3. Over de voorzetsels.

 

§. 362. De voorzetsels zijn eene soort van bijwoorden, van de gewone bijwoorden alleen daarin onderscheiden, dat deze altijd tot werkwoorden behooren, en geenen invloed in het geheel op de naamvallen der zelfstandige naamwoorden hebben, terwijl de voorzetsels zoo wel bij de naamwoorden, als bij de werkwoorden gevoegd, en aan dezelve gehecht worden, de eerste met de laatste verbinden, of de omstandigheden en betrekkingen aanduiden, waarin de naamwoorden door de werkwoorden geplaatst worden.

§. 363. De voorzetsels laten zich gevoeglijk in twee soorten verdeelen, in onscheidbareen scheidbare. Van beide deze soorten hebben wij boven, bij de zamen gestelde werkwoorden, in zoo verre als zij met de werkwoorden verbonden worden, reeds gesproken. Hier ter plaatse zullen wij omtrent dezelve echter nog het een en ander in het midden brengen,

[p. 193]

en wel voor eerst, omtrent de onscheidbare be, ge, her, ont, ver.

§. 364. Het voorzetsel be is hetzelfde als het oude bi (nu bij), strekt, in het algemeen, om den zin te versterken, gelijk bedenken meer is, dan denken, beteekenende zoo veel als eene zaak van alle zijden overdenken. Intusschen verliest dit voorzetsel somwijlen de e, als: blijven, voor het oude belijven; bang, en het werkwoord bangen, voor beang, beangen.

§. 365. Het voorzetsel ge brengt weinig toe tot verandering van den zin, alleen wordt die door hetzelve eenigzins gestijfd, doch merkelijk minder, dan door ons be, als: leiden, geleiden, naken, genaken enz. Somwijlen werpt het ook de e weg, als: glijden, voor gelijden; gunnen, voor geunnen. Zoo vindt men ook bij de Dichters gluk, voor geluk geschreven.

§. 366. Het voorzetsel her beteekent zoo veel als wederom: herinneren, herkennen, hermaken enz. Dit voorzetsel her moet wel onderscheiden worden van ons her, in hertog, herberg, het welk eigenlijk eene zamentrekking van heir, of heer is; als mede van her, voor hier, in herwaarts, herkomst enz. Min gebruikelijk is ons er, in ervaren enz.

§. 367. Ons voorzetsel ont, dat eene ontrooving te kennen geeft, wordt meestal bij werkwoorden, of deelwoorden, zeldzamer bij naamwoorden, gevoegd, bij voorbeeld: ontleeren, onthoofden, ontmannen

[p. 194]

enz., welke eene berooving aanduiden. Zoo is ontbonden iets, het welk gebonden geweest, doch nu los gemaakt is. Somwijlen echter strekt ont alleen, om den zin te stijven, als: ontbranden, ontblooten, ontslapen, enz.

§. 368. Het voorzetsel ver heeft menigvuldige en verschillende beteekenissen, en komt zoo wel bij naam- als werkwoorden en deelwoorden. Het strekt, voor eerst, tot versterking van den zin, als: veranderen, vereenigen, enz. Nog blijkbaarder is deze versterking in verdrukken, dat zoo veel is als te zwaar drukken; - in verheeren, vermeesteren, verwinnen; waarin het voor over gebezigd wordt. 2. Duidt het eene verandering, of herdoening aan, als: verdoen, - een huis verbouwen, enz. 3. Bij sommige werkwoorden heeft het eene betekenis ten goede, wanneer het de verwerving van eenige gunst, of de geneigdheid ter mededeeling van dezelve te kennen geeft, als: verbidden, vergeven, verhooren, enz. 4. Duidt het eene verhooging aan, als: verheffen, vergoden, enz. En eindelijk beteekent het eene berooving, en doet de woorden, bij welke het gevoegd wordt, eenen kwaden zin erlangen; welke beteekenis van hetzelve de algemeenste is, als: verachten, verdenken, verdoen (ombrengen), vergeven (met gift ombrengen), verwenschen, enz.

§. 369. Bij de genoemde voorzetsels kunnen nog and, of ant, mis, on, en wan gevoegd worden. Van ons oude and, of ant, dat zoo veel als tegen

[p. 195]

is, hebben wij nog een overblijfsel in antwoord, dat is tegenwoord; en dus ook in antwoorden. Ons voorzetsel mis (dat echter niet altoos onscheidbaar is, zie § 176, 177) geeft aan de woorden, bij welke het gevoegd wordt, eene beteekenis ten kwade, als: misbruiken, een kwaad gebruik van iets maken, - mishagen, niet, of kwalijk behagen, - miskennen, in een verkeerd licht beschouwen, enz. Het voorzetsel onstaat met het boven genoemde ont in eene naauwe betrekking; echter verschillen derzelver beteekenis en werking, in zoo verre, dat ont, gelijk gezegd is, eene ontrooving, en on een gebrek, of eene ontbreking van iets te kennen geeft; zoo is, bij voorbeeld, ontwijd zoo veel als ontheiligd, van zijne vorige heiligheid beroofd, en ongewijd iets, dat nog niet gewijd is. Voor het overige vereenigt zich dit on niet met werkwoorden, maar wel met zelfstandige en bijvoegelijke naamwoorden, of met verledene deelwoorden, en doet dezelve, in het algemeen, eene tegengestelde beteekenis erlangen, als: ondank, ontrouw, ongelezen.

