4. Over de voegwoorden.
§. 376. De voegwoorden zijn, insgelijks, eene soort van bijwoorden, maar zulke, die de betrekking van de eene rede op de andere, gelijk ook de betrekking, welker derzelver leden op elkander hebben, aanduiden. Zij maken het voorgaande op het volgende, zoo wel als het volgende op het voorgaande betrekkelijk; zij zijn de draden, welke de eene rede aan de andere knoopen, en geven dus dat verband aan de woorden, het welk in onze denkbeelden plaats heeft. Tot dezelve behooren en, ook, nog, noch, dat, omdat, opdat, schoon, echter, maar, want, indien, dewijl, naardien, weshalve, enz. §. 377. Sommige voegwoorden zijn wortelwoorden, als: ook,
zoo, nu, nog, hoe, dan, doch, maar, enz.; sommige afgeleid, als: deels,
anders, gevolgelijk, enz,; andere zamen gesteld, als: insgelijks, daarenboven, daarentegen, ofschoon, enz.; wederom andere maken meer dan een woord uit, als: zoo wel, niet alleen, niet minder, als ook, gelijk als, behalve dat, voor het overige, enz. §. 378. Ten aanzien van hunne beteekenis, of hunnen invloed op het verband der rede, kunnen de voegwoorden in de volgende soorten onderscheiden worden, als: verbindende: en, ook, niet alleen, maar ook, enz.; verhalende: hoe, dat, enz.; oogmerk aanduidende: opdat, ten einde, enz.; reden gevende: omdat, want, dewijl, enz.; reden voortzettende: ten eerste, ten tweede, verder, insgelijks, eindelijk enz.; verklarende: dat is, namelijk, als, enz.; besluitende: daarom, zoo, derhalve, enz.; tegenstelling aanwijzende: doch, maar, echter, nogtans, daarentegen, enz.; uitsluitende: behalve, uitgezonderd, enz.; voorwaardelijke: zoo, indien, ten zij, enz.; vergelijkende: gelijk, gelijk als, zoo als, enz.; toegevende: schoon, alhoewel, hoe zeer, toch, enz.; tijdsopvolging aanduidende: terwijl, inmiddels, nu en dan, zoo dra als, enz. §. 379. Nog moet het een en ander omtrent de spelling en het
gebruik der voegwoorden aangemerkt worden; en wel voor eerst, omtrent het woord
daarenboven, hetwelk door sommigen daarteboven geschreven wordt,
doch geheel strijdig met de regelmaat der tale, welke deze schrijfwijs niet minder afkeurt, dan die van daartetegen, voor daarentegen. Ten andere schrijft men dikwerf, schoon verkeerd, nogthans, en ook nogthands, als van nog en thands, voor te hands, zamen gesteld; terwijl tans, of liever tan, niets anders dan een uitgang is; waarom de ouden ook altijd nogtan schreven. Hierbij is naderhand de s gekomen, en daaruit de spelling van nogtans ontstaan, welke met het gezag onzer keurigste schrijveren gestaafd is. * §. 380. Dikwerf wordt doch voor toch, dewijl voor terwijl, en omgekeerd, gebezigd, daar het verschil van schrijfwijs tusschen deze woorden noodzakelijk moet in acht genomen worden. Immers doch is een tegenstelling aanwijzend, toch een toegevend voegwoord; bij voorbeeld: ik zoude wel bij u komen, doch ik kan heden volstrekt niet van huis - gij zult het mij toch niet ten kwade duiden. Zoo is dewijleen reden gevend, en terwijl een tijdsopvolging aanduidend voegwoord, gelijk uit de volgende voorbeelden blijkt: dewijl (naardien) gij mij niet geantwoord hebt, zal ik u niet meer schrijven; - terwijl ik bij hem was, kwamen verscheidene vrienden hem bezoeken. |
* Zie Verhandel. Over de Nederd. Spelling,
door den Hoogleeraar M. Siegenbeek, bl. 217 en verv.
|