F. OVER DE KLEINERE REDEDEELEN.1. Over de telwoorden.
§. 325. Om de hoeveelheid der enkele dingen, van welke gesproken wordt, uit te drukken, dienen de telwoorden. Deze hoeveelheid kan op tweederlei wijs aangeduid worden, of bepaaldelijk met uitdrukking van het juiste getal der enkele dingen, of algemeen, zonder bepaling van het getal. Het eerste geschiedt door de hoofd- of grondgetallen, en het andere door zekere algemeene telwoorden. §. 326. De hoofd- of grondgetallen zijn deels wortelwoorden, deels afgeleide, deels zamen gestelde woorden. Wortelwoorden zijn: een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien; afgeleide, welke, door middel van den uitgang tig, van de boven genoemde wortelwoorden afgeleid zijn: twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, ook honderd en duizend; zamen gestelde: elf, twaalf, dertien, veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien en negentien. Met deze telwoorden, welke den naam van bepaalde telwoorden dragen, kunnen alle mogelijke getallen uitgedrukt worden. §. 327. Wanneer bepaalde getallen met woorden uitgedrukt
worden, dan geschiedt zulks op de volgende wijs. 1. Van dertien tot
honderd wordt het kleinere getal vooraan geplaatst, en wel zoo, dat het,
tot negentien, met tien tot een woord zamen getrokken wordt: dertien (drie en tien), veertien (vier en tien) enz. Van twintig af wordt het kleinere getal, door middel van het woordje en, met de tientallen verbonden: een en twintig, twee en dertig, drie en veertig enz. Eenwordt hier natuurlijk als een bijwoord gebezigd, en blijft onveranderd: een en twintig mannen - een (niet eene) en twintig vrouwen. 2. Boven honderd,wordt het kleinere getal achteraan geplaatst: honderd en een, duizend en zes, enz. Doch wanneer hetzelve het getal der honderden en duizenden bepaalt, treedt het weder vooraan: een honderd, drie honderd, vier duizend enz. Men schrijft deze woorden van elkander afgescheiden: vier honderd en zestig, acht duizend zes en negentig enz., en niet vierhonderdenzestig enz. Zie §. 67. §. 328. Het telwoord een wordt als het lidwoord een verbogen, en heeft altoos den nadruk der uitspraak, terwijl bij het lidwoord een de klemtoon op het zelfstandige naamwoord valt, waarbij het gevoegd is: éen man, in tegenstelling van twee, of meer mannen - een mán, dat is zeker man. Om de eenheid nader te bepalen, zegt men maar een: ik heb maar een kind; of een eenig: er is maar een eenige God; niet een eenige vriend bezocht mij. §. 329. Met het bepalende lidwoord voor zich, ontvangt een, in den eersten naamval van het mannelijke en onzijdige geslacht, eene e, en wordt verder dus verbogen:
Men zegt derhalve de eene en de andere, en niet de een en de ander. §. 330. Even zoo wordt het ook verbogen, wanneer het, in plaats van het lidwoord, een voornaamwoord voor zich heeft: deze eene, dit eene, mijn eene, mijne eene, mijn eene, dezes eenen, van dezen eenen, dezer eene, van deze eene enz. En deze verbuiging behoudt het ook, wanneer het (met het lidwoord, of voornaamwoord) een zelfstandig naamwoord bij zich heeft: de eene man, deze eene man - de eene vrouw, deze eene vrouw - het eene kind, dit eene kind, - des eenen mans, dezes eenen mans, van den eenen man, van dezen eenen man enz. Voor mijn eene, zijn eene, uw eene enz. bezigt men liever een mijner enz., bij voorbeeld: mijn eene hand is gekwetst, beter: eene mijnder handen; - uw eene kind, beter: een uwer kinderen; - zijn eene paard, beter: een zijner paarden. §. 331. De overige telwoorden blijven, in alle geslachten,
onveranderd. Zij worden bij zelfstandige naamwoorden gevoegd: twee
