3. Verbinding van twee of meer zelfstandige naamwoorden, in eene ongelijke betrekking.
§. 32. Belang- en talrijker zijn de gevallen, waarin twee naamwoorden in eene ongelijke betrekking met elkander verbonden worden; en dit geschiedt op driederlei wijs: 1. Door een voorzetsel, als: liefde tot de deugd; menschen uit de stad; zegen van den Hemel; hoop op betere tijden. 2. Door verbuiging der woorden in den tweeden naamval, bij voorbeeld: de kortheid des tijds; de waarde des menschelijken levens, enz. 3. Of door het achterste naamwoord onveranderd te laten, behalve dat het, somwijlen, naar gelang der omstandigheden, in het meervoud gesteld wordt, bij voorbeeld: een bos druivenenz. Doch dewijl over de betrekkingen, door voorzetsels uitgedrukt, in het eerste deelreeds gehandeld is * , zullen wij hier bij de twee laatste bijzonderheden alleen stil staan. §. 33. Wanneer twee zelfstandige naamwoorden derwijze met elkander verbonden worden, dat zij slechts een denkbeeld uitmaken, dan wordt de s, als het teeken van den tweeden naamval, alleen achter het laatste gevoegd, en men zegt, bij voorbeeld: koning Lodewijks dood; keizer Napoleons regering; graaf Hendriks lotgevallen; oom Jakobs winkelknecht; |
* D. I. bl. 197 en 198.
|
|
het kind van den huizes voorregt, enz. * §. 34. Niet altijd wordt de tweede naamval door verbuiging van het zelfstandige naamwoord gevormd; maar hiertoe moet men dikwerf het voorzetsel van te hulp roepen; zoo als blijkt uit de gezegden: eene vrouw van hooge afkomst; een Schiedammer van geboorte; een rok van zijde; een jongeling van groote verwachting, enz. (Zie verder in het eerste deel, bij de naamvallen, alwaar hieromtrent verdere aanwijzing gegeven wordt. † §. 35. Dikwerf heeft men het niet onverschillig geacht, of men den tweeden naamval door verbuiging, of door middel van het voorzetsel van vorme; en men oordeelde, dat het eerste geval dan plaats had, wanneer een zelfstandig naamwoord, of als zelfstandig gebezigd werkwoord, in eenen bedrijvenden, en het laatste, wanneer het in eenen lijdenden zin genomen werd. In gevolge hiervan zou men, bij voorbeeld, moeten zeggen: de ondersteuning des mans, wanneer bedoeld wordt, dat de man iemand ondersteunt; maar: de ondersteuning van den man, wanneer de man ondersteund wordt. Zoo ook:onder |
* Het is opmerkelijk, dat in de hier aangetogene
voorbeelden, de woorden koning, keizer, graaf, oom en kind
onveranderd blijven. Men leze hierover L. ten Kate, Aanleidingenz. D. I.
bl. 353; F. van Lelijveld in zijn aanteekening op B. Huijdecopers
Proeve, D. III., bl. 166 en verv., alwaar verscheidene dergelijke
voorbeelden uit M. Stoke en anderen bijgebragt worden, als: die grave
Aernouts sone was. Zoo ook bij Vondel: van Koning Adams
hof.
† Bladz. 76. §. 154.
|
|
het bouwen van deze kamer, niet: onder het bouwen dezer kamer, dewijl dit laatste eigenlijk zou beteekenen, dat de kamer zelve bouwde enz. Doch deze onderscheiding is meer willekeurig, dan gegrond, en wordt althans door het eenparige gezag van achtbare schrijveren geenszins gewettigd. Ook zal de zamenhang, doorgaans, alle dubbelzinnigheid wegnemen. §. 36. Ten aanzien van de laatste bijzonderheid merk ik aan, dat men het achterste onveranderd blijvende zelfstandige naamwoord als eenen tweeden naamval kan beschouwen, waarbij, of het teeken van den tweeden naamval, of het voorzetsel van verzwegen wordt. Een snoer peerlen; eene menigte vogelen; eene rij soldaten; een aantal menschen; een stapel boeken; eene bende ruiteren; eene kudde schapen; eene vloot schepen; drie gulden winst, zes stuivers verlies; honderd gulden voordeel, een gulden schade, enz. §. 37. In geval twee tweede naamvallen plaats hebben, wordt de
eene door den anderen beheerscht, als: de verbindelijkheid der wetten der
natuur. Veroorzaken twee, of meer tweede naamvallen een wangeluid, dan is
de omschrijving van eenen derzelve door vannoodzakelijk, bij voorbeeld:
de invloed der welsprekendheid van den redenaar; het uitwerksel van den
ijver mijns vaders; een voedsel van de afgoderij des heidendoms; de
sukkelingen des ouderdoms zijn somwijlen gevolgen van de losbandigheden der jeugd * . |
* Zie ook A. Moonen, Spraakkunst, bl.
287.
|