[p. 250]

2. Over de getallen, of het enkelvoud en meervoud der werkwoorden.

 

§. 124. Een werkwoord staat altoos in het zelfde getal, waarin de persoon staat, op welken het betrekking heeft: het kind leert; de vogels zingen. Wanneer een werkwoord op twee, of meer voorwerpen des derden persoons betrekking heeft, dan staat het in het meervoud: de roos, de tulp en de hiacint zijn de schoonste bloemen.

§. 125. Dikwijls wordt insgelijks een werkwoord in het enkelvoud gebezigd, schoon hetzelve op twee naamwoorden betrekking heeft, bij voorbeeld: daar was een man en eene vrouw. Zelfs met een meervoudig naamwoord; doch in dit geval moet het enkelvoudige werkwoord voor het enkelvoudige naamwoord gaan, als: daar was een man en twee vrouwen.

§. 126. In geval echter de eigenschap, welke aan meer dan een voorwerp toegekend wordt, onderscheiden is, dan staat het werkwoord in het enkelvoud, terwijl het eenmaal verzwegen wordt: twee benden soldaten, waarvan de eene in de stad, en de andere in de voorstad ligt,niet liggen.

§. 127. Ook maakt de rekenkunst eene uitzondering, daar zij, in dit geval, dikwerf het enkelvoud bezigt: een en twee is drie; zes en drie is negen; drie maal vier is twaalf.

§. 128. Ook is het meervoud des werkwoords noodzakelijk, wanneer de meerderheid van het voorwerp bedektelijk aangeduid wordt, bij voorbeeld:

[p. 251]

er is meer dan een wijsgeer geweest, die dit beweerd hebben; alwaar meer dan eene meeerderheid beteekent. Ook wanneer het in het enkelvoud staande voorwerp der rede verschillende soorten en betrekkingen aanduidt, als: de ware en de valsche zelfliefde komen daarin overeenenz.; alwaar het tweederlei bijvoegelijke naamwoord ware en valsche toont, dat de naam van het voorwerp eenmaal verzwegen is geworden. Of wanneer het voorwerp der rede, schoon in het enkelvoud gedrukt, echter eene meerderheid van personen aanduidt, als: het meeste deel der Grieken plegen hunne kinderen in de schilderkunst te doen onderwijzen. Doch dit laatste is thans weinig in gebruik, maar kan somwijlen, in eenen verhevenen, of dichterlijken stijl voegelijk gebezigd worden.

§. 129. Nog is er eene oude, dikwerf te onregt gewraakte, en door kiesche schrijvers menigmaal als eene fraaiheid gebezigde spreekwijs, welke hier in aanmerking komt, namelijk: daar is er, voor: daar zijn er; daar is er, die zeggen, die meenen, enz.  *  .

§. 130. Wanneer onderscheidene personen bij een werkwoord gevoegd worden, dan geldt de eerste persoon boven den tweeden, en de tweede boven den

 *  Zie dit in het breede behandeld door B. Huijdecoper Proeve, D. II., bl. 325. En verv.; D. III., bl. 4. En verv. A. Kluit op Hoogstratens geslachtlijst, bl. 343.


[p. 252]

derden; dat is, komt de eerste persoon met den tweeden, of derden, of met beide voor, dan staat het werkwoord in den eersten persoon van het meervoud, als: gij en ik, of ik en gij, - hij en ik, of ik en hij, weten dat niet; ik, gij en hij weten dat niet. Maar is de eene persoon de tweede, en de andere de derde, dan staat het werkwoord in den tweeden persoon van het meervoud: gij en hij, of hij en gij, zult dat niet gewaar worden.

§. 131. Somwijlen is het gevoegelijkst, het meervoudige voornaamwoord vooraan te plaatsen, bij voorbeeld: ik en gij, wij weten dat niet; wij, uw broeder en ik, hebben u lang gezocht. Wanneer het werkwoord vooraan staat, pleegt men het, in het gemeene leven, ook wel naar het naast bij zijnde voornaamwoord te vervoegen: dat moet hij en zijn broeder weten, beter: dat moeten zij, hij en zijn broeder, weten.