huizen; ook met het lidwoord: de drie tuinen enz.; of zij staan alleen: een, twee, drie - het slaat zes. Somwijlen echter lijden zij eenige verbuiging: wij waren met ons vieren (vier personen) - niet lang na zessen (na zes uren); - wij verdeelden het onder ons twintigen - zij kwamen met honderden, met duizenden. Over de bijvoegelijke telwoorden de eerste, tweede, tiende enz. is§. 182 gehandeld. §. 332. Somwijlen worden de telwoorden als zelfstandige naamwoorden gebezigd, en wel in het vrouwelijke en onzijdige geslacht. Vrouwelijk: eene een, twee eenen, drie zessen, vier achten, de vijf, de negen, de tien, de zeven, twee vijven, drie tienen, drie drieën enz., in het kaartspel, of op de dobbelsteenen. Onzijdig: het twintig, het vijf en twintig, het honderd, het duizend enz. Zoo ook een groote twintig, een kleine duizend, een goede zestig; bij welke laatste voorbeelden op te merken valt, dat het gebruik, tegen den gewonen regel, hier de verbuiging van het onzijdige bijvoegelijke naamwoord achter het niet bepalende lidwoord een verkiest. §. 333. Ook laten zich zelfstandige naamwoorden, in er uitgaande, van de telwoorden afleiden: een zestiger, een man van zestig jaren, ook een schip van zestig stukken; acht en veertiger, wijn van het gewas des jaars 1748. §. 334. Beide, beteekenende zoo veel als alle
twee, wordt dan gebezigd, wanneer twee dingen te zamen genomen, of als te
zamen genomen beschouwd worden. Het komt meest in het meervoudige getal voor, zoo wel als bijvoegelijk, met een zelfstandig naamwoord, als op zich zelf, en zonder een zelfstandig naamwoord: aan beide oogen blind zijn, - beide mijne zusters. Ook zonder zelfstandig naamwoord: met beider bewilliging. §. 335. Wijders worden de telwoorden met het woord half, halve, zamen gesteld: anderhalf (voor anderde half, dat is de tweede half, ter helft van de tweede), derdhalf (de derde half, ter helft van de derde), vierdhalf, vijfthalf, zesthalf, zevendhalf, achthalf enz., - tiendhalf uur gaans. §. 336. De algemeene telwoorden, die zoo wel onder de voornaamwoorden, als onder de bijvoegelijke naamwoorden kunnen gerangschikt worden, duiden het getal slechts algemeen aan, zonder een zeker bepaald getal te bedoelen, en zijn weder van verschillende aard. Zij bevatten of alle eenheden onbepaald, als: al, ieder, iegelijk, elken geen; of een aanmerkelijk gedeelte van dezelve, als: veel, menig; of slechts een klein gedeelte, als: weinig, eenig (niet het bijvoegelijke naamwoord, als: de eenige God), ettelijke sommige. §. 337. Al, alle duldt, uit hoofde dat het de
zelfstandigheid eener zaak genoeg bepaalt, geen lidwoord voor zich;
uitgezonderd, wanneer het als zelfstandig gebezigd wordt, bij voorbeeld: het
al, het heelal. In sommige gevallen echter kunnen de voornaamwoorden
die, deze, welke, enz. voor hetzelve staan: die allen, enz.; ook, wanneer al, alles zelfstandig genomen wordt, als: bij dit alles, welk alles, enz. §. 338. Het wordt in verscheidene betrekkingen gebezigd. Voor eerst, in eenen verdeelenden zin, om eene veelheid, of algemeenheid van getal aan te duiden, in opzigt tot de verscheidene enkele dingen van eene zekere soort, welke als zamen genomen moeten voorgesteld worden; in welk geval het met zijn zelfstandig naamwoord, of persoonlijk voornaamwoord, alleen in het meervoudige getal staat: alle menschen moeten sterven. De vergankelijkheid aller dingen. Dat zeggen zij allen. Zij allen, die dit zeggen. U aller vriend, - ons aller vader. enz. * §. 339. Uit de boven aangevoerde voorbeelden blijkt, dat alle voor het zelfstandige naamwoord, en achter het voornaamwoord geplaatst wordt. Somtijds staat het ook eenigszins van het voornaamwoord verwijderd: wij zullen allen sterven, - zij mogen ditmaal niet allen te gelijk komen, enz. §. 340. Ook wordt dit al, alle, bij de bepaalde telwoorden gevoegd, om denzelven nadruk bij te |
* Dikwerf leest men: u aller vriend, onze
aller moeder, uwer aller vriend, onzer aller moeder enz., doch
verkeerdelijk, dewijl het voornaamwoord hier onverbogen blijft, even als, in
dergelijk geval, bij sommige zelfstandige naamwoorden plaats heeft, bij
voorbeeld: Keizer Karels wetten, dat is, de wetten van Keizer
Karel. Zoo ook u aller vriend, ons aller moeder, dat is, de
vriend van u allen, de moeder van ons allen.
