7. Verbinding van een werkwoord met een zelfstandig naamwoord.
§. 161. Een zelfstandig naamwoord kan, op tweederlei wijs, met een werkwoord verbonden worden, of als het voorwerp der rede, gevolgelijk als het beheerschende deel, of als het onderwerp der rede, gevolgelijk als het beheerscht wordende deel. §. 162. Wanneer een zelfstandig naamwoord het voorwerp der rede is, dan beheerscht hetzelve het werkwoord, dat is, dan moet het werkwoord zich, in getal en persoon, naar het zelfstandige naamwoord schikken, * als: jan leest; de klokken slaan; gij, mannen, hebt het gezegd. Geschiedt de beheersching in de onbepaalde wijs, dan bekomt dezelve de woordjes te, om te, of in sommige gevallen van, voor zich; het zelfstandige naamwoord moog als voorwerp, of als onderwerp der rede voorkomen; bij voorbeeld: ik had het genoegen, u te ontmoeten; heb ik het geluk, u wel te zien? hij had de eer, de eerste te zijn; gij hebt vrijheid, te vertrekken, of om te vertrekken; het was zijn oogmerk, te komen, of om te komen. Ook met van: hij sprak met eene wonderbare kracht van zeggen; dat is trant van schrijven, enz. Somwijlen wordt deze onbepaalde wijs voor het naamwoord geplaatst, en dan dus verbogen: zeggenskracht, schrijvenslust, barensnood, enz.
|
* Zie §. 124.
|
|
§. 163. Van meer belang is het, wanneer het zelfstandige naamwoord, door het werkwoord beheerscht, deze beheersching door verbuiging van het zelfstandige naamwoord, en waar die niet toereikende is, door behulp van voorzetselen, uitgedrukt wordt. §. 164. Alleen die naamwoorden, welke door een bedrijvend werkwoord in den vierden naamval geplaatst worden, kunnen bij een lijdend werkwoord in den eersten naamval staan. Wanneer men, bijvoorbeeld, zegt: uw vader zoekt u, dan is u het voorwerp der bewerking van het bedrijvende werkwoord zoeken, of de vierde naamval; en bij gevolg kan hetzelve ook, bij een lijdend werkwoord, in den eersten naamval staan, dewijl het altoos het lijdende, of bewerkt wordende voorwerp blijft, als: gij wordt gezocht van uwen vader. Wijders: men roept u; men noemt mij; en daarom ook: gij wordt geroepen; ik word genoemd. §. 165. Uit het boven aangevoerde blijkt, dat het eene
misstelling is, wanneer men die voorwerpen, op welke het bedrijvende werkwoord
niet onmiddellijk, maar als door eenen omweg, werkt, in den lijdenden vorm den
eersten naamval doet aannemen, dewijl de persoon, welke door een bedrijvend
werkwoord, bij voorbeeld, in den derden naamval geplaatst wordt, in den
lijdenden vorm nimmer de eerste naamval kan worden. Wij zeggen, bijvoorbeeld:
iemand boodschappen, te kennen geven, dat, enz.; alwaar iemand
niet de vierde, maar de derde naamval is; waarom wij niet kunnen zeggen: ik word geboodschapt, te kennen gegeven, enz.; maar alleen: mij wordt geboodschapt, te kennen gegeven, enz.; terwijl -mij wederom de derde naamval is, even als iemand. §. 166. Ten aanzien van het werkwoord leeren, voor onderwijzen, hebben sommigen, doch zonder grond, beweerd, dat hetzelve, even als bij de Latijnen, twee vierde naamvallen beheerscht, en dat, wanneer men zegt: iemand de aardrijkskunde leeren, iemand zoo wel als aardrijkskunde in den vierden naamval staat. Doch het tegendeel hiervan is blijkbaar genoeg, dewijl men, in den lijdenden vorm, niet kan zeggen: ik word de aardrijkskunde geleerd, maar wel, en alleen: mij wordt de aardrijkskunde geleerd. En derhalve staan mij en iemand beide in den derden naamval; het welk, boven dien, nog daaruit blijkt, dat men, in plaats van den derden naamval, ook het voorzetsel aan kan bezigen: aan iemand iets leeren. Doch die werkwoorden, welke in den bedrijvenden vorm twee vierde naamvallen bij zich hebben, vorderen, in den lijdenden vorm, ook twee eerste naamvallen, als: men noemt hem vader, bij gevolg ook: hij wordt vader genoemd, enz. §. 