D. OVER DE VOORNAAMWOORDEN.1. Bijvoegelijke voornaamwoorden.
§. 62. Alle bijvoegelijke voornaamwoorden volgen, even als de eigenlijke bijvoegelijke naamwoorden, het zelfstandige naamwoord, het welk zij bij zich hebben, in geslacht, getal, en naamval, en staan voor hetzelve, als: die man; deze vrouw; uwe dochter; onze kinderen; zijn ongeluk; ik zeide het mijnen vriend; in deze en gene wereld * §. 63. Dikwijls echter staan zij alleen in betrekking tot een kort vooraf gaand zelfstandig naamwoord; en dan volgen zij hetzelve wel in geslacht en getal, maar hangen, in opzigt tot den naamval, van het werkwoord af, waarmede zij verbonden |
* Hieruit blijkt de ongepastheid van vader
onze, voor onze vader, en diergelijke uitdrukkingen meer. Zie A.
Moonen, Spraakk. bl. 263.
|
|
zijn, bij voorbeeld: vliedt de ondeugd, want die is strijdig met uwe pligten. |