[p. 214]

2. Verbinding van twee of meer zelfstandige naamwoorden, in eene gelijke betrekking.

 

§. 26. In eene gelijke betrekking worden de bij elkander geplaatste naamwoorden, door middel van voegwoorden, of bevestigender, of ontkennender wijze, met elkander verbonden; en in beide gevallen kunnen zij, of slechts twee, of ook meer in getal zijn.

§. 27. Somwijlen worden slechts twee zelfstandige naamwoorden met elkander verbonden, en wel bevestigender wijze, als: roem en onsterfelijkheid wachten u; ontkennender wijze: noch roem, noch onsterfelijkheid wachten u.

§. 28. Worden meer dan twee naamwoorden, of door het bevestigende voegwoord en, of door het ontkennende noch, met elkander verbonden, dan worden beide alleenlijk voor het laatste naamwoord geplaatst: hij vreest God, menschen, noch wetten. Oorlog, pest en hongersnood ontvolkten het land. Wanneer iets met drift en aandoening voorgesteld zal worden, dan laat men het bevestigende voegwoord en dikwerf weg: hoogmoed, wellust, ontrouw, vergiftigen hier de lucht, welke wij inademen. Daarentegen worden somwijlen, om den nadruk te versterken, en en noch bij ieder der naamwoorden gevoegd; en oorlog, en pest, en hongersnood ontvolkten gelijktijdig het land; - hij vreest noch God, noch menschen, noch wetten.



[p. 215]

§. 29. Er zijn nog meer voegwoorden, die in eene gelijke betrekking staande naamwoorden, of bevestigender, of ontkennender wijze, of het eene bevestigender, en het andere ontkennender wijze, met elkander verbinden: zoo wel geluk, als eer en roem zijn uw loon - niet de menschen, maar God vreezen - niet alleen de menschen, maar ook God vreezen.

§. 30. Twee of meer bij elkander gevoegde naamwoorden zijn ook verscheidene benamingen van eene en dezelfde zaak, en staan, buiten de beheersching, in denzelfden naamval, als: mijn vader de koning; de stad Rotterdam; de Engel Gabriël; mijn broeder Jakob.

§. 31. Dikwerf is van twee naamwoorden het laatste de verklaring van het eerste; in welk geval zij wel in eenerlei naamval, maar niet noodzakelijk in eenerlei getal staan: ik ga naar Amsterdam, de grootste stad van het Bataafsche Gemeenebest. Zeg aan uwen broeder, thans mijnen leermeester, dat enz. De geschiedenis, die groote leermeesteres der menschen. Onder Konstantijn, den eersten christen keizer. Het kind, de blijdschap zijner moeder, de hoop zijns vaders. Uwe dwaasheden, de eenige bron uws ongeluks. De boeken, onze uitspanning. Ook met als: het bevel van Karel, als oppersten Veldheer. Ik beschouw de menschen als menschen, niet als engelen.