2. Persoonlijke voornaamwoorden.

 

§. 64. De eerste en tweede persoon, ik en gij, worden zonder onderscheid van geslacht gebruikt, omdat zij als sprekende en aangesproken, en derhalve als tegenwoordig voorkomen; waarom zij, ten aanzien van hun geslacht, reeds voor de zinnen kenbaar genoeg zijn. Maar de derde persoon, welke alle personen en zaken in zich bevat, die, als afwezig gedacht, een voorwerp der rede kunnen wezen, komt, in het enkelvoudige getal, als mannelijk, vrouwelijk, of onzijdig voor. Over het gebruik van de persoonlijke voornaamwoorden, bij de werkwoorden, zal in het vervolg gehandeld worden.

§. 65. Zij dulden, als eene soort van eigennamen, geen lidwoord bij zich. Somwijlen wordt een zelfstandig naamwoord ter nadere verklaring bij hen gevoegd: ik de Heer; gij dwaas; hij arme man; wij inwoners dezer stad enz. Dikwerf wordt het persoonlijke voornaamwoord achter het zelfstandige naamwoord gevoegd, als: de brave Eduard, hij, die niet de pracht, maar alleen de eenvoudigheid der natuur bemint, strekke u tot een voorbeeld.

§. 66. Het zelfstandige naamwoord volgt het persoonlijke voornaamwoord in getal en naamval, als: onderwerp u aan hem, den Heer van leven en

[p. 230]

dood; gij moogt mij, uwen opregten vriend, vrij gelooven. Ik wil ook u, den broeder van mijnen vriend, vertrouwen. Schoon, in dit geval, dikwerf de zoo genoemde vijfde naamval, of de eerste met een uitroepteeken, gebezigd wordt, bijvoorbeeld: aan u, waarde vriend! wil ik mijnen nood klagen. Het voornaamwoord na het zelfstandige naamwoord te herhalen: gij, aartschschelm, gij! kan alleen bij eene sterke gemoedsaandoening plaats hebben.

§. 67. Het voornaamwoord des derden persoons wordt eigenlijk als betrekkelijk gebezigd, dewijl het altoos zijne betrekking heeft op iets, het welk te voren genoemd is, of als bekend ondersteld wordt. Wanneer echter de naam eens persoons, of eener zaak, genoemd wordt, spreekt het van zelf, dat het voornaamwoord wegvalt.

§. 68. Ter bevordering van de duidelijkheid echter, kan de naam by het voornaamwoord gevoegd worden, in geval het te vreezen ware, dat de toehoorder den eerst genoemden naam uit het geheugen verloren had: hij, uw broeder; zij, de vrouw van uwen vriend enz.

§. 69. Het voornaamwoord des derden persoons volgt, bij persoonsnamen, gemeenlijk, het natuurlijke geslacht van den bedoelden persoon, en niet het geslacht van het naamwoord, waarmede een persoon genoemd wordt: de min (Cupido) verschool zich, toen hij zijne pijlen geschoten had; ik zag de zon,

[p. 231]

daar hij zijnen wagen mende; ik keerde mijn gezigt van het onbeschaamde vrouwspersoon af, en liet haar staan; hij verstiet het slechte wijf, en liet zich van haar scheiden.  *  

§. 70. Wanneer twee werkwoorden eenerlei persoonlijk voornaamwoord beheerschen, dan wordt hetzelve, in geval de werkwoorden denzelfden naamval vorderen, eenmaal weggelaten, als: ik moet hem spreken, of ten minste zien. Het zal u niet alleen niet gevallen, maar ook geene eer aandoen. Doch zijn de naamvallen verschillend, dan moet het persoonlijke voornaamwoord herhaald worden, bij voorbeeld: hij beschouwde mij, en zeide mij niets.

§. 71. Het wederkeerige zich wordt gebruikt, wanneer het werkwoord op den handelenden persoon zelven terug werkt, als: hij beroemt zich, niet hem; zij bedenken zich, niet hen; hij eigende zich het niet toe, noch matigde zich het regt daartoe aan.