| |||||||||||||||
|
zetten, bij voorbeeld: zij kwamen alle vier, - ik heb met alle tien gesproken. Insgelijks wordt het zonder zelfstandig naamwoord en persoonlijk voornaamwoord, in het meervoud, gebruikt, terwijl het woord menschen, of andere woorden, daaronder verstaan worden: aller oogen hebben het gezien. Allen zeggen het. Zijn huis staat voor allen open. §. 341. Dit heeft ook in het enkelvoud plaats, terwijl het onzijdige alles, voor alle menschen, of alle dingen, gebezigd wordt. Voor alle menschen: alles, wat de wapenen konde dragen, enz. Voor alle dingen: ik heb dat alles reeds lang geweten. §. 342. Ten tweede wordt al, alle - in eenen verzamelenden zin genomen, om de enkele deelen als een eenig geheel voor te stellen; en als zoodanig staat het, met zijn zelfstandig naamwoord, in het enkelvoud, en bekleedt de plaats van het bijvoegelijke gansch, geheel: al het land afloopen. Alle hoop op herstel was verdwenen. Al mijne vreugd heeft een einde. Gij verdooft alle gevoel van deugd, en stopt dus de bron van alle welvaart. Al de wereld (ieder) spreekt daarvan. §. 343. Ook wordt het gebezigd, in opzigt tot ieder deel, dat
het geheel mede uitmaakt, in het bijzonder; in welk geval het de beteekenis van
elk, ieder, allerlei heeft, en zoo wel in het enkelvoud, als meervoud
gebruikelijk is; bij voorbeeld: alle begin is moeijelijk. Zich aan allen
wellust (iedere soort van wellust) overgeven. Zij is eene vijandin
van alle ijdelheid. Alle oogenblikken, alle uren, alle acht dagen, alle drie maanden, in alle deelen enz. Intusschen kan alle niet altijd de plaast van ieder bekleeden; want alle mensch, alle huis enz., voor ieder mensch, ieder huis enz., wordt niet gezegd. §. 344. Somwijlen worden zelfstandige naamwoorden, in het enkelvoud, even als het boven staande alle, in eenen verzamelenden zin gebruikt, zoo dat het even zoo veel is, als of zij in het meervoud uitgedrukt waren. In dit geval, blijft alle, voor woorden van allerlei geslacht geplaatst, onverbogen, bij voorbeeld: alle weg, alle kant, alle ramp, alle volk, alle ding, alle land, enz., voor alle wegen, alle kanten, enz. Deze gewoonte heerscht onder alle volk. Men hoort er alle dag van, enz. §. 345. Gelijk de bijvoegelijke naamwoorden, voor het niet bepalende lidwoord staande, niet verbogen worden, als: hij deed zoo zwaar eenen arbeid - hij beminde zoo schoon eene vrouw, enz., zoo wordt al voor het bepalende lidwoord en de bezittelijke voornaamwoorden mede onverbogen geplaatst: hij deed al den arbeid. Al de menschen, die daar waren. Al het volk (het gansche volk) zal juichen. Al het land staat onder water. In al uwen wandel - in al mijnen druk - door al uwe bekommeringen. Voor de bijvoegelijke naamwoorden is het verbuigbaar: hij oefent zich met allen mogelijken ijver, enz. §. 346. Elk, ieder, eenig en menig, bij een