167. Behalve deze hebben nog eenige andere werkwoorden twee eerste naamvallen bij zich. Deze zijn, voornamelijk, zijn, worden, blijven, heeten en schijnen, bij voorbeeld: Salomo was een koning; hij blijft altoos een kind; Fredrik heet de regtvaardige; hij schijnt een eerlijk man. §. 168. Wanneer een zelfstandig naamwoord, in den eersten naamval staande, door middel van het woordje als, met een ander naamwoord vergeleken, of daardoor nader verklaard wordt, dan staan beiden in den eersten naamval, bij voorbeeld: hij bloeit als eene roos; zij leven als broeders; wij willen als vrienden handelen; hij sneuvelde als een held, enz.; alwaar dit als niet mag weggelaten worden, naardien zij leven broeders, hij sneuvelde held, enz. gebrekkig en onverstaanbaar zoude wezen. §. 169. Bij de wederkeerige werkwoorden is het dikwerf twijfelachtig, of het naamwoord, dat als voor zich heeft, in den eersten, of in den vierden naamval, moet staan. Men zegt, bij voorbeeld: hij gedraagt zich als een held, en ook: hij gedraagt zich als eenen held, schoon de eerste naamval hier den voorrang schijnt te verdienen, dewijl het zoo veel is als hij gedraagt zich zoo als een held zich gedraagt. En dit blijkt nader bij de onpersoonlijke wederkeerige werkwoorden, alwaar het zelfstandige naamwoord insgelijks het voornaamwoord volgt, bij voorbeeld: het behaagde u, als eenen vader, die zijne kinderen lief heeft, enz.; alwaar als een vader, in den eersten naamval, op het onbepaalde het zoude slaan, waarmede het intusschen niets te doen heeft. §. 170. Sommige werkwoorden hebben, in het Nederduitsch, ook
eenen tweedennaamval bij zich. Oudtijds was het gebruik van dezen
naamval bij de werkwoorden zeer gemeen; en de gevallen, waarin dit nog plaats
heeft, zijn overblijfsels van dit gebruik, het wel misschien, voor het grootste gedeelte, eene navolging van het latijn is; waarom men hieromtrent ook geene bepaalde regels kan opgeven; terwijl de meeste der hiertoe behoorende gevallen uit het gebruik moeten gekend worden. §. 171. Somwijlen worden nog eenige werkwoorden met den tweeden naamval gebezigd, bij voorbeeld, gedenken: gedenk onzer, enz. Zoo ook eenige wederkeerige werkwoorden, terwijl het voornaamwoord zich in den vierden naamval staat; bij voorbeeld, zich ontfermen: ontferm u onzer; erbarmen: ik zal mij uwer erbarmen; schamen: ik schaam mij mijner bekentenis niet. Insgelijks met het werkwoord zijn, als: voornemens zijn, enz. Doch tegenwoordig worden deze werkwoorden, meestal, met voorzetselen gebruikt, als: aan iemand gedenken; zich over iemand ontfermen, erbarmen; zich over iets schamen, enz. §. 172. De tweede naamvallen: des avonds, des morgens, donderdags, allerwegen, mijns bedunkens, grootstendeels, bloodshoofds, goedsmoeds, eensklaps, onverrigter zake enz., met werkwoorden voorkomende, als: des nachts slapen; des morgens opstaan; dat voldoet eenigzins; donderdags op reis gaan; allerwegen vervolgd worden, enz., schijnen meer op zich zelven staande bijwoorden, dan wel van de werkwoorden afhangende tweede naamvallen te zijn. §. 