6. Over de verbinding van het eene werkwoord met het andere.

 

§. 146. De verbinding van het eene werkwoord

[p. 260]

met het andere geschiedt, of door middel van voegwoorden, als: hij verhaalde het mij, en vertrok weder; of door twee werkwoorden, waarvan het eene het andere nader bepaalt, onmiddellijk bij elkander te plaatsen; welk laatste hier alleenlijk in aanmerking komt. En daartoe bedient men zich, in onze taal, of van het deelwoord, of van de onbepaalde wijs met en zonder het voorvoegsel te.

§. 147. De deelwoorden kunnen, even als alle bijwoorden, met een werkwoord verbonden worden, bij voorbeeld: ik vond hem werkende; de genoegens des levens zijn onder de stervelingen spaarzaam uitgedeeld. Ook wordt, na het werkwoord komen, de aard van het komen, door middel van een verleden of lijdend deelwoord, uitgedrukt; als: hij kwam gereden, geloopen; daar komt hij aangetreden, enz.

§. 148. Het verledene deelwoord wordt ook met andere werkwoorden verbonden, als met gaan, in verloren gaan; met willen hebben, bij voorbeeld: ik wil hem niet bespot hebben, hij wil het betaald hebben, dat is, ik wil niet, dat men hem bespotte; hij wil, dat het hem betaald worde.

§. 149. Sommige werkwoorden hebben de onbepaalde wijs achter zich zonder, andere met het woordje te. Met de onbepaalde wijs zonder te worden verbonden, 1. die werkwoorden, welke slechts eene algemeene omstandigheid van iedere handeling aanduiden, terwijl de handeling zelve in de

[p. 261]

onbepaalde wijs uitgedrukt wordt. Deze zijn durven, kunnen, laten, mogen, moeten, zullen, willen, als: ik durf niet spreken; hij kan niet loopen; iets laten vallen; wat mag dat beduiden? ik moet vertrekken; het zal geschieden; dat wil zeggen; 2. eenige andere, waarbij de volgende onbepaalde wijs de plaats van een zelfstandig naamwoord bekleedt. Deze zijn voelen, helpen, hooren, leeren, zien, noemen en heeten, als: ik voel mijn hart kloppen; iemand helpen arbeiden; ik hoor hem roepen; hij leert lezen; ook voor onderwijzen: nood leert bidden; ik zie hem komen; dat noem ik slapen; dat heet ik schrijven (maar voor bevelen genomen, heeft het de onbepaalde wijs met te achter zich) enz.

§. 150. Zoo ook blijven, met de onbepaalde wijs van zulke werkwoorden, welke eenen toestand beteekenen, als: hij blijft zitten, enz.; gaan, om het oogmerk daarvan aan te duiden: gaan zien, enz.; en in de gemeenzame verkeering: gaan eten, gaan melken, gaan zitten, gaan schrijven, enz.; komen, in de beteekenis van eene nadering, of een wezenlijk komen van de eene plaats naar de andere: ik kom morgen bij u eten, enz.; vinden, om daarmede de wijs aan te duiden, waarop men iets vindt: ik vond hem bij zijnen broeder zitten, enz.; waarvoor echter ook het bedrijvende deelwoord gebruikt wordt.

§. 151. Diegene dezer werkwoorden, welke bedrijvend zijn, en den vierden naamval bij zich hebben,

[p. 262]

veroorzaken hier dikwerf dubbelzinnigheid, dewijl de onbepaalde wijs zoo wel bedrijvend als lijdend kan verstaan worden, bij voorbeeld: ik hoor hem roepen, het welk zoo wel kan beteekenen: ik hoor, dat hij roept, als: ik hoor, dat hij geroepen wordt; ik zag hem slaan, dat is, ik zag, dat hij sloeg, of ik zag, dat hij geslagen werd; ik heb hem zien schilderen, ik heb gezien, dat hij schilderde, of ik heb gezien, dat hij geschilderd werd, enz. Wanneer nu zulk eene dubbelzinnigheid te vreezen is, dan moet men dezelve, door eene omschrijving, trachten te vermijden.

§. 152. Achter andere werkwoorden volgt de onbepaalde wijs met te, wanneer dezelve een voorwerp der handeling aanduidt, als: hij begeert u te spreken; het belieft mij niet, dat te doen; het behage u, mij te hooren; ik hoop, wensch, verlang, u te zien; ik denk (ben voornemens), u morgen te betalen; het begint te regenen; ik heet, beveel, gelast u, te komen; hij tracht, beijvert zich, wetenschap te verkrijgen; ik gewen mij, vroeg op te staan; gewoon, bereid, gereed, verpligt, schuldig zijn, iets te doen; hij weet te leven; ik ben voornemens, verbind mij, dat uit te werken; zie (tracht) mij te helpen; gij bidt mij, het u te geven; zij dreigen, zich te wreken; vermaan hem, te gehoorzamen; hij schaamt zich te komen; ik stond hem toe, te vertrekken; hij vertouwt zich niet toe, het te zeggen; hij gelooft, te moeten volharden; hij

[p. 263]

verhindert ons, te spreken; hij verbood mij, het te zeggen; ik beloof u te volgen; ik vergat te drinken; zij zit te spinnen; hij ligt te slapen, te sterven; hij kwam te overlijden; hij plagt sterk te spelen; ik stond te wachten, ook: ik stond (was gereed) te vertrekken, enz.