zelfstandig naamwoord gevoegd, worden als bijvoegelijke naamwoorden verbogen: elk, ieder, eenig, menig man, - elke, iedere, eenige, menige vrouw, - elk, ieder, eenig menig kind, - elken, iederen, eenigen, menigen mans, enz. Elk, ieder, zoo ook elkeen, iedereen, een ieder, als zelfstandig, is, in de verbuiging, elks, ieders, elkeens, iedereens, eens ieders, eens iederen, enz.; zoo ook iegelijk, een iegelijk; allen zonder meervoud. Het meervoud eenigen is zelfstandig. §. 347. Geen komt voor niet een, wordt als een gebogen, en heeft geen lidwoord voor zich. Het staat zoo wel voor zijn zelfstandig naamwoord, als zonder hetzelve:geen mensch, geen dier, - geenes dings gebrek hebben. Daar was er geen gebleven. Geen van beiden. Wanneer geen het tegengestelde van het telwoord een is, heeft het, zoo min als dit, een meervoud, maar wel, wanneer het tegen het niet bepalende lidwoord een over staat: er zijn nog geene bladen aan de boomen. §. 348. Veel en weinig staan tegen elkander over;
het eene beteekent eene groote onbepaalde, het andere eene kleine onbepaalde
veelheid. Zij blijven in het enkel- en meervoud onverbogen, en hebben altijd
eenen tweeden naamval bij zich, schoon bij woorden van het vrouwelijke geslacht
de tweede naamval niet bemerkt wordt, als: hij heeft daarin veel ijvers
betoond; ik heb niet veel tijds; hij is niet veel mans; het kost mij veel
moeite; zij beleven niet veel vreugd aan hem; dat gezegde maakte weinig indruk; weinig vlijt aanwenden; veel kinderen hebben; veel hoofden, veel zinnen; voor weinig dagen; ik verwacht weinig gasten, enz. §. 349. Wanneer weinig echter met het bepalende lidwoord, of met een voornaamwoord gebezigd wordt, dan wordt het op de gewone wijs gebogen, bij voorbeeld: de weinige moeite, welke ik daaraan gehad heb. De weinige gasten, die daar waren. Om deze weinige redenen. Het weinige geld. Zijne weinige goede vrienden hebben hem geholpen. Een weinig blijft altijd onverbogen: water met een weinig wijns drinken. §. 350. Daar de veelheid bij beide deze woorden zeer onbepaald is, zoo hebben zij ook, op de wijs der bijvoegelijke naamwoorden, den vergrootenden en overtreffenden trap, als: veel, meer, of meerder, meest; weinig, weiniger, weinigst, ook minder, minst. Meer en weiniger, of minder, worden, wanneer geen lid- of voornaamwoord vooraf gaat, niet verbogen, en hebben den tweeden naamval bij zich, als: meer gelds, minder vreugd, meer wijns, minder waters, meer menschen, minder zorgen enz. Doch daarentegen: ik schrijf den minderen indruk, dien zijne redenen maakten, daaraan toeenz. Op dezelfde wijze volgt de overtreffende trap meest en weinigst, of minst, de verbuiging der bijvoegelijke naamwoorden. §. 351. De meervoudige velen en weinigen zijn zelfstandig. Zoo zegt men, bij voorbeeld: velen willen, dat enz.; veler gevoelen komt hierop nederenz.; ik heb het van weinigen gehoord; de weinigen, die het mij gezegd hebben enz. Zoo ook meerderen en minderen, bij voorbeeld: ik wil gaarn voor mijne meerderen wijken; men moet zich altoos vriendelijk en inschikkelijk jegens zijne minderen gedragen, en zijne meerderen met gepasten eerbied behandelen. Zie §. 208. Van veel worden de bijvoegelijke de hoeveelste, de zooveelste gevormd. |