173. Vele werkwoorden hebben den derden naamval bij zich; en deze kan zoo wel bij bedrijvende, als bij onzijdige werkwoorden staan. Zie hier eenige voorbeelden van bedrijvende werkwoorden met eenen derden naamval, welke dan gemeenlijk eenen vierden bij zich hebben, waartoe de werking van het werkwoord zich onmiddellijk uitstrekt, als: iemand iets onthouden, ontzeggen, ontnemen, onttrekken, weigeren, afvorderen, afnemen, afkoopen, afhandig maken, afraden, afslaan, aanbevelen, aanbieden, ten kwade, ten goede duiden, aankondigen, brengen, berigten, betalen, borgen, verhalen, geven, beloven, vertrouwen, toestaan, klagen, leveren; iemand het brood uit den mond stelen, en honderd anderen meer. §. 174. Dat vele onzijdige werkwoorden eenen derden naamval bij zich hebben, blijkt uit de volgende voorbeelden, als: de haren vallen hem uit; wien behoort dit? het bekwam hem kwalijk; het staat mij voor; dat is mij in de gedachten gekomen; hij bleef mij een vriend; dat geviel hem; iemand gelijken, nuttig, getrouw, gevaarlijk zijn; hem geschiedt onregt; mij zijn reeds twee paarden afgestorven; dat is mij te hoog; het wordt mij tot eenen last; het hoofd draait, en het hart klopt mij; en vele anderen meer. Ook wanneer zij eenen vierden naamval der zaak bij zich hebben, als: dat zal hem het leven kosten enz. En bij vele dezer voorbeelden kan ook aan voor den derden naamval gebezigd worden, als: aan wien behoort dit? enz. §. 175. Bij sommige werkwoorden, welke het persoonlijke voorwerp in den derden, en het lijdende in den vierden naamval vorderen, laat zich het persoonlijke voorwerp ook in den vierden naamval plaatsen; doch als dan moet het lijdende voorwerp een voorzetsel bij zich hebben, als: hoe zeer benijd ik u uwe bedaardheid van geest! waar u de derde,bedaardheid de vierde naamval is; maar: hoe zeer benijd ik u, wegens uwe bedaardheid van geest! waar u in den vierden naamval staat. Zoo zegt men ook: ik verzeker het u, en: ik verzeker u daarvan. §. 176. Om te weten, of een naamwoord als het persoonlijke, of als het lijdende voorwerp moet beschouwd worden, gevolgelijk, of het in den derden of vierden naamval moet staan, behoeft men de gansche rede slechts in den lijdenden vorm te verplaetsen. Wordt daar de derde naamval vereischt, dan moet dezelve ook in den bedrijvenden vorm plaats hebben. Men zegt, bij voorbeeld: mij wordt berigt, dat enz.; dit werd mij geantwoord; hem wordt het hoofd afgeslagen; derhalve ook: iemand iets berigten, antwoorden; iemand het hoofd afslaan, enz.; waar iemand de derde, en iets, of het hoofd, de vierde naamval is. §. 177. Alle bedrijvende werkwoorden vorderen eigenlijk eenen
vierden naamval, als het lijdende voorwerp, of datgeen, het zij persoon of
zaak, waartoe het werkwoord zich onmiddellijk uitstrekt, en welke vierde
naamval, in den lijdenden vorm, altoos de eerste wordt: ik zocht u; ik zag