§. 153. Insgelijks met het verledene deelwoord, zoo wel in den lijdenden als bedrijvenden vorm; bij voorbeeld: hij scheen door den slaap overmeesterd te zijn; het smertte hem, zich overtroffen te zien; hij meent, beweert, het gezien te hebben; hij bekende, het gedaan te hebben enz.; welke bewoordingen met dat kunnen opgelost worden, als: het scheen, dat hij door den slaap overmeesterd was; het smertte hem, dat hij zich overtroffen zag; hij beweerde, dat hij het gedaan had, enz.

§. 154. Hiertoe behooren ook ons zijn en hebben, om daarmede eene mogelijkheid, of noodzakelijkheid uit te drukken. Eene mogelijkheid: hier is iets nieuws te zien; daaraan is niet te denken; bij hem is niets te verdienen; hij is daar altoos te vinden, kan daar altoos gevonden worden, enz. Eene noodzakelijkheid: er is nog veel te betalen; ik heb nog wat te doen, ik moet nog wat doen.

§. 155. Om het oogmerk, of de beweegreden der handeling nader te doen blijken, wordt het woordje om daarbij geplaatst; bij voorbeeld: ik kom, om u te spreken, om bij u te blijven; wij leven niet, om te eten, maar wij eten, om te leven;

[p. 264]

ik breek hier af, om niet wijdloopig te worden. Inzonderheid, wanneer het doel der handeling de aanvang der rede is, als: alleen om u te zien, ben ik hier gekomen.

§. 156. Ook volgt de onbepaalde wijs met te op het woord zonder, en op verscheidene bijvoegelijke naamwoorden, als: hij is vertrokken, zonder afscheid te nemen; ik ben begeerig te hooren, wat er van de zaak zij; hij is niet waardig met haar te verkeeren.

§. 157. Insgelijks wordt de onbepaalde wijs met te gebezigd, wanneer dezelve het onderwerp der rede is; bij voorbeeld: aan het roer van staat te zitten is ieders zaak niet; God te dienen is de eerste pligt. Zoo ook, wanneer men de rede omkeert: het is ieders zaak niet aan het roer van staat te zitten; de eerste pligt is God te dienen.

§. 158. Men wachte zich intusschen, van de onbepaalde wijs der werkwoorden overtollig te gebruiken; bij voorbeeld: men had het korter te zijn gewenscht, voor: men had het korter gewenscht; hij is in staat, iets daartoe te kunnen bijdragen; hij is verpligt, dit te moeten doen, enz., voor: hij is in staat, iets daartoe bij te dragen; hij is verpligt, dit te doen, dewijl in staat zijn en kunnen, verpligt zijn en moeten hetzelfde zeggen.

§. 159. Die werkwoorden, welke de onbepaalde wijs zonder te achter zich hebben, behouden, in den volmaakt- en meer dan volmaakt verledenen tijd, de gedaante der onbepaalde wijs, als: ik heb hem

[p. 265]

helpen dragen; wij hebben hem doen lagchen; gij hadt toch kunnen antwoorden; ik heb het hem laten schrijven; hij heeft het niet mogen zeggen; ik heb het op den grond vinden liggen; hij is blijven steken; ik had willen komen; wij hebben moeten betalen; hij heeft leeren lezen; ik heb voelen loopen; ik heb hooren zingen; ik heb zien vallen enz.

§. 160. Die werkwoorden daarentegen, welke de onbepaalde wijs met te achter zich hebben, worden in den volmaakt- en meer dan volmaakt verledenen tijd, op de gewone wijze vervoegd, als: hij heeft begeerd mij te spreken, niet: hij heeft mij begeeren te spreken; ik heb getracht, wetenschap te verkrijgen, niet: ik heb wetenschap trachten te verkrijgen. Zoo ook: ik had gehoopt, gewenscht, verlangd, u te zien; hij heeft zich beijverd, rijk te worden; hij heeft gezocht, zich te verontschuldigen; ik had gemeend, u eenen dienst te doen, enz. Hiervan, echter, zijn uitgezonderd staan, liggen, zitten, van welken het gebruik wil, dat zij, op dezelfde wijs, als den werkwoorden, welke de onbepaalde wijs zonder te achter zich hebben, vervoegd worden; bij voorbeeld: ik heb staan wachten; hij heeft liggen slapen; zij hadden zitten schrijven. En hiervan is komen, voor gebeuren, onderscheiden, door te achter zich te nemen, als: hij is komen te overlijden.