§. 370. Ons voorzetsel wan, dat eigenlijk een oud zelfstandig naamwoord is, en zoo veel als gebrek, behoefte, beteekent, is, in kracht niet ongelijk aan ver in de laatst voorgedragene beteekenis, geeft eene berooving te kennen, en verandert den zin der woorden ten kwade, als: wanhopen, wangunst, wantrouw.

§. 371. De scheidbare voorzetsels, welke thans

[p. 196]

in aanmerking komen, zijn menigvuldig, en bestaan in wortelwoorden, als: aan, bij, door, in, met, na, naar, om, tot, uit, van, voor, enz.; of in afgeleide, als: halve, wege, naast, enz.; of in zamen gestelde, als: behalve, rondom, voorbij, enz. Zij dienen, om het gebrekkige der verbuiging te vervullen, door de betrekkingen aan te duiden, welke door de naamvallen der zelfstandige naamwoorden niet voldoende kunnen uitgedrukt worden.

§. 372. De voorzetsels ontleenen hunnen naam van daar, dat zij gemeenlijk voor de woorden gevoegd worden, het welk, ten aanzien van de onscheidbare voorzetsels, zonder uitzondering plaats heeft, als: ontvangen, ik ontving, heb ontvangem enz.; doch in opzigt tot de scheidbare voorzetsels kan men aanmerken, dat zij ook dikwerf achter de woorden geplaatst worden, tot welke zij behooren, als: nazingen, ik zong na  *   enz. Ook staan de scheidbare voorzetsels niet altoos voor de naamwoorden, welker betrekkingen zij aanduiden, maar ook achter dezelve, bijvoorbeeld: ik klom langs den muur, en: ik klom den muur langs, - ik reed door de stad, en: ik reed de stad door. Doch in het laatste geval komt het voorzetsel eigenlijk als een bijwoord voor; gelijk dit meermalen plaats vindt, als in de spreekwijzen: van kindsbeen aan, kom aan, wel aan, tot heden toe, enz.

 *  Zie boven § 319 en verv.


[p. 197]

§. 373. Gelijk de ouden gewoon waren, van den tweeden naamval veel meer gebruik te maken, dan wij, zoo plaatsten zij denzelven ook veelal bij de voorzetsels; als blijkt uit: voor 's hands, onder 's hands, binnen 's boords, tusschen deks, bij tijds, van ouds, tot stervens toe, in der daad, in der tijd, met der woon, ter goeder trouw enz.; en met het voorzetsel achter het zelfstandig naamwoord: ambswege, vriendschapshalve enz.  *  

§. 374. Schoon men dit gebruik der oudheid in de boven gemelde en meer soortgelijke, algemeen in zwang zijnde, zegswijzen behouden heeft en dient te behouden, beheerschen echter, naar het tegenwoordige gebruik, onze voorzetsels alleen den vierden naamval; terwijl de tweede en derde naamval gevormd wordt, of door verbuiging, of door voorzetsels, welke den vierden naamval regeren. Zoo zegt men, bij voorbeeld: het bevel des konings, of: het bevel van den koning (niet van des konings); en in het meervoud: ik heb het den kinderen gegeven, of: ik heb het aan de kinderen gegeven (niet aan den kinderen). Zoo ook: dit is sommigen menschen nadeelig, of: dit is voor sommige menschen nadeelig (niet voor sommigen menschen).

 *  Zie Verhandel. Over de Nederd. Spelling, door den Hoogleeraar M. Siegenbeek, bl. 226, 227: Inleiding voor mijn Nederd. taalkundig Woordenboek, bl. 185.


[p. 198]

§. 375. Het is derhalve voor onze taal, welker zelfstandige naamwoorden niet in alle naamvallen verbogen worden, eene willekeurige onderscheiding, volgens welke de naamwoorden, door voorzetsels beheerscht, in den derden of vierden naamval moeten staan, naar mate eene rust in, of beweging naar eene plaats bedoeld wordt; en in de uitdrukkingen: de hoed hangt aan den wand, - op den grond zitten, - in het water liggenenz., komt zoo wel de vierde naamval voor, als in: iets aan den wand hangen, op den grond gooijen, in het water springen enz.