[p. 247]

E. OVER DE WERKWOORDEN.

1. Over de personen.

 

§. 117. Bij de vervoeding der Nederduitsche werkwoorden, worden de drie personen niet alleen van achteren, aan het einde des werkwoords, aangeduid, maar ook van voren, door de voornaamwoorden, welke daarom, in den eersten en tweeden persoon, niet weggelaten kunnen worden, maar wel in den derden persoon, zoo dra de zaak, of de persoon zelf, genoemd is, als: ik schrijf, gij leest; maar: Jakob luistert; de klok slaat. Het persoonlijke voornaamwoord in den eersten en tweeden persoon te verzwijgen, ook dan, wanneer die door een zelfstandig naamwoord aangeduid wordt, is strijdig met den aard der Nederduitsche taal, bij voorbeeld: ondankbare man, zijt oorzaak, dat ik mijn vaderland moet verlaten, voor: gij zijt oorzaak, dat ik mijn vaderland moet verlaten. Zoo ook het in den schrijfstijl zoo gewone hebbe de eer, enz.; verklare bij dezen enz.; bekenne deugdelijk schuldig te zijn enz.; in plaats van: ik heb de eer enz.; ik verklaar bij dezenenz.; ik beken deugdelijk schuldig te zijn enz.

§. 118. Men houde het echter niet voor eene weglating van het voornaamwoord, wanneer het, door een ter nadere verklaring tusschen gevoegd zelfstandig naamwoord, van zijn werkwoord gescheiden

[p. 248]

wordt, als: ik, ellendig mensch, hoop vergeefs op uitkomst. Gij, blijde hoop, hebt mij verlaten. Is de tusschen gestelde rede te lang, dan kan de herhaling van het persoonlijke voornaamwoord noodzakelijk zijn, als: gij, die u zoo zeer vergrepen, die alle wetten overtreden, en de menschheid beleedigd hebt, gij zult straf lijden.

§. 119. Wanneer twee en meer werkwoorden, in eene en dezelfde rede, tot eenen en denzelfden persoon behooren, kan en moet het voornaamwoord, wanneer het eens gebezigd is, de volgende keeren verzwegen worden, bij voorbeeld: ik kwam en vond hem niet. Dewijl gij niets verrigt, altoos ledig zijt, en immer langzaam gaat, zoo zijt gij voor deze zaak niet geschikt. De vreemdeling kwam, bezag de stad, en reisde weder spoedig weg. Ik benijd u uwe bekwaamheid niet, maar bewonder u, en poog u na te streven.

§. 120. Wanneer twee volzinnen door een voegwoord aan elkander verbonden worden, en het werkwoord onmiddellijk daarop volgt; of wanneer de eerste volzin eenige lengte heeft, en het werkwoord van het voegwoord gescheiden is, dan wordt de herhaling van het persoonlijke voornaamwoord weder noodzakelijk, bij voorbeeld: doet gij het tegen den raad uwer vrienden aan, en wilt gij, dat ik u daarin helpe, enz. Hij onderneemt het, en vermoedelijk zal hij gelukkig slagen.

§. 121. Dewijl de persoon, in de gebiedende wijs

[p. 249]

der werkwoorden, alleen de aangesprokene persoon is, die juist door de onmiddellijke aanspraak reeds genoeg bepaald wordt, zoo behoeft deze persoon geen voornaamwoord, als: ga heen, en doe desgelijks; zoekt, en gij zult vinden. Intusschen kan en moet het voornaamwoord gebezigd worden, wanneer men den persoon met nadruk wil aanduiden, of wanneer men den tweeden persoon van eenen anderen onderscheiden moet, bij voorbeeld: spreek gij in mijne zaak; help gij mij dezen last dragen. Indien hij het niet wil hebben, neem gij het dan, enz.

§. 122. Wanneer een zelfstandig naamwoord en een werkwoord, in het begin eener rede, eene zaak in haar geheel voorstellen, dan behoeft, in derzelver bijzondere volgende deelen, noch het naamwoord, noch het werkwoord herhaald te worden, bij voorbeeld: ik verwacht vier vrienden, twee uit Amsterdam, en twee uit Gouda. Koridon en Thirsis hadden hun vee bijeen gedreven, Thirsis zijne schapen, Koridon zijne geitjes.

§. 123. Dikwerf wordt een werkwoord, het welk op twee gedeelten eener rede betrekking heeft, in een van beide verzwegen, bij voorbeeld: deze verkiest den zeedienst, gene den landdienst. Jakob sprak over zijne paarden, Pieter over zijne koeijen. Den eenen behaagt dit, den anderen dat. Ach, dat hij meer deugd, zij minder geveinsdheid hadde!