G. OVER DE BIJWOORDEN.

 

§. 194. Daar de bijwoorden, eigenlijk, tot de werkwoorden, en niet onmiddellijk tot de zelfstandige naamwoorden behooren, zoo is het verkeerd, daar een bijwoord te gebruiken, waar de zin der rede een bijvoegelijk naamwoord bij het zelfstandige naamwoord vordert. Men kan, bij voorbeeld, wel zeggen: hij heeft den mond vol - den zak, de hand vol, omdat het bijwoord vol eigenlijk op het werkwoord hebben slaat; maar niet: hij heeft de wangen rood, in plaats van hij heeft roode wangen, dewijl rood hier eigenlijk tot wangen, en niet tot het werkwoord hebben behoort.

§. 195. Ook kan, in sommige gevallen, het bijwoord

[p. 281]

zoo wel tot het lijdende voorwerp, als tot het werkwoord betrekkelijk gemaakt worden; zoo zegt men ook, bij voorbeeld: hij beschrijft hem eenvoudig, waarbij het denkbeeld eener eenvoudige beschrijving natuurlijk verwekt wordt; doch daar het bijwoord hier ook op het lijdende voorwerp betrekkelijk gemaakt kan worden, en hierdoor derhalve dubbelzinnigheid zou kunnen ontstaan, zoo neemt men, wanneer het bijwoord eenvoudig niet op beschrijven, maar op hem moet toegepast worden, deze dubbelzinnigheid, door eene nadere bepaling, weg, en men zegt: hij beschrijft hem als eenvoudig, of als eenen eenvoudigen man.

§. 196. De bijwoorden staan altoos daar, waar hunne werking vereischt wordt, en wel gemeenlijk voor het woord, waarop zij betrekking hebben, als: het is een altoos werkzaam man, niet: het is altoos een werkzaam man. Het is ons niet geoorloofd, dit te doen, beteekent iets anders, dan: het is ons geoorloofd, dit niet te doen.

§. 197. Een bijwoord wordt, even als ten aanzien van de bijvoegelijke naamwoorden plaats heeft  *  , of als in betrekking tot zekere werking alleen gebezigd, bij voorbeeld: hij spreekt bevallig; zij zingt verrukkelijk; of de wijs van werken wordt tusschen twee dingen verdeeld, en wel in eene gelijke, of ongelijke maat. Het eerste geschiedt door de woordjes zoo en als,bij voorbeeld: gij schrijft zoo fraai als hij. Het andere heeft plaats, wanneer aan de

 *  Zie §. 57, 58.


[p. 282]

eene zaak zekere werking, in eene grootere of mindere maat, toegekend wordt, dan aan de andere; het welk door den vergrootenden trap des bijwoords met dan geschiedt, als: zij zingt liefelijker dan hij.

§. 198. Wordt de eene zaak, ten aanzien dezer werking, boven alle overige zaken van dezelfde soort verheven, dan geschiedt dit door middel van den overtreffenden trap, met ten en op het, als: ik heb het hem ten ernstigste, ten nadrukkelijkste aanbevolen, ten sterkte gezegd; ook op het ernstigste, op het nadrukkelijkste; of zonder voorzetsel: zij zingt het beste.

§. 199. Dikwerf moet de beteekenis van een bijwoord, of als bijwoord gebezigd bijvoegelijk naamwoord, door een werkwoord volledig gemaakt en verklaard worden; en dit geschiedt door de onbepaalde wijs met te, of om te; en wel bij zulke bijwoorden, die eene mogelijkheid, ligtheid, moeijelijkheid, noodzakelijkheid, pligtmatigheid, begeerte enz. aanduiden, als: mogelijk te zien; ligt te raden; zwaar, moeijelijk, te zeggen; hard te bijten; verpligt te geven; bereid te volgen; begeerig te zien enz., ook begeerig om te zienenz. Goed, ligt, kwaad, slecht, moeijelijk, gemakkelijk enz. vergenoegen zich, in zekere gevallen, met de onbepaalde wijs, zonder te, als: gij hebt goed, ligt zeggen; het is hier goed wonen, slecht zitten, moeijelijk gaan, gemakkelijk liggen, enz.

§. 200. Het woord zonder, als bijwoord gebezigd, heeft, om de kortheid, dikwerf de onbepaalde

[p. 283]

wijs der werkwoorden met te bij zich, als: zij kon daarvan niet spreken, zonder te schreijen, dat is, zonder dat zij schreide. Kon hij zich zoo hooren beschuldigen, zonder te antwoorden? Ik sprak met hem, zonder te weten, wie hij was, dat is, zonder dat ik wist, enz.

§. 201. Wanneer eene ontkenning plaats heeft, welke in het werkwoord reeds opgesloten ligt, mag dezelve niet herhaald worden, bij voorbeeld: hij ontkende, het niet gedaan te hebben, of dat hij het niet gedaan had, voor: hij ontkende het gedaan te hebben, of dat hij het gedaan had. Zelfs, wanneer de ontkenning niet zoo duidelijk is, als: wacht u, het niet te zeggen, voor: wacht u, het te zeggen.

§. 202. Wanneer een werkwoord eene ontkenning behelst, of wanneer eene ontkenning in hetzelve opgesloten ligt, en de volgende daartoe behoorende uitdrukking insgelijks ontkennend is, dan heeft eene dubbele ontkenning, als eene soort van toestemming en bevestiging, plaats, bij voorbeeld: dat belet niet, dat hij het echter niet zou gezegd hebben; daar was niemand, die niet hartelijk lachte, enz. Somwijlen strekt niet, om de bevestigende uitdrukking te versterken, als: hoe gelukkig zouden zij niet geleefd hebben! wat heb ik van hem niet al gehoord! enz. Maar dikwerf wordt het overtollig en geheel verkeerd gebezigd, als: ach, hoe koud ben ik niet! enz.  *  

 *  Voorheen plagt men ook in onze, even als in de Grieksche en Fransche taal, overal, behalve bij de onbepaalde wijs der werkwoorden en de deelwoorden, twee ontkennende woorden te bezigen, om daarmede te sterker te ontkennen. Zoo zeide men, bij voorbeeld, met ons ontkennend en, voor het oude ne, dat is niet: hij en kan, of hij ne kan, voor: hij kan niet; en dit is nog aanwezig in ons ten zij, ten ware, eigenlijk 't en zij, 't en ware, voor het en zij, het en ware, dat is: indien het niet zij, indien het niet ware. Maar men zeide ook hij en kan niet; ik en weet niet; of: hij ne kan niet; ik ne weet niet. Van welk en, voor ne, in den zin van niet, Hooft, Vondel, en anderen zich dikwerf bediend hebben. Zoo lezen wij ook, in opzigt tot de dubbele ontkenning, bij Vondel, (Virgil., bl. 423): dewijl hij nergens niet Den Schutter van den schicht, noch zijnen schilhoek ziet. Doch dit wordt door het tegenwoordige gebruik niet voorgestaan.