6. Betrekkelijke voornaamwoorden.

 

§. 106. De betrekkelijke voornaamwoorden, die eene uitdrukking naar een te voren genoemd voorwerp te rug voeren, komen met hetzelve in geslacht en getal overeen, maar hangen, in opzigt tot hunnen naamval, van de beheersching af, bij voorbeeld: gij zijt de eerste, die mij dit zegt; de vorst, wiens dood betreurd wordt; dat is de man, wien wij zoo veel te danken hebben; hij was de held, welken wij in het leger zagen, enz.

§. 107. Gaan twee of meer zelfstandige naamwoorden, op welke het voornaamwoord betrekking

[p. 244]

heeft, vooraf, dan staat het in het meervoudige getal, als: wijsheid en deugd zijn het, welke ons gelukkig maken. Het is daarom verkeerd, in zulk een geval, het betrekkelijke voornaamwoord alleen op het laatste te laten slaan, bij voorbeeld: de stad en het dorp, het welk hij verwoest heeft, voor welke.

§. 108. Wanneer eene uitdrukking naar eene geheele rede te rug gevoerd wordt, dan wordt het betrekkelijke voornaamwoord in het onzijdige geslacht gebezigd: zij spraken over deugd en godsvrucht, dat mij zeer aangenaam was. Die zaak heeft eenen slechten keer genomen, het welk ik wel gevreesd had.

§. 109. Welke, of dewelke, wordt, als het eigenlijkste betrekkelijke voornaamwoord, meest in den deftigen stijl, het kortere die, dat ook voor een ander voornaamwoord gebezigd wordt, in den gemeenzamen stijl gebruikt, als: de gelukzaligheid des tegenwoordigen en toekomenden levens, welke langs verschillende wegen gezocht wordt. Hij woont in het huis, dat zijn vader gebouwd heeft.

§. 110. Wanneer het betrekkelijke voornaamwoord te ver van zijn zelfstandig naamwoord verwijderd is, dan wordt, om alle duisterheid te vermijden, het zelfstandige naamwoord herhaald, bij voorbeeld: ik bepaalde hem eene som, waarvoor hij het huis en den tuin van zijnen broeder mogt koopen, welke som hij echter nog met honderd gulden kon verhogen, in geval enz.



[p. 245]

§. 111. De gebiedende wijs der werkwoorden duldt, in de Nederduitsche taal, geen betrekkelijk voornaamwoord voor zich, maar vordert een aanwijzend voornaamwoord achter zich, bij voorbeeld: het staat in het vierde hoofdstuk, welk zie, voor zie hetzelve. Hier is eene pen, welke neem, voor neem dezelve.

§. 112. Het betrekkelijke voornaamwoord die wordt, doorgaans, achter de persoonlijke voornaamwoorden gevoegd, wanneer het in den eersten naamval moet staan, als: hij, die mijn vriend wil zijn enz. Geef het ons, die daarvan een goed gebruik zullen maken. In de overige naamvallen wordt weder liefst welke, of wie, gebezigd, bij voorbeeld: zij, welken het gelukt is enz. Hij, wien ik dit gezegd heb. Ook met een voorzetsel: hij, door wien gij dit weet enz. Zij, van welke ik dit gehoord hebenz.

§. 113. Wanneer het betrekkelijke voornaamwoord die op wie slaat, dan kan het dikwerf wegblijven, bij voorbeeld: wie van mijne lessen vrucht wil trekken, moet zich naarstiglijk oefenen. Somwijlen echter is die meer een aanwijzend, dan betrekkelijk voornaamwoord; en in dat geval mag het niet weggelaten worden, als: wie met zijn lot tevreden is, die is de rijkste. De uitlating van die vindt alleen in den eersten naamval plaats, niet in de overige naamvallen, bij voorbeeld: wie naar mij vraagt, dien moet gij mijne woning wijzen, niet:

[p. 246]

wie naar mij vraagt moet gij mijne woning wijzen.

§. 114. Het betrekkelijke voornaamwoord wie wordt gemeenlijk in den tweeden en derden naamval van het enkelvoudige getal, en in het mannelijke geslacht, in de plaats vanwelke gebezigd, bij voorbeeld: hij was de man, wiens vriend ik wilde wezen, wien ik zoo veel verschuldigd was, van wien ik zoo veel goeds ontvangen had.

§. 115. Is echter het voorwerp, waarop het betrekkelijke voornaamwoord slaat, een zelfstandig naamwoord, dan wordt ook, wanneer het van het onzijdige geslacht is, welk, of het welk, in plaats van wat gebezigd, als: het goede, wat gij mij bewezen hebt, beter dat, of het welk enz. Het huis dat, of het welk gij gekocht hebt, nooit wat.

§. 116. In de verbogene naamvallen wordt voor welke, even als bij de vragende voornaamwoorden, ook dikwerf waar gebezigd; doch mede alleenlijk, wanneer men van zaken, en niet van personen spreekt, als: het geld, waarmede ik u betaald heb; de grond, waarop wij staan; de gelegenheid, waarbij dit gebeurde enz. Men zegt, of schrijft, derhalve kwalijk: de bode, waardoor ik tijding ontving; de vrouw, waaraan ik mij verbond enz., in plaats van: de bode, door wien; de vrouw, aan welke, enz. Den dichteren echter wordt hier wederom eenige vrijheid verleend.