: antwoorden, dagdieven, handhaven, dwarsdrijven, kielhalen, kortwieken, liefkozen, weerlichten, enz., waarvan dagdiefde, handhaafde enz., niet diefde dag, haafde hand, enz.; en alle werkwoorden, met zulke voorvoegselen zamen gesteld, nemen ge in het verledene deelwoord aan, en hebben, even als de met onscheidbare voorzetselen zamen gestelde werkwoorden, in de onbepaalde wijs, te voorop, bij voorbeeld: ik heb gehandhaafd, gekortwiekt enz.; zoo ook te handhaven, te kortwieken, enz.



[p. 176]

§. 323. Bij eenige met voorzetsels zamen gestelde werkwoorden, valt de nadruk der uitspraak dan op het voorzetsel, en dan op het zakelijke deel des werkwoords; en wordt, in gevolge daarvan, het voorzetsel dan al, dan wederom niet verplaatst, naar mate de verschillende beteekenissen der werkwoorden zulks vorderen, bij voorbeeld:

 

Onscheidbaar. Scheidbaar.
Ondergaán, ik onderga, onderging, heb ondergaan, te ondergaan óndergaan, ik ga onder, ging onder, ben ondergegaan, onder te gaan.
Onderhoúden, ik onderhoud, ik onderhield, heb onderhouden, te onderhouden. ónderhouden, ik houd onder, hield onder, heb ondergehouden, onder te houden.
Overwégen, ik overweeg, overwoog, heb overwogen, te overwegen. óverwegen, ik weeg over, woog over, heb overgewogen, over te wegen.
Voorzéggen, ik voorzeg, voorzeide, heb voorzegd, te voorzeggen. Voórzeggen, ik zeg voor, zeide voor, heb voorgezegd, voor te zeggen.
Misdoén, ik misdoe, misdeed, heb misdaan, te misdoen. Mísdoen, ik doe mis, deed mis, heb misgedaan, mis te doen.

 



[p. 177]

Zoo ook misgaán, ik misgá mij, - misgrijpen, ik misgrijp mij, - misrékenen, ik misréken mij, - mistéllen, ik mistél mij enz. Mísgaan, ik ging mis, - misgrijpen, ik greep mis, mistellen, ik telde mis, enz.

 

§. 324. Zeer verschillend, in der daad, is de beteekenis der boven genoemde en andere werkwoorden welke met onscheidbare en scheidbare voorzetsels zamen gesteld zijn. Immers, men zegt íemand onderhouden: ik onderhoud hem, dat is, ik geef hem voedsel en deksel; doch daarentegen: iemand ónderhouden: ik houd hem onder, dat is, ik houd hem onder water, of op den grond; overléggen: ik heb dat wel overlegd, dat is, ik heb dat wel bedacht; en óverleggen: ik heb dat overgelegd, dat is, ik heb dat gewonnen en bespaard; overwégen: ik overweeg, dat is, ik bepeins; en óverwegen: ik weeg over, dat is, ik weeg nog eens. Zoo ook voldoén: ik voldoe, en vóldoen: ik doe vol - omgéven: ik omgeef, en ómgeven, ik geef om - overwínnen: ik overwin, enóverwinnen: ik win over enz.  *  

 *  Eenige dezer, met scheidbare voorzetsels zamen gestelde werkwoorden worden ook als niet zamen gesteld gebezigd, bij voorbeeld: onder houden, ik houd onder, mis gaan, ik ga mis, over wegen, ik weeg over. Zie verder L. ten Kate Aanleid. D. I., bl. 406-409, B. Huijdecop. Proeve, D. I., bl. 419.