hem; zij vonden eenen schat; de storm vernielde mijne woning; en in den lijdenden vorm: gij werdt gezocht; hij werd gezien enz. Hiertoe behoort ook het werkwoord laten; met de onbepaalde wijs van een ander werkwoord bij zich: laat mij schreijen; laat hem loopen; laat ons gaan enz., niet laat ik, laat hij, laten wij * . Zij lieten hem gaan; ook met den vierden naamval der zaak: laat hem uwe ware meening niet begrijpen; waar echter de tweede vierde naamval van de onbepaalde wijs des werkwoords afhangt. §. 178. Daar de meeste wederkeerige werkwoorden ware bedrijvende werkwoorden zijn, welker werking tot den werkenden persoon te rug gevoerd wordt, zoo moet het wederkeerige voornaamwoord hier ook in den vierden naamval staan: ik bezin mij; ik schaam mij; ik verheug mij; ik verveel mij. Maar, daarentegen, ik herinner het mij; ik vertrouw het mij toe; waar mij de derde naamval is, omdat zich iets herinneren, en iemand iets toevertrouwen den vierden naamval der zaak en den derden |
* L. ten Kate heeft gesteld, dat laat ik gaan,
laten wij gaan, enz. zoo veel is als dat ik ga, dat wij gaan; maar
dat laat mij gaan, laat ons gaan enz. beteekent laat toe, dat ik ga,
dat wij gaan; doch de kundige Nanninga heeft bewezen, dat men, het zij
verzoekende, het zij aansporende, of toelatende, altoos moet zeggen: laat
mij, laat ons enz. Zie de Werken van de Maatschappij der Nederlandsche
letterkunde D. I., bl. 57 en verv.
|
|
des persoons vorderen. Zoo ook bij vele onpersoonlijke werkwoorden, in zoo ver zij eene bedrijvende beteekenis hebben: het bevreemdt mij; het betreft u; het berouwt mij; het verwondert mij; het verdriet mij; het walgt mij enz. §. 179. Insgelijks vele onzijdige werkwoorden, wanneer zij een bedrijf aanduiden, het welk onmiddellijk op een ander voorwerp overgaat, als: zich eenen bogchel lagchen; bloed zweeten; iets niet kunnen gewennen; eenen weg gaan, dat is, op eenen weg; de trappen op en af loopen. Zoo ook eenige onpersoonlijke, als: het sneeuwt groote vlokken; het hagelt heele steenen. Men vermijde echter, zoo bij onzijdige als bedrijvende werkwoorden, zulke vierde naamvallen, die de oorspronkelijke beteekenis van het werkwoord herhalen, als: een goed leven leven; den dood sterven; eenen strijd strijden, enz. Behalve, wanneer het zelfstandige naamwoord eene bijzondere wijs te kennen geeft; zoo zegt men, bij voorbeeld, zeer wel: eenen natuurlijken, eenen geweldigen dood sterven; eenen bitteren drank drinken, eenen goeden strijd strijden. Ook worden de uitdrukkingen: zijnen gang gaan, zijnen slag slaan, een schrift schrijven door het gebruik gewettigd. §. 180. Eenige bedrijvende werkwoorden hebben twee naamwoorden
in den vierden naamval bij zich, als twee verschillende namen van eene en
dezelfde zaak, of, waarvan het eene naamwoord ter nadere verklaring en bepaling van het andere strekt: ik noem hem mijnen vader; hij heet (noemt) mij zijnen vriend; ik heb hem pieter gedoopt (bij den doop pieter genoemd); welke werkwoorden dan, in den lijdenden vorm, twee eerste naamvallen vorderen. §. 181. De bepaling van tijd wordt door den vierden naamval uitgedrukt, en wel, 1. op de vraag wanneer? Hij keerde den zesden dag na het overlijden zijner zuster te rug; 2. op de vraag hoe lang? Ik heb reeds den ganschen dag naar u gewacht; het kind leefde maar zes maanden; 3. op de vraag hoe dikwerf? Ik zie hem alle dagen, alle uren enz. Zoo ook de grootte, breedte, zwaarte, waarde en prijs van eenig ding, als: hij is eenen duim gegroeid; het kost eenen gulden; het weegt een pond enz. Ook in verscheidene andere gevallen wordt de vierde naamval gevorderd; doch dan hangt dezelve van de voorzetselen af. Zie Deel I., bij de voorzetselen. |