3. Bezittelijke voornaamwoorden.

 

§. 79. De bezittelijke voornaamwoorden staan mede, wanneer zij een zelfstandig voornaamwoord bij zich hebben, voor hetzelve, en nemen deszelfs geslacht en getal aan, bij voorbeeld: de deugd brengt hare belooning met zich; het misdrijf heeft altoos zijne heillooze gevolgen.

§. 80. Dat de bezittelijke voornaamwoorden des derden persoons zoo wel het geslacht des bezitters, als dat der bezitting beteekenen, door zijn voor het mannelijke en onzijdige, en haar voor het vrouwelijke te bezigen, is boven reeds aangewezen.  †   En, om deze reden, zegt men ook van eenen koning zijne majesteit, van eene koningin hare majesteit, van eenen vorst zijne hoogheid, en van eene vorstin hare hoogheid enz.

 †  D. I., bl. 109 en vervolg.


[p. 235]

§. 81. De bezittelijke voornaamwoorden worden, even als de persoonlijke, op het geslacht van den persoon zelven, en niet op het woord, waarmede de persoon aangeduid wordt, betrekkelijk gemaakt, bij voorbeeld: de min (Cupido) schiet zijne (niet hare) pijlen. Het meisje viel en brak haar (niet zijn) been. Het wijf, ook het vrouwtje, geeft om hare (niet zijne) kinderen niet.  *   Hierom zegt, of schrijft men ook aan eenen vorst: uwe hoogheid heeft de grenzen van zijn gebied steeds verder uitgezet; en aan eene vorstin: uwe hoogheid heeft de grenzen van haar gebied enz.  †  

§. 82. Twee en meer, met en zamen gevoegde zelfstandige naamwoorden van eenerlei geslacht en getal kunnen met een enkel bezittelijk voornaamwoord volstaan, als: onze staat en rijkdom; hare liefde en trouw; mijn goed en leven. Doch in geval het geslacht verschillend, of het eene zelfstandige voornaamwoord enkelvoudig, en het andere meervoudig is, moet het bezittelijke voornaamwoord herhaald worden, als: zijn rang, zijne eer en zijn leven; hij prees haren ijver en hare verdere goede hoedanigheden.

§. 83. Het gebruik van een bezittelijk voornaamwoord, om daardoor de bezitting van het voorgaande

 *  Zie ook § 69.
 †  Zie Idea linguae belgicae grammat. p. 99.


[p. 236]

zelfstandige voornaamwoord, of den tweeden naamval aan te duiden, mag gerustelijk onder de taalfeilen gerekend worden, bij voorbeeld: mijn vader zijn broeder; mijne moeder hare zuster; mijne buurvrouw hare dochter; de dood zijne magt is overal zigtbaar; voor: mijns vaders broeder; mijner moeder zuster; de dochter van mijne buurvrouw; de magt des doods enz., dewijl de tweede naamval alleen een duidelijk teeken der bezitting is.

§. 84. Wanneer naar den bezitter van eenig ding gevraagd wordt, met den tweeden naamval wiens of van wien, bij voorbeeld: wiens, of van wien is deze rok, of wiens rok is dit? dan antwoordt men, insgelijks met den tweeden naamval: mijn broeders rok; of enkel van mijnen broeder. Of moet met een voornaamwoord geantwoord worden, dan zegt men: het is mijn rok; of bij verkorting: het is de mijne; of nog korter: de mijne. Doch op de vraag: wien behoort deze rok?antwoordt men met den derden naamval van een persoonlijk voornaamwoord, of van een zelfstandig naamwoord: mij, hem, of mijnen broeder.

§. 85. Hetgeen van de persoonlijke voornaamwoorden des derden persoons, §. 67 gezegd is, geldt ook hier ten aanzien van de bezittelijke voornaamwoorden des derden persoons zijn, haar, hun. Deze zijn ook betrekkelijk, namelijk op den handelenden persoon, op wien zij terug werken; waarom zij ook tot de wederkeerende voornaamwoorden behooren.



