2. Over de bijwoorden.

 

§. 352. Bijwoorden zijn zulke woorden, welke bij de werkwoorden gevoegd worden, om eene hoedanigheid, of omstandigheid der werking, lijding, of des bestaans, uit te drukken, als: vroeg komen, schielijk loopen, lang wachten, wel lezen enz.

§. 353. De bijwoorden zijn zeer onderscheiden in beteekenis, en kunnen gevoeglijk verdeeld worden in bijwoorden van tijd: heden, gisteren, onlangs, voormaals, straks, morgen, immer, nooit, somwijlen, altijd, intusschen, dagelijks enz.; - van plaats: hier, ergens, boven, beneden, alom, herwaarts, derwaarts, hierheen, hierdoor enz.; - van hoegrootheid: veel, weinig, zeer, genoeg enz.; van hoedanigheid: wel, kwalijk, ligtelijk, armelijk, eerlijk, stukswijze, trapswijze enz.; - van bevestiging:

[p. 189]

ja, waarlijk, zeker, gewis, ongetwijfeld enz.; - van ontkenning: neen, niet, geenszins enz.; - van twijfeling: mogelijk, misschien, veelligt enz.; - van aansporing: welaan, lustig, voort, enz.; - van verzameling: te gelijk, te gader, gezamenlijk enz.; - van afzondering: inzonderheid, bijzonderlijk, alleen, enz.; van vergelijking: als, gelijk enz.; - van vermindering: naauwelijks, schier enz.; - van verkiezing: eer, veelmeer, vooral enz.; - van aanwijzing: zoo, namelijk enz.; - van ondervraging: hoe, waarom enz.; - van orde: eerst, daarna enz.; - van herhaling: eens, tweemaal, dikwerf enz.

§. 354. Eenige dezer bijwoorden zijn oorspronkelijk, als: hier, daar, ja, neen enz.; eenige zijn van zelfstandige, of bijvoegelijke naamwoorden afgeleid, met achtervoeging van den uitgang lijk, als: eindelijk van einde, namelijk, van naam, gebrekkelijk van gebrek enz.; wijselijk van wijs, ligtelijk van ligt, zekerlijk van zeker, zottelijk van zot enz.; sommige zijn van bijvoegelijke en zelfstandige naamwoorden zamen gesteld, als: allezins, geenszins, gelijkerwijs enz.; andere bestaan uit twee zelfstandige naamwoorden, als: vraagswijze, trapswijze enz.; terwijl sommige, eindelijk, met verkleiningsuitgangen voorkomen, als: zoetjes, zachtjes enz., waarvoor, weleer, zoetkens, zachtkens enz.

§. 355. Eenige bijwoorden zijn niets anders, dan de tweede naamval van zelfstandige, of bijvoegelijke naamwoorden,

[p. 190]

als: doorgaans, vergeefs, links, regts, hedendaagsenz., van welke sommige, door het aannemen van ch, bijvoegelijke naamwoorden worden, als: vergeefsche moeite, hedendaagsche gewoonte enz.

§. 356. Eenige dezer woorden zijn ware bijwoorden, en kunnen nooit anders, dan als zoodanig gebezigd worden, als: ja, neen, hier, daar, nu, zoo, straks, onder, voor, achter, namelijk, ligtelijk, zekerlijk, en vele anderen, op lijk uitgaande. Sommige bijwoorden zijn eigenlijk als bijwoorden gebezigde bijvoegelijke naamwoorden, en kunnen ook, zonder eenige verandering, als bijvoegelijke naamwoorden gebruikt worden, bij voorbeeld: tegenwoordig, verre, vroeg, spade, eerlijk, trapswijze, schielijk, langzaam, hoog, laagenz.; als: de tegenwoordige tijd, een verre afstand enz.

§. 357. Ook zijn de bijwoorden, of als bijwoorden gebezigde bijvoegelijke naamwoorden, voor vergrooting vatbaar, als: na, nader, naast, - hoog, hooger, hoogst, - laag, lager, laagst, - vroeg, vroeger, vroegst, - laat, later, laatst, - lang, langer, langst, - kort, korter, kortst, - slecht, slechter, slechtst, - ver, verder, verst, - eerlijk, eerlijker, eerlijkst (en eenige anderen met lijk), - langzaam, langzamer, langzaamst, - wel, beter, best, - weinig, weiniger, weinigst, ook minder, minst, - veel, meer, meest.

§. 358. Ook strekken zij dikwerf, om zekere omstandigheid

[p. 191]

der bijvoegelijke naamwoorden, of, om de hoedanigheid, welke aan eene zaak toegeschreven wordt, aan te duiden, als: een schier afgesleten kleed - een thans heerschend gebrek. Zoo ook: een hedendaags gezocht werk - een regt vrolijk kind. Hier behooren hedendaags en regt niet tot werk en kind, maar tot gezocht en vrolijk; even als schier tot afgesleten, en thans tot heerschend; en de meening is: - een kleed, dat schier afgesleten, - een gebrek, dat thans heerschend, - een werk, dat hedendaags gezocht - een kind, dat regt vrolijk is.

§. 359. Dikwerf worden twee en meer bijwoorden bij elkander gevoegd, terwijl het eene door het andere nader bepaald wordt, als: daar boven, hier beneden; ook als bijwoorden gebezigde bijvoegelijke naamwoorden, als: ongemeen ver, - schoon opgesierd, - half dronken, - spoedig gereed, - bijna geheel dood enz.

§. 360. De werkwoorden worden voornamelijk door bijwoorden bepaald; of, met andere woorden: de bijwoorden bepalen de wijs der werking van het werkwoord, als: de wond bloed sterk, - hij stierf plotselijk, - de vogel vliegt hoog enz. Zie ook §. 191.

§. 361. De bijwoorden bestaan, als deelen der rede, eigenlijk, slechts uit een woord. Er zijn echter verscheidene bewoordingen, welke uit meer woorden bestaan, en als bijwoorden gebezigd worden, bij

[p. 192]

voorbeeld: ten eerste, ten laatste op nieuw, in allerijl, van dag tot dag, van jaar tot jaar, bij dag, bij nacht, des daags, des nachts, des morgens, te weten, het zij zoo, op wat wijs, in geenen deele, naar binnen, naar buiten, naar boven, naar onder, regt toe, regt aan, van voren, van achter, van elders, van verre en van nabij, anders heinde en veer, heen en weder, van alle zijden enz.