§. 72. Maar wanneer nog een andere werkende persoon daarbij gevoegd wordt, dan bekleedt, in dat

 *  Men moet zich hierbij wel wachten voor den misslag van sommigen, die, in soortgelijke gevallen, het woord, het welk den persoon aanduidt, van geslacht doen veranderen, en, bij voorbeeld, het woord min, voor Cupido, of zon, voor Phebus, mannelijk nemen, moetende de woorden altijd hun eigen geslacht behouden, als: ik zag de Min, toen hij enz. niet ik zag den Min enz. Zie verder Huidecoper Proeve, D. I., bl. 205 en verv., A. Kluit op Hoogstraten, bij de woorden Abijdus, min en zon.


[p. 232]

geval, het persoonlijke voornaamwoord de plaats van het wederkeerige zich, bij voorbeeld: hij eigende het zich niet toe, maar wenschte, dat het hem gegeven wierde.

§. 73. Intusschen moeten wij hier ten sterkste waarschouwen tegen het thans in zwang komende verkeerde gebruik van het meervoudige zich voor elkander, bij voorbeeld: zij hebben zich daar gesproken, in plaats van: zij hebben elkander daar gesproken. Zie verder ten aanzien van het wederkeerige zijn, haar, hun, bij de bezittelijke voornaamwoorden.

§. 74. Dewijl de persoonlijke voornaamwoorden, in vele gevallen, betrekkelijk zijn, en op den te voren genoemden persoon slaan, zoo zou men dikwerf onzeker kunnen wezen, inzonderheid wanneer twee of meer personen vooraf gaan, op welke van die het persoonlijke voornaamwoord betrekkelijk gemaakt moet worden; waarom het dikwijls noodzakelijk is, ter vermijding van dubbelzinnigheid, in plaats van een persoonlijk voornaamwoord des derden persoons, de aanwijzende voornaamwoorden die, dezelve enz. te gebruiken, bij voorbeeld: de veldheer viel in den slag, en toen de heelmeester hem wilde verbinden, kreeg hij eenen kogel door het hoofd; alwaar hij op den veldheer zoude slaan; en daar hier eigenlijk de heelmeester bedoeld wordt, dient men dus te zeggen: kreeg dezelve eenen kogel enz. In andere gevallen neemt men de dubbelzinnigheid

[p. 233]

weg door deze, gene, of door de eerste, de laatste.

§. 75. Men laat het geslacht en den persoon geheel onbepaald, en wordt alleenlijk bij den derden persoon der werkwoorden gebruikt, als: men speelt, men leest enz. Men heeft het mij gezegd kan zoo wel beteekenen iemand, slechts een persoon, heeft het mij gezegd, als ook eenigen, velen, hebben het mij gezegd. Men is het oorlogen moede.

§. 76. Hierbij moet nog aangemerkt worden, dat de verkorting van men tot m', welke zelfs wel bij anders goede en gezag hebbende schrijvers, en vooral bij dichters, voorkomt, geheel af te keuren is, dewijl eene verkorting, wanneer die gebezigd mag worden, alleen omtrent uitgangen, en geenszins omtrent een zakelijk deel kan plaats hebben. Men schrijve derhalve, bij voorbeeld, altoos: dewijl men ons verzekerde, en nimmer dewijl m' ons enz.

§. 77. Iemand en niemand staan tegen elkander over. Met het eerste duiden wij eenen enkelen persoon aan, aan wien wij niets anders weten, dan dat het een mensch is: daar is iemand; mijn broeder, of iemand anders. Met niemand sluiten wij iederen persoon uit: er kwam niemand; nu zal niemand het gedaan hebben.

§. 78. Hierbij valt nog aan te merken, dat niemand (gelijk ook niets, nergens, nooit) even als de vergrootende trap der bijvoegelijke naamwoorden

[p. 234]

en bijwoorden, dan, en niet als, achter zich heeft: ik heb het van niemand, dan van hem gehoord.  *  

 *  De misstelling van als voor dan, achter den vergrootenden trap der bijvoegelijke naamwoorden, gelijk ook achter niet, niets, niemand, geen, nergens, nooit, anders, te veel enz., is, onmiddellijk na de komst van den Hertog van Alva (1568) in gebruik gekomen; en, voor dien tijd zal men bezwaarlijk eene enkele plaats kunnen aantoonen, waar als, voor dan gebezigd wordt. Zie B. HuijdecoperProeve van taal- en dichtkunde. D. I., bl. 292.