[p. 237]

§. 86. Doch, daar twee of meer zelfstandige voornaamwoorden in eene rede kunnen voorkomen, zoo zou het twijfelachtig kunnen wezen, op welk van die het bezittelijk voornaamwoord betrekkelijk moet gemaakt worden; en daarom is het dikwerf noodzakelijk, in de plaats van het bezittelijke voornaamwoord, den tweeden naamval van het aanwijzende voornaamwoord, deszelfs, of derzelver, te gebruiken.

§. 87. En hierbij merke men, voor eerst, aan, dat de handelende persoon altoos een bezittelijk voornaamwoord bij zich heeft, bij voorbeeld: de vlijtige landman bebouwt zijnen akker; hij is zijn eigen heer; Titius meldt zijnen vriend, dat hij zijn huis verkocht heeft, namelijk het huis van Titius. Richard stierf, en met hem verloor de vorstin eenen man, die haar zijne menigvuldige diensten bewezen had; waar zijne op den laatst handelenden persoon die slaat.

§. 88. 2. Ook wordt het bezittelijke voornaamwoord gebezigd, schoon het niet op den handelenden maar op eenen anderen persoon betrekking heeft, van wien gesproken wordt, in geval, namelijk, eenig verschil van geslacht of getal plaats heeft, of, wanneer in den eersten of tweeden persoon gesproken wordt, waartoe zijn, hun, of haar niet kan wederkeeren; om welke reden ook geene misvatting te vreezen is. Zoo zegt men, bij voorbeeld: ik zag den veldheer zijne krijgsknechten aanvoeren;

[p. 238]

wij hoorden Damon op zijne fluit spelen. Hier zijn ik en wij de handelende personen; doch niemand kan het bezittelijke voornaamwoord des derden persoons zijne op dezelve toepassen.

§. 89. 3. Zou het bezittelijke voornaamwoord eene misvatting kunnen veroorzaken, dan wordt, in de plaats daarvan, deszelfs, of derzelver gebezigd, bij voorbeeld: hij, die God lief heeft, houdt deszelfs geboden; waar zijne tot hij zou kunnen gebragt worden. Titius meldt zijnen vriend, dat hij deszelfs huis verkocht heeft, namelijk des vriends huis. Hij zag den veldheer deszelfs krijgsknechten aanvoeren; hij hoorde Damon op deszelfs fluit spelen (niet zijne). De krijgsoversten gaven den soldaten vrijheid, derzelver vrouwen mede te voeren, (niet hunne). Mijn zoon is ondergeschikt aan zijnen meester, maar bestiert de gansche school, in deszelfs afwezendheid.

§. 90. 4. Levenlooze dingen hebben ook dikwerf, vooral in den verhevenen stijl, het aanwijzende voornaamwoord deszelfs, of derzelver, bij zich, bij voorbeeld: dat is een schoon huis; wie is deszelfs bezitter, of de bezitter van hetzelve? De omtrekken van eenig ding stellen ons deszelfs gedaante voor oogen.

§. 91. De mijne, het mijne, de uwe, het uwe worden ook, zonder betrekking op eenig naamwoord, als zelfstandig gebezigd, bij voorbeeld: ik heb het mijne gedaan, doe gij het uwe. Wij gaven van

[p. 239]

het onze, zij van het hunne. Zoo ook de mijnen, de uwen, de onzen, de haren enz., in het meervoud, voor mijne, uwe, onze, hare, aanhoorigen.

§. 92. Eindelijk worden de bezittelijke voornaamwoorden ook als bijwoorden gebruikt, en blijven onverbogen, bij voorbeeld: nu is hij mijn (de mijne); eindelijk is de bezitting uw. Ook vooraan: zijn is de erfenis; uw is het rijk, enz.