[p. 203]

Tweede deel.



[p. 205]

Nederduitsche spraakkunst.

Tweede deel. Over de woordvoeging.

Eerste hoofdstuk. Over de onderlinge betrekking en beheersching der onderscheidene woorden, of taaldeelen.

INLEIDING.

 

§. 1.

Enkele, of ook zamen gestelde woorden zouden eene zeer onvolkomene taal uitmaken, wanneer zij niet geschikt waren, om tot eene zamen hangende rede met elkander verbonden te worden, en daardoor de hoorbare en zigtbare uitdrukking van eene rij van denkbeelden en voorstellingen te weeg te brengen. Op welk eene wijs dit geschiedt, leert de woordvoeging, eene van de voornaamste en gewigtigste deelen der taalkunde.

§. 2. Wanneer woorden tot de uitdrukking van eene gansche rij van denkbeelden zamen gevoegd worden, kunnen zij niet altoos, zoo als zij zijn, onverschillig

[p. 206]

hoe; naast elkander staan, maar moeten dikwerf, door buiging en vervoeging, zekere veranderingen aannemen. En die woorden, welke aan geene verandering onderhevig zijn, mogen ook niet, onverschillig waar, geplaatst worden, maar moeten, door middel der woordvoeging, hunnen regten stand verkrijgen, om, langs dezen weg, onze denkbeelden, door verstaanbare uitdrukkingen, aan anderen mede te deelen.

§. 3. De woordvoeging is, derhalve, de aanwijzing van die onderlinge betrekkingen en beheersching der woorden, en van die orde en schikking van dezelve, om eenen zin, of eene rede, uit te maken, welke, volgens de natuurlijke orde en betrekking der denkbeelden in des menschen geest, en volgens de bijzondere eigenschappen en wetten eener tale, gevorderd wordt.

§. 4. Uit het eerste oogpunt beschouwd, is de woordvoeging voor alle talen gemeen, uit het laatste is zij voor elke taal bijzonder. Het is hier de plaats alleen, om over die woordvoeging te handelen, welke aan de Nederduitsche taal, in onderscheiding van andere talen, eigen is.