3. Over de tijden der werkwoorden.

 

§. 132. Hoe naauwkeurig de tijden onzer werkwoorden bepaald zijn, wordt echter de eene dikwerf voor den anderen genomen. Zoo gebruikt men den tegenwoordigen tijd, in plaats van den volmaakt verledenen: gij hoort dan, dat ik mij daartoe niet laat dwingen, voor: gij hebt dan gehoord enz. Zoo ook, in plaats van den toekomenden tijd: ik kom, na eenige dagen, te rug. Wat

[p. 253]

doet gij morgen? voor: ik zal na eenige dagen te rug komen. Wat zult gij morgen doen? Somwijlen wordt ook de toekomende tijd voor den tegenwoordigen gebezigd: ik hoop, hij zal reeds daar zijn.

§. 133. Bijzonderlijk pleegt men, in levendige verhalen, om eene gebeurde zaak den toehoorder als tegenwoordig voor te stellen, den tegenwoordigen tijd, in plaats van den onvolmaakt verledenen tijd, te gebruiken, als: gisteren rijd ik van huis, en zie, daar staat iemand, dien ik voor eenen bedelaar aanzie, op den weg; ik reik hem eene aalmoes toe, enz. Intusschen behoort deze manier van zich uit te drukken, deels tot de vertrouwelijke spreektaal des gemeenen levens, deels tot den dichterlijken stijl.

§. 134. Het is een algemeene, en in alle talen geldende regel, dat eene rede in denzelfden tijd moet voortgezet worden, waarin zij begonnen is, bij voorbeeld: ik deed alles, wat in mijn vermogen was, niet geweest is. Maar wel: ik heb alles gedaan, wat in mijn vermogen geweest is. Om diezelfde reden moet ook het antwoord op eene vraag in denzelfden tijd van de vraag staan: zijt gij reeds in Parijs geweest? Ja, ik ben daar geweest.